Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2000:AA6940

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
99/1117 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de thans bestreden besluiten heeft verweerder te kennen gegeven dat, nu de onderneming van eiseressen na wijziging van de bedrijfsstructuur nog steeds één onderneming in Europeesrechtelijke zin is, voor deze onderneming dan ook slechts éénmaal het maximale subsidiebedrag wordt verleend,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 99/1117 WET K1

Inzake : Rijmar Spoorlaan BV + Rijmar de Bong BV, wonende te Roermond, eiseressen,

tegen : de Minister van Financiën, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 25 oktober 1999, kenmerk: JZ/TGD/980468/BNE.

Datum zitting: 24 mei 2000

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluiten van 25 oktober 1999 heeft verweerder eiseressen meegedeeld dat de bezwaren van eiseressen tegen de besluiten van 29 januari 1999 geen aanleiding vormen om die besluiten te herzien.

Bij brief van 30 november 1999 is door eiseressen tegen eerst- genoemde besluiten een beroepschrift ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseressen verzonden.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van de rechtbank op 24 mei 2000, waar namens eiseressen de heer F.L.W.M. van Rijswick is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer R.F. Jasies en en mevrouw A.M. Otto - de Mooij.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Met ingang van 1 juli 1997 is een accijnsverhoging van kracht geworden op lichte olie. Teneinde de onwenselijke effecten als gevolg van het verschil in accijnsniveau tussen Nederland en Duitsland te verminderen, is door verweerder de Tijdelijke regeling subsidie tankstations grensstreek Duitsland, (Stcrt. 1997, 138, verder te noemen de Regeling) in het leven geroepen, op grond waarvan het voor de betrokken tankstationhouders mogelijk is een eenmalige subsidie te verkrijgen van 100.000 Euro per onderneming. De Regeling is gebaseerd op artikel VII van de Wet van 20 december 1996 tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 1997) en is op 24 juli 1997 met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 in werking getreden. Bij de vaststelling van de Regeling is rekening gehouden met de mededeling van de Europese Commissie (hierna de Commissie) inzake de de minimisregel (PbEG 96/c 68/060). Een binnen het kader van die mededeling vallende financiële steun aan ondernemingen binnen de Lid-Staten bedraagt maximaal 100.000 Ecu (thans Euro) per ondernemer gedurende een periode van drie jaar vanaf het moment dat de eerste steun is verleend. Een steunmaatregel die past binnen de de minimisregeling hoeft geen goedkeuring van de Commissie en behoeft niet te worden aangemeld. Op 17 december 1997, Stcrt. 1997, 241, is de Regeling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 gewijzigd, waarbij onder meer artikel 8 is gewijzigd in die zin dat een bepaling is opgenomen met betrekking tot de situatie waarin een tankstation waarvoor reeds subsidie is verleend, in andere handen overgaat. Aan de nieuwe natuurlijke of rechtspersoon voor wiens risico of rekening het tankstation gedreven wordt kan opnieuw subsidie worden verleend. De overdracht mag echter niet zijn geschied met het oog op het opnieuw verkrijgen van subsidie. Na deze wijziging heeft verweerder aan de belangenvertegenwoordigers van de pompstationhouders toegezegd dat pomstationhouders die hebben besloten te wachten met splitsen van hun onderneming in separate juridische entiteiten totdat de Commissie haar standpunt heeft bepaald over de vraag of de de minimisregeling toestaat het minimisbedrag per tankstation uit te keren, alsnog de gelegenheid zullen krijgen hun onderneming te splitsen om zodoende met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 per juridische entiteit in aanmerking te komen voor subsidie. Daarbij gold tevens de voorwaarde dat de nieuwe bedrijfsstructuur binnen de grenzen van het gemeenschapsrecht zou passen.

Op 8 augustus 1997 heeft Rijmar BV een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling, voor de drie tankstations (De Bong, Spoorlaan en Broekhin) die tot haar onderneming behoren. Bij besluit van 15 oktober 1997 heeft verweerder de subsidie ten bedrage van 100.000 Euro toegekend aan Rijmar BV.

Bij brief van 2 maart 1998 heeft Rijmar BV verweerder laten weten voornemens te zijn om haar tankstations, welke nu nog zijn ondergebracht in één onderneming, onder te brengen in afzonderlijke ondernemingen, teneinde per tankstation alsnog het volledige subsidiebedrag van 100.000 Euro vanaf 1 juli 1997 te ontvangen. Rijmar BV heeft verweerder verzocht haar binnen veertien dagen te informeren welke actie zij dient te ondernemen. Bij brief van 24 maart 1998 heeft de accountant van eiseressen verweerder op de hoogte gesteld van de wijze waarop de verzelfstandiging van de drie tankstations zal plaatsvinden. Daarbij heeft hij verweerder verzocht zo spoedig mogelijk te laten weten of hij met dit plan over voldoende informatie beschikt om te beoordelen of de subsidie per tankstation zal worden toegekend.

II.2. Bij akte van oprichting van 29 april 1998 zijn twee dochterondernemingen ontstaan: Rijmar De Bong BV en Rijmar Spoorlaan BV (eiseressen) welke respectievelijk tankstation De Bong en Spoorlaan exploiteren. Rijmar BV zal de directie en het beheer voeren over de nieuw opgerichte dochterondernemingen. Op 21 april 1998 hebben eiseressen aanvragen ingediend om in aanmerking te komen voor subsidie op grond van de Regeling te behoeve van deze op te richten dochterondernemingen.

Bij besluiten van 29 januari 1999 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen afgewezen onder verwijzing naar het standpunt dat de Commissie op 7 oktober 1998 ten aanzien van de gewijzigde Regeling heeft ingenomen. Volgens de Commissie valt de toekenning van de de minimissteun aan meerdere tankstations die tot dezelfde onderneming in Europeesrechtelijke zin behoren, buiten het bereik van de de minimisregeling en moet derhalve worden aangemerkt als aanmeldingsplichtige staatssteun, die niet mag worden uitgevoerd dan nadat de Commissie haar toestemming daartoe heeft gegeven. De Commissie had inmiddels de procedure opgestart als bedoeld in artikel 88, tweede lid, van het EG-Verdrag, (voorheen artikel 93 EG-Verdrag) om de verenigbaarheid van de voorgenomen steun met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken. Bij brief van 23 december 1998 heeft verweerder de brancheorganisaties op de hoogte gesteld van het standpunt van de Commissie. Tegen de besluiten van 29 januari 1999 hebben eiseressen bij brieven van 8 maart 1999 bezwaar gemaakt, welke bezwaren bij de bestreden besluiten van 25 oktober 1999 zijn afgewezen.

II.3. Voordat verweerder de thans bestreden besluiten heeft genomen heeft de Commissie op 20 juli 1999 een beschikking afgegeven (C(1999)2539def.) waaruit blijkt dat de Commissie heeft geconcludeerd dat de steunverlening bij 450 van de 633 in aanmerking komende tankstations niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Met betrekking tot de overige 183 tankstations heeft de Commissie geconcludeerd dat de subsidie aan deze tankstations onder de de minimisregeling valt en derhalve geen steun is in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag. Voorts heeft de Commissie bepaald dat, voor zover de steun in strijd met het bepaalde in artikel 87, derde lid, van het EG-Verdrag reeds is verleend voordat de Commissie een definitief standpunt heeft ingenomen, deze moet worden terugbetaald.

In de thans bestreden besluiten heeft verweerder te kennen gegeven dat, nu de onderneming van eiseressen na wijziging van de bedrijfsstructuur nog steeds één onderneming in Europeesrechtelijke zin is, voor deze onderneming dan ook slechts éénmaal het maximale subsidiebedrag wordt verleend, hetgeen reeds is uitbetaald aan Rijmar BV. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder het Hof) heeft verweerder meegedeeld dat eventuele toezeggingen niet impliceren dat eiseressen op verdere subsidieverlening aanspraak kunnen maken. Verweerder heeft daarbij gewezen op een brief van 15 december 1997 waarin hij het voorbehoud aan de brancheorganisaties heeft gemaakt dat bij de subsidieverlening slechts zou worden aangesloten bij de nieuwe bedrijfsstructuur voor zover dit binnen de grenzen van het gemeenschapsrecht zou passen. Het beroep van eiseressen op het gelijkheidsbeginsel acht verweerder niet gerechtvaardigd, nu het enerzijds gaat om een categorie pompstationhouders die subsidie hebben ontvangen naar aanleiding van een bedrijfssplitsing die reeds daadwerkelijk heeft plaatsgevonden voor wijziging van de Regeling, terwijl bij de andere categorie de splitsing niet feitelijk was doorgevoerd op het moment van wijziging van de Regeling. Daarbij is van belang dat de Commissie inmiddels terugvordering van toegekende subsidie heeft gelast in die gevallen waarin naar haar oordeel de subsidie in strijd met het gemeenschapsrecht is verleend, aldus verweerder. Verweerder is van mening dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel niet gehouden is fouten te herhalen.

