Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA8337

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-10-2000
Datum publicatie
21-08-2001
Zaaknummer
00/125 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor het zijn van medebewoner ex art. 1.f Huursubsidiewet is bepalend of sprake is van hoofdverblijf op hetzelfde adres. Criteria wanneer sprake is van hoofdverblijf.

Toekennen huursubsidie. Hoogte huursubsidie. Verweerder heeft inkomen van zoon eiseres meegeteld op de grond dat de zoon op de peildatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven stond op het adres van eiseres. Op grond van deze inschrijving heeft verweerder de zoon aangemerkt als medehuurder ex art. 1.f Huursubsidiewet.

Anders dan verweerder doet kan uit art. 9.1 Huursubsidiewet niet worden afgeleid, ook niet in samenhang met art. 1.f, dat een medebewoner een persoon is die op het desbetreffende adres ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Uit de Huursubsidiewet volgt op geen enkele wijze dat bij niet-inschrijving ook de kwalificatie medebewoner vervalt, zodat er ook in dit laatste geval nog steeds sprake is van medebewoner(s). Mitsdien kan uit de inschrijving van de zoon in de gemeentelijke basisadministratie niet zonder meer worden afgeleid dat de zoon medebewoner is ex art. 1.f van de wet.

Bepalend is of de zoon al dan niet zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres. In navolging van de ABRS wordt geoordeeld dat voor de uitleg van de term hoofdverblijf in de eerste plaats moet worden gekeken naar het adres van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Van de juistheid van deze gegevens dient in beginsel te worden uitgegaan. Afwijking van deze gegevens is mogelijk, maar dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Bovendien geldt dat daar waar de betrokkene elders woonachtig is dan uit het bevolkingsregister blijkt, de bewijslast rust op degene die dit stelt. I.c. heeft verweerder op onjuiste gronden de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie als uitgangspunt genomen voor de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft en is eiseres ten onrechte niet (expliciet) in de gelegenheid gesteld het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat haar zoon zijn hoofdverblijf op haar adres had.

Vernietigt het bestreden besluit.

De Staatssecretaris voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze:

De Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting, verweerder.

mr. R.H. Smits

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 00/125 WET K1

Inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor deze: de Directeur-Generaal van de Volkshuisvesting, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 30 december 1999,

kenmerk: Awb31/ZO-B/335.

Datum van behandeling ter zitting: 1 september 2000.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 23 april 1999 heeft verweerder, naar aanleiding van de subsidieaanvraag van eiseres van 6 oktober 1998, aan eiseres voor het tijdvak 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 een bedrag van ƒ 852,00 aan huursubsidie toegekend. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 mei 1999, een bezwaarschrift ingediend. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit, d.d. 30 december 1999, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 30 december 1999 heeft eiseres op 2 februari 2000 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 1 september 2000, waar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder is bij gemachtigde, mr. R.F. Thunnissen, verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De feiten

Eiseres heeft op 6 oktober 1998 een aanvraagformulier huursubsidie ingediend. Bij besluit van 23 april 1999 is de subsidieaanvraag van eiseres gehonoreerd in die zin dat aan eiseres ƒ 852,00 subsidie is toegekend, zulks voor de periode 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999. Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag is door verweerder rekening gehouden met het inkomen dat de meerderjarige zoon van eiseres in het peiljaar (zijnde 1997) verworven heeft. Tegen het besluit van 23 april 1999 heeft eiseres bij schrijven van 20 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend. Eiseres bezwaren richten zich tegen het feit dat verweerder rekening heeft gehouden met het inkomen van haar zoon en bijgevolg ook tegen de hoogte van de aan haar toegekende huursubsidie.

Van de aan eiseres geboden gelegenheid haar bezwaren mondeling toe te lichten heeft eiseres gebruik gemaakt. De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 11 november 1999.

Bij het thans bestreden besluit van 30 december 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het eerdere besluit van verweerder ongegrond verklaard.

