Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA8879

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
07-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
23797/HAZA 97-977
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 7 december 2000.

V O N N I S

van de Arrondissementsrechtbank te Roermond

in de zaak van:

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie:

[eiser]

wonende te Posterholt,

procureur mr. H.M.J. Offermans;

tegen:

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie:

[gedaagde]

procureur mr. J.W.E.M. Guzik.

Het verdere verloop van de procedure.

Dit blijkt uit de navolgende zich in het rechtbankdossier bevindende stukken:

het door deze rechtbank gewezen vonnis van 20 juli 2000, met alle daarin reeds vermelde processtukken;

het proces-verbaal van comparitie van 11 september 2000.

De inhoud van deze stukken dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het verdere oordeel van de rechtbank.

In conventie en in reconventie.

1. De rechtbank verwijst naar en volhardt bij hetgeen in genoemd vonnis van 20 juli 2000 is overwogen en beslist.

In conventie.

2. In de eerste plaats vordert eiser dat de koopovereenkomst van partijen wordt vernietigd op grond van bedrog aan de zijde van gedaagde. Het bedrog van [gedaagde] bestaat uit drie elementen: [gedaagde] heeft op 3 maart 1997 reeds geweten dat [eiser] de beoogde compensatiegrond aan de Heinsbergerweg niet meer van de gemeente kon verkrijgen. Vervolgens heeft [gedaagde] gelogen over de reden om de levering van de grond in twee gedeelten te laten geschieden. Tenslotte heeft [gedaagde] in strijd met de waarheid meegedeeld dat hij het perceel voor zichzelf zou gaan gebruiken. [gedaagde] heeft deze stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

3. Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de koopovereenkomst van partijen vernietigbaar wanneer deze door bedrog is tot stand gekomen. Blijkens het derde lid van dat artikel is bedrog aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Met dit bedrog wordt beoogd de wederpartij in dwaling te brengen en daardoor tot het aangaan der overeenkomst te bewegen. Wil bedrog in casu worden aangenomen, dan zal moeten komen vast te staan dat het de bedoeling van [gedaagde] is geweest om bij [eiser] een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid op te wekken en hem zo te bewegen tot het aangaan van de overeenkomst. Voorts moet aannemelijk worden dat [eiser] zonder het bedrog de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.

4. Zoals de rechtbank in overweging 2 heeft aangegeven, heeft [eiser] drie elementen van bedrog gesteld. De rechtbank zal eerst ingaan op de stelling dat [gedaagde] bij het aangaan van de koopovereenkomst van partijen op 3 maart 1997 reeds heeft geweten dat [eiser] de beoogde compensatiegrond gelegen aan de Heinsbergerweg niet meer van de gemeente kon verkrijgen. [eiser] leidt deze stelling af uit het feit dat [gedaagde] nooit aan [eiser] heeft meegedeeld dat het aanbod van de gemeente Ambt Montfort, hierna te noemen: de gemeente, om compensatiegrond te leveren maar tot 31 december 1996 gold.

De rechtbank is van oordeel dat deze stelling niet aannemelijk is geworden. Zij overweegt daartoe het volgende. Uit de bij conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie als producties 4 en 5 overgelegde concepten voor een koopovereenkomst tussen partijen blijkt dat deze in december 1996 tussen partijen in discussie zijn geweest omdat blijkens het laatste blad van deze concepten ondertekening van de koopovereenkomst in december 1996 was voorzien. Zulks blijkt ook uit de stellingen van [eiser] die in de conclusie van dupliek in reconventie spreekt van overeenstemming op 29 november 1996 conform de als productie 4 overgelegde concept-overeenkomst. Beide concept-overeenkomsten verbinden aan de verplichting van [gedaagde] om van de gemeente cultuurgrond ter grootte van 5.23 ha te kopen (en voor dezelfde prijs aan [eiser] door te verkopen) de voorwaarde dat [eiser] daaromtrent voor 31 december 1996 een mededeling doet aan [gedaagde]. Het kan [eiser] die ten tijde van de onderhandelingen met betrekking tot de verkoop van grond aan de Middenweg voorzien was van rechtsgeleerde bijstand, niet zijn ontgaan dat van hem voor 31 december 1996 actie werd verwacht om een bepaald resultaat, namelijk het verwerven van 5.23 ha cultuurgrond te bewerken. Als onweersproken staat vast dat [eiser] deze mededeling niet aan [gedaagde] heeft gedaan.

