Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:725

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-03-2022
Datum publicatie
17-03-2022
Zaaknummer
9716685 \ BM VERZ 22-344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kantonrechter in Almelo heeft Budget Adviesbureau Deventer (BAD) ontslagen als bewindvoerder van ruim 400 mensen, voornamelijk uit Deventer. De bewindvoerder uit Deventer maakte veel fouten, waardoor de belangen van een kwetsbare groep mensen in het gedrang kwamen. De kantonrechter heeft daardoor geen vertrouwen meer in BAD als bewindvoerder en ontslaat haar in alle zaken. De ruim 400 cliënten krijgen een vervangende bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht - Bewindsbureau

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : 9716685 \ BM VERZ 22-344
dossiernummer : BM 12766

datum : 16 maart 2022

Ambtshalve beschikking van de kantonrechter

inzake:

Budget Adviesbureau Deventer
Postbus 902
7400 AX Deventer
hierna te noemen: BAD
gemachtigde : mr. J.M. Eringa, advocaat te Enschede


bewindvoerder voor:
[rechthebbende]

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1971

wonende [adres]

hierna te noemen: rechthebbende
1. De procedure

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter is een bewind ingesteld over het vermogen van rechthebbende. De grondslag van het bewind is verkwisting of het hebben van problematische schulden. Nu is BAD bewindvoerder.

1.2

Bij brief van 11 augustus 2020 heeft de kantonrechter besloten om BAD niet meer te benoemen tot bewindvoerder in nieuwe zaken tot en met 31 december 2020. Bij brief van 23 december 2020 is besloten om de periode waarbinnen BAD niet benoembaar is te verlengen tot 1 juli 2021.

1.3

Bij beschikking van de kantonrechter van 1 februari 2021, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is BAD in 20 dossiers geschorst met ingang van 1 maart 2021 tot 1 januari 2022. In die dossiers heeft de kantonrechter andere tijdelijke bewindvoerders benoemd en hen verzocht onderzoek te doen naar eventuele fouten en mogelijke schade voor rechthebbenden ten tijde van het door BAD gevoerde bewind. Na die beslissing zijn twee bewinden op verzoek van rechthebbenden opgeheven, zodat het onderzoek van de tijdelijke bewindvoerders betrekking heeft op 18 dossiers.

1.4

Op 22, 23 en 24 juni 2021 hebben er digitaal gesprekken plaatsgevonden met de kantonrechter, de tijdelijke bewindvoerders en BAD over de bevindingen van de tijdelijke bewindvoerders die in de loop van 2021 zijn ingekomen.
De bevindingen zijn per bewindvoerder met BAD besproken.

1.5

Bij brief van 25 juni 2021 is aan BAD medegedeeld dat de periode waarbinnen BAD niet benoembaar is in nieuwe zaken wordt verlengd tot 1 januari 2022, omdat het onderzoek tijdens de schorsing nog lopende is.

1.6

Bij brief van 25 augustus 2021 is door een medewerker van het bewindsbureau verzocht om in alle dossiers mutatieoverzichten over het jaar 2020 toe te zenden van de PRS-rekening waarmee BAD voor de rechthebbenden bankiert. BAD heeft deze mutatieoverzichten over 2020 overgelegd, nadat zij eerst per abuis de mutatieoverzichten over 2021 (van januari tot en met september) heeft toegezonden. Deze mutatieoverzichten zijn gecontroleerd en naar aanleiding van die controle zijn er een veelvoud aan vragen gesteld over het gevoerde bewind in individuele zaken.

1.7

Naar aanleiding van de verlenging van de termijn waarbinnen BAD niet benoembaar is in nieuwe zaken heeft op verzoek van BAD op 15 september 2021 een zitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft op 26 oktober 2021 een gesprek plaatsgevonden met de kantonrechter, drie medewerkers van het bewindsbureau, [naam 1] ( [functie] van BAD), [naam 2] ( [functie] bij BAD) en [naam 3] ( [functie] bij BAD).

