Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA3756

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
30-07-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98 / 1086 CSV K1.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr.: 98 / 1086 CSV K1

Inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling GAK Nederland bv te Amsterdam, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 12 oktober 1998, kenmerk: ARA/pbz-KraBV025137526400101/D P17518355.

Datum van terechtzitting: 21 juni 1999.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 12 oktober 1998 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen een besluit van 2 april 1998 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 12 oktober 1998 is beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 juni 1999, alwaar eiseres in persoon is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

II. OVERWEGINGEN.

Op 15 november 1994 is door de heer X namens Y B.V. te Z aan de rechtsvoorganger van verweerder gemeld dat de B.V. niet in staat was aan haar betalings- verplichting met betrekking tot de sociale verzekeringspremies voor het jaar 1994 te voldoen. Naar aanleiding van deze melding zijn bij brief van 29 november 1994 aan de B.V. nadere gegevens gevraagd en is verzocht om een uitgebreide uiteen- zetting van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat schulden niet konden worden voldaan. Vervolgens is bij brief van 1 februari 1995 aan de B.V. medegedeeld dat de melding van 15 november 1994 niet als rechtsgeldig is aangemerkt, omdat de door de B.V. te verstrekken informatie niet was ontvangen en de daartoe gestelde termijn inmiddels was verstreken.

Eiseres heeft samen met mevrouw V het bestuur gevormd van de W Stichting te Z. Deze stichting is van 2 december 1994 tot 16 februari 1995 enig aandeelhouder en bestuurder van Y B.V. geweest. Op laatstgenoemde datum is het faillissement uitgesproken van de vennootschap.

Bij brief van 13 januari 1998 is aan eiseres meegedeeld dat ten laste van Y B.V. een vordering van f 35.939,08 aan onbetaalde premie openstond en dat overwogen werd eiseres op basis van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Csv) daarvoor persoonlijk aansprakelijk te stellen. Eiseres heeft bij brief van 11 februari 1998 op dat voornemen gereageerd.

Bij besluit van 2 april 1998, het primaire besluit, heeft verweerder besloten eiseres als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de ingevolge de Werkloosheids- wet, de Ziektewet, de Ziekenfondswet en de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering door Y B.V. verschuldigde premies over de jaren 1994 en 1995, zulks tot het openstaande bedrag.

Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 12 oktober 1998 heeft verweerder dat bezwaar ongegrond verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het wettelijk kader.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid van de Csv is ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelleden hoofdelijk aansprakelijk voor de (voorschot-) premie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen. Ingevolge het tweede artikellid is het in het eerste lid bedoelde lichaam verplicht -en is elk bestuurslid bevoegd om aan deze verplichting te voldoen- om onverwijld nadat gebleken is dat het lichaam niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan verweerder en, indien verweerder dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Ingevolge het derde artikellid is, indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder aansprakelijk indien het aannemelijk is, dat het niet betalen van de (voorschot)premie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. Indien niet, of niet juist, aan de verplichting tot het melden van betalingsonmacht is voldaan, is ingevolge het vierde artikellid een bestuurder aansprakelijk voor niet betaalde (voorschot)premie gedurende een periode van drie jaar aan het niet, of niet op de juiste wijze, melden van de betalings- onmacht voorafgaand, met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling een gevolg is van aan het bestuurslid te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Voorts is bepaald dat het bestuurslid niet tot weerlegging van dat vermoeden wordt toegelaten, tenzij het bestuurslid aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet (op de juiste wijze) aan zijn verlichtingen heeft voldaan.

Formele toetsing.

