Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA7409

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
99/964 BSTPL K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15, geldigheid: 2000-06-27
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15, geldigheid: 2000-06-27
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 99/964 BSTPL K1

Inzake : [eiseres] BV, wonende te Roermond, eiseres,

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, gevestigd te Roermond, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 7 september 1999, kenmerk: 1999/10127.

Datum van de terechtzitting: 17 mei 2000

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Aan Helenawerf Moset B.V. te Roermond (Helenawerf) is op 12 februari 1999 een bouwvergunning verleend ten behoeve van de bouw van een aanlegsteiger nabij het adres Maasboulevard 101. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit is het bezwaar van eiseres tegen de aan die bouwvergunning ten grondslag gelegde vrijstelling op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder besloten de verleende vrijstelling aan te vullen met een voorwaarde.

Tegen dat besluit is namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Helenawerf is als vergunninghoudster aangemerkt als belanghebbende partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 mei 2000, waar eiseres is verschenen bij haar procuratiehoudster [procuratiehouder], bijgestaan door mr.drs. M.L.M. Frantzen als haar raadsman, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.M. Broods. Belanghebbende partij Helenawerf is verschenen bij haar directeur [directeur] en zijn echtgenote, bijgestaan door haar raadsman mr. O.W. Wagenaar.

II. OVERWEGINGEN.

Op 26 februari 1997 heeft Helenawerf bouwvergunning gevraagd voor een aanlegsteiger voor pleziervaartuigen op het adres Maasboulevard 101, kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie C, no. 5465. Kennelijk is er tussen verweerder en Helenawerf overeenstemming bereikt over de aanvulling van de bouwvergunningaanvraag in die zin dat de aanvraag aangevuld geacht moet worden met het gegeven dat Helenawerf kan beschikken over parkeergelegenheid op een terrein gelegen op de hoek van De Ster en de Bisschop Lindanussingel. Bij besluit van 13 oktober 1998 is door verweerder vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Maasoever. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat Helenawerf kan beschikken over een terrein van derden waarop in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, gelegen op een afstand van circa 290 meter van de aanlegsteiger.

Aan Helenawerf is bij besluit van 12 februari 1999 de gevraagde bouwvergunning verleend. Het door eiseres hiertegen gerichte bezwaar is door verweerder bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder besloten de verleende vrijstelling aan te vullen met een voorwaarde van de volgende strekking: "ingeval de parkeergelegenheid op het terrein aan de Lindanussingel om welke reden dat ook komt te vervallen berust bij de houder van de bouwvergunning de last hierin naar de criteria van het bestemmingsplan Maasoever opnieuw te voorzien".

In beroep voert eiseres het volgende aan.

1. De entree/uitgang van de parkeergelegenheid van vergunninghoudster aan de Lindanussingel is niet gelegen op een afstand van circa 290 meter maar op een afstand van meer dan 350 meter van de ligplaatsen.

2. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hierbij niet is voldaan aan de norm dat dit parkeerterrein gelegen dient te zijn binnen een afstand van 50 tot 100 meter.

3. De gehanteerde Aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV) 1996 is niet als gewijzigd beleid gepubliceerd.

4. Verweerder heeft een onjuiste rechtsopvatting gegeven over de mogelijke onverbindendheid van een binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid.

5. Artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften is wegens strijd met artikel 15 van de WRO onverbindend en dient buiten toepassing te worden gelaten omdat de bepaling imperatief is geformuleerd.

6. Ook volgens verweerder betreft het bepaalde in artikel 20, vierde lid, van de planvoorschriften een gebonden beschikkingsbevoegdheid waarbij geen plaats is voor een integrale belangenafweging.

7. In strijd met artikel 15 van de WRO zijn de voorwaarden waaronder kan worden gekomen tot vrijstelling niet of althans onvoldoende objectief (kwantitatief of kwalitatief) begrensd.

8. De strijdigheid van het bouwplan met de in het bestemmingsplan opgenomen parkeernorm en daarmee de weigeringsgrond als genoemd in artikel 44, aanhef en sub c, van de Woningwet had slechts rechtmatig kunnen worden opgeheven door herziening van het bestemmingsplan of vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO.

9. Aangezien eiseres tevens tegen de ongeclausuleerde vrijstelling bezwaar had gemaakt en in haar bezwaarschrift expliciet heeft verzocht om enige voorwaarde op grond van artikel 15, derde lid, van de WRO, wekt verweerder ten onrechte de indruk dat de nadere voorwaarde ambtshalve is opgelegd en heeft verweerder ten onrechte het bezwaarschrift van eiseres op dit onderdeel ongegrond verklaard.