Bovendien was [eiser] mede naar aanleiding van een overleg dat hij op 26 november 1996 met de gemeente heeft gehad, met de gemeente in gesprek geraakt over zijn belangstelling voor de aankoop van pachtvrije percelen die bij de gemeente in eigendom waren. Op 17 december 1996 heeft hij in een onderhoud met de heer Plompen van de gemeente aangegeven welke percelen zijn belangstelling hadden. Blijkens het verslag van dat onderhoud is aan [eiser] medegedeeld ten behoeve van de eventuele aankoop een schriftelijk verzoek te doen aan het college van burgemeester en wethouders waarna een voorstel aan het college zal worden gedaan. Vast staat dat [eiser] een zodanig schriftelijk verzoek niet aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft gedaan; wel heeft hij mondeling van zijn belangstelling voor verschillende percelen doen blijken zodanig dat de rechtbank het er in haar vonnis van 29 april 1999 in de zaak tussen [eiser] en de gemeente rechtens voor heeft gehouden dat er in december 1996 een verzoek van [eiser] tot aankoop van landbouwgronden lag.

Vervolgens heeft de gemeente gewerkt aan een voorstel met betrekking tot de bestemming van pachtvrije gronden. Dit voorstel, inclusief het voorstel pachtperceel 24 aan de Heinsbergerweg waarvoor [eiser] belangstelling had getoond, niet aan [eiser] te verkopen, is blijkens het voorstel voor de raadsvergadering van 13 maart 1997 voor het eerst in de openbaarheid behandeld in de vergadering van de commissie grondzaken op 18 februari 1997 en vervolgens in die van de commissie financiën op 25 februari 1997. Bij het aangaan van de koopovereenkomst op 3 maart 1997 was dit standpunt van de gemeente kenbaar. Onduidelijk is of [gedaagde] van dit standpunt kennis heeft genomen. Zulks is niet uit de processtukken gebleken. Het standpunt van de gemeente was niet alleen voor [gedaagde] kenbaar, doch ook voor [eiser]. Het ging immers om openbare gegevens. Gelet op het belang dat [eiser] hechtte aan het verkrijgen van de compensatiegrond aan de Heinsbergerweg, had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij zich hieromtrent actief had geïnformeerd en kan het feit dat [eiser] dat heeft nagelaten, niet aan [gedaagde] worden tegengeworpen. Dit leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat [eiser] bij het sluiten van de koopovereenkomst op 3 maart 1997 op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de gemeente hem niet de door hem gewenste cultuurgrond aan de Heinsbergerweg zou verkopen.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] gelet op de belangen die voor hem op het spel stonden, zich actief op de hoogte had moeten stellen van deze voor hem belangrijke ontwikkelingen. Onder bovengenoemde omstandigheden kan niet worden gezegd dat de -voorzover daarvan al sprake is- onjuiste voorstelling bij [eiser] namelijk dat hij van de gemeente de beoogde compensatiegrond aan de Heinsbergerweg zou kunnen verkrijgen, het gevolg is van een opzettelijk daartoe door [gedaagde] gedane onjuiste mededeling of van een opzettelijk door deze verzwegen feit terwijl hij tot mededeling van dat feit gehouden was. Voorzover al sprake is van een onjuiste voorstelling bij [eiser] is dat naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van tekortschieten aan de zijde van [eiser] zelf door zich niet (voldoende) te informeren over de ontwikkelingen met betrekking tot de door hem gewenste compensatiegrond.