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan, zal de rechtbank een oordeel geven over de vraag of voldaan is aan de norm dat eiseres de zaak binnen een redelijke termijn ter behandeling aan de rechtbank heeft kunnen voorleggen. Deze norm vloeit voort uit artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vraag of aan die norm is voldaan, dient door de rechter ambtshalve te worden getoetst. In dat kader ligt ter beoordeling voor de termijn gelegen tussen de melding op 15 november 1994 van de betalingsonmacht en de datum van het thans bestreden besluit op bezwaar, te weten 12 oktober 1998. Met betrekking tot de periode gelegen tussen de melding en het primaire besluit van 2 april 1998 moet worden vastgesteld dat dit een zeer ruime termijn is. Zijdens verweerder is hiervoor de navolgende verklaring gegeven. Tussen enerzijds de melding en het faillissement en anderzijds het primaire besluit heeft een omvangrijk onderzoek plaatsgevonden. Het faillissement en de onderzoeken naar de civiele bestuurdersaansprakelijkheid waren in juli 1996 nog niet afgerond. De uitvoeringsinstelling is gedurende de volgende periode druk doende geweest met het onderzoeken van de mogelijkheden om tot aansprakelijkstelling over te gaan. Gezien het feit dat Y B.V. deel uitmaakt van een uitgebreide groep van rechtspersonen bracht de zorgvuldigheid met zich mee dat het onderzoek naar de aansprakelijkheid een dergelijke tijdsduur in beslag nam. Van schending van de redelijke termijn kan volgens verweerder dan ook niet worden gesproken. Hierin kan de rechtbank verweerder niet volgen. Verweerder stelt zich immers op het standpunt dat, nu de B.V. niet heeft voldaan aan de in artikel 16d, lid 2 van de Csv genoemde verplichting, eiseres als bestuurder ingevolge het vierde artikellid in beginsel aansprakelijk is, met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet betaling een gevolg is van aan eiseres te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Dat standpunt baseert verweerder op het gegeven dat zijdens Y B.V. niet binnen de gestelde termijn is gereageerd op de uitnodiging van 29 november 1994 om nadere informatie te verschaffen. Toepassing van het vierde lid van artikel 16 Csv leidt tot omkering van de bewijslast van verweerder naar eiseres. Het wettelijk systeem gaat er in beginsel vanuit dat verweerder de gronden dient aan te tonen waarop de aan- sprakelijkheid berust. Dat brengt in de regel een uitgebreid onderzoek met zich mee. In dit geval echter behoefde verweerder, na de omkering van de bewijslast, enkel nog te onderzoeken of eiseres tot weerlegging van het vermoeden dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur moest worden toegelaten. Dat onderzoek heeft verweerder eerst begin 1998 gedaan. Bij eerder genoemde brief van 13 januari 1998 is eiseres in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat het niet aan haar te wijten is dat de B.V. niet tijdig aan haar informatieplicht heeft voldaan. Niet valt in te zien dat verweerder dat, toch eenvoudige, onderzoek zo laat heeft gedaan. In ieder geval vermag de rechtbank niet in te zien dat daartoe eerst het onderzoek door de curator in het faillissement diende te worden afgewacht. Dit leidt tot de conclusie dat aan verweerder kan worden verweten dat in het onderhavige geval artikel 6 van het EVRM is geschonden, in die zin dat behandeling van de zaak van eiseres door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld niet binnen een redelijke termijn heeft kunnen plaatsvinden. Voor het bepalen van de gevolgen die aan die schending moeten worden verbonden, zal de rechtbank eerst tot inhoudelijke toetsing overgaan.

Inhoudelijke toetsing.

Vast staat dat eiseres -als bestuurslid van de W Stichting- in de periode van 2 december 1994 tot 16 februari 1995 bestuurder was van Y B.V. en dat ten laste van deze B.V. een bedrag ad f 35.939,08 aan premies onbetaald is gebleven. Verder staat vast dat namens Y B.V. in november 1994 wel melding is gemaakt van betalingsonmacht, doch dat op de vragen om nadere gegevens niet is gereageerd.

