Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA7153

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-09-2000
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
99/1147, 99/1149, 99/1150, 99/1151, 99/1182 en 99/1185 VEROR K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

burgemeester en wethouders van Roerdalen op grond van de Monumentenwet 1988, onder voorwaarden vergunning hebben verleend voor het afbreken van het gebouwencomplex St. Ludwig te Vlodrop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenrs.: 99/1147, 99/1149, 99/1150, 99/1151, 99/1182 en 99/1185 VEROR K1

Inzake : het Bestuur van de Stadt Wassenberg, wonende te

41846 Wassenberg,

Stichting Burgercomité St. Ludwig, gevestigd te

Vlodrop,

Heemkundevereniging Roerstreek te

St.Odiliënberg,

Cuypersgenootschap te Ohé en Laak,

Bond Heemschut te Amsterdam,

en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur

en Wetenschappen, namens deze: De Directeur van

de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, eisers,

tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van

de gemeente Roerdalen, gevestigd te

Herkenbosch, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.

Bij besluit van 10 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van het bestuur van de gemeente Wassenberg tegen het besluit van 22 september 1998, waarbij burgemeester en wethouders van Roerdalen op grond van de Monumentenwet 1988, onder voorwaarden vergunning hebben verleend voor het afbreken van het gebouwencomplex St. Ludwig te Vlodrop, niet-ontvankelijk verklaard. De bezwaren van de overige partijen tegen genoemd besluit van 22 september 1998 heeft verweerder bij besluiten van 10 november 1999 ongegrond verklaard.

Tegen die besluiten is door de in de aanhef van deze uitspraak genoemde partijen beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de Stichting Maharishi European University (hierna te noemen: de Stichting Meru) in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan partijen gezonden.

Bij schrijven van 23 maart 2000 heeft de Stichting Meru een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 augustus 2000, alwaar de Stichting Meru zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M.H.F. Theunissen en J. Uijen. Het bestuur van de Stichting Burgercomité St. Ludwig heeft zich doen vertegenwoordigen door A.J.H. op de Kamp en H.L.M. Cox. De besturen van de Heemkundevereniging Roerstreek, het Cuypersgenootschap en de Bond Heemschut hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. R. Vossebeld en A.A.H. Wolswijk. De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. I.J. Broeke. Het bestuur van de gemeente Wassenberg is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.T.A. Wiegant. Ter zitting is gehoord de van de zijde van het bestuur van de Stichting Burgercomité St. Ludwig meegebrachte deskundige Ir. M.A. de Boer.

