Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA4141

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/35 GEMWT K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 99/35 GEMWT K1

Inzake : A, te B, eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van

de gemeente Venlo, verweerder.

--------------------

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 1 december 1998, kenmerk: SECAJ Nr. 98/70929.

Datum van terechtzitting: 18 mei 1999. --------------------

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Namens eiser heeft mr. J.B.J. Schijns, advocaat te Venlo, op 12 januari 1999 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder d.d. 1 december 1998, waarbij zijn bezwaar tegen een eerder besluit van 5 juni 1998 niet-ontvankelijk is verklaard. Nadat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift had ingezonden is dit beroep behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank van 18 mei 1999. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Schijns, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN.

Op grond van rapportage van het districtelijk overlastteam van de politie regio Limburg-Noord over het pand […]straat[…] te B heeft verweerder eiser op dat adres aangeschreven met een zogeheten "vooraankondiging bestuursdwang", omdat het pand gedeeltelijk zou worden gebruikt als coffeeshop en daarmee in strijd met het geldende bestemmingsplan. Uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken, dat verweerder tot aanschrijving van eiser is overgegaan op basis van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie waaruit naar voren was gekomen dat (onder meer) eiser op dat adres was ingeschreven. Eiser is in de gelegenheid gesteld te worden gehoord over verweerders voornemen tot aanschrijving van bestuursdwang. Van die gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt. Uit het verslag daarvan blijkt dat eiser zich heeft gepresenteerd als bewoner van een gedeelte van het pand en dat hij heeft gesteld niets van doen te hebben met de coffeeshop. Bij brief van 5 juni 1998 heeft verweerder daarop onder meer eiser bestuursdwang aangezegd wegens strijdig gebruik van het pand, vanuit de overweging dat eiser -"als huurder"/gebruiker-het in zijn macht heeft het strijdige gebruik te beëindigen en ook in de toekomst achterwege te laten. Namens eiser heeft mr. Schijns op 17 juli 1998 tegen deze aanschrijving van bestuursdwang bezwaar aangetekend. Dat bezwaarschrift is aangevuld bij brief van 29 juli 1998. Eerder, op 13 juli 1998, is eiser als belanghebbende gehoord ter zake van het bezwaar van een derde (A. Erdem) tegen eenzelfde bestuursdwangaanschrijving. Zowel tijdens die hoorzitting als in het bezwaar is eiser enkel ingegaan op zijn positie als (mede)bewoner van het pand […]straat […] en heeft hij er geen melding van gemaakt dat hij eigenaar zou zijn van dat pand. Nadat verweerder (blijkens verklaring ter terechtzitting weer op grond van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie) had vastgesteld dat eiser sedert medio september 1998 niet meer woonachtig was op het genoemde adres, heeft verweerder bij het nu bestreden besluit op bezwaar eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaarschrift. Verweerder is daartoe gekomen op de overweging, dat eisers belang bij de heroverweging van het eerdere besluit is komen te vervallen nu hij geen gebruik meer maakt van het adres ten aanzien waarvan de toepassing van bestuursdwang is aangezegd. In beroep heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat dit belang bij heroverweging van het besluit van 5 juni 1998 er wel nog zou zijn, omdat eiser weliswaar verhuisd is maar nog steeds eigenaar is van het pand.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de context van de voorbereiding van de bestuursdwangaanschrijving (het horen op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht) blijkt voldoende duidelijk dat eiser niet gehoord is en niet aangeschreven is als eigenaar van het betreffende pand, maar als medegebruiker van het pand, omdat hij het uit dien hoofde in zijn macht zou hebben een einde te maken aan het strijdige gebruik (hoewel de rechtbank het dan wel duidelijker had gevonden als verweerder hem niet had betiteld als huurder -hetgeen hij nooit is geweest- maar als gebruiker). Noch uit het horen noch uit het bezwaar viel voor verweerder op te maken dat eiser eigenaar was en de aanschrijving is ook anderszins niet tot de eigenaar gericht geweest. Eisers belangen uit hoofde waarvan hij door verweerder is aangeschreven op 5 juni 1998 zijn door zijn verhuizing ná de indiening van het bezwaar komen te vervallen. In ieder geval heeft de gemachtigde van eiser ook de rechtbank niet aannemelijk kunnen maken welk belang eiser zou hebben gehouden bij een inhoudelijke beoordeling door verweerder van zijn bezwaar tegen déze bestuursdwangaanschrijving. Ter terechtzitting is wel gebleken dat verweerder eiser inmiddels heeft aangeschreven als eigenaar van het pand ter zake waarvan volgens verweerder met het bestemmingsplan strijdig gebruik is geconstateerd, maar die laatste aanschrijving staat voor de rechtbank niet ter beoordeling en kan ook niet ter beoordeling worden aangebracht door onderhavig beroep.

De rechtbank beslist daarom als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 1999.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.