Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA3763

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98 / 539 BZ K1
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2000, 25

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 98 / 539 BZ K1

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 27 april 1998, kenmerk: 04WA450 SZ/BV/vR/9708304.

Datum van terechtzitting: 10 juni 1999

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen een weigering hem in aanmerking te brengen voor een bedrijfskrediet in het kader van het op de Algemene bijstandswet (Abw) gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz), ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiser gezonden.

Bij uitspraak van 13 november 1998 heeft de president van deze rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening ter zake van het thans in geding zijnde besluit afgewezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 juni 1999, waar eiser in persoon is verschenen, en waar verweerder -opgeroepen te verschijnen in de persoon van de verantwoordelijke wethouder- zich heeft doen vertegenwoordigen door P.E.H. Coonen, medewerker sociale zaken, en wethouder A.J.L. Heymans.

II. OVERWEGINGEN.

Op 2 juli 1997 heeft eiser zich tot verweerders sociale dienst gewend met het verzoek in aanmerking te worden gebracht voor een bedrijfskrediet van naar schatting f 50.000,=, waarbij hij aangeeft dat hij twee bedrijven exploiteert, te weten X BV en Y LTD.. Eiser geeft bij de aanvraag aan dat het twee gezonde bedrijven zijn, maar dat de crediteurenpost teruggebracht moet worden om zijn bedrijf gezonder te maken. Verweerder zendt de aanvraag voor advies door naar de Stichting IMK Intermediair (verder te noemen: IMK). Het IMK adviseert in zijn rapport van 17 oktober 1997 negatief inzake de verstrekking van een bedrijfskrediet, omdat eiser zijn bedrijfsactiviteiten uitoefent in de vorm van een rechtsfiguur naar buitenlands recht en kredietverlening derhalve niet mogelijk is, en voorts omdat, indien eiser zijn bedrijfsactiviteiten onderbrengt in een onderneming naar Nederlands recht, het ontbreken van levensvatbaarheid van eisers bedrijf aan kredietverlening in de weg staat.

Uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser sedert 1993 een bedrijf heeft onder de naam Y LTD., welke onderneming de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van X BV, inhoudende het zagen en verkopen van mastiekhoeken en - schroten en cannelure vullingen van steenwol. Het IMK schat de kredietbehoefte op ten minste f 83.700,= en verwacht niet dat X BV aan de daarbij behorende aflossingsverplichtingen zal kunnen voldoen. Bij de bepaling van de kredietbehoefte is het IMK ervan uitgegaan dat eiser(s bedrijf) kan profiteren van een behoorlijke kwijtingswinst. Eiser stelt namelijk dat er een crediteurenaccoord is gesloten, maar bewijsstukken daaromtrent ontbreken, zodat niet met zekerheid kan worden gesteld dat en in welke mate eiser de kwijtingswinst kan realiseren. Resultaten van dat crediteurenaccoord zijn ook niet in de boekhouding verwerkt. Het IMK stelt zich op het standpunt dat bijstandsverlening in de onderhavige omstandigheden een te groot risico voor verweerder inhoudt.

Bij besluit van 13 november 1997, afkomstig van de directeur sociale zaken, wordt het verzoek om een bedrijfskrediet van f 50.000,= afgewezen, omdat eiser niet behoort tot de doelgroep van het Bbz en (subsidiair) omdat eisers bedrijf, ook bij bijstandsverlening, niet levensvatbaar kan worden geacht. Bij brief van 15 december 1997, bij verweerder ingekomen op 23 december 1997, heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, waarbij hij aanvoert dat er krediet is aangevraagd om X BV schuldenvrij te maken en dat het in de bedoeling ligt om Y LTD. op te heffen zodra krediet daarvoor wordt verleend. Eiser stelt in dat verband dat er bij zijn advocaat een -getekend- crediteurenaccoord voorhanden is. Voorts brengt eiser naar voren dat het IMK bij de waardering van de omzet over 1996 niet in aanmerking heeft genomen dat eiser in dat jaar twee maanden niet heeft kunnen werken, bij de waardering van de omzet over 1997 ten onrechte uitgaat van een omzetdaling, en bij de prognose voor 1998 geen rekening heeft gehouden met een nieuw product.

