Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:1998:AA3489

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-11-1998
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
97/1220 en 97/1221 WAO K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet privatisering ABP 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenrs.: 97 / 1220 + 97/1221 WAO K1

Inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : 1. het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv);

2. het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen,

beiden vertegenwoordigd door de uitvoeringsinstelling USZO BV Heerlen, verweerders.

Datum en aanduiding van de bestreden besluiten:

de brief d.d. 16 juli l997 van het (voormalige) bestuur van het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel (verder te noemen: besluit I respectievelijk verweerder I)

en de brief d.d. 16 juli l997 van het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Nijmegen (verder te noemen : besluit II en verweerder II), kenmerken:

Datum van de terechtzitting: 15 oktober 1998

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.

Met ingang van 1 januari l998 is fase 1 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) in werking getreden. Ingevolge artikel 42 van voornoemde wet treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van het Fonds Arbeidsongeschiktheidsverzekering Overheidspersoneel (FAOP) wat betreft de overeenkomstige toepassing van de WAO, bedoeld in artikel 32, eerste lid, juncto artikel 46, tweede lid, van de Wet Privatisering ABP (WPA), alsmede wat betreft de toepassing van de AAW, bedoeld in artikel 8 van de AAW. In deze uitspraak wordt onder verweerder I tevens verstaan het bestuur van voornoemd Fonds.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit I van 16 juli l997 heeft verweerder I de bezwaren van eiseres tegen verweerders eerdere beslissing van 19 november 1996, waarbij aan eiseres ingaande 1 januari l996 een WAO-conforme uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, ongegrond verklaard. Bij het in de aanhef genoemde besluit II van eveneens 16 juli l997 heeft verweerder II de bezwaren van eiseres tegen verweerders eerdere beslissing van 19 november l996, waarbij de uitbetaling van herplaatsingswachtgeld ingaande 1 januari l996 is omgezet naar een suppletie-uitkering ten bedrage van f.191,68 bruto per maand, gegrond verklaard. Daarbij is tevens meegedeeld dat de suppletie-uitkering ingaande 1 januari l996 dient te worden vastgesteld op f.1690,31

Tegen beide besluiten is namens eiseres beroep ingesteld. De door verweerders uitvoeringsinstelling (USZO) ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 oktober 1998, alwaar eiser en haar raadsvrouwe mr. H.W. Bemelmans zijn verschenen.

Namens verweerders is verschenen mw.mr. K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN.

Eiseres, geboren op [...] l942, is werkzaam geweest als personeelsfunctionaris bij de Openbare Nutsbedrijven te X. Bij besluit d.d. 19 november l987 heeft de directieraad van het voormalig Algemene burgerlijk pensioenfonds geoordeeld dat eiseres uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is voornoemde functie te vervullen, dat zij voor 19 uur per week herplaatsbaar is in de zin van artikel K2 van de toen geldende Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp) en dat de mate van algemene invaliditeit 45 tot 55% bedraagt.

Op 1 februari l988 is eiseres voor 19 uur per week herplaatst als medewerkster rechtspositie bij de gemeente X. Met ingang van die datum heeft zij een herplaatsingstoelage ontvangen op grond van artikel K5 van de Abp. Bij besluit d.d. 9 januari l991 is eiseres blijvend ongeschikt verklaard voor laatstgenoemde functie bij de gemeente X, is zij herplaatsbaar verklaard voor 19 uur per week in de zin van artikel K2 van de Abp en is de mate van algemene invaliditeit vastgesteld op 25 tot 35%.

Ingaande 1 juni l991 is eiseres uit voornoemde, herplaatste functie, ontslagen. Met ingang van die datum is zij in het genot gesteld van een herplaatsingswachtgeld uit de herplaatste functie, gebaseerd op een invaliditeitsgraad van 25 tot 35%. Daarnaast ontving zij, zoals al aangegeven, uit hoofde van eerstgenoemde functie van personeelsfunctionaris, een invaliditeitspensioen krachtens de Abp, berekend naar een invaliditeitsgraad van 45 tot 55%.

Vanaf 1 januari l996 is de Wet Privatisering ABP (WPA) in werking getreden. In verband daarmee is bij het (primaire) besluit van 19 november 1996 van verweerder I, aan eiseres met terugwerkende kracht tot en met 1 januari l996 een WAO-conforme uitkering toegekend, welke is berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

Verweerder I heeft met dit besluit alsnog de aanspraken van eiseres die voor 1 januari l996 bestonden, omgezet naar een aanspraak op WAO-conforme uitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op de eerder in het kader van artikel 8 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) op 55 tot 65% vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse. Eveneens als gevolg van voornoemde WPA is het herplaatsingswachtgeld van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 1 januari l996 omgezet naar een suppletie-uitkering.

Verweerder II heeft eiseres daarvan bij het (primaire) besluit van eveneens 19 november l996 kennisgegeven.

Tegen beide besluiten is door en namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij de thans bestreden besluiten is besloten conform hetgeen in rubriek I is aangegeven.

De rechtbank constateert dat de beroepen tegen genoemde besluiten voornamelijk zijn gericht tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de aan eiseres toekomende WAO-conforme uitkering.

Eiseres is van mening dat zij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is te achten, hetgeen tot gevolg heeft dat er tevens sprake is van een onjuiste vaststelling van de suppletie-uitkering. In het beroepschrift, gericht tegen de vaststelling van de WAO- conforme uitkering is uitvoerig gemotiveerd waarom het betreffende besluit onjuist is te achten. Daarin wordt ook bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het gehanteerde dagloon.

De toekenning van de WAO-conforme uitkering (zaak 97/1220):

Met verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank d.d. 3 maart 1998 (zaak 96/1884 WAO K1) in een vergelijkbaar geval moet worden geoordeeld dat het primaire besluit en het besluit op bezwaar bevoegdelijk zijn totstandgekomen.

Ten aanzien van het materiële geschilpunt in deze zaak wordt het navolgende overwogen.

Artikel 52 van de WPA luidde ten tijde hier in geding -voor zoveel van belang- als volgt:

"1. Bij ministeriële regeling worden, zo nodig van de artikelen 37, 39, 42 en 43 afwijkende, regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de WAO-conforme uitkering wordt vastgesteld ingeval van een betrokkene die recht heeft op:

a. twee of meer invaliditeitspensioenen;

b. twee of meer herplaatsingswachtgelden;

c. twee of meer herplaatsingstoelagen;

d. (...)

e. (...)

f. een combinatie van in de onderdelen a tot en met e genoemde voorzieningen.

2. De in het eerste lid bedoelde regels hebben tot doel te bereiken dat een WAO-conforme uitkering wordt vastgesteld die ten minste evenredig is aan het op 31 december 1995 bestaande recht van belanghebbende."

De regels als bedoeld in genoemde bepaling zijn vastgelegd in de Regeling conversieprocedure bij twee of meer voorzieningen d.d. 22 november 1995 (Stcrt. 1995, nr. 248). In artikel 2 van die Regeling wordt -voor zoveel hier van belang- bepaald:

"Indien er sprake is van samenloop van twee of meer voorzieningen wordt in afwijking van de artikelen 37, tweede lid, 39, derde lid, 42 tweede lid, en 43, tweede lid, van de WPA, en met inachtneming van de doelstelling, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van die wet, voor de eerste vaststelling van de WAO-conforme uitkering uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid die afhankelijk van de hierna te onderscheiden situaties als volgt wordt vastgesteld:

a. indien er voor de onderscheiden voorzieningen een mate van algemene invaliditeit, of arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de normen van de WAO, is vastgesteld:

1e die in alle gevallen gelijk is, die mate;

2e die in hoogte van elkaar verschilt, de op 31 december 1995 voor de rechthebbende in het kader van artikel 8 van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid;

b. in alle overige, niet in onderdeel a bedoelde, situaties bepaalt het FAOP de mate van arbeidsongeschiktheid."

In de toelichting op artikel 2 van de Regeling wordt onder meer het navolgende vermeld:

" In onderdeel a, onder ten 2e, betreft het de situatie waarin de mate van arbeidsongeschiktheid of algemene invaliditeit verschilt, maar er wel in het kader van artikel 8 van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet een mate van arbeidsongeschiktheid van de betrokkene is vastgesteld. Dan geldt de in het kader van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

In onderdeel b wordt ten aanzien van de overige samenloopsituaties geregeld, dat het Fonds arbeidsogeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) op ad hoc basis de mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt, waarbij voorop dient te staan dat recht wordt gedaan aan de doelstelling van een evenredige aanspraak, bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de WPA. Hier zijn de situaties bedoeld waar sprake is van voorzieningen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op een verschillende hoogte is vastgesteld, terwijl er geen arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW is vastgesteld, of situaties waarbij de toepassing van onderdeel a niet leidt tot een ten minste evenredige aanspraak aan het op 31 december l995 bestaande recht van de belanghebbende.".

Verweerder heeft bij de toekenning van de WAO-conforme uitkering met toepassing van artikel 2, onder a, ten 2e, van de Regeling de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld overeenkomstig de eerder in het kader van artikel 8 van de AAW vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

Vastgesteld moet echter worden, en namens eiseres is daar ook een punt van gemaakt, dat verweerder geen stukken heeft ingediend met betrekking tot een beslissing in het kader van artikel 8 van de AAW en de daarbij vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Bij gebreke daarvan kan thans niet worden nagegaan of inderdaad zodanige beslissing is genomen en of de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 december l995 in het kader van artikel 8 van de AAW inderdaad 55 tot 65% was. Het gemis van die gegevens klemt temeer omdat niet duidelijk is of het gaat om een uitkering in het kader van artikel 8, lid 1, van de AAW waarop eiseres zelf aanspraak heeft of een uitkering in de zin van artikel 8, lid 3, van de AAW, welke niet aan eiseres maar aan de (voormalige) werkgever wordt toegekend en uitbetaald (de zogenaamde "fictieve uitvoering" van de AAW). Indien het immers gaat om een uitkering ingevolge artikel 8, lid 3, van de AAW aan de werkgever (hetgeen blijkens de toelichting ter zitting kennelijk het geval is) is eiseres geen rechthebbende op die uitkering.

Gelet op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 januari 1997 (zaaknr. 95/5354 AAW) heeft eiseres tegen de indertijd (kennelijk) ten aanzien van haar (voormalige) werkgever genomen beslissing tot toekenning van zodanige AAW-vervangende uitkering geen bezwaar en beroep kunnen instellen, omdat zij ten aanzien van zodanig besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 4a (sedert 17 mei 1995 artikel 3a) van de AAW kan worden aangemerkt. Dit betekent dat toepassing van artikel 2, onder a, ten 2e, van de Regeling er in casu toe leidt dat de aan eiseres per 1 januari 1996 toegekende WAO-conforme uitkering (waarop eiseres wél zelf aanspraak heeft) wordt berekend naar een eerder in het kader van artikel 8, lid 3, van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid welke zij nooit in rechte heeft kunnen aanvechten en welke zij ook niet in het kader van de omzetting per 1 januari 1996 zou kunnen aanvechten.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke consequentie van toepassing van artikel 2, onder a, ten 2e, van de Regeling zich niet verdraagt met de in artikel 52, tweede lid, van de WPA neergelegde doelstelling van die Regeling, namelijk een WAO-conforme uitkering vast te stellen die tenminste evenredig is aan het op 31 december 1995 bestaande recht van belanghebbende, nu de als maatstaf dienende uitkering ex artikel 8, lid 3, van de AAW geen recht van belanghebbende is.

Artikel 2, onder a, ten 2e moet dan ook -teneinde strijdigheid met artikel 52, tweede lid, te vermijden- naar het oordeel van de rechtbank aldus worden uitgelegd, dat die bepaling niet van toepassing is als het gaat om een in het kader van artikel 8, lid 3, van de AAW vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. In dergelijke gevallen dient verweerder zelf de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen met toepassing van artikel 2, onder b, van de Regeling, welke bepaling blijkens de hiervoor geciteerde toelichting mede is bedoeld voor situaties waarbij de toepassing van onderdeel a niet leidt tot een ten minste evenredige aanspraak aan het op 31 december 1995 bestaande recht van belanghebbende.

Het voorgaande betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid bij de toekenning van de WAO-conforme uitkering per 1 januari 1996 op onjuiste wijze is vastgesteld. Het hier aan de orde zijnde besluit dient in zoverre dan ook te worden vernietigd. De rechtbank merkt nog wel op dat zij, gelet op de nadere toelichting van verweerder in de brief van 14 april 1998 en bij gebreke van steekhoudende argumenten van de zijde van eiseres, geen reden ziet om de hoogte van het gehanteerde dagloon voor onjuist te houden. In zoverre moet het beroep voor ongegrond worden gehouden.

De toekenning van de suppletie-uitkering (zaak 97/1221):

Gezien de vernietiging van het besluit betreffende de WAO- vervangende uitkering voor wat betreft de daarbij vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en het gegeven dat dit gevolgen kan hebben voor de hoogte van de suppletie-uitkering, dient ook het besluit met betrekking tot de suppletie-uitkering te worden vernietigd.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om beide verweerders op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van de respectievelijke beroepen, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden per zaak (die gelet op artikel 3, lid 2, van genoemd Besluit niet als samenhangende zaken kunnen worden aangemerkt) 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 1997 van verweerder I (zaak 97/1220) gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover daarbij de bezwaren tegen de bij besluit van 19 november 1996 toegekende WAO-conforme uitkering naar de klasse van 55 tot 65% ongegrond zijn verklaard;

verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de hoogte van het dagloon.

verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 1997 van verweerder II (zaak 97/1221) gegrond en vernietigt dat besluit;

bepaalt dat verweerders nieuwe besluiten nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

veroordeelt verweerders in de kosten van de respectievelijke beroepsprocedures bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op f. 1.420 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) per beroepsprocedure, te vergoeden door respectievelijk het Lisv en de gemeente Nijmegen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt voorts, dat het Lisv en de gemeente Nijmegen aan eiseres de door deze in de respectievelijk zaken gestorte griffierecht volledig vergoeden.

Aldus gedaan door mr. R.H. Smits,

in tegenwoordigheid van M.H.M. Hermans-Wijnhoven als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 20 november 1998.

Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

verzonden op:

Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.