II.4. Eiseressen hebben voor hun standpunt verwezen naar correspondentie die de Belangenvereniging Tankstationhouders (BETA) heeft gevoerd met verweerder. Volgens een brief van 18 september 1998 luiden de afspraken die de BETA en verweerder in augustus 1998 met het oog op de toepassing van artikel 8 van de Regeling hebben gemaakt, dat in geval van afsplitsing van tankstations door ondernemingen die meerdere stations exploiteren, de afsplitsing geacht zal worden terug te werken tot 1 juli 1997. Voorts zal de bepaling dat de splitsing niet mag plaatsvinden met het oog op het verkrijgen van de subsidie buiten toepassing blijven. Naar aanleiding van de brief van verweerder van 23 december 1998 waarin verweerder de BETA heeft gewezen op het inmiddels bekende standpunt van de Commissie, heeft de BETA bij brief van 15 januari 1999 het standpunt ingenomen dat het niet naleven van de afspraken leidt tot gelijke behandeling van ongelijke gevallen, daar toekenning van het subsidiebedrag thans plaatsvindt ongeacht het aantal tankstations van een onderneming.

II.5. In dit geschil dient de rechtbank te beoordelen of de thans bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daarbij spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden eiseressen de subsidie op grond van de Regeling heeft geweigerd. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

II.6. Bij de besluiten van 29 januari 1999 heeft verweerder eiseressen meegedeeld dat de aanvragen in dit stadium niet kunnen worden gehonoreerd. In de thans bestreden besluiten van 25 oktober 1999 heeft verweerder vermeld: "Naar later bekend is geworden is verlening van subsidie per tankstation in strijd met de opvattingen van de Commissie over de reikwijdte van de de minimis-regeling en kan om die reden niet zonder strijd met artikel 93, derde lid van het EG-Verdrag ten uitvoer worden gelegd." Onder verwijzing naar deze zinsneden heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat verweerder ten tijde van het nemen van de besluiten in primo in afwachting was van de beschikking van de Commissie. Nadat deze beschikking op 20 juli 1999 werd afgegeven, heeft verweerder de beschikking ten grondslag gelegd aan de thans bestreden besluiten op bezwaar. Volgens de gemachtigde van verweerder heeft verweerder met de thans bestreden besluiten dan ook een definitief standpunt ingenomen ten aanzien van de aanvragen van eiseressen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de thans bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen wegens strijd met het motiveringsbeginsel als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb, waar in het eerste lid is bepaald dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Eerst ter zitting heeft verweerder de beschikking van de Commissie overgelegd en aangevoerd dat die beschikking ten grondslag ligt aan de thans bestreden besluiten. Voor zover de rechtbank hieruit zou kunnen afleiden dat verweerder daarmee het standpunt heeft ingenomen dat die beschikking ziet op de aanvragen van eiseressen, overweegt de rechtbank dat noch uit de thans bestreden besluiten, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken op welke wijze de beschikking van de Commissie ziet op deze aanvragen van eiseressen. Dit klemt temeer nu de aanvragen van eiseressen, anders dan de in de beschikking genoemde 633 gevallen, immers niet zijn aangemeld bij de Commissie en die beschikking dus niet een direct oordeel geeft over de onverenigbaarheid van die aanvragen met het Europees recht. Ook overigens is nagelaten aan te geven waarom de ondernemingen van eiseressen op grond van deze beschikking zijn aan te merken als één onderneming in Europeesrechtelijke zin. Weliswaar heeft verweerder in de thans bestreden besluiten daaraan een overweging gewijd, doch aan deze overweging ligt enkel de mededeling van de Commissie van 7 oktober 1998 ten grondslag, waarbij de Commissie de Nederlandse regering in kennis heeft gesteld van haar beslissing tot inleiding van de procedure als bedoeld in artikel 93 van het EG-Verdrag, en niet de beschikking van 20 juli 1999.