Bij brief van 21 januari 1998 is er van de zijde van het IMK als volgt gereageerd op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd: - noch ten tijde van de advisering noch ten tijde van het bezoek op 20 januari 1998 heeft eiser bewijsstukken omtrent de bereidheid van crediteuren om een bedrag van f 129.000,= kwijt te schelden ter inzage kunnen verstrekken; - ten tijde van de kredietaanvraag werden de bedrijfsactiviteiten door Y LTD. uitgeoefend en van de berekende kredietbehoefte van f 83.700,= was een bedrag van f 60.400,= benodigd om de schulden van Y LTD. te kunnen voldoen, zodat het IMK bij zijn standpunt blijft dat eiser niet tot de doelgroep van het Bbz behoorde; - de door eiser in bezwaar gemelde arbeidsongeschiktheid in 1996 is niet eerder gemeld, zodat daar door het IMK nog geen rekening mee kon worden gehouden; - ten tijde van de advisering was niet bekend dat over het gehele jaar 1997 de omzet ten opzichte van 1996 was gestegen; - voor zover thans blijkt dat de omzet over 1997 is gestegen is niet aangetoond dat er sprake is van een verbetering van het exploitatiebeeld; - voor zover thans melding wordt gemaakt van een nieuw product ontbreekt een ondernemingsplan of anderszins cijfermatige onderbouwing van de financiële consequenties. Samenvattend wordt geconcludeerd dat kredietverlening in het kader van het Bbz thans als te riskant aangemerkt dient te worden. Alvorens kredietverlening naar de mening van het IMK aan de orde kan komen dient eiser aan te tonen dat hij een beter exploitatiebeeld kan realiseren dan de afgelopen jaren het geval is geweest.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid ter hoorzitting op 1 april 1998 zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Hij brengt daarbij naar voren over het eerste kwartaal van 1998 een brutowinst te hebben behaald van f 43.000,=.

Bij het thans bestreden besluit is eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat de huidige kredietbehoefte grotendeels wordt veroorzaakt door tekorten bij Y LTD., een vennootschap naar buitenlands recht. Onder verwijzing naar de limitatieve opsomming van bedrijfsvormen in artikel 15 van het Bbz, waartoe niet behoort een vennootschap naar buitenlands recht, is verweerder van mening dat reeds op die grond kredietverlening in casu niet mogelijk is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat voor zover eisers aanvraag betrekking heeft op de situatie, waarbij de bedrijfsactiviteiten zijn overgenomen door X BV, moet worden gesteld dat op basis van de gegevens van de rapportage (nog) geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf.

In beroep herhaalt eiser zijn in bezwaar aangevoerde grieven en voert hij aan dat Y LTD. sinds oktober 1997 is gewijzigd in Z PLC, ook een rechtsfiguur naar Engels recht. Voorts voert eiser aan dat hij in dienst is bij X BV en dat er over de eerste vijf maanden van 1998 een brutowinst is behaald van f 73.000,=.

Bij verweerschrift stelt verweerder dat hetgeen bij beroepschrift is aangevoerd niet afdoet aan de juistheid van de primaire beslissing van 13 november 1997 en het besluit op bezwaar van 21 april 1998.

Bij brief van 27 juli 1998 geeft eiser een verklaring voor de in 1998 behaalde omzetstijging, te weten een speciale regeling met een leverancier van grondstoffen. Voorts ontkent eiser enkele passages uit het door het IMK opgestelde rapport en meldt hij dat sinds 1 juli 1998 het bedrijf wordt uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Bij brief van 7 oktober 1998 deelt eiser mee dat per 1 oktober 1998 de bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd door X BV en legt hij nog omzet- en prognosecijfers met betrekking tot 1998 over.