II. OVERWEGINGEN.

1. De aan de gedingen voorafgaande feiten.

De Stichting Meru is eigenaar van het voormalig college St. Ludwig, plaatselijke aanduiding station 24 te Vlodrop. Bij besluit van 9 oktober 1997 heeft de Staatssecretaris, gelet op de artikelen 3 en 4 van de Monumentenwet 1988, gehoord de raad van de gemeente Roerdalen, gehoord Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (hierna: GS), gehoord de Raad van Cultuur, op verzoek van de Heemkundigevereniging Roerstreek genoemd klooster aangewezen als beschermd monument. Dit besluit is rechtens onaantastbaar. Bij brief van 17 december 1997 heeft de Stichting Meru aan verweerder een vergunning gevraagd als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1988 voor het slopen van het voormalige college St. Ludwig met uitzondering van het bijenhuis, de kapel, de begraafplaats en het pas gerealiseerde nieuwe gebouw. De Stichting Meru heeft dit verzoek doen ondersteunen door een door de firma Heijmans BV d.d. 7 november 1997 uitgebracht onderzoeksrapport. Bij brieven van 31 december 1997 heeft verweerder een afschrift gezonden van genoemde aanvraag aan de directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en aan GS en hen verzocht schriftelijk over de aanvraag te adviseren binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift. Op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 heeft verweerder de aanvraag voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn van verschillende zijden bedenkingen aangevoerd tegen het voornemen de gevraagde sloopvergunning te verlenen. GS heeft bij brief van 24 maart 1998 geadviseerd de beslistermijn met zes maanden te verlengen. Bij schrijven van 25 maart 1998 heeft de Staatssecretaris ten aanzien van genoemde aanvraag uit het oogpunt van monumentenzorg negatief geadviseerd. De monumentencommissie van de gemeente Roerdalen heeft zich van advisering onthouden, gelet op de betrokkenheid van enkele van haar leden bij dit onderwerp. Bij besluit van 22 september 1998 heeft verweerder besloten de gevraagde sloopvergunning te verlenen. Daarbij heeft verweerder de monumentale waarde van het complex, zoals die is aangegeven in het aanwijzingsbesluit onderschreven. Gelet echter op de wensen van de eigenaar en de belangen die voor de eigenaar zijn gemoeid met het afbreken van St. Ludwig heeft verweerder, alles afwegende, aan het algemeen belang dat met de instandhouding van St. Ludwig is gediend geen doorslaggevende betekenis toegekend. Tegen dit besluit is van verschillende zijden, waaronder eisers, bezwaar gemaakt. In het kader van dit bezwaar is er op 9 december 1998 een hoorzitting gehouden door de commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt. Op 28 januari 1999 heeft genoemde commissie advies uitgebracht. In dat advies heeft genoemde commissie geadviseerd het bestuur van de gemeente Wassenberg niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de overige partijen heeft de commissie geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit in te trekken en een nieuw besluit te nemen. De commissie heeft dit oordeel met name doen steunen op het feit dat verweerder geen advies heeft ingewonnen van de monumentencommissie. Dit advies is voor verweerder aanleiding geweest om in de gemeentelijke monumentencommissie tijdelijk twee extra deskundigen te benoemen en om aan deze commissie opnieuw advies te vragen. Het besluit om de sloopvergunning te verlenen heeft verweerder in afwijking van het advies niet ingetrokken, omdat dan de wettelijke termijn verstreken zou zijn waarbinnen verweerder een besluit moet nemen. De gemeentelijke monumentencommissie heeft geadviseerd de gevraagde sloopvergunning niet te verlenen. Alles afwegende is de monumentencommissie tot de conclusie gekomen dat een herbestemming van het pand met behoud van de monumentale waarde aannemelijk is. Het advies is voor reactie toegezonden aan alle bezwaarden en belanghebbenden. Van de geboden gelegenheid is van verschillende zijden gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de commissie voor bezwaar- en beroepschriften nogmaals een hoorzitting gehouden op 15 september 1999. Van dit horen is andermaal verslag gemaakt. De commissie voor de bezwaar-en beroepschriften heeft op 26 oktober 1999 opnieuw advies uitgebracht. Bij dat advies heeft genoemde commissie nogmaals geadviseerd het bezwaar van het bestuur van de gemeente Wassenberg niet-ontvankelijk te verklaren. Zij heeft voor dit advies verwezen naar het door haar eerder uitgebrachte advies. De bezwaren van de overige partijen heeft de commissie ongegrond geoordeeld. Ter motivering van dit standpunt heeft de commissie onder meer overwogen dat de bevoegdheid van de gemeente ex artikel 11 Monumentenwet 1988 duidelijk ruimer is dan de monumentencommissie bij haar advisering heeft aangenomen. Verder heeft de monumentencommissie volgens het advies van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften niet beargumenteerd waarom er sprake is van achterstallig onderhoud en blijkt uit het advies van de monumentcommissie evenmin of zij heeft onderzocht in hoeverre restauratie van het complex een reële optie is. Ook heeft de monumentencommissie, wederom volgens de commissie voor bezwaar- en beroepschriften, haar conclusie dat gezien de omvang van het complex de in het rapport Heijmans genoemde kosten van renovatie niet onaannemelijk en evenmin onredelijk zijn en dat ook de hoogte van de kosten van het jaarlijks onderhoud reëel worden geacht niet met feiten en/of bevindingen op basis van eigen onderzoek onderbouwd.

Vervolgens heeft verweerder overeenkomstig en met overname van de adviezen van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften de thans bestreden besluiten op bezwaar genomen.

2. overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar van het bestuur van de gemeente Wassenberg en de Staatssecretaris.

Artikel 1:2 van de Awb luidt - voor zover van belang - als volgt.

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Wat de ontvankelijkheid van het bestuur van de gemeente Wassenberg betreft heeft verweerder terecht het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover dat bestuur opkomt voor de belangen van haar individuele inwoners is zij geen belanghebbende in de zin van de Awb. Dergelijke belangen zijn niet te beschouwen als haar eigen belangen, zoals artikel 1:2, eerste lid, van de Awb vereist. Voorzover het bestuur van de gemeente Wassenberg opkomt voor het historische, geestelijke en culturele belang dat met het behoud van het klooster St. Ludwig is gediend is evenmin voldaan aan het belanghebbende- begrip. Niet kan worden gezegd dat deze belangen het bestuur van de gemeente Wassenberg als zodanig zijn toevertrouwd.

Het beroep van het bestuur van de gemeente Wassenberg is derhalve ongegrond. De Stichting Meru heeft voorts betoogd dat de Staatssecretaris niet is te beschouwen als belanghebbende in de zin van de Awb. Ter onderbouwing van die stelling heeft de Stichting Meru verwezen naar de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 5 maart 1999 gewezen uitspraak, gepubliceerd in de Gemeentestem 7104,2. Daarnaast heeft zij dit betoog onderbouwd door middel van de navolgende motivering:

"In casu moet worden vastgesteld dat ingevolge de Monumentenwet 1988 weliswaar bepaalde taken en bevoegdheden zijn toebedeeld aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen - met name de bevoegdheid tot aanwijzing van panden tot beschermd monument in de zin van deze wet - maar dat met betrekking tot de besluitvorming inzake verzoeken om verlening van vergunning als bedoeld in artikel 11 van deze wet niet kan worden gezegd dat de belangen in geding hem als zodanig zijn toevertrouwd. De wetgever van de Monumentenwet 1988 heeft er welbewust voor gekozen de bevoegdheden inzake de vergunningverlening te decentraliseren naar de gemeentebesturen (met dien verstande dat deze wel een monumentenverordening moeten vaststellen en een adviescommissie moeten benoemen). In de Monumentenwet 1988 (artikel 16 tweede lid) is slechts bepaald, dat de Minister en - bij monumenten buiten de bebouwde kom - gedeputeerde staten, adviseren. Het innemen van het standpunt dat er wél sprake zou zijn van een aan de Staatssecretaris als zodanig toevertrouwd belang, zou betekenen dat de bevoegdheidsverdeling tussen Minister en het gemeentebestuur zoals de wetgever die in de Monumentenwet 1988 heeft neergelegd, zou worden doorkruist. Opgemerkt zei verder nog dat de wetgever ook niet gekozen heeft voor het openstellen van administratief beroep (tegen beslissingen omtrent vergunningverlening bij de Minister)".

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de Stichting Meru tijdens de behandeling ter zitting nog gewezen op het recht van de zogenaamde spontane vernietiging, zoals bedoeld in artikel 268 van de Gemeentewet.

De rechtbank kan zich met bovenstaand betoog verenigen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de Staatssecretaris in zijn bezwaar ontvangen. De rechtbank verwijst voor dit oordeel mede naar de hiernavolgende passage uit de memorie van toelichting ten aanzien van de artikelen 16 en 17 van de Monumentenwet 1988.