Wettelijk kader:

Artikel 1 onder f van de Huursubsidiewet (HSW) luidt, voor zover van belang, als volgt:

f. medebewoner: persoon die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder, en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van de onderhuurder behoort;

Artikel 3 HSW luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekeninkomen: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

Artikel 9 HSW luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Huursubsidie wordt slechts toegekend:

a. als de huurder, alsmede degenen die op de peildatum medebewoner of onderhuurder van de woning zijn, zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning hebben doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;

b. (…)

Beoordeling:

Onderwerp van geschil in de onderhavige zaak is de hoogte van de huursubsidie die verweerder aan eiseres heeft toegekend over de periode 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999, bij welke toekenning verweerder rekening heeft gehouden met het inkomen van de zoon van eiseres in het jaar 1997. Niet in geschil is dat, indien het inkomen van de zoon van eiseres terecht is meegeteld, de hoogte van de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 ƒ 852,00 bedraagt.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, wegens het feit dat voor de vaststelling van het gezamenlijk inkomen zowel het inkomen van eiseres als haar zoon in beschouwing genomen dienen te worden. De zoon van eiseres stond op de peildatum, zijnde 1 juli 1998, ingeschreven op het adres van eiseres, terwijl eiseres voorts, op grond van bestendig beleid, geen beroep kan doen op artikel 26 HSW, de zogenaamde hardheidsclausule, aldus verweerder. Eiseres daarentegen heeft gesteld dat haar zoon op 1 juli 1998 niet bij haar woonachtig was, en bijna een jaar lang ook niet bij haar woonachtig is geweest, namelijk van 27 september 1997 tot 22 september 1998. Eiseres is van mening dat zij op grond hiervan een beroep kan doen op artikel 26 HSW.

De vraag die derhalve beantwoording behoeft is of verweerder terecht het inkomen van de zoon van eiseres heeft meegeteld voor de berekening van de aan eiseres toekomende huursubsidie over het bedoelde tijdvak. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt. Door eiseres is niet betwist, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt, dat op de peildatum, zijnde 1 juli 1998, de zoon van eiseres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven stond op het adres van eiseres. Op grond van deze inschrijving heeft verweerder de zoon van eiseres aangemerkt als medehuurder in de zin van het artikel 1 onder f HSW. Blijkens de in dit geding overgelegde stukken alsmede blijkens hetgeen verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, kan volgens verweerder uit dit artikel 1 onder f HSW, in samenhang bezien met artikel 9 HSW, de fictie worden afgeleid dat er sprake is van een medebewoner in de zin van artikel 1 onder f HSW indien de betrokkene in de gemeentelijke basisadministratie op het betreffende adres staat ingeschreven. Deze redenering van verweerder houdt in dat degene die in de gemeentelijk basisadministratie ingeschreven staat op een bepaald adres, op dat adres geacht wordt zijn hoofdverblijf te hebben. Zulks is door verweerder overigens ook expliciet gesteld in zijn schrijven aan eiseres van 17 augustus 1999.

De rechtbank deelt dit standpunt van verweerder niet onverkort en overweegt daartoe als volgt. In artikel 1 onder f HSW is de definitie van een medebewoner weergegeven: iemand die zijn hoofdverblijf heeft op hetzelfde adres als de huurder en die geen onderhuurder is noch tot het huishouden van die onderhuurder behoort. Kernbegrip is derhalve "hoofdverblijf".

Artikel 9 lid 1 HSW bevat een toekenningsvoorwaarde: indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan geen huursubsidie worden toegekend. Onder a is te lezen dat eerst huursubsidie kan worden toegekend indien de huurder en zijn medebewoner(s) of onderhuurder(s) zich uiterlijk vijf dagen na de peildatum op het adres van die woning hebben doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Uit deze bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid, ook niet in samenhang bezien met artikel 1 onder f, dat een medebewoner een persoon is die op het betreffende adres ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. De rechtbank begrijpt deze bepaling aldus dat voor toekennning van huursubsidie sprake moet zijn van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, en dat bij niet-inschrijving de huurder en zijn medebewoner(s) of onderhuurder(s) geen huursubsidie kunnen krijgen. Uit de HSW volgt op geen enkele wijze dat bij niet-inschrijving ook de kwalificatie medebewoner vervalt, zodat er ook in dit laatste geval nog steeds sprake is van medebewoner(s).