II.7. Ten aanzien van hetgeen namens eiseressen naar voren is gebracht omtrent de schending van het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet snel zal worden gehonoreerd bij strijd met het EG- recht. Uit vaste jurisprudentie van het Hof met betrekking tot steunmaatregelen blijkt, dat het steunvragende bedrijf zou moeten weten dat steunmaatregelen toestemming van de Commissie behoeven en dat de steunmaatregelen zo lang die toestemming niet is gegeven, in beginsel onrechtmatig zijn (onder meer HvJ 20 maart 1997, C-24/95, Alcan Jur. I-1607, AB 1997, 288 en Afdeling rechtspraak van de Raad van State, 30 november 1990, AB 199, 462). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de brancheorganisaties voortdurend in overleg zijn geweest met verweerder omtrent het verlenen van steun naar aanleiding van de accijnsverhoging en dat de brancheorganisaties terdege op de hoogte waren van het feit dat er ten aanzien van de Regeling problemen waren te verwachten van de zijde van de Commissie. De rechtbank verwijst hierbij naar de brieven van verweerder van 7 januari en van 15 december 1997 en de brief van de gemachtigde van BETA van 15 januari 1999. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat verweerder er van uit is gegaan dat de brancheorganisaties de communicatie met de achterban zouden verzorgen, hetgeen de rechtbank niet onredelijk voorkomt. Uit de stukken die eiseressen hebben overgelegd, alsmede uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat die communicatie tussen eiseressen en de brancheorganisaties heeft plaatsgevonden. Nu eiseressen zich beroepen op gewekt vertrouwen via brancheorganisaties mag bij die organisaties bekende kennis die op het tegendeel wijst geacht worden aanwezig te zijn bij eiseressen. Daar komt bij dat de gemachtigde van eiseressen ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het standpunt van de Commissie wel te verwachten was. Gelet op het voorafgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseressen niet gerechtvaardigd konden verwachten dat zij op grond van de Regeling in aanmerking zouden komen voor de steunmaatregel. Het feit dat tussen verweerder en de brancheorganisaties in augustus/september 1998 afspraken zijn gemaakt omtrent het afsplitsen van bedrijven doet hier niet aan af, nu deze af- spraken zich hebben beperkt tot wijze waarop toepassing gegeven zou worden aan het gewijzigde artikel 8 van de Regeling. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er geen afspraken gemaakt over het al dan niet toekennen van subsidie.

II.8. Voorts hebben eiseressen zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel nu exploitanten/dealers die hun onderneming vóór de invoering van de accijnsverhoging hadden gesplitst in afzonderlijke juridische entiteiten wél in aanmerking zijn gekomen voor de subsidie, in tegenstelling tot de ondernemers die daarna hun ondernemingsvorm hebben gewijzigd of die vóór de invoering van de accijnsverhoging op verzoek van verweerder hebben nagelaten. Verweerder heeft dienaangaande gesteld, dat ook ondernemingen die hun bedrijf vóór de invoering van de accijnsverhoging hebben gesplitst, in de beschikking van de Commissie van 20 juli 1999 zijn meegenomen en dat ook ten aanzien van die gevallen, voor zover in strijd met het gemeenschapsrecht, tot terugvordering zal worden overgegaan. Ook op dit punt ontbeert het besluit een toereikende motivering, met name ten aanzien van de stelling dat ook deze gevallen door de Commissie in de beschikking van 20 juli 1999 zijn meebeoordeeld.

II.9. Gelet op het overwogene onder II.6. en II.8. komen de thans bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op de bezwaarschriften van 8 maart 1999 met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

bepaalt voorts, dat de Staat der Nederlanden aan eiseressen het door deze gestorte griffierecht ad f 450,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. F.J.C. Huijbers, R.H. Smits (voorzitter) en M.J.H.T. Peters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.J. Rutten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2000 .

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.