"In artikel 16 is neergelegd dat burgemeester en wethouders alvorens zij op een aanvraag om vergunning beslissen advies inwinnen bij de minister. Het is uiteraard niet zo dat beoogd wordt via deze weg de mogelijkheid te scheppen tot verregaande bemoeienis van rijkswege. Wil echter de verantwoordelijkheid van de minister voor het monumentenbestand als zodanig, enige inhoud hebben dan moet de minister in de gelegenheid zijn zijn visie kenbaar te maken op een moment dat daarvoor het meest geschikt is d.w.z. voorafgaand aan de beslissing die verder aan burgemeester en wethouders is voorbehouden. Het advies kan ook een welkome aanvulling betekenen bij de besluitvorming. In een aantal adviezen is erop gewezen dat burgemeester en wethouders tegen de wil van de minister - die tot aanwijzing als beschermd monument is overgegaan - een sloopvergunning kunnen verlenen en daarmee het beleid van de minister kunnen frusteren. De betrokken adviesorganen bepleiten daarom de opneming in de wet van een verplichting in die gevallen voor burgemeester en wethouders om de minister te vragen eerst de door hem via de plaatsing op de monumentenlijst gegeven << waardestelling >> op te heffen. De ondergetekenden menen dat het onjuist zou zijn a priori van de handelwijze als hierboven bedoeld door burgemeester en wethouders uit te gaan. Er is geen reden om aan te nemen dat burgemeester en wethouders tot bewuste doorkruising van het rijksbeleid zouden overgaan. In het uiterste geval is er nog het middel van schorsing en vernietiging beschikbaar."

Gelet op vorenstaande overwegingen dient het besluit inzake het bezwaar van de staatssecretaris te worden vernietigd. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de rechtbank bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank ziet aanleiding om van de vorenomschreven bevoegdheid gebruik te maken nu verweerder bij de door hem te nemen beslissing op het door de Staatssecretaris ingediende bezwaarschrift, gelet op vorenstaande overwegingen, tot geen andere slotsom zou kunnen komen dan de Staatssecretaris niet-ontvankelijk te verklaren in zijn bezwaren. Het bestreden besluit van 10 november 1999 gericht aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen komt derhalve voor gehele vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 1:2 van de Awb en de bezwaren van de Staatssecretaris zullen alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Laatstbedoelde beslissing treedt in de plaats van het bestreden besluit.

3. overwegingen ten aanzien van de stelling van de Stichting Meru dat er sprake is van een van rechtswege verleende vergunning dan wel dat er sprake is van een onherroepelijk verleende vergunning.

De Stichting Meru heeft betoogd dat zij beschikt over een van rechtswege verleende sloopvergunning in de zin van het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, van de Monumentenwet ingevolge welke bepaling de vergunning wordt geacht te zijn verleend indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het derde of vierde lid. Burgemeester en wethouders zouden gelet op de van rechtswege verleende sloopvergunning niet meer bevoegd zijn om te beslissen op de sloopaanvraag. Derhalve zou de alsnog verleende sloopvergunning onrechtmatig zijn. De rechtbank kan de Stichting Meru hierin niet volgen. Zij overweegt daartoe als volgt.

De stelling dat de Stichting Meru beschikt over een van rechtswege verleende sloopvergunning heeft de Stichting gebaseerd op het argument dat de ingevolge artikel 16 van de Monumentenwet 1988 gestelde maximale termijn voor het verlenen van een sloopvergunning is verstreken zonder dat verweerder een onherroepelijke sloopvergunning heeft verleend. De rechtbank verwerpt die stelling. De in de Monumentenwet 1988 in het kader van het sneller verkrijgen van toestemming tot slopen opgenomen fatale termijnen hebben bestrekking op het nemen van de beslissing op de aanvraag. Niet betwist wordt dat binnen de gestelde termijn op de aanvraag is beslist. Noch uit de Monumentenwet 1988 noch uit de daarop gegeven toelichting blijkt dat er sprake moet zijn van een rechtens onaantastbaar besluit zoals de Stichting Meru voorstaat. Verder heeft de Stichting gesteld dat het besluit van 22 september 1998 een onherroepelijke sloopvergunning betreft nu daartegen niet binnen de gestelde termijn beroep is ingesteld bij de rechtbank. Genoemd besluit zou daardoor formele rechtskracht hebben verkregen. Ook dit argument treft geen doel. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen van de president van de rechtbank in zijn tussen de Stichting Burgercomité St. Ludwig te Vlodrop en de Stichting Meru op 26 april 2000 gedane uitspraak, bekend onder nummer 00/310. Deze overwegingen luiden - voor zover van belang - als volgt:

"Tegen verweerders besluit van 22 september 1998 staat immers de bezwaarschriftenprocedure open. Uit artikel 7:1 van de Awb volgt namelijk dat eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep op de rechtbank kan worden ingesteld, en de wetgever heeft bij de invoering van de Awb herhaaldelijk en met nadruk gesteld slechts uitdrukkelijke afwijkingen van de Awb te willen. Zo'n uitdrukkelijke afwijking is er niet in de Mw, dus wil de wetgever wel een bezwaarschriftprocedure. De president verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 1997 (AB 1998, nr. 10)" Bij een "legal opinion" van 25 maart 2000 heeft de gemachtigde van de Stichting - zakelijk weergegeven - betoogd dat er niet binnen de ingevolge de Awb geldende termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar op de bezwaren is beslist zodat er sprake is van een besluit in de zin van artikel 6:2, onder b, van de Awb. Verder zou niet binnen de volgens genoemde wetgeving gestelde beroepstermijn tegen dat besluit beroep zijn ingesteld met als gevolg: ten eerste dat het besluit van 22 september 1998 formeel rechtskrachtig is, dat wil zeggen: in rechte onaantastbaar is geworden. Daardoor zouden burgemeester en wethouders op 9 november 1999 nog wel bevoegd zijn tot het nemen van een beslissing op de tegen de sloopvergunning ingediende bezwaren, doch zouden zij daarbij de formeel-rechtskrachtige status van die vergunning dienen te respecteren; ten tweede dat het bepaalde in lid 7 van artikel 16 van de Monumentenwet 1988, waarbij de werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, toepassing mist en de hoofdregel van artikel 6:16 van de Awb van toepassing is inhoudende dat bezwaar en beroep geen schorsende werking heeft. Ter zitting heeft de gemachtigde bovenstaand in zijn "legal opinion" neergelegd argument nog nader uiteengezet. Volgens die nadere uiteenzetting stoelt bovenstaand argument op de gedachte dat de Monumentenwet 1988 een fatale termijn kent, hetgeen voor het nemen van een besluit op de aanvraag betekent dat in de bezwaarfase consequenties verbonden moeten worden aan het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar waartegen te laat beroep wordt ingesteld. Die consequentie zou dan zijn dat het primaire besluit een rechtens onaantastbare status krijgt. De rechtbank volgt de Stichting Meru hierin niet. In de Awb is genoemde consequentie niet opgenomen. Zij valt daar ook niet af te leiden. Het zou de taak van de rechter te buiten gaan om bij van rechtswege verleende vergunningen de Awb te lezen in de zin zoals de Stichting Meru voorstaat. Indien een dergelijke consequentie bij van rechtswege verleende vergunningen gewenst zou zijn, is het aan de wetgever om dat te regelen. De rechtbank ziet dan ook in laatstgenoemde stelling geen aanleiding om het besluit voor onrechtmatig te houden.

4. overwegingen ten aanzien van het bepaalde in artikel 18 van de Monumentenwet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 van de Monumentenwet nemen Burgemeester en wethouders dan wel de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur met betrekking tot een kerkelijk monument geen beslissing ingevolge artikel 16 of 17 dan in overeenstemming met de eigenaar, voorzover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of de levensovertuiging in dat monument in het geding is. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 onder e van de Monumentenwet 1988 wordt onder kerkelijke monumenten verstaan: onroerende monumenten welke eigendom zijn van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of de levensovertuiging.

