Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA3908

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
08-11-1999
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
98/1168 WAO K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 98 / 1168 WAO K1

Inzake : A te B, eiseres,

tegen : Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland bv te Venlo, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 4 november 1998, kenmerk: BZs-ao 752.009.24.

Datum van terechtzitting: 28 september 1999.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Eiseres is op 11 december 1998 in beroep gekomen tegen het besluit van verweerder van 4 november 1998, waarbij haar bezwaren tegen de aan haar opgelegde boete ad f 500,00 in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongegrond werden verklaard.

De door verweerder ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij schrijven van 15 september 1999 heeft eiseres een nadere uiteenzetting van de gronden van beroep alsmede enkele bijlagen doen indienen. Een kopie van deze gedingstukken is aan verweerder gezonden.

Behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 september 1999, alwaar eiseres, zoals medegedeeld bij brief van 27 september 1999 niet is verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Moor.

II. OVERWEGINGEN.

Bij eiseres is in dienst mevrouw M.J.T. Colen echtgenote van Sijben, hierna te noemen werkneemster. Op 17 december 1997 is zij arbeidsongeschikt geworden. Op 8 april 1998 is bij verweerder het namens eiseres door haar arbodienst Commit Arbo BV voorlopig opgesteld reïntegratieplan binnengekomen. Dit plan is gedateerd 4 maart 1998.

In zijn brief van 14 april 1998 deelt verweerder aan eiseres mede dat het voorlopig reïntegratieplan beoordeeld moet worden op tijdigheid en adequaatheid en dat het voorlopig reïntegratieplan uiterlijk op 17 maart 1998 ontvangen had moeten zijn en derhalve niet tijdig is zodat verweerder verplicht is een boete op te leggen waarvan kan worden afgezien als eiseres een deugdelijke grond kan aanvoeren voor het niet tijdig of onvolledig invullen van het voorlopig reïntegratieplan. Verweerder heeft eiseres verzocht binnen twee weken aan te geven waarom het reïntegratieplan te laat is ingediend. Bij brief van 28 april 1998 heeft eiseres verweerder dienaangaande het volgende doen weten: "Gezien de omstandigheden maken wij op dit moment een volledig reïntegratieplan, hierbij is de datum voor het voorlopige reintegratieplan uit het oog verloren."

Bij besluit van 13 mei 1998 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van f 500,00, wegens het zonder deugdelijke grond niet voldoen aan de verplichting tijdig een reïntegratieplan in te dienen. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar doen maken. Bij besluit op bezwaar van 4 november 1998 verklaart verweerder de bezwaren ongegrond en handhaaft hij daarmee de opgelegde boete.

Tegen dit besluit op bezwaar komt eiseres thans in beroep.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Alvorens op die vraag in te gaan schetst de rechtbank in onderstaande overwegingen het van toepassing zijnde wettelijk kader.

Wettelijk kader.

Bij de zogenoemde Veegwet SZW 1998, Stb. 1998,742 (Veegwet 1998) is artikel 71a met ingang van 29 december 1998 gewijzigd. Het in geding zijnde besluit is genomen voor de inwerkingtreding van de Veegwet 1998, zodat hierop van toepassing is de bepaling 71a van de WAO zoals die luidde van 1 januari 1998 tot 29 december 1998.

Artikel 71a van de WAO luidde - voor zover van belang - toen als volgt:

1. Gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet legt de werkgever aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen een door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat reïntegratieplan over ten behoeve van de herintreding van de werknemer in het arbeidsproces. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels inzake voorlopige of volledige reïntegratieplannen en eventueel noodzakelijke vervolgplannen en stelt minimumeisen waaraan deze plannen moeten voldoen.

2.(...)

3.(...)

4. Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Landelijk institiuut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste f 1000,-.

5.(...)

6.(...)