Gelet op het vorengaande kan uit de inschrijving van de zoon in de gemeentelijke basisadministratie niet meer zonder meer worden afgeleid dat de zoon medebewoner is in de zin van artikel 1 onder f HSW. Beoordeeld dient te worden of de zoon al dan niet zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich reeds enkele malen gebogen over de vraag wanneer er sprake is van hoofdverblijf. In navolging van deze uitspraken van onder meer 7 april 1997, JSV 1997/283 en 22 juli 1993, JSV 1993/352, is de rechtbank van oordeel dat voor de uitleg van de term hoofdverblijf in de eerste plaats gekeken moet worden naar het adres van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie. Van de juistheid van deze gegevens dient in beginsel te worden uitgegaan. Afwijking van deze gegevens is mogelijk, maar dient te berusten op een deugdelijke motivering. Bovendien geldt dat daar waar de betrokkene elders woonachtig is dan uit het bevolkingsregister blijkt, de bewijslast rust op degene die dit stelt. Hoewel zowel de Raad van State in zijn uitspraken, als verweerder in de onderhavige zaak, de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie als uitgangspunt nemen voor de beantwoording van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, heeft verweerder zulks op onjuiste gronden gedaan en is eiseres ten onrechte niet (expliciet) in de gelegenheid gesteld om het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat haar zoon zijn hoofdverblijf op haar adres had. In de loop van de procedure heeft zij dat tegenbewijs evenwel toch naar voren gebracht. Zo heeft zij kopieën overgelegd van de tickets van haar zoon, waaruit af te lezen is dat hij op 27 september 1997 naar Australië is vertrokken en op 21 september 1998 is teruggekomen naar Nederland. Overigens heeft verweerder geenszins betwist dat de zoon van eiseres gedurende deze periode in het buitenland heeft verbleven. Voorts heeft eiseres, eveneens onbetwist, gesteld dat haar zoon in de bedoelde periode in het buitenland heeft gewerkt om in zijn eigen onderhoud te voorzien en dat hij geen aanspraak heeft gemaakt op enige tegemoetkoming van eiseres. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verblijf van de zoon van eiseres niet kan worden aangemerkt als een reguliere vakantie en dat hij, met name gelet op het feit dat hij in zijn onderhoud heeft voorzien door werkzaamheden te verrichten, alsmede gelet op de duur van de verblijfsperiode, gedurende de periode 27 september 1997 tot 22 september 1998 zijn hoofdverblijf heeft gehad in Australië.

De rechtbank acht het voorts niet aannemelijk, dat eiseres, indien zij in de onderhavige procedure door verweerder wél in de gelegenheid zou zijn gesteld om tegenbewijs te leveren, significant andere gegevens zou hebben aangeleverd dan zij thans heeft gedaan, noch dat verweerder hiermee strijdige gegevens had kunnen produceren, zodat verweerder, bij een juiste beoordeling van het bezwaarschrift, niet tot een andere conclusie had kunnen komen dan dat de zoon van eiseres gedurende de bedoelde periode zijn hoofdverblijf, in afwijking van de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie, niet op het adres van eiseres had en derhalve niet aangemerkt kan worden als medebewoner. Verweerder had het bezwaarschrift van eiseres in zoverre gegrond dienen te verklaren en hij had de primaire beslissing om bij de toekenning van de huursubsidie over het tijdvak 1 juli 1998 tot en met 30 juni 1999 rekening te houden met het inkomen van de zoon van eiseres over 1997, dienen te herroepen.

Gelet op het vorengaande ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit op bezwaar te vernietigen.

Nu het beroep gegrond is en het besluit op bezwaar zal worden vernietigd, acht de rechtbank in beginsel termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank beslist mitsdien als volgt

III. BESLISSING

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak bepaalde;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op f 6,40(zijnde reiskosten), te vergoeden door verweerder aan eiseres.

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. R.H. Smits in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2000.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 20 oktober 2000

AC-H

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.