Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA7340

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/628 BSTPL V1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de president van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr.: 00/628 BSTPL V1

Inzake: [verzoeker] V.O.F. te [plaats], verzoeker,

tegen: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haelen, te Haelen, verder te noemen verweerder.

Datum en aanduiding van het besluit ter zake waarvan uitspraak wordt gedaan: het besluit van verweerder d.d. 26 juni 2000,

kenmerk: III/JS.

Datum van de terechtzitting: 2 augustus 2000

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 26 juni 2000 heeft verweerder aan [vergunninghouder] te [woonplaats] vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het gebruik van een pand aan de [adres] te [plaats] voor het uitoefenen van detailhandel in bouwmarkt- c.q. doe-het-zelf-artikelen tot uiterlijk 26 juni 2005.

Tegen dat besluit is namens verzoekster bezwaar gemaakt bij verweerder bij bezwaarschrift van 18 juli 2000. Tevens is bij verzoekschrift van gelijke datum aan de president van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van dat besluit.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in afschrift aan de overige partijen gezonden.

Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:26 van de Awb is [vergunninghouder] (hierna: vergunninghouder) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 2 augustus 2000. Van de kant van verzoekster is verschenen dhr. [firmant], firmant, bijgestaan door mr. J.H.P. Hardy. Vergunninghouder is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mw. mr. Van Hoesel, medewerkster bureau Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting van verweerders gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

Bij brief van 28 september 1999 heeft vergunninghouder zich gewend tot verweerder met het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO voor het op tijdelijke basis gebruik maken van een pand aan de [adres] te [plaats] als bouwmarkt. Bij besluit van 11 november 1999 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Hierop heeft vergunninghouder gereageerd bij brief van 30 november 1999, welke brief door verweerder in behandeling is genomen als bezwaarschrift. De bezwaren zijn behandeld op de hoorzitting van 27 januari 2000. Verweerder heeft met instemming van vergunninghouder de beslistermijn op de bezwaren verdaagd tot uiterlijk 1 maart 2000 ten einde advies in te kunnen winnen van de commissie midden- en kleinbedrijf. Deze commissie adviseerde verdeeld, doch in meerderheid tegen inwilliging van het verzoek om vrijstelling. Bij besluit op bezwaar van 3 maart 2000 heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en in principe ingestemd met de vestiging van de bouwmarkt.

Vervolgens heeft vergunninghouder zich bij brief van 18 maart 2000 met bijlagen nogmaals gewend tot verweerder met een zogeheten formeel verzoek om de procedure te starten. Het verzoek heeft ingaande 8 mei 2000 gedurende veertien dagen ter inzage gelegen. Namens verzoekster zijn hiertegen bedenkingen ingebracht bij schrijven van 15 mei 2000, en op 8 juni 2000 is verzoekster hierover gehoord.

Bij nieuw primair besluit van 26 juni 2000 heeft verweerder vrijstelling verleend. Tegen dat besluit is namens verzoekster bezwaar gemaakt, en gevraagd om een voorlopige voorziening.

Gemachtigde van verzoekster heeft op 27 juli 2000 nadere stukken ingediend.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoekster zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de president aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder en met name vergunninghouder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de president over het geschil in de hoofdzaak.

De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Voorts kan niet worden gezegd dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Thans wordt dan ook toegekomen aan een voorlopig oordeel over de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaar belopen.

Het vigerende bestemmingsplan bevat geen bepaling op grond waarvan de toepasselijkheid van artikel 17 WRO is uitgesloten.

In aansluiting op artikel 17 WRO bepaalt artikel 19, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, dat vrijstelling als bedoeld in artikel 17 WRO slechts wordt verleend indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

Uit de tekst van artikel 17 WRO en de geschiedenis van de totstandkoming ervan blijkt dat deze vrijstellingsmogelijkheid -die het mogelijk maakt om zonder tussenkomst van gedeputeerde staten af te wijken van een geldend bestemmingsplan- slechts kan worden gebruikt in gevallen waarin het gaat om duidelijk als tijdelijk bedoelde afwijkingen van dat bestemmingsplan. Voorkomen moet worden dat dit vereiste van tijdelijkheid zijn inhoud verliest en dat de vrijstellingsmogelijkheid in de praktijk zal worden gebruikt om op eenvoudige wijze onder de beperkingen van het geldende bestemmingsplan uit te komen.

Op de hoorzitting van 27 januari 2000 heeft vergunninghouder naar voren gebracht dat de tijdelijke vrijstelling is bedoeld als aanloop naar een definitieve vestiging, dat het onderhavige pand voor een bouwmarkt heel aantrekkelijk is omdat de aanloopkosten niet te hoog zijn, dat de woning ook zal worden gehuurd waarbij het de bedoeling is om aldaar een werknemer te laten wonen, en dat het bedrijf aan 10 mensen werk zal verschaffen. Ter terechtzitting heeft vergunninghouder nog betoogd dat hij het bedrijf na vijf jaar elders wil vestigen, en dat thans in het pand kan worden volstaan met relatief lage investeringen.

De president is van oordeel dat uit voormelde verklaringen en overigens ook uit de voorhanden gedingstukken met onvoldoende zekerheid valt af te leiden dat het hier daadwerkelijk om tijdelijke vestiging gaat. Weliswaar heeft vergunninghouder ter terechtzitting die intentie uitgesproken, doch dat is op zich zelf, bij gebreke aan objectieve en concrete aanknopingspunten voor het aannemen van de tijdelijkheid, onvoldoende.

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het in de rede ligt dat het aangevochten besluit reeds hierom in een bodemprocedure geen stand zal kunnen houden. Gelet op deze conclusie zal niet meer worden getreden in bespreking van de overige grieven van verzoekster.

Gelet op het vorenoverwogene acht de president termen aanwezig om het aangevochten besluit te schorsen, ter voorkoming van onevenredig nadeel aan de zijde van verzoekster.

De president acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING.

De president van de arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

schorst het besluit van 26 juni 2000;

veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op ¦. 1420,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerders gemeente aan verzoekster het door deze gestorte griffierecht ad. f. 450,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans in tegenwoordigheid van H.J.M. Dahlmans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2000.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.