7.De artikelen 29a, derde, vierde en zesde lid, 29b, 29c, 29e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid en 29g, eerste, vierde, vijfde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Het derde lid van laatstgenoemd artikel geeft het Lisv de bevoegdheid van het opleggen van een boete af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Op grond van het zesde lid heeft het Lisv nadere regels vastgesteld in het Besluit boete ZW/WAO werkgevers.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder a, van dit Besluit is de verplichting bedoeld in artikel 71a, eerste, tweede, en derde lid niet of niet behoorlijk nagekomen indien het voorlopig reïntegratieplan niet tijdig is ingediend of niet adequaat is. Met toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder b, van dit artikel bedraagt de hoogte van de boete bedoeld in artikel 71a, vierde lid, WAO f 500,- indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan, dat uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd moet worden ingediend, 7 kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is ingediend.

Artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet (waarnaar in artikel 71a van de WAO wordt verwezen) luidde toen - voor zover van belang - als volgt:

De werkgever van de verzekerde die bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op loon doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd, aangifte van die ongeschiktheid bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

Artikel 71a, eerste lid, van de WAO.

De rechtbank ziet zich in dit geding in de eerste plaats gesteld voor de vraag of eiseres het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO heeft overtreden.

Eiseres is van mening dat dit niet het geval is, zodat ten onrechte een boete is opgelegd. Eiseres heeft dit standpunt doen steunen op de volgende redenering. Allereerst heeft eiseres betoogd dat artikel 71a, eerste lid, van de WAO niet meer behelst dan de verplichting om gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid een reïntegratieplan in te dienen. Eiseres heeft dit gedaan. Zij heeft het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO dan ook niet overtreden.

Voorts heeft eiseres gewezen op het bepaalde in artikel 7 EVRM. Uit dit artikel volgt volgens eiseres dat een strafbepaling zoals thans aan de orde duidelijk en ondubbelzinning dient te zijn verwoord. Nu uit de wettekst niet blijkt dat het reïntegratieplan, evenals de ziekmelding, uiterlijk de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid dertien weken heeft geduurd, moet worden gedaan is eiseres van mening dat er op basis van het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO geen boete kan worden opgelegd. Bij het schrijven van 15 september 1999 heeft eiseres onder punt 7 met als aanduiding "feitelijkheden" tot slot betoogd dat als er een termijn van dertien weken geldt ten aanzien van het indienen van een reïntegratieplan aan die termijn is voldaan. Immers de uiterste datum voor het indienen van het reïntegratieplan volgens verweerder is 17 maart 1998. Het reïntegratieplan is namens eiseres door Commit Arbo BV aangemaakt op 4 maart 1998 en volgens interne productielijnen op die datum ook verzonden per gewone post. Eiseres vindt het zeer opmerkelijk dat het plan pas op 9 april 1998 door het GAK is ontvangen. Eiseres is van mening dat verweerder dient aan te tonen dat eiseres het

plan niet tijdig heeft verzonden nu verweerder de envelop heeft kwijtgemaakt.

Met betrekking tot die stellingen overweegt de rechtbank het volgende.

Onbetwist staat vast dat eiseres gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid het voorlopig reïntegratieplan heeft ingediend. Vraag is echter of uit het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO volgt dat het indienen van genoemd plan binnen een bepaalde termijn dient te geschieden en zo ja, of daaraan is voldaan.

Uit de zaak Kokkinakis v. Greece, 25 mei 1993, A.260-A, blijkt dat als een bepaling kan worden aangemerkt als een 'criminal offence' in de zin van artikel 7 EVRM deze bepaling duidelijk en ondubbelzinnig dient te zijn verwoord. In G.v. France, 27 september 1995, NJ 1996, 49 Kn, heeft het Europese Hof de hierboven weergegeven eis nader uitgewerkt door aan te geven dat de strafbepaling 'accessable' en foreseeable' dient te zijn.