Ook de mededeling van [gedaagde] naar aanleiding van het telefoongesprek op 1 maart 1997 met wethouder N. van de gemeente dat [eiser] voor de toewijzing van het betreffende perceel in aanmerking kwam, stuit af op de onderzoeksplicht aan de zijde van [eiser], te meer nu -naar de stellingen van [eiser] bij comparitie- zijn raadsman tijdens dat telefoongesprek geen bevestiging van de juistheid van deze mededeling van de wethouder heeft gekregen. Niet aannemelijk is geworden dat [eiser] door dit eerste element van gesteld bedrog aan de zijde van [gedaagde] tot het aangaan van de koopovereenkomst van 3 maart 1997 is bewogen.

5. Als tweede element van bedrog heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] een valse reden heeft opgegeven om de levering van de grond in twee gedeelten te laten geschieden. [eiser] heeft evenwel op geen enkele wijze gesteld dat deze door [gedaagde] opgegeven reden hem er toe heeft gebracht een koopovereenkomst met [gedaagde] aan te gaan die hij anders niet zou zijn aangegaan als hij die reden niet zou hebben gekend. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank aan deze stelling van [eiser] voorbijgaan.

6. Als derde element van bedrog heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] in strijd met de waarheid bij de behandeling van het kort geding heeft meegedeeld dat hij het achterste deel van het perceel aan de Middenweg voor zichzelf zou gaan gebruiken. [gedaagde] heeft het perceel gesplitst en een deel ervan doorverkocht. Ook ten aanzien van dit element heeft [eiser] niet gesteld dat hij de koopovereenkomst van 3 maart 1997 niet zou zijn aangegaan als hij de juiste stand van zaken had geweten. Reeds om deze reden zal de rechtbank de stelling van [eiser] passeren.

Daar komt nog bij dat dit derde door [eiser] gestelde element van bedrog is meegedeeld bij de behandeling van het kort geding. Uit de gedingstukken is gebleken dat het kort geding op 27 oktober 1997 heeft gediend voor de president van deze rechtbank. Dit derde element van bedrog is derhalve meegedeeld nadat de koopovereenkomst van 3 maart 1997 reeds was gesloten. Door de tijdsvolgorde van de koopovereenkomst en mededeling is uitgesloten dat [eiser] door deze mededeling bewogen kan zijn tot het aangaan van de koopovereenkomst van 3 maart 1997. Ook indien de rechtbank deze stelling van [eiser] niet had gepasseerd, kan dit gestelde derde element niet leiden tot vernietiging van de koopovereenkomst van partijen.

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gestelde elementen van bedrog niet aannemelijk zijn geworden en derhalve niet kunnen leiden tot de vernietiging van de koopovereenkomst van 3 maart 1997.

8. In de tweede plaats vordert [eiser] dat de koopovereenkomst van partijen wordt vernietigd op grond van dwaling. De overeenkomst van 3 maart 1997 zou [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken niet hebben gesloten. De dwaling is te wijten aan een door [gedaagde] gegeven onjuiste voorstelling van zaken. Hij heeft [eiser] namelijk voorgehouden dat hij compensatiegrond van de gemeente kon verkrijgen terwijl hij voor 3 maart 1997 moet hebben geweten dat de gemeente na 31 december 1996 geen compensatiegrond meer wilde leveren. Vervolgens bestaat dwaling aan de zijde van [eiser] omdat [gedaagde] in verband met hetgeen hij wist of behoorde te weten, [eiser] had behoren in te lichten over de voorwaarden waaronder de gemeente aan [gedaagde] de compensatiegrond had toegezegd, alsmede over het feit dat [gedaagde] vanaf 18 december 1996 wist dat de milieustraat niet door zou gaan en daarmee de grondslag voor de onteigening van het perceel aan de Middenweg zou wegvallen. Tenslotte is in het geval [gedaagde] er zelf niet van op de hoogte was dat de gemeente geen compensatiegrond meer wilde leveren, sprake van wederzijdse dwaling. [gedaagde] heeft deze stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

9. [eiser] doet een beroep op alle drie dwalingsgronden van artikel 6:228, eerste lid, BW. Ingevolge dit artikellid is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

Blijkens het tweede lid van genoemd artikel kan de vernietiging niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

10. De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep op dwaling als volgt. Zij verwijst naar hetgeen zij in overweging 4 heeft betoogd ten aanzien van de onderzoeksplicht aan de zijde van [eiser].

