Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA8536

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-10-2000
Datum publicatie
28-11-2000
Zaaknummer
99/1189 IOAZ K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op van toepassing verklaarde artikelen van de Wet op de Vermogensbelasting 1964 had verweerder uit dienen te gaan van de vastgestelde waarde in het kader van de WOZ; vraag of van deze vaststelling kan worden afgeweken.

Vaststelling waarde van de door eiseres bewoonde woning i.v.m. toekenning uitkering IOAZ. Zoals in het rapport van het IMK aangegeven is de woning van eiseres per 1 januari 1995 in het kader van de WOZ op f. 200.000,- gewaardeerd. Bij de vaststelling van de waarde van het onroerend goed van eiseres had verweerder, gelet op de van toepassing verklaarde artikelen van de Wet op de vermogensbelasting 1964, van deze waarde dienen uit te gaan. Nu verweerder dat niet heeft gedaan berust het besluit van 15 november 1999 in dat opzicht op een onjuiste wettelijke grondslag en komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiseres dienen te beslissen met in achtneming van het vorenstaande. Daarbij zal de vraag moeten worden beantwoord of de voorgeschreven wijze van vaststelling van de waarde van het onroerend goed van eiseres in het kader van de IOAZ ruimte biedt om af te wijken van de waardevaststelling ingevolge de WOZ, in het geval die waardevaststelling niet helemaal juist zou zijn geschied. De rechtbank is er voorshands nog niet van overtuigd dat de regelgeving dat mogelijk maakt.

Naar het voorlopig inzicht van de rechtbank is er slechts ruimte om uit te gaan van een andere waardevaststelling in het geval dat ook de WOZ daartoe de mogelijkheid biedt.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heythuysen, verweerder.

mr. E.J.M. Bakermans

Wetsverwijzingen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 99/1189 IOAZ K1

Inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heythuysen, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 15 november 1999,

kenmerk: Mwg.

Datum van behandeling ter zitting: 21 september 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder, in het kader van de toepassing van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het vermogen van eiseres op f. 344.343,- vastgesteld. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 november 1999 ongegrond verklaard. Tegen dat laatste besluit is door mr. R.G.J. Deuss bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 september 2000, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Deuss, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Wijngaard.

II. OVERWEGINGEN.

Eiseres heeft als zelfstandige een […]winkel in het centrum van B geëxploiteerd. Na de beëindiging van die werkzaamheden is haar door verweerder ingaande 1 januari 1999 een uitkering ingevolge de IOAZ toegekend, waarbij rekening werd gehouden met het vermogen van eiseres. Bij besluit van 15 maart 1999 werd het vermogen voorlopig vastgesteld op f. 355.800,-. Bij besluit van 29 juni 1999 werd het vermogen nader vastgesteld op f. 344.343,-.

Tegen dat besluit werd bezwaar gemaakt en daarbij werd met name aangevoerd dat de waardebepaling van de eigen woning van eiseres niet juist zou zijn.

Bij besluit op bezwaar van 15 november 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard. In beroep wordt allereerst aangevoerd dat het besluit op bezwaar genomen is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur omdat eiseres niet de beschikking zou hebben gehad over alle gegevens en voorts wordt wederom aangevoerd dat het onroerend goed van eiseres niet op de juiste wijze is gewaardeerd.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Voor zover in het beroepsschrift is aangevoerd dat het besluit op bezwaar genomen is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur omdat eiseres niet de beschikking zou hebben gehad over alle gegevens, te weten een rapport van 18 oktober 1998 van de Stichting IMK Intermediair (verder: IMK), moet worden opgemerkt dat uit de brief van verweerder van 8 mei 2000 blijkt dat de vermelding in het besluit op bezwaar van een IMK-rapport van 18 oktober 1998 op een vergissing berust. Bedoeld is het IMK-rapport van 10 november 1998 dat deel uit maakt van de gedingstukken, en waarover de gemachtigde van eiseres volgens zijn verklaring ter terechtzitting ook beschikt. Op die grond hoeft derhalve niet tot vernietiging van het bestreden besluit te worden overgegaan.

Resteert de vraag of verweerder het vermogen van eiseres -en daarvan dan in het bijzonder de waarde van de door eiseres bewoonde eigen woning- op de juiste wijze heeft vastgesteld.

Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

In het kader van de aanvraag om uitkering ingevolge de IOAZ heeft het IMK op verzoek van verweerder een onderzoek ingesteld. In het rapport van 10 november 1998 wordt aangegeven dat het onroerend goed van eiseres in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) op f. 200.000,- is gewaardeerd, maar dat gezien de grootte van het perceel en de centrale ligging een hogere waarde niet uitgesloten wordt geacht. Verweerder heeft daarop een taxateur ingeschakeld die in zijn rapport van 26 november 1998 aangeeft dat de waarde van het onroerend goed op f. 425.000,- moet worden vastgesteld. In het besluit van 29 juni 1999 heeft verweerder vervolgens het vermogen van eiseres, zoals reeds vermeld, vastgesteld op f. 344.343,- en heeft daarbij de volgende berekening gehanteerd:

-waarde onroerend goed: 60% van f. 425.000,- = f. 255.000,-

-bedrijfsvermogen 15.404,-

-spaartegoeden 105.939,-

totaal f. 376.343,-

af: schulden (notarieel vastgelegd) 32.000,-

eigen vermogen f. 344.343,-

Verweerder is daarbij blijkbaar voor de vaststelling van de waarde van het onroerend goed van eiseres uitgegaan van het in de "Nadere regels voor de vaststelling van de waarde van het eigen vermogen bij beëindiging van bedrijf of beroep" van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 9, vierde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964. In dat artikellid is aangegeven dat de waarde van de eigen woning op 60% van de vrije verkoopwaarde wordt vastgesteld.

In artikel 9, vijfde lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 is echter vermeld:

"5. Ingeval ter zake van een eigen woning de waardevaststelling heeft plaatsgevonden ingevolge hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt, in afwijking in zoverre van het vierde lid, de verkoopprijs van die eigen woning gesteld op de op de voet van dat hoofdstuk voor die woning vastgestelde waarde. Voor zover....."

Zoals in het rapport van het IMK aangegeven is de woning van eiseres per 1 januari 1995 in het kader van de WOZ op f. 200.000,- gewaardeerd. Bij de vaststelling van de waarde van het onroerend goed van eiseres had verweerder, gelet op de van toepassing verklaarde artikelen van de Wet op de vermogensbelasting 1964, van deze waarde dienen uit te gaan. Nu verweerder dat niet heeft gedaan berust het besluit van 15 november 1999 in dat opzicht op een onjuiste wettelijke grondslag en komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder zal opnieuw op het bezwaar van eiseres dienen te beslissen met in achtneming van het vorenstaande. Daarbij zal de vraag moeten worden beantwoord of de voorgeschreven wijze van vaststelling van de waarde van het onroerend goed van eiseres in het kader van de IOAZ ruimte biedt om af te wijken van de waardevaststelling ingevolge de WOZ, in het geval die waardevaststelling niet helemaal juist zou zijn geschied. De rechtbank is er voorshands nog niet van overtuigd dat de regelgeving dat mogelijk maakt. Naar het voorlopig inzicht van de rechtbank is er slechts ruimte om uit te gaan van een andere waardevaststelling in het geval dat ook de WOZ daartoe de mogelijkheid biedt.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op f. 1.420,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ad f. 60,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans in tegenwoordigheid A.R.O. Kuipers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2000

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.