Op 21 oktober 1998 schrijft eiser aan de rechtbank dat er faillissementsaanvragen dreigen, zowel privé als zakelijk en vraagt hij een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting van de president op 10 november 1998 brengt eiser nog naar voren dat Y LTD. inmiddels zou zijn opgeheven wegens het achterwege blijven van afdrachten en dat Z PLC het bedrijf is dat eigenaar is van het machinepark en de auto. Met verwijzing naar de omzet- en winststijging in 1998 stelt eiser dat zijn bedrijf nu wel levensvatbaar is, welk standpunt naar zijn zeggen thans ook door de belastingdienst wordt gedeeld. Eiser stelt daarmee aangetoond te hebben dat hij tot voldoende rendabel beheer in staat is.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt.

Beslissingsbevoegdheid Het besluit dat bij de rechtbank is aangevochten is onmiskenbaar een appellabel besluit in de zin van de Awb. Het beroep daartegen kan dan ook worden ontvangen. De rechtbank ziet zich echter geplaatst voor de vraag of verweerder bevoegd is geweest op het bezwaar te beslissen.

Uit de gedingstukken, die met name zijn overgelegd naar aanleiding van vragen van de rechtbank over beslissingsbevoegdheid, blijkt dat er sprake is van delegatie van beslissingsbevoegdheid aan de commissie voor de verlening van bijstand. Uit een beslissing van 4 februari 1997 van verweerder blijkt dat aan die commissie -onder meer- is gedelegeerd "alle besluiten tot het verstrekken van kredieten in het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen". Bij de beantwoording van vragen is van de zijde van verweerder uitdrukkelijk gesteld dat de commissie bevoegd was op de onderhavige aanvraag te beslissen op grond van delegatie. Voorts is schriftelijk verklaard dat de directeur sociale zaken het primaire besluit heeft ondertekend als secretaris van de commissie voor de verlening van bijstand, maar dat er geen formele grondslag aanwezig is voor dat ondertekeningsmandaat. Ter zitting van de rechtbank is in afwijking met het bovenstaande door de verantwoordelijke wethouder verklaard dat de beslissingsbevoegdheid bij besluiten inzake de uitvoering van de bijstandswet is gelegen bij de directeur sociale zaken en dat de commissie voor de verlening van bijstand een adviserende taak toekomt.