Met betrekking tot de vraag of het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO voldoet aan de eisen van 'accesibility' en 'foreseeability,' zoals die door het Hof nader zijn uitgewerkt in haar jurisprudentie, overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de beantwoording van die vraag laat de rechtbank in het midden of het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO is te beschouwen als een 'criminal offence'. Op grond van onderstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat aan de hierboven geformuleerde eisen is voldaan, zodat reeds daarom niet kan worden gezegd dat er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7 EVRM. De 'accesibility' is niet in geding. Het gaat hier immers om de WAO en de ZW; twee wetten in formele zin. Blijkens de jurisprudentie van het Hof houdt voorzienbaarheid in dat de wetsbepaling dermate duidelijk en

ondubbelzinnig is dat een burger - eventueel na (juridisch) advies - kan bepalen welke consequenties aan overtreding van de rechtsregel zijn verbonden. In artikel 71a, eerste lid, van de WAO wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikel 38, eerste lid, van de ZW. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres kon, althans had kunnen weten dat het overschrijden van de in laatstgenoemd artikel gestelde termijn tot gevolg zou hebben dat haar een boete werd opgelegd. Tevens heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres zich met betrekking tot het opstellen en indienen van het voorlopig reïntegratieplan heeft laten bijstaan door Commit Arbo BV. Het gaat hier om een organisatie die gezien haar werkterrein toch op de hoogte moet zijn geweest van de systematiek van de WAO en de ZW.

Het vorenstaande heeft de rechtbank dan ook tot de conclusie gebracht dat uit artikel 71a, eerste lid, van de WAO voldoende duidelijk en ondubbelzinning blijkt dat er voor het indienen van het reïntegratieplan een termijn van dertien weken geldt gerekend vanaf en met inbegrip van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De bepaling kan dan ook dienen als basis voor het opleggen van een boete. Rest nog de vraag of die termijn in dit geval is overschreden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO in samenhang bezien met het bepaalde in artikel 38 van de Ziektewet niet duidelijk blijkt wanneer daar sprake van is. Uit de stukken komt naar voren dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het reïntegratieplan te laat is ingediend indien het niet op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd is ontvangen. Verweerder hanteert derhalve de ontvangsttheorie. De rechtbank is van oordeel dat op dat beginsel een uitzondering dient te worden gemaakt indien het reïntegratieplan, zoals in het onderhavige geval, per post is ingediend. Een op die wijze ingediend reïntegratieplan is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het voorlopig reïntegratieplan is door het GAK ontvangen op 9 april 1998. Dus nadat eerderomschreven termijn van dertien weken en een termijn voor een gebruikelijk te achten postverwerking zijn verstreken.

Het risico van een niet tijdige ontvangst rust op eiseres.

Eiseres kan dat risico vermijden door de betreffende stukken aangetekend te (laten) verzenden. Indien zulks niet is geschied dient eiseres op een andere wijze aannemelijk te maken dat zij de stukken tijdig heeft verzonden. Een op de envelop geplaatst poststempel kan dan uitkomst bieden. Eiseres stelt dat verweerder de envelop heeft kwijtgemaakt. In een dergelijke situatie is het volgens eiseres aan verweerder om aan te tonen dat het plan niet tijdig is verzonden. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling. Weliswaar heeft verweerder ter zitting erkend dat hij de envelop niet heeft bewaard maar dat bewerkstelligt in dit geval niet dat de tijdige verzending in de risicosfeer van verweerder is komen te liggen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiseres bij het schrijven van 28 april 1998 impliciet heeft erkend dat zij het plan te laat heeft ingediend en dat eiseres eerst in beroep en dan pas bij brief van 15 september 1999, dus kort vóór de behandeling ter terechtzitting, daarop lijkt terug te komen aanvoerende dat zij het plan op tijd heeft verzonden.

Eiseres is de verplichting als bedoeld in artikel 71, eerste lid, van de WAO mitsdien niet nagekomen. Van een deugdelijke grond als bedoeld in artikel 71a, vijfde lid, van de WAO is niet gebleken. Aan de toepasselijkheidsconditie van genoemd artikellid is dan ook voldaan.