De Stichting Meru heeft een beroep gedaan op bovenstaande bepaling. De Stichting Meru wenst op grond van aan haar overtuiging ontleende argumenten het klooster niet te behouden. Derhalve zou gelet op het bepaalde in artikel 18 van de Monumentenwet een sloopvergunning verleend moeten worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit standpunt te volgen. Een van de voorwaarden van artikel 18 is dat er sprake is van een kerkelijk monument zoals hierboven nader gedefiniëerd. Hieraan is niet voldaan. Niet gezegd kan worden dat het College St. Ludwig overwegend wordt gebruikt voor het belijden van een levensovertuiging. Het gebouw wordt voor het grootste deel gebruikt als onderwijsinstituut. Dat dit onderwijs wordt gegeven vanuit een bepaalde levensbeschouwelijke visie maakt het nog niet tot een kerkelijk monument in de zin van artikel 1, onder e, van de Monumentenwet 1988. Het beroep op het bepaalde in artikel 18 van de Monumentenwet 1988 treft derhalve geen doel. Voorzover gezegd zou moeten worden dat er sprake is van een kerkelijk monument in de zin van genoemde bepaling ziet de rechtbank nog geen aanleiding om het beroep van de Stichting Meru dat de sloopvergunning gelet op genoemde bepaling dient te worden verleend te honoreren. Daartoe overweegt de rechtbank dat de doelstelling die aan de nieuwe wet, de Monumentenwet 1988 ten grondslag is gelegd - namelijk bepalingen vast te stellen voor het behoud van monumenten van bouwkunst en archeologie, aldus de considerans nog nagenoeg dezelfde is als de doelstelling die aan de basis van de Monumentenwet uit 1961 lag. De Monumentenwet 1988 bouwt dan ook, ondanks verschillen, sterk voort op de Monumentenwet uit 1961 en het is daarom dat voor een groot aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 zowel de wetsgeschiedenis van de wet uit 1961, als de jurisprudentie die die wet heeft voortgebracht nog relevant zijn. Uit de wetsgeschiedenis en wel in het bijzonder de Memorie van Antwoord met betrekking tot artikel 16 van de Monumentenwet 1961, artikel 18 van de huidige monumentenwet, blijkt dat wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in een kerk kunnen pleiten voor verplaatsing doch niet voor aantasting of vernietiging van de hier bedoelde waardevolle beschermde voorwerpen. Gelet op deze door de wetgever aan artikel 16 oud, thans artikel 18, van de monumentenwet gegeven wetsuitleg komt de rechtbank het standpunt van de Stichting Meru dat het belang van het belijden van de levensovertuiging die zij aanhangt ertoe leidt dat het college St. Ludwig dient te worden afgebroken onjuist voor.