1.8

Op 15 december 2021 is een zitting gehouden waar BAD en de tijdelijke bewindvoerders (digitaal) zijn gehoord over de vraag of de bij beschikking van 1 februari 2021 uitgesproken schorsing en de tijdelijke niet benoembaarheid van BAD al dan niet moeten worden verlengd. De kantonrechter heeft bij beschikking van 21 december 2021 vastgesteld dat het ingestelde onderzoek naar BAD nog niet is afgerond en heeft besloten om de schorsing van BAD als bewindvoerder en de termijn waarbinnen BAD niet benoembaar is in nieuwe zaken te verlengen tot 1 april 2022.

1.9

De tijdelijke bewindvoerders hebben hun bevindingen gedurende het jaar 2021 met de kantonrechter en BAD gedeeld. BAD heeft hierop gereageerd.

1.10

Op 2 februari 2022 heeft opnieuw een zitting plaatsgevonden. Namens BAD waren aanwezig: [naam 1] en [naam 4] , [naam 5] ( [functie] ), [naam 2] , [naam 6] ( [functie] ) en alle bewindvoerders van BAD. Tijdens deze zitting zijn de tijdelijke bewindvoerders gehoord over hun bevindingen en is BAD in de gelegenheid gesteld om te reageren op die bevindingen. Tevens is BAD gehoord over de inhoud van het onderzoek van de kantonrechter. Na die zitting heeft BAD per e-mailbericht van 14 februari 2022 op eigen verzoek nader gereageerd op dossiers die ter zitting zijn besproken.

De beoordeling

2. Na schorsing van BAD met ingang van 1 maart 2021 heeft de kantonrechter nader onderzoek gedaan naar het gevoerde bewind door BAD. Zo is in kaart gebracht op welke wijze BAD uitvoering geeft aan het bewind en is onderzocht of BAD haar taken als bewindvoerder nauwgezet en correct heeft verricht. Ook is de juistheid van de door BAD afgelegde periodieke verantwoordingen over het jaar 2020 gecontroleerd aan de hand van de mutatieoverzichten. Daarnaast hebben de tijdelijke bewindvoerders hun bevindingen in 18 dossiers met de kantonrechter gedeeld. De kantonrechter zal hierna de bevindingen per thema uit het eigen onderzoek bespreken. Daarbij zullen ook enkele bevindingen van de tijdelijke bewindvoerders aan bod komen. Diverse dossiers zullen ter illustratie worden aangehaald. De besproken dossiers betreffen slechts een greep uit het geheel aan dossiers van BAD. Tot slot zal de kantonrechter zich uitlaten over de vraag of BAD kan aanblijven als bewindvoerder in de zaken die vallen onder het arrondissement van de rechtbank Overijssel en of al dan niet ambtshalve ontslag moet volgen wegens gewichtige redenen overeenkomstig artikel 1:448 lid 2 BW.

3. Taken bewindvoerder
Op grond van artikel 1:438 lid 1 BW beheert de bewindvoerder de onder bewind staande goederen. Ingevolge artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte en kan de bewindvoerder alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Deze laatste zinsnede geeft ook uitdrukking aan de omstandigheid dat de bewindvoerder proactief dient te zijn, dient na te gaan op welke voorzieningen deze aanspraak kan maken en ook tijdig de daarvoor nodige aanvragen dient te doen. Tevens dient de bewindvoerder ingeval beslag wordt gelegd op onder bewind staande goederen, ervoor te zorgen dat de beslagvrije voet in de zin van artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering correct wordt toegepast. Op deze wijze kan de bewindvoerder bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende. ‘De voornaamste taak van een bewindvoerder in een schuldenbewind is het stabiliseren van de financiële situatie’ (Kamerstukken II 2011/12, 33054, 3). Van belang is tevens dat vergroting van de schuldenlast wordt voorkomen (Kamerstukken II 2011/12, 33054, 6).