De rechtbank gaat er voor de beoordeling van de onderhavige zaak vanuit dat de commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen op grond van delegatie en dat het primaire besluit namens die commissie is ondertekend door de directeur sociale zaken. De rechtbank gaat van dat standpunt uit nu er voor een dergelijke verdeling van bevoegdheden een basis (wat daar ook van zij) is te vinden in de overgelegde gedingstukken. Wat laatstvermelde verklaring van de wethouder ter terechtzitting betreft is de rechtbank overigens geen enkel stuk bekend op grond waarvan verdedigd kan worden dat de directeur sociale zaken bevoegd is geweest tot de thans in geding zijnde primaire besluitvorming. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat verweerder op enigerlei wijze bij de primaire besluitvorming is betrokken geweest.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de commissie voor de verlening van bijstand op grond van delegatie heeft beslist op eisers aanvraag is de vraag aan de orde of verweerder nog bevoegd is geweest op eisers bezwaar te beslissen. Uit inmiddels vaste jurisprudentie van zowel de Afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State als de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de systematiek van de Awb eraan in de weg staat dat het nemen van een beslissing op bezwaar wordt overgedragen aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. Nu in het onderhavige geval de commissie voor de verlening van bijstand het primaire besluit heeft genomen, is er voor verweerder geen ruimte meer om op het bezwaar te beslissen. De bevoegdheid van verweerder om in de plaats van het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen, te beslissen op bezwaar, behoeft een uitdrukkelijke tot afwijking van de Awb strekkende grondslag. Die grondslag is in de door verweerder aangehaalde artikelen van de Gemeentewet niet te vinden. Daarin is immers niet uitdrukkelijk van de systematiek van de Awb afgeweken voor zover de Awb ertoe dwingt dat het besluit op bezwaar dient te worden genomen door hetzelfde bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen. De Awb dwingt ertoe dat delegatie van primaire beslissingsbevoegdheid ook meebrengt dat de bevoegdheid op het beslissen op bezwaar is overgedragen op de delegataris. Dat zulks anders is onder de figuur van mandaat is thans niet aan de orde. Verweerder moet dan ook geacht worden onbevoegd op het bezwaar van eiser te hebben beslist en het aan de rechtbank voorgelegde bestreden besluit komt derhalve op die grond reeds voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank heeft te oordelen over de aan haar voorgelegde besluiten op bezwaar en in beginsel niet over primaire beslissingen. Gelet op dat uitgangspunt en gezien het vorenstaande oordeel bovendien ten overvloede ziet de rechtbank aanleiding nog enkele overwegingen te wijden aan de vraag of de thans aan de orde zijnde delegatie van beslissingsbevoegdheid zich verdraagt met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. In artikel 116 van de Abw is bepaald dat de uitvoering van deze wet berust bij burgemeester en wethouders. Mandaatverlening van die beslissingsbevoegdheid is op grond van artikel 120 van de Abw mogelijk, maar in de onderhavige besluitvorming niet aan de orde. Uitgangspunt voor rechtsgeldige delegatie is dat voor het doorbreken van het wettelijke bevoegdhedenpatroon een wettelijke grondslag nodig is. De Abw legt de beslissingsbevoegdheid bij burgemeester en wethouders en uit de parlementaire behandeling komt naar voren dat de aan burgemeester en wethouders verleende taak van medebewind een zware bestuurlijke verantwoordelijkheid meebrengt, die verder reikt dan het uitsluitend in technische zin uitvoering geven aan wettelijke en nadere regels; zij omvat mede de zorg voor de inschakeling van voorliggende voorzieningen, voor de afstemming van de bijstand in het individuele geval, voor het herstel van de zelfstandige bestaansvoorziening van bijstandsgerechtigden en in zekere mate ook voor hun maatschappelijk functioneren. De Abw geeft meer dan voorheen burgemeester en wethouders de ruimte om maatwerk te leveren en er ligt dus een zwaardere claim op hen. Noch in de tekst, noch in de toelichting van artikel 116 van de Abw is naar het oordeel van de rechtbank expliciet de mogelijkheid geschapen om de aan burgemeester en wethouders toebedeelde beslissingsbevoegdheid te delegeren, zodat op grond van de tekst en de toelichting niet duidelijk is of de wetgever in materiële zin heeft ingestemd met een overdracht van beslissingsbevoegdheid. Tegelijkertijd dient ook te worden geconstateerd dat de Abw als zogenoemde medebewindswet niet uitdrukkelijk afwijkt van het bepaalde in de Gemeentewet (welke afwijking op grond van het bepaalde in artikel 115 van de Gemeentewet bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang). Het is dan ook vervolgens de vraag of in de Gemeentewet een grondslag kan worden gevonden voor doorbreking van het wettelijk bevoegdhedenpatroon zoals daarvan blijkt uit de Abw. Op grond van de artikelen 82 en 84 van de Gemeentewet kunnen commissies worden ingesteld en kunnen daaraan bevoegdheden van het college van burgemeester en wethouders worden toegekend. Bij de toekenning van collegebevoegdheden aan een commissie dient de gemeenteraad het bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet in aanmerking te nemen. Bij de toepassing van dat artikel is het in de visie van de rechtbank nog maar de vraag of dat artikel (mede) ziet op overdracht van bevoegdheden in het kader van medebewindstaken als hier aan de orde. In artikel 165 van de Gemeentewet is immers uitdrukkelijk een taak benoemd voor de gemeenteraad die de rechtbank in het licht van artikel 128 van de Grondwet ziet als uitsluitend, of in elk geval juist, bedoeld voor autonome taken. De commissie voor de verlening van bijstand als delegataris heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook te bezien of de thans aan de orde zijnde overdracht van beslissingsbevoegdheid de toets aan de wettelijke bepalingen kan doorstaan. Indien en voor zover tot de conclusie wordt gekomen dat de in artikel 116 van de Abw aan burgemeester en wethouders gegeven beslissingsbevoegdheid kan worden gedelegeerd aan de commissie voor de verlening van bijstand, dient voorts de wijze waarop aan de commissie is gedelegeerd aan een nader onderzoek te worden onderworpen. Daarbij is de rechtbank opgevallen dat het overgelegde delegatiebesluit niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 165 van de Gemeentewet: delegatie dient immers te geschieden door de gemeenteraad (op voorstel van het college van burgemeester en wethouders) en niet door burgemeester en wethouders. Voorts zijn zowel het besluit waarmee de commissie voor de verlening van bijstand is ingesteld als het overgelegde delegatiebesluit niet, althans niet volledig en niet correct, aangepast aan het inmiddels geldende recht.

