Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:97

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2022
Datum publicatie
18-01-2022
Zaaknummer
08/179893-21 en 08/952975-18 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 21-jarige man tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man heeft ongeveer 8 maanden lang een grote groep mensen opgelicht, computervredebreuk gepleegd en geld gestolen met een valse sleutel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/179893-21 en 08/952975-18 (TUL) (P)

Datum vonnis: 18 januari 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] (Suriname),

wonende aan de [adres] ,

nu verblijvende in de P.I. Almelo te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 januari 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. ten Velde en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.W.A. Nabbe, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 4 januari 2022, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

feit 1: het medeplegen van computervredebreuk bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] ;

feit 2: het medeplegen van de oplichting van de onder 1 genoemde acht personen;

feit 3: het medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel van de onder 1 genoemde acht personen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een of meer geautomatiseerde werken, te weten:
door in te loggen in de persoonlijke bankomgeving van de RegioBank van rekeninghoud(ster) dhr. [slachtoffer 1] en/of mevr. [slachtoffer 2] en/of de persoonlijke bankomgeving van de SNS Bank van rekeninghoud(st)er mevr. [slachtoffer 3] en/of mevr. [slachtoffer 4] en/of mevr. [slachtoffer 5] en/of dhr. [slachtoffer 6] en/of de persoonlijke bankomgeving van de ING Bank van rekeninghoud(st)er mevr. [slachtoffer 7] en/of dhr. [slachtoffer 8] is binnengedrongen
a. door het doorbreken van een beveiliging en/of
b. door een technische ingreep en/of
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid,
immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] een (phishing)link gestuurd zogenaamd ten behoeve van de aanmaak van een verzendlabel bij een koeriersbedrijf en/of
- vervolgens op de website, die met (het klikken op) de (phishing)link werd geopend, gevraagd om een bedrag te betalen voor het verzendlabel en/of
- vervolgens voornoemde aangevers een fictieve internetbankierenomgeving getoond en gevraagd om de (inlog)gegevens voor internetbankieren (bankrekeningnummer en/of pasnummer en/of vervaldatum pas en/of autorisatiecode en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord) en/of
- (vervolgens) zich ten opzichte van de RegioBank en/of SNS Bank en/of ING Bank voorgedaan als geautoriseerde rekeninghouder door telkens met de door phishing verkregen (inlog)gegevens voor internetbankieren zich toegang te verschaffen tot de persoonlijke bankomgeving van voornoemde aangevers;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8]
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten,
de (inlog)gegevens voor internetbankieren (te weten: bankrekeningnummer en/of pasnummer en/of vervaldatum pas en/of autorisatiecode en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord) door telkens
- via Whats App aangevers te benaderen die goederen te koop aanboden op Markplaats.nl en/of
- met aangevers een prijs overeen te komen voor hetgeen aangevers te koop aanboden op
Markplaats.nl en/of
- vervolgens aan te geven dat hij het goed verzonden wil hebben en dat hij de verzendkosten zal terugbetalen / voor zijn rekening zal nemen en/of
- aangevers te vragen of zij een verzendlabel willen aanmaken bij een koeriersbedrijf ten behoeve van de verzending van het door verdachte gekochte goed en/of
- vervolgens een (phishing)link te sturen zogenaamd voor het aanmaken van een verzendlabel bij een koeriersbedrijf en/of
- vervolgens op de website, die met (het klikken op) de (phishing)link wordt geopend, te vragen om een bedrag te betalen voor het verzendlabel en/of
- vervolgens aangevers een fictieve internetbankierenomgeving te tonen en te vragen om de
(inlog)gegevens voor internetbankieren,
waardoor die personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer
geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (33,10 euro) en/of [slachtoffer 2] (458,64 euro) en/of [slachtoffer 3] (40,00 euro) en/of [slachtoffer 4] (600 euro) en/of [slachtoffer 5] (451,74 euro) en/of [slachtoffer 6] (300 euro) en/of [slachtoffer 7] (150,00 euro) en/of [slachtoffer 8] (200 euro), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) telkens zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de weg te nemen hoeveelheden geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door:
- zich met de via phishing verkregen (inlog)gegevens voor internetbankieren toegang te verschaffen tot de internetbankierenaccounts van voornoemde aangevers en/of
- vervolgens een telefoon onder controle van verdachte te koppelen aan die
internetbankierenaccounts en vervolgens een of meerdere pinbetalingen te doen in supermarkten en/of een of meerdere geldbedragen contant op te nemen en/of een of meerdere geldbedragen over te boeken naar Duitse bankrekeningen onder controle van verdachte en/of diens mededader(s) en/of door direct een aankoop te doen.
3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding

De rechtbank leidt uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting van 4 januari 2022 is behandeld, het volgende af:

Het Openbaar Ministerie is op 1 november 2020 een onderzoek gestart, genaamd ‘Marillion’, naar aanleiding van een groot aantal aangiftes van oplichting met gebruik van het klikken op een verzendlabel-link in WhatsApp. Het onderzoek is gericht op een dadergroep die zich bezighoudt met phishing en het stelen via digitale wegen. Uit het onderzoek komt de volgende modus operandi naar voren. Een slachtoffer plaatst een advertentie op Marktplaats en vermeldt daarbij zijn/haar telefoonnummer. Het slachtoffer wordt vervolgens via WhatsApp benaderd door een persoon die doet alsof hij belangstelling heeft voor het aangeboden goed. De persoon komt met het slachtoffer een prijs overeen en stuurt het slachtoffer een link van het verzendbedrijf om het goed te kunnen versturen. Het slachtoffer klikt op de verzendlink en vult daar zijn/haar bankgegevens in, waarna het slachtoffer een foutmelding ontvangt. Op dat moment ziet de andere persoon de bankgegevens van het slachtoffer en gebruikt deze om in de bankomgeving van het slachtoffer te komen en eigent zich vervolgens op diverse manieren geld van het slachtoffer toe. Omdat uit het onderzoek bleek dat bij één van de aangevers een cadeaukaart op naam van ‘ [verdachte] ’ is besteld, die vervolgens werd afgeleverd op het adres [adres] (het woonadres van verdachte), kwam verdachte bij de politie in beeld.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1,2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de feiten betrekking hebbend op aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en aangeefster [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij gebruik heeft gemaakt van de alias ‘ [alias] ’. Volgens verdachte waren er meerdere mensen die van deze naam en de door hem gehanteerde werkwijze gebruik maakten. Het kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte degene was die heeft ingelogd in de bankomgeving van [slachtoffer 1] , hem de phishinglink heeft gestuurd, hem heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van zijn gegevens en vervolgens geld van de rekening van [slachtoffer 1] heeft gestolen. Verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw. Hetzelfde geldt voor het feit met betrekking tot [slachtoffer 3] . Omdat de mislukte bestelling bij [bedrijf 2] vier dagen na het verzenden van de betaallink aan [slachtoffer 3] is verzonden, is het verband tussen verdachte en het verzenden van de betaallink te ver verwijderd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten (met uitzondering van de feiten betrekking hebbende op aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ) op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

1. de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 januari 2022;

Algemene bewijsmiddelen:

2. het proces-verbaal van bevindingen internet-tap van 12 juli 2021, pagina’s 220 tot en met 234;

3. het proces-verbaal van bevindingen webserver van 12 juli 2021, pagina’s 240 tot en met 258;

4. het proces-verbaal van bevindingen webserver van 19 augustus 2021, pagina’s 368 tot en met 373;

5. het proces-verbaal van bevindingen verloop actiedag van 8 juli 2021, pagina’s 179 tot en met 180;

6. het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 7 juli 2021, pagina’s 991 tot en met 993;

7. het proces-verbaal van bevindingen telefoon [verdachte] A.02.01.02 van 12 juli 2021, pagina’s 183 tot en met 208;

8. het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon Xiaomi Redmi Note 8 Pro A.02.02.01 van 12 juli 2021, pagina’s 209 tot en met 212;

9. het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon Samsung A.02.03.04 van 19 augustus 2021, pagina’s 374 tot en met 383;

10. het proces-verbaal van bevindingen A.02.01.03 Acer laptop van 30 augustus 2021, pagina’s 384 tot en met 393;

11. het proces-verbaal van bevindingen telegramchats van 15 juli 2021, pagina’s 295 tot en met 326;

Bewijsmiddelen per aangever:

12. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 8 juni 2021, pagina’s 506 en 507;

12. het proces-verbaal van bevindingen A.02.01.03 Acer laptop van 30 augustus 2021, pagina’s 384 tot en met 393;

14. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 6 juli 2021, pagina’s 495 en 496;

14. het proces-verbaal van bevindingen telefoon [verdachte] A.02.01.02 van 12 juli 2021, pagina’s 183 tot en met 208;

16. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 8 juni 2021, pagina’s 511 tot en met 513;

16. het proces-verbaal van bevindingen gegevens IMEI [IMEI] van 25 augustus 2021, pagina’s 408 tot en met 410;

18. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 4 mei 2021, pagina’s 517 tot en met 519;

18. het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoons nachtkastje van 25 augustus 2021, pagina’s 424 tot en met 427;

20. het proces-verbaal van aangifte met bijlagen van [slachtoffer 7] van 18 mei 2021, pagina’s 474 tot en met 488;

20. het proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden) van 26 juni 2021, pagina’s 489 tot en met 490;

20. het proces-verbaal van bevindingen (herkenning) van 26 juni 2021, pagina 491;

23. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] van 9 juli 2021, pagina’s 500 tot en met 502;

23. het proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon Xiaomi Redmi Note 8 Pro A.02.02.01 van 12 juli 2021, pagina’s 209 tot en met 212;

23. het proces-verbaal van bevindingen gemiste oproep Xiaomi Redmi Note 8 Pro van 14 juli 2021, pagina 270.

Ten aanzien van de feiten met betrekking tot aangever [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat hij op 24 november 2020 op zijn telefoon een bericht heeft ontvangen van ene [alias] . [alias] wilde een boek kopen dat [slachtoffer 1] op Marktplaats had gezet. [slachtoffer 1] ontving een link om de verzendkosten van € 5,75 over te maken. Nadat [slachtoffer 1] had geprobeerd via de link te betalen, bleek er € 33,10 van zijn rekening te zijn afgeschreven voor een bestelling van [bedrijf 1] .2

Verdachte heeft ter terechtzitting van 4 januari 2022 ontkend dat hij degene is geweest die als ‘ [alias] ’ met [slachtoffer 1] heeft geappt. Verdachte heeft verklaard dat hij de naam ‘ [alias] ’ nooit als alias heeft gebruikt.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat met de afgeschreven € 33,10 van de bankrekening van [slachtoffer 1] een bestelling is gedaan bij [restaurant] , die is afgeleverd op het woonadres van verdachte: [adres] .3

De rechtbank stelt voorts vast dat in de verschillende aangiftes tegen ‘ [alias] ’ door de ‘koper’ gebruik wordt gemaakt van 17 verschillende telefoonnummers.4 Op 1 november 2020 wordt aangeefster [aangever] geappt door ‘ [alias] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . 5 Een onder verdachte in beslag genomen telefoon, die is aangetroffen in zijn slaapkamer op 6 juli 2021 van het merk Samsung, bevat het gebruikersaccount met dat nummer [telefoonnummer 1] . Op deze telefoon zijn 38 oproepen opgeslagen waaronder een oproep met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] van aangeefster [aangever] .6

Op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene was die zich voordeed als ‘ [alias] ’ en onder die naam aan [slachtoffer 1] een phishinglink heeft gestuurd, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot het afgeven van zijn gegevens, zodat verdachte kon inloggen in de bankomgeving van [slachtoffer 1] om vervolgens geld van [slachtoffer 1] te stelen. De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 1] dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de feiten met betrekking tot aangever [slachtoffer 3]

heeft verklaard dat zij op 17 december 2020 via WhatsApp is benaderd door een persoon die een internetset van haar wilde kopen via Marktplaats. [slachtoffer 3] ontving een link waarmee zij de verzendkosten kon betalen. [slachtoffer 3] heeft de link aangeklikt en ontdekte later dat er een bedrag van € 40,00 was afgeschreven naar OV-chipkaart. Tevens was er geprobeerd een [bedrijf 2] -kaart te kopen ter waarde van € 150,00.7 Uit de gegevens van [bedrijf 2] blijkt dat de cadeaukaart op naam stond van [verdachte] en het factuuradres was [adres] (het woonadres van verdachte).8

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] een phishinglink heeft gestuurd, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot het afgeven van haar gegevens zodat verdachte kon inloggen in de bankomgeving van [slachtoffer 3] om vervolgens geld van [slachtoffer 3] te stelen. De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 3] dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021,
te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in geautomatiseerde werken is binnengedrongen, te weten:
door in te loggen in de persoonlijke bankomgeving van de RegioBank van rekeninghouders dhr.
[slachtoffer 1] en mevr. [slachtoffer 2]

en de persoonlijke bankomgeving van de SNS Bank van rekeninghouders mevr. [slachtoffer 3] en mevr. [slachtoffer 4] en mevr. [slachtoffer 5] en dhr. [slachtoffer 6]

en de persoonlijke bankomgeving van de ING Bank van rekeninghouders mevr. [slachtoffer 7] en dhr. [slachtoffer 8] ,

a. door het doorbreken van een beveiliging en
b. door een technische ingreep en
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel en
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid,
immers hebben verdachte en zijn mededaders
- aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]
en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] een (phishing)link gestuurd
zogenaamd ten behoeve van de aanmaak van een verzendlabel bij een koeriersbedrijf en
- vervolgens op de website, die met het klikken op de (phishing)link werd geopend, gevraagd om een bedrag te betalen voor het verzendlabel en
- vervolgens voornoemde aangevers een fictieve internetbankierenomgeving getoond en gevraagd
om de (inlog)gegevens voor internetbankieren (bankrekeningnummer en/of pasnummer en/of
vervaldatum pas en/of autorisatiecode en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord) en
- vervolgens zich ten opzichte van de RegioBank en SNS Bank en ING Bank voorgedaan als
geautoriseerde rekeninghouder door telkens met de door phishing verkregen (inlog)gegevens voor internetbankieren zich toegang te verschaffen tot de persoonlijke bankomgeving van voornoemde aangevers;
2.
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021,
te Zwolle, althans in Nederland,, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en
[slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]
heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten,
de (inlog)gegevens voor internetbankieren (te weten: bankrekeningnummer en/of pasnummer en/of vervaldatum pas en/of autorisatiecode en/of gebruikersnaam en/of wachtwoord) door telkens
- via WhatsApp aangevers te benaderen die goederen te koop aanboden op Markplaats.nl en
- met aangevers een prijs overeen te komen voor hetgeen aangevers te koop aanboden op
Markplaats.nl en
- vervolgens aan te geven dat hij het goed verzonden wil hebben en dat hij de verzendkosten zal terugbetalen / voor zijn rekening zal nemen en
- aangevers te vragen of zij een verzendlabel willen aanmaken bij een koeriersbedrijf ten behoeve van de verzending van het door verdachte gekochte goed en
- vervolgens een (phishing)link te sturen zogenaamd voor het aanmaken van een verzendlabel bij een koeriersbedrijf en
- vervolgens op de website, die met(het klikken op de (phishing)link wordt geopend, te vragen om een bedrag te betalen voor het verzendlabel en
- vervolgens aangevers een fictieve internetbankierenomgeving te tonen en te vragen om de
(inlog)gegevens voor internetbankieren,
waardoor die personen telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;
3.
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 november 2020 tot en met 6 juli 2021, te Zwolle, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,
telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, toebehorend aan [slachtoffer 1] (33,10 euro) en [slachtoffer 2] (458,64 euro) en [slachtoffer 3] (40,00 euro) en [slachtoffer 4] (600 euro) en [slachtoffer 5] (451,74 euro) en [slachtoffer 6] (300 euro) en [slachtoffer 7] (150,00 euro) en [slachtoffer 8] (200 euro), waarbij verdachte en zijn mededaders telkens zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en de weg te nemen hoeveelheden geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door:
- zich met de via phishing verkregen (inlog)gegevens voor internetbankieren toegang te verschaffen tot de internetbankierenaccounts van voornoemde aangevers en
- vervolgens een telefoon onder controle van verdachte te koppelen aan die internetbankierenaccounts en vervolgens pinbetalingen te doen in supermarkten en geldbedragen contant op te nemen en geldbedragen over te boeken naar Duitse bankrekeningen onder controle van verdachte en diens mededaders of door direct een aankoop te doen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 138ab, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd

feit 2

het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

feit 3

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan een gedeelte van twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd daarbij de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals de reclassering ze heeft geadviseerd in haar rapport van 20 december 2021.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met daarnaast een fors voorwaardelijk deel als stok achter de deur, met daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering deze heeft geformuleerd in het rapport van 20 december 2021.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer acht maanden, samen met anderen, een grote groep personen opgelicht, computervredebreuk gepleegd en vervolgens geld gestolen door middel van een valse sleutel. Verdachte heeft op grootschalige wijze en op verschillende – steeds geraffineerder wordende – manieren, zijn willekeurige slachtoffers hun bankgegevens ontfutseld door het toesturen van een fraudelink en zich daarmee de toegang verschaft tot de bankrekening van zijn slachtoffers, om vervolgens geld van hun rekening af te halen. Hieraan is een einde gekomen door ingrijpen van de politie.

Mede door het handelen van verdachte zijn meerdere slachtoffers financieel benadeeld en is het vertrouwen in de digitale handel van goederen schade toegebracht. Het gebruik van gehackte privégegevens vormt een inbreuk op het privéleven van anderen en leidt daarmee tot gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft er aan bijgedragen dat het vertrouwen van de slachtoffers op grove wijze is geschaad en heeft misbruik gemaakt van zijn slachtoffers, enkel en alleen ten behoeve van zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 september 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de rapportage over verdachte, opgemaakt door Reclassering Nederland op 20 december 2021. In het rapport spreekt de reclassering haar zorgen uit en ziet een hoog recidiverisico in het ontbreken van een eigen inkomen afgezet tegen de instrumentele wijze waarop verdachte door het leven ging tot zijn detentie, in combinatie met zijn persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte heeft in gesprek met de reclassering en ook ter terechtzitting van 4 januari 2022 verklaard dat hij erkent dat hij begeleiding en ambulante behandeling nodig heeft om zijn leven weer op de rit te krijgen. Verdachte zegt voor de begeleiding en behandeling open te staan. Verdachte wil zich focussen op zijn toekomst, door na zijn detentie te gaan werken, samen te gaan wonen en zijn rijbewijs te gaan halen. De reclassering denkt met het nu opgestelde plan van aanpak en gelet op de gemotiveerde houding van verdachte, het risico op recidive op de lange termijn te kunnen verlagen en wil verdachte een tweede kans geven. De reclassering adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling, het meewerken aan schuldhulpverlening, het meewerken aan het hebben/houden van een dagbesteding en het geven van openheid van zaken over het (online) sociale netwerk.

Strafoplegging

Gezien de ernst van de gepleegde feiten en de grootschalige wijze waarop deze hebben plaatsgevonden, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf betrekt de rechtbank de straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken. De rechtbank acht daarbij een strak kader noodzakelijk om verdachte de benodigde hulp en steun te bieden om aan een positieve toekomst te bouwen, zodat de kans op herhaling zoveel mogelijk wordt beperkt.

Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal van die gevangenisstraf een gedeelte van twaalf maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren met daarbij de oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 20 december 2021.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

7.4

De in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de in beslag genomen goederen, te weten:

  • -

    Xiaomi Redmi telefoon (KVI 005);

  • -

    Rode IPhone (KVI 004);

  • -

    Samsung telefoon zwart (KVI 006);

  • -

    Samsung telefoon grijs (KVI 007);

  • -

    Honor View telefoon (KVI 008);

  • -

    IPhone wit A1586 (KVI 009);

  • -

    Laptop Acer Aspire (KVI 010);

  • -

    Elektrische step Ninebot (KVI 011);

verbeurd verklaard moeten worden, omdat verdachte deze goederen heeft gebruikt, dan wel heeft ingezet bij, het plegen van de strafbare feiten.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de in beslag genomen goederen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie genoemde voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard, omdat het voorwerpen betreffen met behulp waarvan de feiten zijn begaan.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces ten aanzien van feit 3. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 533,10 (vijfhonderddrieëndertig euro en tien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- weggenomen geld € 33,10

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 500,00 gevorderd;

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces ten aanzien van feit 3. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 406,95 (vierhonderdzes euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- weggenomen geld € 406,95;

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces ten aanzien van feit 3. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 48,26 (achtenveertig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende post:

- weggenomen geld € 48,26.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wat betreft het bedrag aan materiële schade toe te wijzen, omdat dat bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit. Het bedrag aan immateriële schade is onvoldoende onderbouwd en de officier van justitie vordert de vordering voor dat gedeelte niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe te wijzen voor het gehele bedrag van € 406,95.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat uit de aangifte en de transactie blijkt dat [slachtoffer 5] het fraudebedrag van € 451,74 geheel vergoed heeft gekregen van de bank, aldus de officier van justitie.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het bedrag aan materiële schade van € 33,10. De raadsvrouw heeft verzocht de vordering betreffende het bedrag aan immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet is onderbouwd waaruit het geestelijk letsel dan wel de aantasting in de persoon op andere wijze zou bestaan. Daar komt bij dat verlies van vertrouwen in de maatschappij geen grond is voor immateriële schade, zodat de vordering om die reden al niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft zich wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten slotte heeft de raadsvrouw gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het gehele bedrag aan weggenomen geld is vergoed door de Volksbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 33,10, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat uit de toelichting op het schadeformulier door benadeelde onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Uit het door benadeelde aangevoerde verlies van vertrouwen in de maatschappij blijkt ook niet van een situatie waarin reeds uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan sprake is van een aantasting ‘op andere wijze’. Dat betekent dat geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor de toewijzing van de immateriële schade. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering betreffende de immateriële schade.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 406,95, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde partij echter geheel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat het gehele weggenomen bedrag reeds is vergoed door de Volksbank.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ten uitvoerlegging van de zaak met parketnummer 08/952975-18 bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel van 18 november 2019 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden zal worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de proeftijd van de vordering te verlengen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd op een grootschalige en berekenende wijze aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd

feit 2

het misdrijf: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

feit 3

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Dobbe 70-74, 8032 JX Zwolle, en zich blijft melden gedurende de proeftijd op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen door Transfore of een soortgelijke instelling, ter beoordeling aan de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen en dat verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;

- zich inspant om dagbesteding te vinden en/of te behouden en anders onmiddellijk een uitkering aanvraagt, al dan niet met behulp van een bewindvoerder;

- inzicht geeft in zijn on- en offline (sociale) netwerk en zijn internet gebruik/gedrag en dit bespreekbaar maakt met de reclassering, zolang en zodra de reclassering dit nodig vindt;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ten aanzien van feit 3 van een bedrag van € 33,10 (drieëndertig euro en tien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2020. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 33,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij , ten aanzien van feit 3 van een bedrag van € 406,95 (vierhonderdzes euro en vijfennegentig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2021. Voornoemd bedrag bestaat uit materiële schade;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 406,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

- verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    Xiaomi Redmi telefoon (KVI 005);

  • -

    Rode IPhone (KVI 004);

  • -

    Samsung telefoon zwart (KVI 006);

  • -

    Samsung telefoon grijs (KVI 007);

  • -

    Honor View telefoon (KVI 008);

  • -

    IPhone wit A1586 (KVI 009);

  • -

    Laptop Acer Aspire (KVI 010);

  • -

    Elektrische step Ninebot (KVI 011);

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08/952975-18

- beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 18 november 2019 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.B. Bruins, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.M. van Vuure, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022.

Buiten staat

Mr. W.B. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, districtsrecherche IJsselland met nummer ON12021002/MARILLION. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 30 november 2020, pagina’s 463 en 464.

3 Proces-verbaal van bevindingen Analyse [bedrijf 1] van 28 augustus 2020, pagina 411.

4 Proces-verbaal van verdenking van 9 juni 2021, pagina 677.

5 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 7 december 2020, pagina’s 577 en 578.

6 Proces-verbaal van bevindingen A.02.03.04 Samsung telefoon van 19 augustus 2020, pagina 375.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 7 januari 2021, pagina 269.

8 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 2] van 21 september 2021, pagina’s 420 tot en met 423.