Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1999:AA3640

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-05-1999
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
99/333 GEMWT V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de president van de rechtbank inzake een verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr.: 99 / 333 GEMWT V1

De verzoeker: A te B.

Het bestuursorgaan ter zake van wiens besluit een voorlopige voorziening wordt gevraagd: De Burgemeester van de gemeente Venlo, te Venlo, verder te noemen verweerder.

Datum en aanduiding van het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd: het besluit van verweerder d.d. 19 april 1999, kenmerk: SECAZ nr: 99-06061.

Datum van terechtzitting: 7 mei 1999

------------------

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder, onder toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet, verzoeker gelast de woning aan de [ ]-straat 30 te Venlo voor een periode van zes maanden te sluiten.

Tegen dit besluit is namens verzoeker een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 7 mei 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Z.M.K.J. Berger, advocaat en procureur te Venlo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.G. Vincken, medewerker bij het bureau juridische zaken van verweerders gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

Verzoeker, die door Burgemeester en Wethouders van Venlo (hierna te noemen: het college) in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, is tot 15 september 1998 woonachtig geweest in een woning aan de [ ]straat 32 te Venlo. Vanwege het gebruik van drugs in die woning is verzoeker per die datum verhuisd naar een woning aan de [ ]straat 30 (hierna te noemen: de woning), waar hij een kamer heeft gehuurd.

Verweerder heeft bij brieven van 30 juni 1998, 4 augustus 1998 en 17 september 1998 de (toenmalige) bewoners van de woning gewezen op het bepaalde in artikel 174a van de Gemeentewet en gesteld dat uit ontvangen inlichtingen blijkt dat in en vanuit de woning verdovende middelen worden verkocht. Verweerder heeft hen gewaarschuwd hun gedragingen zodanig aan te passen dat de openbare orde rondom de woning niet meer wordt verstoord. Tevens is de eigenaar van de woning door verweerder schriftelijk op de hoogte gesteld van de waarschuwingen.

Bij brief van 6 oktober 1998 heeft het college de (toenmalige) bewoners van de woning meegedeeld dat op zeer korte termijn een einde wordt gemaakt aan het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de woning als coffeeshop. Bij brief van 23 oktober 1998 heeft het college verzoeker gelast het gebruik van de woning voor horecadoeleinden met onmiddellijke ingang te (doen) beëindigen en achterwege te laten. Het college is, nadat uit mutaties van de politie was gebleken dat het strijdige gebruik van de woning niet was gestaakt, op 1 maart 1999 overgegaan tot effectuering van de aangezegde bestuursdwang.

Op 29 maart 1999 heeft de politie regio Limburg-Noord, district Venlo, op grond van de resultaten van een verricht onderzoek en naar aanleiding van klachten van buurtbewoners, geconcludeerd dat de drugsoverlast vanuit de woning en de strafbare feiten die in en rond de woning werden gepleegd zeer veel overlast veroorzaken en zowel de openbare orde als het woon en leefklimaat in ernstige mate aantasten. Bij brief van 8 april 1999 is aan betrokkenen, waaronder verzoeker, mededeling gedaan van verweerders voornemen om op grond van artikel 174a van de Gemeentewet de woning te sluiten. Verzoeker heeft op 12 april 1999 van de gelegenheid gebruik gemaakt zijn zienswijze ten aanzien van dit voornemen mondeling kenbaar te maken.

Bij het onderhavige bestreden besluit heeft verweerder verzoeker op basis van artikel 174a van de Gemeentewet gelast om de woning voor een periode van zes maanden te sluiten. Aan verzoeker is tot 23 april 1999 de gelegenheid gegeven zelf maatregelen te treffen waardoor het bevel tot sluiting word geëffectueerd. Verweerder heeft daartoe onder meer het navolgende overwogen.

"Uit een politierapportage en klachten uit de omgeving blijkt dat in en vanuit het perceel [ ]straat 30 voortdurend verdovende middelen worden verkocht. Hierdoor wordt de openbare orde rond het pand verstoord. De overlast blijkt uit: een grote aanloop van gebruikers, af- en aanrijdende auto's, softdrugshandel op straat, softdrugsgebruik op straat, verkeerd aanbellen, geluidsoverlast, geschreeuw op straat, urineren tegen gevels en andere objecten op de openbare weg, deponeren van afval van etensen drinkresten. Deze overlast vanuit het pand bestaat reeds sedert geruime tijd.

