Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA6853

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/1196 VEROR Kl en 98/714
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 98/1196 VEROR Kl en 98/714

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen : het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Belfeld te Belfeld, verweerder.

--------------------

Datum en aanduiding van de bestreden besluiten: de brief d.d. 9 november 1998, kenmerk: MW/7221, en de brief d.d. 15 juni 1998, kenmerk: BZ/MW

Datum van terechtzitting: 18 mei 1999.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 juni 1998 (besluit I) heeft verweerder eisers bezwaar tegen een bestuursdwangaanschrijving ongegrond verklaard.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 9 november 1998 (besluit II) heeft verweerder eisers bezwaar tegen een weigering hem een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 2.1.5.2 van de APV voor het aanleggen van een voortuin, ongegrond verklaard.

Tegen beide besluiten heeft eiser beroep bij deze rechtbank ingesteld.

De door verweerder'ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en de op beide kwesties betrekking hebbende verweerschriften zijn in afschrift aan eiser gezonden. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 mei 1999, waar eiser, in persoon is verschenen en bijgestaan door zijn zoon en dochter, terwijl verweerder -in de zaak met registratienummer 98/1196 opgeroepen bij gemachtigde te verschijnen- zich heeft doen vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. J.W.M. van Haren, alsmede mw. Janssen.

II. OVERWEGINGEN.

Eiser heeft per lapril 1998 het voor zijn woning gelegen trottoir ingericht en in gebruik genomen als voortuin. De betreffende grond behoort In eigendom toe aan eiser en op die grond berust op grond van een uit 1966 daterend bestemmingsplan de bestemming "voortuin". Eiser bewoont zijn huidige woning sedert 1965 en de betreffende strook grond voor zijn huis is feitelijk reeds sedert meer dan dertig jaren in gebruik als trottoir.

Eiser is door verweerder uitgenodigd voor een gesprek op 8 april 1998, waarbij eiser erop is gewezen dat hij door het inrichten en in gebruik nemen van het trottoir als voortuin in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Belfeld, zoals die luidt sedert 18 december 1997 (verder: APV). Eiser heeft bij die gelegenheid verklaard dat het bestemmingsplan aangeeft dat het trottoir de bestemming tuin heeft en dat hij dat gedeelte dan ook als tuin wenst te gebruiken.

Bij besluit van 9 april 1998 heeft verweerder eiser gelast om binnen één week het trottoir voor zijn woning te herstellen in de oorspronkelijke situatie, alle planten te verwijderen, de door eiser verwijderde stoeptegels weer terug te leggen en de afsluiting van het stuk grond ongedaan te maken. Indien eiser geen gevolg geeft aan deze last, zal verweerder zelf overgaan tot herstel van de oude situatie. waarvan de kosten voor rekening van eiser komen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat artikel 2.1.5.2 van de APV in het onderhavige geval van toepassing is en dat eiser heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in dat artikel. Dat het betreffende stuk grond in eigendom aan eiser toebehoort, doet aan de overtreding van de APV niet af. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat naast het bestemmingsplan de APV van toepassing is en dat het inrichten van het stuk grond overeenkomstig het bestemmingsplan evenmin aan de overtreding van de APV iets afdoet.

Partijen hebben ter hoorzitting op 19 mei 1998 hun respectieve standpunten nader toegelicht en de commissie voor de bezwaar-en beroepschriften heeft verweerder geadviseerd eisers bezwaar ongegrond te verklaren.

Eisers verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van verweerders besluit van 9 april 1998 is bij uitspraak van de president van 27 mei 1998 afgewezen, waarbij -kort gezegd- is vastgesteld dat eiser het bepaalde in artikel 2.1.5.2 van de APV heeft overtreden, dat verweerder op grond daarvan bevoegd is geweest bestuursdwang aan te zeggen en dat verweerder van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die de aan de rechter toekomende toetsing zal kunnen doorstaan.

Bij het thans bestreden besluit I heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 24 juli 1998 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.2. van de APV voor de aanleg van de voortuin conform het vigerende bestemmingsplan. Bij besluit van 17-augustus 1998 heeft verweerder allereerst besloten dat de gevraagde vergunning voor de aanleg van de -tuin noodzakelijk is en voorts dat de gevraagde vergunning wordt afgewezen in verband met de verkeersveiligheid. Tevens wijst verweerder op het bepaalde in artikel 14, eerste 'Lid, van de Wegenwet waaruit volgt dat de rechthebbende op een weg alle verkeer over de weg te dulden heeft.