Het budgetplan is voor bewindvoerders veelal het uitgangspunt voor betaling van de maandelijkse vaste lasten, waaronder inbegrepen de bewindvoerderskosten en het leefgeld. Daarnaast kan de bewindvoerder indien het budgetplan dat toelaat een buffer opbouwen voor onvoorziene uitgaven. Indien de rechthebbende recht heeft op voorzieningen zoals bijzondere bijstand dient te bewindvoerder daar tijdig aanspraak op te maken. Die voorzieningen zijn voor hen die daarvoor in aanmerking komen noodzakelijk om tot een stabiele financiële situatie te komen.

Voor een nadere uiteenzetting van de taken van een bewindvoerder vindt de kantonrechter aansluiting bij de toelichting op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna de regeling beloning te noemen). Daarin staat onder meer dat het beheren van het vermogen, het regelen van de financiële huishouding, regelmatig contact met rechthebbende, het doen van belastingaangifte over afgelopen kalenderjaar, het treffen van enkele afbetalingsregelingen en het opmaken en afleggen van de rekening en verantwoording tot de wettelijke taken van een bewindvoerder wordt begrepen. In geval van problematische schulden gaat het om werkzaamheden ten behoeve van het ongedaan maken van één of meer beslagen waarbij de beslagvrije voet niet wordt geëerbiedigd, het stabiliseren van problematische schuldsituaties en het toeleiden tot een minnelijke of wettelijke schuldregeling.

4. Bijzondere bijstand/bewindvoerderskosten
Uit het onderzoek dat heeft geleid tot de schorsingsbeslissing van 1 februari 2021 is gebleken dat BAD de betaling van de bewindvoerderskosten en de bijzondere bijstand in de jaren 2018 en 2019, maar ook naar later bleek in 2017, niet in alle dossiers op orde had. Bij nader onderzoek is gebleken dat dit ook in 2020 nog niet in alle dossiers op orde is. BAD heeft daarover ter zitting van 2 februari 2022 verklaard dat zij in 2020 opnieuw een controle heeft uitgevoerd en dat ook in 2020 correcties hebben plaatsgevonden. Hoewel BAD in haar verbeterplan heeft gemeld dat de actie: alle bijzondere bijstand dossiers van het BAD herbeoordelen, correcte beschikkingen afgeven en in het uitbetaalsysteem de betaling op de juiste wijze opvoeren in het eerste kwartaal van 2021 volledig is gerealiseerd, blijkt dit niet het geval te zijn. Gebleken is dat ook gedurende 2021, na het eerste kwartaal, correcties hebben plaatsgevonden.

4.2

Zo is in dossier BM [nummer 1] bijzondere bijstand toegekend met ingang van 3 augustus 2020. Bij brief van 25 augustus 2021 is aan BAD medegedeeld dat uit de mutatieoverzichten is gebleken dat de stand van het vermogen enkel op 3 februari en 3 mei 2020 hoger was dan de vermogensgrens en is de vraag gesteld of de rechthebbende niet eerder dan 3 augustus 2020 recht had op bijzondere bijstand. Op 27 september 2021 is de reactie van BAD ingekomen. BAD verklaart dat de rechthebbende inderdaad eerder recht had op bijzondere bijstand, namelijk vanaf 8 juni 2020. Op 24 september 2021 is een bedrag van € 165,- aan bijzondere bijstand nabetaald. BAD heeft weliswaar de fout hersteld, maar pas na ruim een jaar en naar aanleiding van vragen van het bewindsbureau.

In dossier BM [nummer 2] is er sprake van een persoonsgebonden budget. BAD merkt in de rekening en verantwoording over 2020 op dat er sprake was van een persoonsgebonden budget tot 28 november 2019. BAD mag vanaf december 2019 dan ook geen kosten meer in rekening brengen voor het beheer van het persoonsgebonden budget, maar dit gebeurt nog wel. In de maanden december 2019, januari en februari 2020 worden deze kosten nog in rekening gebracht. Pas op 21 juni 2021 worden de te veel geïnde kosten ad € 119,07 door BAD teruggestort.