De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Y B.V. niet heeft voldaan aan de op haar ingevolge artikel 16d, tweede lid van de Csv rustende verplichting en dat mitsdien eiseres met toepassing van het vierde artikellid in beginsel aansprakelijk is voor de onbetaald gelaten premie. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen. Daargelaten dat eiseres haar stellingen dat zij ten tijde in geding ziek was en dat het toetreden tot het bestuur van W B.V. slechts een formaliteit betrof, op geen enkele wijze heeft onderbouwd, kunnen deze ieder voor zich niet leiden tot het door verweerder buiten toepassing laten van voormelde wettelijke bepalingen. Het toepassen van deze bepalingen is voor verweerder een rechtsplicht, waarvan slechts in, thans niet aan de orde zijnde, zeer uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken. De strekking van deze bepalingen is dat iedere bestuurder erop bedacht dient te zijn dat het tot zijn verantwoordelijkheid behoort het voldoen van premies voorrang te geven en dat, indien aangenomen moet worden dat de bestuurder zich die verantwoordelijkheid onvoldoende heeft aangetrokken, hij voor betaling van onbetaald gebleven premies aansprakelijk wordt. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemlijk heeft gemaakt dat het niet aan haar te wijten is geweest dat Y B.V. niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. Ook al is, zoals eiseres stelt, mevrouw V de centrale figuur in het bestuur van W B.V. geweest, dan is eiseres daarmee nog niet van de op haar rustende wettelijke verplichtingen als blijkend uit artikel 16d van de Csv ontslagen. Het is immers vaste jurisprudentie dat het bestuur van een lichaam als bedoeld in artikel 16d van de Csv een collectieve verantwoordelijkheid draagt en dat het daarom de eigen verantwoordelijkheid blijft van iedere bestuurder om zorg te dragen voor een behoorlijke behartiging van de belangen van het lichaam (Centrale Raad van Beroep 5 april 1993, RSV 1994/37). Verweerder heeft met betrekking tot het bezwaar van eiseres dat ook mevrouw V en mevrouw M dienen te worden aangesproken in het bestreden besluit gesteld dat, indien de uitvoeringsinstelling daartoe mogelijkheden ziet, alle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Desgevraagd is zijdens verweerder ter terechtzitting verklaard dat het mede-bestuurslid mevrouw V niet-aansprakelijk is gesteld. Er is geen reden aangegeven waarom dit (nog) niet is gebeurd. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 5 april 1993 geoordeeld dat de relevante regelgeving voor het uitvoeringsorgaan de gehoudenheid met zich meebrengt om álle bestuurders hoofdelijk aansprakelijk te stellen. Indien dit niet metterdaad gebeurt, kunnen er immers voor de wel aansprakelijk gestelde bestuurder ernstige problemen met betrekking tot de mogelijkheid voor regres op de andere bestuurder(s) als bedoeld in artikel 16g, tweede lid van de Csv optreden. De Raad heeft in deze uitspraak tevens geoordeeld dat, waar slechts één bestuurder aansprakelijk is gesteld, het deel dat die bestuurder via regres op de andere had kunnen verhalen indien deze ook aansprakelijk was (waren) gesteld, buiten invordering dient te worden gelaten. De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt de rechterlijke toets niet kan doorstaan, in die zin dat ten onrechte is nagelaten aan te geven of andere bestuurders zijn of zullen worden aangesproken en zo niet, welke consequenties dat voor het van eiseres in te vorderen bedrag heeft.

Slotsom.

De rechtbank heeft tenslotte nog de vraag te beantwoorden welke gevolgen moeten worden verbonden aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep leidt trage besluitvorming niet tot het teloorgaan van de bevoegdheid om -met inachtneming van de wettelijke termijnen- premies vast te stellen. Wel dient bezien te worden of de aantasting van de betrokken belangen op andere wijze kan worden gecompenseerd. Verweerder zal ook daarover nog hebben te beslissen.

Beslist wordt derhalve als aangegeven in rubriek III.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Voor een dergelijke veroordeling is immers alleen dan plaats, indien er kosten zijn gemaakt als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nader besluit dient te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: EvM

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.