10. De nadere door verweerder bij het bestreden besluit opgelegde voorwaarde is onvoldoende objectief begrensd naar normstelling, tijd en plaats.

Bij verweerschrift reageert verweerder op de aangevoerde beroepsgronden als volgt.

ad.1. Verweerder ontkent dat de afstand van de toegang tot de aanlegsteiger tot de toegang van het parkeerterrein meer dan 350 meter bedraagt.

ad.2. Destijds is ten onrechte het gebied van de Voorstad St. Jacob niet gerekend tot de bebouwde kom. In het gebied van de bebouwde kom wordt een loopafstand van maximaal 350 meter acceptabel geacht, terwijl dat buiten de bebouwde kom slechts over een afstand van 50 tot 100 meter acceptabel wordt geacht.

ad.3. Er is geen sprake van gewijzigd beleid. De ASVV is een landelijke richtlijn en de versie van 1996 is een vierde uitgave hiervan. Er is voor zover relevant voor deze zaak geen wijziging met de vorige editie van 1988.

ad.4. Het bestemmingsplan Maasoever is onherroepelijk en in beginsel moet worden aangenomen dat de hierin opgenomen voorschriften op grond hiervan verbindend zijn. Vooralsnog kan niet worden aangenomen dat deze voorschriften of delen daarvan in strijd zijn met het bepaalde in artikel 15 van de WRO. Dit laatste zoveel te meer nu het betreffende artikel 20 van de voorschriften van dit bestemmingsplan uitvoerig ter discussie heeft gestaan bij het KB van 6 februari 1992.

ad.5. Verweerders discretionaire bevoegdheid bij het geven van vrijstelling ligt besloten in de aanduidingen "openbaar gebied" en "anderszins". In beginsel ontstaat hierdoor de keuze de vrijstelling na afweging van alle betrokken belangen al dan niet te verlenen en de aard van de aanduidingen sluit aanvankelijk geen enkel belang uit. Allerminst is er sprake van een verplichting.

ad.6. Er vindt bij het gebruik maken van de vrijstellingsbepaling steeds een afweging van belangen plaats.

ad.7. Er is geen sprake van een gebonden beschikkingsbevoegdheid en de ruimte voor belangenafweging blijft onaangetast. Meer in het bijzonder op grond van de aanduiding "anderszins" kunnen zich kwesties aandienen die onafhankelijk van de gestelde voorwaarden een integrale belangenafweging toelaten.

ad.8. Verweerder ontkent dat de betreffende vrijstellingsregeling in strijd is met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a. van de WRO.

ad.9 en 10. Verweerder heeft om andere redenen dan door eiseres aangevoerd alsnog een (beperkend) voorschrift aan de onderhavige vrijstelling gekoppeld, dat in de visie van verweerder als doelmatig dient te worden aangemerkt.

Van de zijde van de vergunninghoudster zijn er nog stukken ingebracht met betrekking tot de kwestie van de milieuvergunning.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat de afstand van de ingang van de parkeerplaats tot de ingang van de steiger niet meer in geschil is. Voorts heeft de gemachtigde van eiseres grieven aangevoerd tegen de wijze waarop de aanvulling van de bouwvergunningaanvraag tot stand is gekomen.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt.

Omvang van het geding De afstand tussen de toegang tot de aanlegsteiger en de ingang van het parkeerterrein is tussen partijen niet meer in geschil en daaruit heeft de rechtbank tevens afgeleid dat evenmin nog verschil van mening bestaat met betrekking tot de daarbij door verweerder aangelegde norm uit de ASVV. Voorts is door eiseres niet bestreden dat de aanvraag is aangevuld, zodat niet meer relevant is op wiens initiatief die aanvulling tot stand is gekomen. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat dit punt dan ook niet meer ter discussie staat. In dit geding heeft de rechtbank met name te beantwoorden de vraag of verweerder in het kader van de verlening van de bouwvergunning op 12 februari 1999 aan Helenawerf op goede gronden de thans in geding zijnde vrijstelling heeft verleend.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen, bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat aan een vrijstelling slechts voorwaarden mogen worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen.