Gelet op het vorenstaande dient eisers beroep gegrond te worden verklaard en komt verweerders besluit op bezwaar, nu dat onbevoegdelijk is genomen, voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens heeft de rechtbank nog bezien of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank ten aanzien van het inhoudelijke geschilpunt nog als volgt. Uitgegaan dient te worden van de gegevens omtrent de bedrijfsvoering ten tijde van de aanvraag en de primaire besluitvorming. Gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de heroverwegingsprocedure en de verdere besluitvormingsprocedure kunnen slechts een rol spelen voor zover die nieuwe feiten of omstandigheden een ander licht werpen op het aan de besluitvorming ten grondslag liggende feitencomplex. Hieruit volgt dat de door eiser aangevoerde wijziging van de rechtsvorm waarin de bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend -wat daar overigens ook van zij-, wijziging in de aanlevering van grondstoffen eind 1997 en wijziging van de aard van de grondstoffen in 1998, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de thans voorliggende besluitvorming niet in aanmerking kunnen worden genomen.

In artikel 15, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aan de zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een coöperatieve vereniging met wettelijke aansprakelijkheid, slechts wordt verleend indien hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit de bijstandsverlening voortvloeiende verplichtingen wordt aanvaard (...). Uit de aanvraag en uit het rapport van het IMK blijkt dat eiser krediet heeft gevraagd voor zijn twee bedrijven: X BV en Y LTD.. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser verklaard dat er ten tijde van de advisering door het IMK geen sprake (meer) was van een Ltd. Aan die stelling gaat de rechtbank echter voorbij nu daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven en deze bovendien haaks staat op hetgeen bij de aanvraag door eiser zelf is vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de in dit artikel gegeven opsomming van rechtsvormen een limitatieve is en dat eiser, voor zover hij zijn bedrijfsactiviteiten verricht in een bedrijf naar buitenlands recht, niet voor bijstandsverlening als hier aan de orde in aanmerking kan komen, aangezien rechtspersonen naar buitenlands recht niet in de limitatieve opsomming van artikel 15, eerste lid, van het Bbz zijn opgenomen. Verweerder heeft niet met argumenten aangegeven waarop het standpunt dat het hier om een limitatieve opsomming gaat, is gebaseerd, maar slechts aangegeven dat zulks in de praktijk wordt aangenomen. Met de president is de rechtbank van oordeel dat noch de tekst van de hier aan de orde zijnde bepaling noch de plaats van het onderhavige artikel in het Bbz zonder meer dwingt tot een uitleg als door verweerder wordt voorgestaan. De ratio van het hier aan de orde zijnde artikel is naar het oordeel van de rechtbank dat de geldstromen in een bedrijf waaraan bijstand wordt verleend zichtbaar en met name ook beheersbaar blijven, vanwege het belang dat de uitvoeringsorganisatie bij de uitvoering van de bijstandswet heeft. Bij een bedrijf dat wordt gerund onder de vigeur van een buitenlandse rechtsvorm is wellicht het toezicht bemoeilijkt, maar de rechtbank is niet gebleken van argumenten op grond waarvan gezegd moet worden dat daardoor het toezicht feitelijk onmogelijk is gemaakt. In dat kader zouden aan de betrokkene ook voorwaarden kunnen worden opgelegd. Aangezien de aanvraag niet alleen is gedaan voor Y LTD. maar ook voor X BV, oordeelt de rechtbank voorts dat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Bbz geen afwijzingsgrond kan zijn voor de gehele aanvraag. Voor zover eisers bezwaar tegen de primaire afwijzingsgrond ongegrond is verklaard, oordeelt de rechtbank dat het besluit op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank komt vervolgens toe aan beoordeling van de subsidiaire afwijzingsgrond. Het thans bestreden besluit is immers subsidiair gebaseerd op de stelling dat eisers bedrijf niet levensvatbaar is. Levensvatbaar betekent in dit verband dat ten tijde van de besluitvorming de verwachting moet bestaan dat de zelfstandige met de inkomsten die hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep kan verwerven het bedrijf kan voortzetten en (weer) in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Bestaat die verwachting niet of kan deze niet aannemelijk worden gemaakt, dan bestaat er geen aanspraak op bijstand en mag van een bestuursorgaan als verweerder niet verwacht worden dat bijstandsgelden ter beschikking worden gesteld zonder dat met een redelijke mate van zekerheid gezegd kan worden dat betrokkene met de inkomsten die hij uit het bedrijf of zelfstandig beroep kan verwerven het bedrijf kan voortzetten en (weer) in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien.