Gezien het in de gemeente Venlo gevoerde beleid, gericht op het tegengaan en voorkomen van overlast tengevolge van de handel in drugs, is het onaanvaardbaar dat vanuit het door u bewoonde/gebruikte perceel in verdovende middelen wordt gehandeld. Deze activiteiten (handel in drugs) vormen een bedreiging voor het woonen leefklimaat in de omgeving en verstoren de openbare orde in ernstige mate."

Tegen dit besluit is namens verzoeker een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening het besluiten van 19 april 1999 te schorsen totdat op het bezwaarschrift is beslist.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure. De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Ook acht de president het spoedeisend belang van het verzoek, mede gelet op het feit dat verweerder op 23 april 1999 de sluiting van de woning daadwerkelijk heeft geëffectueerd, genoegzaam aangetoond.

Voorlopig oordelend in de hoofdzaak overweegt de president als volgt.

Artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. Uit de parlementaire behandeling van dit artikel kan het navolgende worden afgeleid: "Voor het kunnen hanteren van de voorgestelde sluitingsbevoegdheid is niet voldoende dat er vrees voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde bestaat. Er zal sprake moeten zijn van een situatie waarin de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord en wel in zodanige mate dat een sluiting te rechtvaardigen is. Deze voorwaarden vloeien voort uit de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit waaraan iedere beperking van grondrechten en derhalve ook de onderhavige moet voldoen. Elk besluit tot sluiting zal deugdelijk moeten worden gemotiveerd. Deze motivering zal gegrond moeten zijn op bewijsstukken waaruit duidelijk en overtuigend blijkt dat er van een verstoring van de openbare orde sprake is. Als bewijsstukken kunnen dienen politierapporten en processenverbaal." En voorts: "Ingevolge artikel 8 van het EVRM is een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer alleen toegestaan, indien zij beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte ('pressing social need'). Dit impliceert dat het sluiten van een woning wegens overlast alleen dan gerechtvaardigd kan worden geacht, als de overlast maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen en er geen andere, minder ingrijpende middelen zijn om de overlast in voldoende mate te kunnen bestrijden."

Verweerder hanteert ten aanzien van de handel in verdovende middelen vanuit woningen een beleid, welk beleid er op neerkomt dat de gebruikers/bewoners en de eigenaar van de woning van te voren worden gewaarschuwd dat deze handel zal leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen. Waar mogelijk zal eerst bestuursdwang worden toegepast, hetgeen betekent dat de zaken die wijzen op de handel in verdovende middelen uit de woning worden verwijderd. Indien de maatregel niet het gewenste effect heeft zal de woning op grond van artikel 174a van de Gemeentewet worden gesloten. Dit betekent dat bewoners dan moeten verhuizen en dat ook de eigenaar niet over zijn eigendom kan beschikken. Naar het oordeel van de president kan dit beleid, mede gelet op de parlementaire behandeling van artikel 174a van de Gemeentewet, aanvaardbaar worden geacht.

Verweerder stelt zich op grond van de politierapportage van 29 maart 1999, alsmede op grond van de mutaties van de politie en klachten op het standpunt dat door de voortdurende verkoop van softdrugs vanuit de woning de openbare orde rondom de woning wordt verstoord. Op grond van de genoemde politierapportage en mutaties kan naar voorlopig oordeel van de president worden aangenomen dat vanuit de woning drugs worden verhandeld. Hoewel de politiemutaties niet alléén betrekking hebben op de onderhavige woning moet, gelet op het samenstel van gegevens zoals blijkt uit die mutaties en mede gelet op de ruime periode waarop die mutaties betrekking hebben, worden gezegd dat (mede) door de gedragingen in de woning, in de vorm van de verkoop van soft-drugs, sprake is van concrete overlast in die zin dat de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord. Verzoekers bezwaren op dit punt, in die zin dat het woonen leefklimaat in de omgeving van de woning niet wordt aangetast, kunnen dan ook geen doel treffen.