In het vigerende bestemmingsplan Maasoever is de locatie waarop de aanlegsteiger inmiddels is gerealiseerd, bestemd voor watersportdoeleinden c.a. In de gebruiksvoorschriften bij dat bestemmingsplan in artikel 8 lid 2.1. onder e. juncto artikel 20 lid 1 onder g. en lid 3 is als voorwaarde gesteld, dat -zakelijk weergegeven- elke ligplaats aan de aanlegsteiger 0,6 parkeerplaats moet hebben op eigen terrein. Met toepassing van de mogelijkheid van artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften bij het bestemmingsplan Maasoever heeft verweerder vrijstelling gegeven van het voorschrift om op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te moeten voorzien, aangezien anderszins daarin is of wordt voorzien. Dat anderszins wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid wordt niet langer bestreden. De gemachtigde van eiseres stelt zich op het standpunt dat artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften verbindende kracht mist wegens strijd met artikel 15 van de WRO.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat, nu het bestemmingsplan Maasoever onherroepelijk is, daarmee vaststaat dat het onderhavige gebruiksvoorschrift of onderdelen daarvan niet in strijd zijn met het bepaalde in artikel 15 van de WRO. De omstandigheid dat tegen het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan beroep heeft opengestaan, en daarvan ook daadwerkelijk gebruik is gemaakt, brengt niet mee dat de rechtbank bij de beoordeling van het bestreden besluit als vaststaand moet aannemen dat artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften in overeenstemming is met artikel 15 van de WRO. In de tekst van het Koninklijk Besluit van 6 februari 1992 vindt de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat de relatie tussen artikel 15 van de WRO en artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften expliciet aan de orde is gesteld of ambtshalve is getoetst.

Blijkens de wetsgeschiedenis wordt met artikel 15, eerste lid, aanhef en sub a, van de WRO beoogd burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Het toekennen van deze bevoegdheid veronderstelt dat burgemeester en wethouders in beginsel de keuze moet worden gelaten de vrijstelling na afweging van de betrokken belangen al dan niet te verlenen. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige vrijstellingsregeling imperatief is geformuleerd en dat daarmee in beginsel voor verweerder sprake is van een verplichting tot vrijstelling, indien aan de in de regeling gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Uit de door de gemachtigde van eiseres overgelegde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 november 1997 blijkt dat de Afdeling in het daarbij aan de orde zijnde geval heeft geoordeeld dat een vrijstellingsbepaling niet zo ver kan strekken dat onder bepaalde voorwaarden burgemeester en wethouders verplicht zijn vrijstelling te verlenen. De Afdeling overweegt voorts: "Een uitzondering moet daarbij worden gemaakt voor de in verband met artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening noodzakelijke bepaling dat burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de voorschriften indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.". Deze uitzondering doet zich naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet voor.

De rechtbank gaat er bij de beoordeling van het onderhavige geval van uit dat de aan de orde zijnde vrijstellingsbepaling niet zo ver mag strekken dat verweerder verplicht is de vrijstelling te verlenen. De ratio bij dat uitgangspunt is dat de vrijstellingsbepaling er niet toe mag leiden dat een belangenafweging wordt uitgesloten. Gezien echter de redactie en met name de strekking van artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften is de rechtbank van oordeel dat daarmee een belangenafweging of toepassing van het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb op zich niet zonder meer is uitgesloten. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om een uitzondering op vorenvermeld uitgangspunt aanwezig te achten. Daarbij weegt de rechtbank voorts dat artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften een vrijstellingsmogelijkheid creƫert op een zeer ondergeschikt punt. Het betreft immers enkel de vrijstelling van de gestelde parkeernorm op eigen terrein en niet van de parkeernorm zelf. Verweerder heeft bovendien bij de toetsing of anderszins in voldoende parkeergelegenheid is of wordt voorzien enige ruimte om invulling te geven aan de daarbij aan te leggen normen, zonder dat zulks tot de conclusie leidt dat de voorwaarden waaronder kan worden gekomen tot vrijstelling onvoldoende objectief begrensd zijn. Van een specifiek op de situatie van eiseres toegespitst belang dat aan het honoreren van de vrijstellingsmogelijkheid in de weg staat is de rechtbank voorts niet gebleken.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat er geen reden is om artikel 20, vierde lid, van de gebruiksvoorschriften wegens strijd met het bepaalde in artikel 15 van de WRO onverbindend te achten.

Hetgeen van de zijde van eiseres voor het overige is aangevoerd kan niet tot gegrondheid van het beroep leiden. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. L.A. Gruiters, W.M. Callemeijn (voorzitter) en J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2000.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: 28 juni 2000 KS

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.