In dossier BM [nummer 3] heeft BAD in de rekening en verantwoording over 2019, die op 1 juli 2020 bij het bewindsbureau is ingekomen, gemeld dat rechthebbende nog een bedrag van
€ 1.092,66 zal ontvangen wegens te weinig ontvangen bijzondere bijstand. BAD verwijst in die rekening en verantwoording naar een bijlage, echter die bleek niet te zijn bijgevoegd. BAD heeft in de rekening en verantwoording over 2020, die op 4 oktober 2021 bij het bewindsbureau is ingekomen, verklaard dat zij heeft geconstateerd dat de nabetaling in 2020 niet heeft plaatsgevonden. De nabetaling is pas werkelijk uitgevoerd op 22 juni 2021, bijna één jaar nadat de fout is geconstateerd. Opgemerkt dient te worden dat rechthebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau en dat volgens de rekening en verantwoording over 2020 daarnaast sprake is van een schuldenlast van ruim € 140.000,-.

In de dossiers BM [nummer 4] en BM [nummer 5] merkt BAD in de rekening en verantwoording over 2019, ingekomen bij het bewindsbureau op 4 september 2020, op dat er een bedrag van
€ 142,78 te weinig is betaald aan bewindvoerderskosten in 2018. Op 14 augustus 2020 zou dit bedrag volgens BAD door rechthebbenden zijn nabetaald aan BAD, echter blijkt dat dit bedrag is overgeschreven van BAD naar rechthebbenden. Dit wordt pas op 23 juni 2021 hersteld. Daarnaast hanteert BAD vanaf juni 2020 het lagere tarief, maar betaalt rechthebbende dit één maand te vroeg. Om die reden heeft BAD eveneens op 23 juni 2021, één jaar nadat de kosten zich hebben voorgedaan, een bedrag van € 32,43 in rekening gebracht.


In dossier BM [nummer 6] is door BAD in de rekening en verantwoording over 2018, ingekomen bij het bewindsbureau op 15 juli 2019, opgemerkt dat de bijzondere bijstand in 2019 zal worden gecorrigeerd in verband met een tariefswijziging. Uit de rekening en verantwoording over 2019 blijkt dat de correctie niet alleen ziet op een tariefswijziging, maar dat rechthebbende ook over 2018 fors te veel bijzondere bijstand heeft ontvangen. In 2019 vinden de correcties plaats en betaalt rechthebbende de te veel ontvangen bijzondere bijstand terug, maar ontvangt hij geen bijzondere bijstand voor de bewindvoerderskosten over 2019. Per saldo heeft rechthebbende veel te weinig bijzondere bijstand ontvangen, waarna uit de mutatieoverzichten is gebleken dat rechthebbende op 7 augustus 2020 een nabetaling heeft ontvangen van € 1.166,48. Vervolgens bleek dat rechthebbende onterecht de hogere beloning betaalde over de periode van januari tot en met april 2020. Op 4 juni 2021 heeft BAD een bedrag van € 104,80 terugbetaald. Opgemerkt dient te worden dat de bewindvoerderskosten wel vanaf aanvang bewind maandelijks structureel zijn betaald en dat rechthebbende een inkomen heeft op basis van de zak- en kleedgeldnorm.

In de dossiers BM [nummer 7] en BM [nummer 8] is door BAD in de rekening en verantwoording over 2020 opgemerkt dat sprake is van een negatief budgetplan. Desondanks ontvangen rechthebbenden, die volgens de beschikking van 23 september 2020 recht hebben op bijzondere bijstand voor de bewindvoerderskosten, in 2020 twee maanden geen bijzondere bijstand. Dit wordt pas op 1 juli 2021 alsnog nabetaald voor een bedrag van € 283,14. De bewindvoerderskosten zijn in die maanden wel in rekening gebracht. Daarnaast wordt in 2020 ook één maand aan bewindvoerderskosten voor 2021 in rekening gebracht, zodat rechthebbenden de bewindvoerderskosten vooruit betalen. Opvallend in dit dossier is dat de bestuursrechtelijke premie in 2020 ook nog werd ingehouden op de uitkering.