De implicatie van dat betoog is dat -zo er aan de zijde van [eiser] sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken- hij dat aan zichzelf te wijten heeft nu hij is tekortgeschoten in het onderzoeken van een naar zijn zeggen voor hem essentiële omstandigheid. Een eventuele onjuiste voorstelling van zaken is niet het gevolg van een inlichting van [gedaagde] noch van een zwijgen van [gedaagde] waar hij had moeten spreken. Ook van de situatie bedoeld in artikel 6:228, eerste lid onder c, BW is geen sprake. Zelfs als de rechtbank aanneemt dat zowel bij [eiser] als [gedaagde] sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken, gaat het niet om dezelfde onjuiste voorstelling. Waar [eiser] immers heeft gesteld dat hij heeft gecontracteerd omdat hij compensatiegrond van de gemeente kon verkrijgen hetgeen een resultaatsverplichting inhoudt, heeft [gedaagde] dat blijkens zijn stellingen gedaan omdat hij zich ingevolge artikel 11, eerste lid, van de koopovereenkomst tot het uiterste zou inspannen om cultuurgrond ten behoeve van [eiser] te kopen en aldus niet een resultaatsverplichting doch een inspanningsverplichting op zich nam.

Met betrekking tot de stelling van [eiser] dat [gedaagde] [eiser] had behoren in te lichten over het feit dat de milieustraat niet door zou gaan en daarmee de grondslag voor de onteigening van het perceel aan de Middenweg zou wegvallen, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de gemeente ligt om in het geval van een beleidswijziging en het wegvallen van een onteigeningsgrond de eigenaar van het te onteigenen perceel daarvan op de hoogte te brengen. Uit de omstandigheid dat de gemeente [gedaagde] als belangstellende voor het perceel aan de Middenweg van haar beleidswijziging op de hoogte heeft gesteld, heeft [gedaagde] niet behoeven te begrijpen dat hij vervolgens [eiser] als eigenaar van dat perceel daarover zou dienen te informeren. Geheel terzijde merkt de rechtbank op dat zij begrijpt dat [eiser] ervan op de hoogte was dat de vestiging van de milieustraat aan de Middenweg geen doorgang zou vinden; de rechtbank leidt dat af uit het feit dat [eiser] bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie als productie IX heeft overgelegd een krantenknipsel uit het Dagblad De Limburger van 21 december 1996 waarin melding wordt gemaakt dat op grond van een afspraak tussen de gemeente en de Afvalverwerking Limburg de milieustraat aan de Middenweg niet doorgaat. Tenminste had dit bericht voor [eiser] aanleiding kunnen zijn bij de gemeente informatie in te winnen over de juistheid van dit bericht en over de consequenties daarvan voor de onteigeningsprocedure. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] dat heeft gedaan.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat noch in de koopovereenkomst van 3 maart 1997 noch in de voorliggende concepten van december 1996 een ontbindende voorwaarde is opgenomen voor het geval [eiser] direct of indirect geen compensatiegrond van de gemeente zou kunnen verwerven. Dat had naar het oordeel van de rechtbank zonder meer voor de hand gelegen indien het verwerven van compensatiegrond een voor [eiser] essentiële omstandigheid voor het aangaan van een koopovereenkomst was geweest. Zulks was ook praktisch mogelijk geweest nu [eiser] ten tijde van de onderhandelingen die uiteindelijk tot de koopovereenkomst van 3 maart 1997 hebben geleid, werd bijgestaan door zijn advocaat. De stelling van [eiser] bij pleidooi dat het niet nodig was een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst op te nemen nu [gedaagde] had gezegd dat hij voor compensatiegrond kon zorgen en daarmee in de visie van [eiser] een resultaatsverbintenis op zich nam, stuit af op het oordeel van de rechtbank dat artikel 11, eerste lid, van de koopovereenkomst, met name door de inhoud van de handgeschreven toevoeging, moet worden begrepen als een inspanningsverplichting en niet als een resultaatsverplichting. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] gesteld dat hij op 3 maart 1997 bij de notaris met de toevoeging aan artikel 11, eerste lid, van de koopovereenkomst heeft ingestemd onder invloed van de mededeling dat [gedaagde] goede contacten had met de gemeente en de dreiging van de zijde van [gedaagde] met hoge geldboetes indien hij zijn medewerking niet zou verlenen. [gedaagde] heeft deze gang van zaken ter comparitie weersproken. De rechtbank houdt het op voorhand al voor uiterst onwaarschijnlijk dat in tegenwoordigheid van de notaris sprake zou zijn van dreigingen van de zijde van [gedaagde], meer bepalend acht zij dat [eiser] die immers bij voortduring was voorzien van rechtsgeleerde bijstand, zich had kunnen verstaan met zijn raadsman over de betekenis en strekking van deze toevoeging. Gesteld noch gebleken is dat deze mogelijkheid niet reëel was. Op deze grond is de rechtbank van oordeel dat [eiser] gehouden kan worden aan de gewijzigde tekst van artikel 11, eerste lid, van de koopovereenkomst.