In bezwaar voert eiser aan dat de APV geen instrument is om de in het bestemmingsplan geboden mogelijkheden tegen te houden, noch om inbreuk te maken op het eigendomsrecht, en dat het bestemmingsplan het enige criterium dient~te zijn dat bij de beoordeling of de inrichting van de grond is toegestaan. Voorts stelt eiser dat-ten onrechte de indruk zou zijn gewekt dat het om een openbaar trottoir gaat.

Ter hoorzitting op 28 oktober 1998 hebben beide partijen ten overstaan van de bezwaar- en beroepschriftencommissie gebruik gemaakt van de gelegenheid hun respectieve standpunten nader toe te lichten. De commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit II heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank dient te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De relevante rechtsvragen in de onderhavige zaken dienen te worden beantwoord aan de hand van de APV en de Awb. Noch de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch de Woningwet of het bestemmingsplan zijn in de thans bij de rechtbank aanhangig, zaken rechtstreeks aan de orde.

Overwegingen met betrekking tot besluit I (bestuursdwang)

Indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift en mogelijkheden tot legalisatie van de onwettige toestand ontbreken, is het in beginsel niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar dat bestuursdwang wordt aangezegd met het oog op het belang dat wettelijke voorschriften worden nageleefd en precedentwerking wordt voorkomen. Van een bestuursorgaan als verweerder kan niet zonder meer worden verwacht dat eigenmachtig afwijken van ter zake geldende regelgeving wordt gedoogd, wordt gelegaliseerd of anderszins wordt gehonoreerd.

Nu eiser de in het geding zijnde voortuin heeft aangebracht ter plaatse van het trottoir zonder ten tijde van dat aanleggen te beschikken over de daartoe vereiste vergunning heeft hij gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 2.1.5.2 van de APV.

Eiser heeft strikt,genomen ook niet ontkend of anderszins bestreden dat hij het bepaalde in artikel 2.1.5.2 van de APV heeft overtreden. Hij stelt zich kennelijk op het standpunt dat het bepaalde ih dat'artikel niet op hem of zijn situatie ,van toepassing is. Die stelling volgt de rechtbank niet. Het betreffende stuk grond is feitelijk, zoals de president van de rechtbank in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft vastgesteld en tussen partijen ook als vaststaand kan worden aangenomen, sedert meer dan dertig jaren, voorafgaand aan april 1998, in gebruik als trottoir. Eiser heeft immers uitdrukkelijk erkend dat het trottoir feitelijk reeds meer dan dertig jaren als zodanig in gebruik Is geweest. In navolging van de president stelt thans de rechtbank dan ook vast dat, op grond van het feit dat het trottoir reeds meer dan dertig jaren als zodanig in gebruik is, dat trottoir een (deel van de) openbare weg in de zin van artikel 2.1.5.2 van de-APV is geworden en dat derhalve het verbod van dat artikel ook eiser als eigenaar van het betreffende weggedeelte regardeert. Dat de bestemming anders is leidt nog niet tot de conclusie dat het trottoir -feitelijk- geen openbare weg is (geworden). Eisers stelling dat er voor aanleg van de voortuin in overeenstemming met het bestemmingsplan geen vergunning als bedoeld In artikel 2.1.5.2 van de APV nodig is, volgt de rechtbank dan ook niet.

Meergenoemd artikel is juist vanwege het openbare orde aspect wel degelijk van toepassing en eigendom en bestemmingsplan doen aan de toepasselijkheid van die bepaling niet af. Het artikel is niet bedoeld en ook niet gebruikt om ruimtelijke ordening te bedrijven.

Het feit dat op de betreffende grond de bestemming "voortuin" rust, geeft eiser op zich zelf genomen nog geen legitimatie om de thans aan de orde zijnde bepaling van de APV te (mogen) overtreden. Wat er ook zij van de werking en de strekking van het geldende -thans niet rechtstreeks aan de orde zijnde-bestemmingsplan, bepalingen van openbare orde als in casu kunnen er niet door opzij gezet worden. Er bestaat immers geen verplichting de bestemming te verwezenlijken; te meer niet indien en voor zover andere belangen, als bescherming van de openbare orde, daaraan in de weg staan. Bestemmingsplannen bevatten verboden, geen geboden en dus ook geen gebod tot gebruik overeenkomstig de bestemming.

Evenmin zet de aan eiser toekomende -en geenszins ontkende eigendom van de grond de werking van de APV-bepaling opzij. Het feit dat het stuk grond eisers eigendom is leidt niet zonder meer tot de conclusie dat daarmee de aard van het gebruik van het (openbaar) trottoir bepaald is of zou wijzigen of dat de grond niet gebruikt zou (kunnen) worden als (openbaar) trottoir.

De rechtbank concludeert dan ook dat artikel 2.1.5.2 van de APV in de onderhavige situatie van toepassing is en dat eiser het bepaalde in dat artikel heeft overtreden.

Legalisering van het gewraakte handelen is, nu inmiddels de alsnog gevraagde vergunning is geweigerd en verweerder kennelijk stringent vast houdt aan die weigering, niet aan de; orde.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden bevoegd heeft geacht over te gaan tot het aanzeggen van bestuursdwang. Bij die aanzegging heeft verweerder het bepaalde in onder meer de artikelen 5:24 en 5:25 van de Awb in acht genomen.

De rechtbank zal, gezien het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb, in het bijzonder nog moeten bezien of verweerders besluit om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang berust op een zorgvuldige afweging van de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen en of de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Voorts mag uiteraard ook anderszins geen sprake zijn van strijdigheid met geschreven of ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur of algemene rechtsbeginselen.

Eiser blijft zich uitdrukkelijk op het standpunt stellen dat zijn belang bij het inrichten en handhaven van die voortuin is gelegen in zijn eigendom van de betreffende strook grond.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders belangen, die met name zijn gelegen in de handhaving van de wettelijke voorschriften, in casu voorschriften betreffende de openbare orde, en het voorkomen van ongewenste precedentwerking, in deze zwaarder dienen te wegen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking de belangen van (overige) weg- en trottoirgebruikers bij een onbelemmerde doorgang, welke belangen verweerder mede geacht wordt te behartigen. Concluderend oordeelt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoeker onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

Van omstandigheden op grond waarvan verweerder in het onderhavige geval van toepassing van bestuursdwang had behoren af te zien is de rechtbank niet gebleken. Noch de hardnekkig benadrukte eigendomssituatie noch de positieve bestemming van de betreffende grond als voortuin zijn op zich zelf of tezamen reden om af te zien van bestuursdwang.

Hetgeen overigens van de zijde van eiser is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eisers beroep tegen besluit I komt op grond van het vorenstaande voor ongegrondverklaring in aanmerking.

Overwegingen met betrekking tot besluit II (APV-vergunning)

In de eerste plaats.bestrijdt eiser ook hier de noodzaak van de vergunning. Met verwijzing naar hetgeen in het kader van besluit I hieromtrent reeds is overwogen, volstaat de rechtbank met de conclusie dat voor het aanleggen van een tuin ter plaatse van een sedert jaren bestaand en als zodanig gebruikt trottoir een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.5.2 van de APV vereist is.

Ingevolge artikel 2.1.5.2 van de APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. In dat artikel is niet bepaald op welke gronden de vergunning moet worden geweigerd. Desgevraagd heeft verweerder doen aangeven dat er geen beleid is gevormd ter zake van de toepassing van deze bepaling omdat er kennelijk niet eerder aanleiding voor is geweest en deze kwestie als een incident wordt beschouwd.

Het ontbreken van beleid voor toepassing van artikel 2.1.5.2 van de APV is op zich zelf geen reden om besluitvorming op die grond reeds onzorgvuldig te achten. Verweerder heeft aan de weigering het belang van de verkeersveiligheid ten grondslag gelegd.

Artikel 2.1.5.2 is in de APV opgenomen in het hoofdstuk Openbare Orde, afdeling Orde en Veiligheid op de weg. Gelet op de plaats van dat artikel in de verordening en gelet op de feitelijke situatie, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van de gevraagde vergunning op de gehanteerde grond, nu die (weigering) is geplaatst in het kader van de openbare orde en in het bijzonder in het kader van de orde en veiligheid van de weg, de rechterlijke toets kan doorstaan. Nu deze grond de weigering zonder meer kan dragen en op zich zelf afdoende is, laat de rechtbank in het midden wat er is van de toepassing van bepalingen van de Wegenwet. Hetgeen eiser aanvoert kan niet tot gegrondheid van dit beroep leiden, zodat ook dit beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.J.C. Huijbers, in tegenwoordigheid van J.C. Kupers-Leenen,als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 1999.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 30 juni 1999

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

[Noot van de redactie: in hoger beroep is deze uitspraak bevestigd: ELRO-nummer AA6852]