5. overwegingen met betrekking tot het bepaalde in artikel 11 van de Monumentenwet 1988.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 11 van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken te verstoren of te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. Ingevolge het bepaalde in artikel 12 van genoemde wet moet een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders zijn het tot het verlenen van een sloopvergunning bevoegde orgaan. Bij die bevoegdheid hebben zij beleidsvrijheid. Eisers hebben het verlenen van de sloopvergunning met name op dit punt betwist. Op grond van de door hen naar voren gebrachte argumenten zijn zij van mening dat verweerder ten onrechte de belangen van de Stichting Meru heeft doen prevaleren boven het belang dat is gemoeid met behoud van het College St. Ludwig. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In de Memorie van Toelichting over het bepaalde in artikel 14, tweede lid, onder a, van de Monumentenwet 1961, voorganger van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, is vermeld dat in het algemeen geen vergunning zal worden gegeven tot de afbraak van een monument dat van zodanig algemeen belang is dat het als beschermd monument is aangewezen, tenzij de zaak haar waarde als monument geheel of goeddeels heeft verloren. Uit het vorenstaande maakt de rechtbank op dat de wetgever genoemde beleidsvrijheid van het tot verlenen van een sloopvergunning bevoegde orgaan, onder de Monumentenwet 1961 was dat nog de Minister, heeft willen beperken indien er sprake is van afbraak van een beschermd monument. In het feit dat deze bevoegdheid onder de Monumentenwet 1988 is komen te liggen bij burgemeester en wethouders ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat deze beperking onder de thans vigerende monumentenwet niet meer geldt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de beleidsvrijheid van het vergunning verlenend orgaan in zoverre is beperkt dat er in beginsel bij een beschermd monument geen sloopvergunning dient te worden verleend, tenzij er sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat van deze beginselplicht dient te worden afgezien. Die omstandigheden dienen objectiveerbaar te zijn, gezien het in geding zijnde algemeen belang. Vraag die derhalve voorligt is of verweerder zijn besluit dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het is aan degene die verzoekt om sloop van een beschermd monument om aannemelijk te maken dat de sloop noodzakelijk is in de hierboven aangegeven zin. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder uit is gegaan van het omgekeerde. De rechtbank verwijst voor dit oordeel onder meer naar het door de commissie voor bezwaar- en beroepschriften op 26 oktober 1999 uitgebrachte advies, welk advies verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Uit dit advies komt onder meer naar voren dat verweerder het -volgens de rechtbank onjuiste- uitgangspunt heeft gekozen, dat de mogelijkheid van handhaving moet worden aangetoonde, en vervolgens de bewijslast met betrekking tot achterstallig onderhoud, de mogelijkheid van restauratie en de kosten bij de monumentencommissie heeft gelegd. Voorts acht de rechtbank de noodzaak tot sloop, in die zin dat gebruik van het gebouw door de stichting met behoud van de monumentale waarde in financiële zin niet haalbaar is, in ongenoegzame mate aangetoond. Het daartoe door de Stichting overgelegde rapport van de firma Heijmans biedt daarvoor onvoldoende basis. Het rapport biedt te weinig inzicht in de bouwkundige staat en mogelijkheden of onmogelijkheden van restauratie, renovatie en herbestemming. Veel van de vermelde werken die nodig zouden zijn houden niet alleen verband met het herstel van de bouwkundige staat maar ook met wensen voor ander gebruik. In ieder geval is uit dat rapport niet af te leiden dat restauratie met handhaving van het monumentale karakter van het St. Ludwig klooster niet mogelijk zou zijn. Het rapport is vooral geschreven (en ook te lezen) met het oog op de gewenste doelstelling van gebruik door de eigenaar. Dat de restauratiekosten de sloop noodzakelijk maken is door genoemd rapport evenmin voldoende onderbouwd. In de rapportage van Heijmans BV wordt uitgekomen op een bedrag van f57 miljoen gulden excl. BTW behorende bij een bruto oppervlak van 28.000 m2. Dit is gemiddeld minder dan f2.100.- per m2 bruto vloeroppervlak. Uit de door Ir. M.A. de Boer tijdens de zitting afgelegde verklaring blijkt dat het hier gaat om een realistisch bedrag dat overeenkomt met bedragen die ook bij andere herbestemmingsprojecten worden gerealiseerd en daar tot haalbare exploitaties leiden. Dat de jaarlijkse onderhoudskosten verplichten tot sloop is ook ongenoegzaam aangetoond. Het rapport Heijmans bevat daarover geen gegevens. Ook de overige stukken bieden daarvoor geen cijfermatige onderbouwing. De Stichting heeft gesteld dat zij gedurende de tien jaar dat het college in haar bezit is jaarlijks 1 miljoen gulden heeft uitgegeven aan onderhoud. Voorzover dit bedrag betrekking heeft op onderhoud merkt de rechtbank op dat het hier om een bedrag gaat dat vóór de restauratie/renovatie van het klooster is uitgegeven. Het biedt dus geen inzicht in de onderhoudskosten nadat restauratie heeft plaatsgevonden.

Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de beroepen van de besturen van het Cuypersgenootschap, de Bond Heemschut, de Heemkundevereniging Roerstreek en de Stichting Burgercomité St. Ludwig voor gegrond moeten worden verklaard en de aan deze partijen gerichte besluiten op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor gehele vernietiging in aanmerking komen.

Beslist wordt als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

ten aanzien van het beroep van het bestuur van de gemeente Wassenberg

verklaart het beroep ongegrond.

ten aanzien van het beroep van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

verklaart de Staatssecretaris alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift;

bepaalt dat de gemeente aan de Staatssecretaris het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

ten aanzien van de beroepen van het bestuur van de Bond Heemschut, de Heemkundevereniging Roerstreek, het Cuypersgenootschap en het bestuur van het Burgercomité St. Ludwig

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat de gemeente aan deze eisers het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. G.A.M. Stevens, P.J. Voncken (voorzitter) en W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van mr. B.W.P.M. Corbey-Smits als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2000.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

AC

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.