De opgelegde boete.

Eiseres is van mening dat het opleggen van een boete van f 500,- volkomen disproportioneel is. Daarbij heeft eiseres gewezen op de geringe termijnoverschrijding en op het feit dat zij niet willens en wetens niet heeft meegewerkt aan de reïntegratie van de werkneemster, maar simpelweg de datum van het indienen van het voorlopig reïntegratieplan uit het oog is verloren omdat er een volledig reïntegratieplan werd opgemaakt.

Ook op deze grond is eiseres van mening dat het bestreden besluit geen stand houdt.

Eiseres doet een beroep op de onevenredigheid van de haar in concreto opgelegde maatregel. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:69, tweede lid, van de Awb eerst te beoordelen of het Besluit boete ZW/WAO werkgevers in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Bij het Besluit boete ZW/WAO werkgevers is beoogd invulling te geven aan het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO. Uit dat besluit blijkt dat met betrekking tot het niet nakomen van de thans aan de orde zijnde verplichting afhankelijk van het aantal dagen dat het reïntegratieplan te laat is ingediend een boete wordt opgelegd van f 150,-, f 500,- of f 1000,.

Hiermee is de ernst van de gedraging bepaald ten opzichte van de op te leggen boete. Het besluit bevat geen regels inzake het afstemmen van de boete op de mate waarin de gedraging de belanghebbende kan worden verweten respectievelijk met betrekking tot de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangevoerd dat zulks niet is geschied omdat het hier een verplichting van een werkgever betreft. In een dergelijke geval zijn er volgens verweerder geen situaties te bedenken op grond waarvan het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende in mindere mate kan worden verweten respectievelijk omstandigheden te bedenken waarin de belanghebbende verkeert die nopen tot het opleggen van een lagere boete. Verweerder beschouwt dus in de verhouding tussen enerzijds de boete en anderzijds de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden slechts de ernst van de gedraging als een variabel element waarmee bij de bepaling van de boete rekening moet worden gehouden. De rechtbank acht dit onjuist. Niet uitgesloten is dat de mate van verwijtbaarheid en ook de persoonlijke omstandigheden bij een verplichting van een werkgever in gewicht variëren. De rechtbank denkt daarbij bijvoorbeeld aan een kleine werkgever die als gevolg van persoonlijke omstandigheden buiten staat is geweest om het plan tijdig in te dienen. Ook is denkbaar dat een werkgever zijn reïntegratieverplichting uitbesteedt. In geval van dat laatste zou er in de vaststelling van de mate van verwijtbaarheid e persoonlijke omstandigheden ruimte moeten zijn om te bezien in welke mate dan de nalatigheid van die ander aan de werkgever kan worden tegengeworpen en of de werkgever in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de plichtsvervulling van die ander. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het categorisch niet meewegen van de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden in strijd met het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO. Verweerder heeft dan ook bij het Besluit boete ZW/WAO werkgevers aan artikel 29a, zesde lid, van de WAO een invulling gegeven die niet strookt met genoemd artikellid. Op grond van vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat aan artikel 4, tweede lid, van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers verbindende kracht moet worden ontzegd. Aangezien de boete is opgelegd met toepassing van evengenoemde bepaling kan het bestreden besluit niet in stand blijven en komt het voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Zij overweegt daartoe het navolgende.