Op grond van voornoemde politiemutaties en de aard en de strekking van de daarin voorkomende klachten moet voorlopig oordelend tevens worden gezegd dat de overlast maatschappelijke onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Nu verweerder ter zake van onderhavige woning reeds eerder heeft gelast het strijdige gebruik van de woning te staken en is overgegaan tot effectuering van de aangezegde bestuursdwang, in die zin dat hij de attributen die wijzen op handel in verdovende middelen heeft (doen) verwijderen, en ook nadien, blijkens de politiemutaties, de overlast is blijven bestaan, moet tevens worden gezegd dat verweerder geen andere minder ingrijpende middelen (meer) voorhanden had om de overlast in voldoende mate te kunnen bestrijden. Verweerder was derhalve bevoegd over te gaan tot sluiting van de betreffende woning. Verzoekers standpunt, dat hij niet verantwoordelijk kan worden geacht voor het drugsgebruik en de drugshandel in de woning, kan daaraan niet afdoen.

Ingevolge artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting. In het onderhavige geval heeft verweerder de duur van de sluiting bepaald op zes maanden. Verweerder acht deze periode noodzakelijk om de langdurige bekendheid van de woning als pand waar verdovende middelen worden gekocht, verkocht en gebruikt kunnen worden, te doorbreken. Teneinde een langere periode van rust voor de woonomgeving te kunnen garanderen, acht verweerder een sluiting van deze duur essentieel. De president acht het door verweerder gehanteerde beleid ter uitvoering van dit artikellid, mede gelet op de parlementaire behandeling op dit punt, niet onredelijk. Tevens moet worden gezegd dat de sluitingsduur van zes maanden ten aanzien van de onderhavige woning in overeenstemming is met dat beleid.

Verzoekers stelling dat hij niets met het drugsgebruik en de drugshandel in de woning te maken heeft, wordt gestaafd door de zich in het dossier bevindende rapportage van de politie en door verweerder niet weersproken. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder zich heeft afgevraagd of er bij sluiting van de woning ten behoeve van de herhuisvesting van verzoeker nadere besluiten vereist zijn. Desgevraagd blijkt verweerder zich op het standpunt te stellen dat die nadere besluitvorming achterwege kan blijven, omdat verzoeker ervoor gewaarschuwd was dat de woning zou worden gesloten. Hierin kan de president verweerder niet volgen. De in artikel 174a van de Gemeentewet aan verweerder gegeven bevoegdheid strekt niet zover dat in een geval als het onderhavige een inbreuk op het in artikel 8 EVRM toegekende recht moet worden geduld zonder dat die inbreuk middels nadere besluitvorming wordt gecompenseerd. Op grond van voorgaande overwegingen komt het de president waarschijnlijk voor dat het besluit in de hoofdzaak voor vernietiging wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb in aanmerking komt. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient om die reden dan ook te worden toegewezen en wel op de hierna te vermelden wijze. Daarbij is in aanmerking genomen dat de thans in de besluitvorming geconstateerde gebreken in de bezwaarfase kunnen worden hersteld en dat verzoeker bereid is elders onderdak te accepteren in een soortgelijke kamer als hij in de woning bewoonde. Voorts is in aanmerking genomen dat verzoeker na sluiting van de woning vooralsnog onderdak heeft moeten zoeken in een hotel en daardoor in financiële problemen dreigt te komen.

De president acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De president van de arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker met ingang van de dag dat hij de woning in verband met het bevel tot sluiting heeft verlaten een vergoeding betaalt tot en met de datum dat verweerder het besluit op bezwaar op de voorgeschreven wijze aan verzoeker kenbaar maakt;

- bepaalt dat deze vergoeding dient overeen te komen met het verschil tussen de door verzoeker in genoemde periode daadwerkelijk betaalde woonlasten en de door hem in verband met bewoning van de door hem verlaten woning betaalde lasten;

- veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op f 1.438,25. (zijnde de kosten van rechtsbijstand ad f 1.420,00 en de door verzoeker gemaakte reiskosten Venlo-Roermond v.v. ad f 18,25), te vergoeden door verweerders gemeente;

- bepaalt dat verweerders gemeente aan verzoeker het door deze gestorte griffierecht volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. W.M. Callemeijn, in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 1999.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op: 20 mei 1999 RG

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel