Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA4831

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-12-1999
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
99/280 WET k1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 99 / 280 WET K1

Inzake : dr. A, wonende te B, eiser,

tegen : de Raad van de gemeente Mook en Middelaar, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 28 januari 1999, kenmerk: gb.

Datum van terechtzitting: 8 november 1999.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Op 28 januari 1999 heeft verweerder bij beslissing op bezwaar de volgende deelbesluiten genomen: I. overeenkomstig het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften het bezwaarschrift van de heer A ongegrond te verklaren en het bestreden besluit van 29 april 1998 in stand te laten. II. de heer A een bedrag van f 100,- te restitueren. III. artikel 3 van de procedureverordening te schrappen en de daarop volgende artikelen opnieuw te vernummeren, met dien verstande dat artikel 4 artikel 3 wordt, artikel 5 artikel 4 etc. Tegen dat besluit is beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden. Behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 november 1999, alwaar eiser is verschenen bij gemachtigde mr. A.R. van Tilborg. Verweerder heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr. G.W.B. Heijmans en mr. M.G.J. Litjens, medewerkers van de gemeente B.

II. OVERWEGINGEN.

Eiser is eigenaar van het pand [...]straat 3 te B. Op 9 juli 1997 heeft eiser bij verweerder een verzoek om vergoeding van planschade ingediend in verband met de vaststelling van het bestemmingsplan "Kern B 1986". Dit bestemmingsplan is door de raad vastgesteld op 20 mei 1987 en heeft voor het overgrote deel, waaronder het omstreden perceel, rechtskracht verkregen per 5 januari 1988. De aanleiding van het verzoek is gelegen in de realisatie van een bouwplan op het noordwestelijk aangrenzende perceel D 899 op basis van genoemd bestemmingsplan. Door de bebouwingsvoorschriften uit het huidige vigerende plan zou veel dichter op de perceelgrens gebouwd mogen worden dan in een eerder stadium was toegestaan. Daarnaast zou het oude regime uitgaan van vrijstaande woningen. Eiser schat de waardedaling op een bedrag van f 55.000,-. Met betrekking tot dit verzoek heeft verweerder advies gevraagd aan adviesbureau Van Montfoort. Deze schadebeoordelingsdeskundige heeft op 4 februari 1998 geadviseerd het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Daarbij is overwogen dat de in januari 1988 ontstane waardevermindering gesteld kan worden op f 13.000,- en voorts dat deze schade in redelijkheid ten laste van de aanvrager kan worden gelaten. De toepassing van de redelijkheidsclausule wordt zakelijk weergegeven gegrond op de navolgende motivering. De schade zoals die op 5 januari 1988 is ontstaan wordt eerst geclaimd naar aanleiding van de realisatie van een bouwplan in 1997. Tussen dit bouwplan en de vroegere planologische situatie is echter niet een zodanig nadelig verschil waar te nemen dat dit in een waardevermindering tot uitdrukking komt. Gelet op het vorenstaande komt de deskundige tot de conclusie dat de in januari 1988 ontstane waardevermindering die gedurende een reeks van jaren slechts in latente vorm aanwezig is geweest, thans in zijn geheel feitelijk niet (meer) aanwezig is. Onder die omstandigheden bestaat er volgens de deskundige aanleiding om te concluderen dat de schade in redelijkheid ten laste van de aanvrager kan worden gelaten.

Overeenkomstig dit advies heeft verweerder bij besluit van 29 april 1998 besloten het verzoek om vergoeding van planschade af te wijzen. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt. Op 29 oktober 1998 heeft de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten. Vervolgens heeft verweerder het besluit genomen zoals hierboven aangegeven in rubriek I.

Tegen dat besluit is beroep ingesteld.

In beroep is enkel de afwijzing van het schadeverzoek betwist. De betwisting heeft slechts betrekking op de hoogte van het schadebedrag en anderzijds de toepassing van de redelijkheidstoets. Eiser is van mening dat bij de beantwoording van de vraag of de planschade redelijkerwijze geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening dient te blijven er geen vergelijking mag worden gemaakt tussen datgene wat op basis van het voorheen vigerende bestemmingsplan mogelijk was en datgene wat inmiddels feitelijk is gerealiseerd.

De rechtbank zal zich bij zijn beoordeling beperken tot deze punten van geschil. Hij overweegt dienaangaande het navolgende.

In hetgeen van de zijde van eiser is aangevoerd met betrekking tot de hoogte van het schadebedrag ziet de rechtbank geen termen om de door verweerder vastgestelde theoretische waardevermindering ad f 13.000,- als gevolg van de planologische wijziging voor onjuist te houden. De getaxeerde waarde van het pand ad f 260.000,- per januari 1988 komt de rechtbank niet onjuist voor. Dat de theoretische waardevermindering meer bedraagt dan 5% van genoemd basisbedrag, zoals eiser meent, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank acht de berekening van de waardevermindering op f 45.000,- door Makelaar Peters in diens verzoek van eiser opgemaakt taxatierapport d.d. 22 juni 1998 niet overtuigend. Met verweerder en diens adviseur v. Montfoort acht ook de rechtbank het niet correct dat Peters de waarde op 5 januari 1988 zelf (hoger) berekend op f 292.000,- maar voor wat betreft de waarde ná de herziening van het bestemmingsplan aansluit bij de door Van Montfoort vastgestelde waarde van f 247.000,-. Deze grief treft derhalve geen doel.

Wat de aangebrachte redelijkheidstoets betreft wordt het volgende overwogen. Op basis van het door de schadebeoordelingsdeskundige uitgebrachte advies is verweerder tot het oordeel gekomen dat genoemde schade in redelijkheid ten laste van de aanvrager kan worden gelaten. De rechtbank schaart zich achter dit oordeel. Dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor eiser in een nadeliger positie is komen te verkeren waardoor hij schade lijdt of zal lijden het oude planologische regime en niet de feitelijke situatie van belang is betekent niet dat bij de beantwoording van de vraag of de schade redelijkerwijze geheel of gedeeltelijk voor rekening van belanghebbende dient te blijven de op het moment van het verzoek feitelijk aanwezige situatie geen rol mag spelen. Ten tijde van het verzoek was er op het aangrenzend perceel een bouwplan gerealiseerd. Met verweerder moet worden geconstateerd dat datgene wat is gerealiseerd slechts in geringe mate een nadelig verschil oplevert ten opzichte van de vroegere planologische situatie. Immers ook in de oude planologische situatie zou het mogelijk geweest zijn dat vanuit ramen in de zijgevel van een woonhuis werd uitgekeken op de patio van de [...]straat 3. De bouwmassa van het gerealiseerde bouwplan wijkt niet in betekende mate af van die welke eerder realiseerbaar was. Het feit dat er op het perceel waar voorheen alleen vrijstaande woningen gebouwd hadden kunnen worden thans vier halfvrij staande woningen zijn verrezen met een geringere frontbreedte en ook minder allure betekent niet dat de waarde van de woning in betekenende mate in nadelige zin wordt beïnvloed. Concluderend kan dan ook worden gesteld dat er zich in januari 1988 weliswaar een theoretische waardevermindering van het pand van eiser heeft voorgedaan maar dat die waardevermindering op grond van de op het moment van verzoek gerealiseerde feitelijke situatie is komen te vervallen. De grief van eiser ten aanzien van de toegepaste redelijkheidstoets faalt derhalve evenzeer.

Gelet op vorenstaande overwegingen dient het beroep dan ook voor ongegrond te worden gehouden.

Tevens bestaan er geen termen om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. R.H. Smits (voorzitter) L.A. Gruiters, S.K. Bouwman, in tegenwoordigheid van mr. B.W.P.M. Corbey- Smits als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 december 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: 23 december 1999. EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.