De rechtbank onderschrijft het belang dat moet worden gehecht aan het tijdig indienen van een voorlopig reïntegratieplan. De verplichting van artikel 71a, WAO draait om een bepaalde termijn. Bij de bepaling van de ernst van de gedraging dient dan ook aan het tijdsverloop een beslissende betekenis te worden toegekend. Indien met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het Besluit boete ZW/WAO werkgevers enkel uitvoering zou zijn gegeven aan de opdracht tot regelgeving inzake de ernst van de gedraging kan niet gezegd worden dat een dergelijke uitvoering strijdig zou zijn met het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO. In het geval van eiseres die tussen de 7 tot 28 kalenderdagen het voorlopig reïntegratieplan te laat heeft ingediend betekent dat een boete van f 500,-. Van verminderde verwijtbaarheid is in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat de werknemer het werk niet op korte termijn bij de eigen werkgever kan hervatten, zoals in eerste instantie werd verwacht, ontslaat de werkgever niet van de verplichting om op tijd een voorlopig reïntegratieplan in te zenden. Persoonlijke omstandigheden waarin de werkgever verkeert zijn niet gesteld. Een boete van f 500,- zou dan ook de rechterlijke toets doorstaan. In de overige beroepsgronden ziet de rechtbank geen aanleiding om zijn oordeel anders te doen luiden. Ten aanzien van die gronden overweegt de rechtbank het volgende.

Dringende reden.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder heeft onderzocht of er in het onderhavige geval sprake is van een dringende reden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat terzake geen onderzoek heeft plaats gevonden. Dit nalaten levert op zichzelf, volgens eiseres, een vernietigingsgrond op. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder behoeft naar de dringende reden geen onderzoek te doen indien noch uit de stukken noch op andere wijze daarover iets naar voren is gebracht. Dit is in casu het geval.

Het gelijkheidsbeginsel.

De boeteoplegging zou in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. In vergelijkbare gevallen zou vaak geen boete zijn opgelegd. Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. zou eind 1996, begin 1997, in een groot aantal gevallen geen boetes hebben opgelegd. Vervolgens zou het GAK over een substantiële periode een afwijkend gunstig beleid hebben gevoerd. Tot slot zou het USZO recentelijk in veel gevallen geen boete hebben opgelegd. Er zou ten onrechte gebruik zijn gemaakt van de bevoegdheid. Deze grief treft evenmin doel. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het door het GAK gevoerde contra-legem beleid, circulaire nummer 229, 26-11-1997, betrekking had op het bepaalde in artikel 71a van de WAO zoals die bepaling luidde voor de Veegwet 1997. Bij de inwerkingtreding van deze wet is dit beleid verlaten. Cadans heeft gedurende enige tijd als gevolg van logistieke en capaciteitsproblemen geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 71, lid 2 van de WAO zoals dat destijds luidde.

Inmiddels zijn deze problemen opgelost en geeft Cadans uitvoering aan het besluit. De uitvoeringsinstelling USZO legt in sommige gevallen in strijd met de regelgeving geen boete op. Zij heeft het Lisv gevraagd hierin toe te stemmen. Deze toestemming is niet verleend. Het Ctsv heeft aan het USZO te kennen gegeven de werkwijze van het USZO niet te accepteren.

Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er zich geen ongelijke behandeling voordoet.

Immers in het overgrote deel van de gevallen wordt een boete opgelegd. De periode dat er geen boete werd opgelegd op grond van een afwijkend begunstigend beleid dan wel als gevolg van logistieke en capaciteitsproblemen betrof de situatie voor de inwerkingtreding van de Veegwet 1997 toen de WAO bij overschrijding van de termijn een boete van f 1000,-

voorschreef.

Strijd met artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.

Tot slot heeft eiseres doen betogen dat de boete is opgelegd in strijd met bovengenoemde verdragsbepalingen. De boete is invorderbaar zonder dat deze door een rechter als rechtmatig is beoordeeld. Verweerder heeft in zijn besluit dit bezwaar gemotiveerd weerlegd. De rechtbank sluit zich bij die motivering aan.

Gelet op bovenstaande overwegingen wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

bepaalt dat het Lisv aan eiseres het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken (voorzitter), F.J.C. Huijbers en C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van mr. B.W.P.M.

Corbey-Smits als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 november 1999.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.