Een beslissing op een aanvraag om bijstand als hier aan de orde mag in beginsel worden gebaseerd op het door een ter zake deskundige instantie als het IMK verstrekte advies, mits dat advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, en niet berust op feitelijk onjuiste gegevens. Als hieraan is voldaan zal, in een geval als het onderhavige, het genomen besluit in het algemeen slechts voor vernietiging in aanmerking kunnen komen, indien betrokkene aan de hand van het gemotiveerde oordeel (van een deskundige) aannemelijk kan maken dat de conclusies van het IMK betreffende de levensvatbaarheid van het bedrijf of beroep onjuist zijn. Eiser heeft op geen enkel moment gemotiveerd aangetoond dat het IMK ten tijde van zijn advisering de situatie met betrekking tot de inschatting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf onjuist heeft beoordeeld. Dat het verloop voor eisers bedrijf feitelijk anders is geweest dan hetgeen het IMK had voorspeld, toont nog niet aan dat de rapportage waarop de besluitvorming is gebaseerd onzorgvuldig is geweest of anderszins onbetrouwbaar. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van voldoende concrete en objectieve aanwijzingen dat in de periode van de besluitvorming de verwachting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf substantieel anders is geweest dan zoals ingeschat door het IMK. De rechtbank heeft voorts geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van het IMK en oordeelt dat op goede gronden is beslist dat eisers bedrijf ten tijde van de onderhavige besluitvorming niet levensvatbaar moest worden geacht en dat de aangevraagde bijstand, tegen die achtergrond, daarin geen verandering zou brengen. In zoverre acht de rechtbank eisers beroep dan ook ongegrond.

In het vorenstaande heeft de rechtbank aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven voor zover daarbij de bezwaren tegen de subsidiaire afwijzingsgrond ongegrond zijn verklaard.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om, nu er aanleiding is het bestreden besluit te vernietigen, verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij is de rechtbank echter niet gebleken van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen dan de reiskosten die eiser heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank. Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover daarbij eisers bezwaar tegen de subsidiaire afwijzingsgrond ongegrond is verklaard;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op f 18,90 (reiskosten voor het bijwonen van de zitting) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.J.A.M. Bakermans,

in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.