In dossier BM [nummer 9] blijkt uit de rekening en verantwoording over 2019 dat BAD onterecht drie maanden het hogere tarief in rekening heeft gebracht. Vervolgens heeft BAD op 8 juni 2020 een bedrag van € 78,60 weer teruggestort, terwijl op 28 februari 2020 ook al een bedrag van € 74,25 was teruggestort op de rekening van rechthebbende. Dit laatste bedrag is pas op 22 juni 2021 weer gecorrigeerd.

In de dossiers BM [nummer 10] en BM [nummer 11] is de bijzondere bijstand in 2020 iedere maand foutief uitgekeerd. Er was maandelijks recht op € 141,57 aan bijzondere bijstand, maar er werd een bedrag van € 133,10 uitgekeerd. Rechthebbenden hadden nog recht op € 93,17 aan misgelopen bijzondere bijstand. Op 11 januari 2021 is een bedrag van € 50,82 gecorrigeerd. Vervolgens is op 5 en 8 juli 2021 tweemaal een bedrag van € 42,35 door BAD nabetaald. Onduidelijk is waarom dit bedrag twee keer nabetaald is. Daarnaast werd op 15 december 2020 een bedrag van € 32,43 door BAD aan rechthebbenden betaald, met de omschrijving dat dit bedrag betrekking had op te veel in rekening gebrachte bewindvoerderskosten. Dit bleek ook niet juist, waarna het bedrag op 25 juni 2021 weer door rechthebbenden is teruggestort. De bewindvoerderskosten werden wel juist door rechthebbenden aan BAD betaald.

In dossier BM [nummer 12] heeft rechthebbende een bedrag van € 104,80 op 13 januari 2020 betaald aan de gemeente wegens te veel ontvangen bijzondere bijstand in 2019. Dit bleek onjuist te zijn, waarna dit bedrag pas op 19 april 2021 is teruggestort door de gemeente.

4.3

De tijdelijke bewindvoerders hebben zich op dit onderdeel ook uitgelaten. Zo is door de tijdelijke bewindvoerder in BM [nummer 13] en BM [nummer 14] opgemerkt dat in 2018 enkele maanden geen bijzondere bijstand is ontvangen voor de bewindvoerderskosten, terwijl het inkomen onder bijstandsniveau is. In 2019 is gebleken dat de bijzondere bijstand geen enkele maand overeenkomt met het tarief dat rechthebbenden betalen aan bewindvoerderskosten. Rechthebbenden hebben structureel maandelijks minder te besteden gehad dan bij een correcte betaling van de bijzondere bijstand mogelijk was geweest.

In dossier BM [nummer 15] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat rechthebbende in de jaren 2017, 2018 en 2019 geen bijzondere bijstand voor de bewindvoerderskosten heeft ontvangen, terwijl rechthebbende een inkomen heeft op bijstandsniveau en de bewindvoerderskosten in die periode wel zijn betaald. BAD heeft daarop gereageerd en stelt dat er sprake was van een sluitend budget, waardoor het gemis aan bijzondere bijstand niet tot problemen leidde en daardoor ook niet is geconstateerd. Uit de rekening en verantwoording over 2019 is gebleken dat er op 23 juli 2020 een bedrag van € 1.808,72 is nabetaald aan bijzondere bijstand over de periode 1 januari 2018 tot 31 augustus 2019. Onduidelijk blijft waarom rechthebbende over 2017 geen bijzondere bijstand nabetaald heeft gekregen, omdat uit de rekening en verantwoording over 2017 wel is gebleken dat er een bedrag van € 765,- is betaald aan bewindvoerderskosten.

In dossier BM [nummer 16] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat rechthebbende in 2018 een bedrag van € 750,02 te weinig bijzondere bijstand heeft ontvangen. Bij brief van 1 november 2021 heeft BAD erkend dat rechthebbende dat bedrag tegoed heeft. BAD heeft dat bedrag op 9 november 2021 nabetaald.