Voorts staat als niet weersproken vast dat [gedaagde] voor het perceel aan de Middenweg een reële prijs heeft betaald die beduidend hoger lag dan de prijs die [eiser] in het geval van onteigening had kunnen ontvangen.

Onder deze omstandigheden had [gedaagde] er geen rekening mee behoeven te houden dat het niet verwerven van compensatiegrond door [eiser] voor deze een reden zou zijn geweest om de koopovereenkomst van 3 maart 1997 niet aan te gaan. Nog daargelaten of [eiser] heeft gedwaald, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat, zo [eiser] heeft gedwaald, die dwaling in verband met bovengenoemde omstandigheden van het geval voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat de door [eiser] gestelde dwaling niet aannemelijk is geworden en derhalve niet kan leiden tot de vernietiging van de koopovereenkomst van 3 maart 1997.

12. In de derde plaats vordert [eiser] vernietiging van de koopovereenkomst van 3 maart 1997 op grond van misbruik van omstandigheden door [gedaagde]. Omdat de gemeente het perceel van [eiser] aan de Middenweg wilde onteigenen en daartoe een procedure was gestart, verkeerde [eiser] in een dwangpositie. Hij kon niet doen of laten wat hij wilde met zijn grond; hij verkeerde in een afhankelijke positie. [gedaagde] heeft daarvan misbruik gemaakt door [eiser] compensatiegrond in het vooruitzicht te stellen. [gedaagde] heeft deze stelling gemotiveerd weersproken.

13. Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, BW is de koopovereenkomst van partijen vernietigbaar wanneer deze door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen. Blijkens het vierde lid van dat artikel is misbruik van omstandigheden aanwezig wanneer iemand die weet of moet weten dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Ook in het geval van een beroep op misbruik van omstandigheden moet er een causaal verband bestaan tussen de omstandigheden waarin iemand verkeert en het sluiten van de overeenkomst in die zin dat de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten indien deze persoon niet door de omstandigheden waarin hij verkeert, daartoe zou zijn bewogen. Van die omstandigheden wordt door de wederpartij misbruik gemaakt wanneer deze de overeenkomst sluit terwijl de wederpartij die omstandigheden kent en uit die overeenkomst kenbare nadelen voortvloeien voor het slachtoffer.

14. Bij de beoordeling van [eiser]’ beroep op misbruik van omstandigheden beschouwt de rechtbank als hier herhaald en ingelast hetgeen zij heeft uiteengezet in de overwegingen 4 ten aanzien van de onderzoeksplicht van [eiser] en 10 ten aanzien van de daar aangehaalde omstandigheden waaronder de koopovereenkomst van 3 maart 1997 is tot stand gekomen. Een en ander houdt in dat een eventuele onjuiste voorstelling van zaken bij [eiser] niet het gevolg is van een handelen of een nalaten aan de zijde van [gedaagde].

Opnieuw spreekt de rechtbank als haar oordeel uit dat artikel 11, eerste lid, van de koopovereenkomst een inspanningsverplichting voor [gedaagde] schept en niet een resultaatsverplichting. [eiser] miskent het karakter van dit artikel door te stellen dat [gedaagde], de benarde en afhankelijke positie van [eiser] kennende, daarop heeft ingespeeld door [eiser] compensatiegrond in het vooruitzicht te stellen en er aldus van uit te gaan dat [gedaagde] zich heeft verbonden een bepaald resultaat tot stand te brengen.

Voor de beoordeling van dit beroep op misbruik van omstandigheden is, nog daargelaten of de positie zoals [eiser] die stelt, een benarde en afhankelijke positie oplevert, verder van belang de vraag of er voor [gedaagde] kenbare nadelen uit de overeenkomst voortvloeiden voor [eiser]. Daartoe overweegt de rechtbank dat [gedaagde] zoals onweersproken is gesteld, een reële prijs voor het perceel aan de Middenweg heeft betaald, een prijs die beduidend hoger was dan het bedrag dat [eiser] had verkregen indien dit perceel was onteigend. Met die opbrengst verkreeg [eiser] de financiële mogelijkheid om elders gronden ten behoeve van zijn bedrijf aan te kopen. Naar het oordeel van de rechtbank is van benadeling dan ook geen sprake.

15. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gestelde misbruik van omstandigheden niet aannemelijk is geworden en derhalve niet kan leiden tot de vernietiging van de koopovereenkomst van 3 maart 1997.

16. Op grond van hetgeen de rechtbank in de overwegingen 2 tot en met 15 ten aanzien van de primaire grondslag onder I van [eiser] vordering heeft overwogen, moet die vordering op die grondslag worden afgewezen.

17. Als subsidiaire grondslag onder I heeft [eiser] gevorderd dat de overeenkomst van 3 maart 1997 wordt ontbonden omdat [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen. [eiser] stelt verder dat [gedaagde] zijn in de overeenkomst opgenomen verplichting om compensatiegrond te leveren niet is nagekomen. Bij conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie heeft [eiser] verder gesteld dat [gedaagde] zijn inspanningsverplichting onvoldoende is nagekomen door geen bespreking met de verantwoordelijke wethouder te voeren, niet te bellen of te schrijven en niet op de levering van de grond aan te dringen. [gedaagde] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

18. Het betoog van [eiser] dat [gedaagde] de op hem rustende verplichting om compensatiegrond te leveren niet is nagekomen, rust op de veronderstelling dat op [gedaagde] een resultaatsverplichting rust. Deze veronderstelling is zoals de rechtbank in overweging 10 heeft uiteengezet en welke uiteenzetting zij hier als herhaald en ingelast beschouwt, onjuist. Nu de inhoud van de koopovereenkomst van 3 maart 1997 [gedaagde] ook niet verplichtte tot de levering van compensatiegrond, is de stelling dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst eveneens onjuist.

Ook [eiser]’ als subsidiair te beschouwen stelling dat [gedaagde] zijn inspanningsverplichting niet is nagekomen, is onjuist. Vast staat dat [gedaagde] op 1 maart 1997 zich in een telefoongesprek met wethouder N. van de gemeente voor de belangen van [eiser] heeft ingespannen. Eveneens staat vast dat naar aanleiding van dit telefoongesprek [gedaagde] enkele dagen later een gesprek heeft gehad met de heer P., ambtenaar van de gemeente. De stelling van [gedaagde] bij pleidooi dat P. tijdens die bespreking heeft meegedeeld dat [eiser] sedert december 1996 rechtstreeks onderhandelde c.q. in gesprek was met de gemeente terzake de aankoop van het perceel aan de Heinsbergerweg, vindt bevestiging in de stelling van [eiser] dat hij in december 1996 zijn belangstelling voor verschillende percelen, waaronder dat aan de Heinsbergerweg, heeft kenbaar gemaakt aan de gemeente en het oordeel van de rechtbank als vermeld in overweging 4, dat het er rechtens voor moet worden gehouden dat er in december 1996 een verzoek van [eiser] tot aankoop van landbouwgronden lag.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat voor partijen kenbaar was dat de raad van de gemeente op 13 maart 1997 een besluit zou nemen over de bestemming van de pachtvrije gronden die bij de gemeente in eigendom waren. De raad heeft op 13 maart 1997 besloten pachtperceel 24 aan de Heinsbergerweg niet aan [eiser] te verkopen. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] zijn inspanningsverplichting niet is nagekomen, maar [eiser] heeft nagelaten aan te geven wat in het licht van het voorgaande van [gedaagde] had mogen worden verwacht en op welke wijze inspanningen van [gedaagde] nog hadden kunnen leiden tot het verwerven door [eiser], al dan niet via [gedaagde], van de bewuste grond aan de Heinsbergerweg.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat [gedaagde] zich onvoldoende heeft ingespannen de op hem rustende verplichtingen ingevolge de koopovereenkomst van 3 maart 1997 na te komen.

19. De rechtbank komt tot de conclusie dat de gestelde toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] niet aannemelijk is geworden en derhalve niet kan leiden tot de ontbinding van de koopovereenkomst van 3 maart 1997.

20. Nu de rechtbank van oordeel is dat zowel de primaire als de subsidiaire grondslag voor vordering I niet aannemelijk zijn geworden, dient deze vordering te worden afgewezen.

21. Door het accessoire karakter van vordering II moet deze vordering worden afgewezen reeds op de grond dat de rechtbank vordering I zal afwijzen.

22. Vervolgens heeft [eiser] bij akte na pleidooi, tevens vermeerdering van eis gevorderd dat indien de vorderingen I en II worden afgewezen [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat en volgens de wet. Ter comparitie hebben partijen ermee ingestemd dat, voorzover aansprakelijkheid in rechte zal worden vastgesteld, de hoogte van de toe te rekenen schade verder in deze procedure zal worden vastgesteld en niet bij afzonderlijke schadestaatprocedure. Nu de rechtbank in voorgaande overwegingen tot het oordeel is gekomen dat [gedaagde] in rechte niet aansprakelijk is en deswegen de grondslag voor deze vordering is weggevallen, zal zij ook deze vordering afwijzen.

23. Door het accessoire karakter van vordering III moet deze vordering eveneens worden afgewezen op de grond dat de rechtbank de voorliggende vorderingen zal afwijzen.

24. Gelet op voorgaande overwegingen zal de rechtbank de vordering in conventie integraal afwijzen.

In reconventie.

25. [gedaagde] stelt dat [eiser] ingevolge artikel 13, derde lid, van de koopovereenkomst van 3 maart 1997 een boete van 10% van de koopsom heeft verbeurd door het tweede gedeelte van de cultuurgrond waar deze koopovereenkomst betrekking op heeft, niet te leveren uiterlijk op het in die overeenkomst voorziene tijdstip, te weten 1 september 1997. De rechtbank stelt vast dat [eiser], na daartoe een- en andermaal te zijn gesommeerd en bij vonnis van de president van deze rechtbank in kort geding van 6 november 1997 te zijn verplicht op straffe van een dwangsom, eerst op 17 november 1997 zijn medewerking heeft verleend bij het passeren van de notariële akte met betrekking tot dit tweede gedeelte. Daarmee staat in beginsel vast dat [eiser] in verzuim is en een boete van 10% van de koopsom heeft verbeurd.

26. [eiser] bestrijdt deze vaststelling door te stellen dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst van 3 maart 1997 nu het [gedaagde] zelf is die ten opzichte van hem in verzuim is door niet de op [gedaagde] rustende verplichting na te komen, te weten zorg te dragen dat [eiser] de compensatiegrond aan de Heinsbergerweg zou verkrijgen. De rechtbank deelt deze opvatting van [eiser] niet. Zij is van oordeel, gelijk zij eerder in overweging 10 heeft uiteengezet, dat [eiser] er ten onrechte aan voorbij gaat dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van genoemde koopovereenkomst op [gedaagde] niet een resultaatsverbintenis doch een inspanningsverbintenis rust waaraan [gedaagde] onder de gegeven omstandigheden in voldoende mate heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds om deze reden [gedaagde] niet in verzuim jegens [eiser]. De consequentie van dit oordeel is dat [eiser] zich er niet met vrucht op kan beroepen dat hij terecht zijn leveringsplicht met betrekking tot het tweede gedeelte heeft opgeschort en dat hij aldus is tekortgeschoten jegens [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst van partijen.

27. Vervolgens betoogt [eiser] dat de boete geen ¦ 64.000,= doch hoogstens

¦ 32.000,= kan belopen nu de boete 10% van de koopsom bedraagt en de koopsom voor het onderhavige tweede gedeelte ¦ 320.000,= bedroeg. De rechtbank verwerpt dit betoog nu uit de koopovereenkomst van 3 maart 1997, met name artikel 13, derde lid, blijkt dat het de bedoeling van partijen is geweest de boete van 10% te berekenen over de totale koopprijs en de totale koopprijs blijkens de overeenkomst

¦ 640.000,= bedraagt.

28. Verder doet [eiser] een beroep op matiging op grond van artikel 6:94 BW. Nu [gedaagde] in de opvatting van [eiser] in casu geen schade heeft geleden, is gelet op de omstandigheden van het geval een matiging van de boete tot nihil alleszins gerechtvaardigd. De rechtbank deelt deze stelling van [eiser] alleen al niet omdat zij het betoog van [gedaagde], bij pleidooi gedaan, aannemelijk acht, namelijk dat [gedaagde] kosten heeft moeten maken om [eiser] te bewegen zijn medewerking te verlenen aan de levering van het tweede gedeelte van de verkochte cultuurgrond. Nu de feitelijke grondslag van het verzoek van [eiser] wegvalt, vereist de billijkheid geen matiging van de contractuele boete tot nihil zoals bepleit.

29. Tenslotte stelt [eiser] dat de boeteclaim afgewezen dient te worden op grond van de redelijkheid en de billijkheid van artikel 6:248 BW. [eiser] heeft aan deze stelling ten grondslag gelegd dat hij door toedoen van [gedaagde] is benadeeld. Deze grondslag is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan zoals zij reeds in overwegingen 4, 10, 14 en 18 heeft betoogd, zodat zij om deze reden geen termen aanwezig acht de boeteclaim af te wijzen. In de omstandigheid dat het eerste deel van de grond aan de Middenweg al was geleverd, vindt de rechtbank aanleiding de boete te matigen tot een bedrag van ¦ 32.000,=.

30. Nu de rechtbank de verweren van [eiser] tegen de reconventionele vordering van [gedaagde] behoudens het verweer tot matiging op grond van de redelijkheid en de billijkheid heeft verworpen, ligt deze vordering voor toewijzing tot een bedrag van ¦ 32.000,= gereed. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 24 september 1997.

In conventie en in reconventie.

31. De rechtbank zal [eiser] als de in conventie geheel in het ongelijk gestelde partij en als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank:

In conventie:

Wijst het gevorderde af;

In reconventie:

Veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te voldoen de somma van ¦ 32.000,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 september 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

In conventie en in reconventie:

Veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot op heden begroot op ¦ 6.450,= aan salaris procureur en ¦ 370,= aan griffierecht;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van 7 december 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.