4.4

In tegenstelling tot hetgeen BAD in haar herstelplan als gerealiseerd doel heeft opgenomen (namelijk dat alle betalingen ten aanzien van de bewindvoerderskosten en bijzondere bijstand in het eerste kwartaal van 2021 correct verlopen), is na controle in een groot aantal dossiers anders gebleken. BAD heeft de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat deze kwestie nu is opgelost. Van BAD had als professioneel bewindvoerder mogen worden verwacht dat zij fouten direct en uit eigen beweging herstelt, maar gebleken is dat dit vaak te laat of niet zelden pas na vragen in het kader van het onderzoek van de kantonrechter is gebeurd. De kantonrechter acht het zorgelijk dat er vier jaren verstrijken waarin dit probleem zich voordoet en BAD die tijd nodig heeft om hierin actie te ondernemen en orde op zaken te stellen. Dit klemt te meer nu BAD haar diensten verleent aan een kwetsbare doelgroep die vanwege hun geestelijke en/of lichamelijke toestand niet in staat is om de financiën zelf te beheren of mensen met problematische schulden. Een grote groep hiervan komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de bewindvoerderskosten, omdat zij gelet op hun inkomen en vermogen deze kosten niet zelf kunnen betalen. Zoals ook in de schorsingsbeslissing van 1 februari 2021 is overwogen merkt de kantonrechter op dat het met een krap budget niet ondenkbaar is dat deze kwestie nadelige financiële gevolgen heeft gehad voor rechthebbenden. De bijzondere bijstand is juist bedoeld voor kosten, zoals de bewindvoerderskosten, die de rechthebbenden niet van hun inkomen en vermogen kunnen betalen. Het is essentieel dat BAD haar taak als bewindvoerder nauwgezet en correct uitvoert. De kantonrechter is van oordeel dat BAD op dit onderdeel ernstig tekort is geschoten in haar taak en rekent dit BAD zwaar aan.


5. Wanbetalersregeling
5.1 Uit onderzoek is gebleken dat meerdere rechthebbenden zijn aangemeld voor de regeling wanbetaler bij het CAK. De zorgverzekeraar meldt de wanbetaler aan bij het CAK voor de wanbetalersregeling indien de premie voor de zorgverzekering zes maanden of langer niet is betaald. Vanaf dat moment moet een hogere zorgpremie (bestuursrechtelijke premie) aan het CAK worden betaald. Hiermee wordt echter niet op de schuld afgelost. De bestuursrechtelijke premie kan worden voldaan door inhouding op uitkering of loon, maar ook door beslaglegging op de zorgtoeslag en betaling van het restant van de bestuursrechtelijke premie. Voorlopige afmelding bij het CAK kan worden gerealiseerd door een betalingsregeling voor de schuld af te spreken met de zorgverzekeraar. De normale premie plus het bedrag dat afgesproken is om de schuld af te lossen wordt dan voldaan aan de zorgverzekeraar. De bestuursrechtelijke premie hoeft dan niet betaald te worden en er wordt afgelost op de schuld bij de zorgverzekeraar. Om te kunnen komen tot stabilisatie van de financiën ligt het voor de hand dat de bewindvoerder zorgdraagt voor voorlopige afmelding bij het CAK in geval rechthebbende is aangemeld voor de wanbetalersregeling. Op die manier wordt voorkomen dat de schuld bij de zorgverzekeraar verder oploopt.

Uit diverse dossiers is gebleken dat BAD bewust geen actie onderneemt om de wanbetalersregeling ongedaan te maken. BAD heeft daarover ter zitting van 2 februari 2022 verklaard dat het soms niet mogelijk is om de bestuursrechtelijke premie te voldoen uit het inkomen en dat de bestuursrechtelijke premie in dat geval niet wordt betaald. Een afbetalingsregeling met de zorgverzekeraar om de wanbetalersregeling ongedaan te krijgen wordt niet getroffen, omdat de boete later in geval van een minnelijke of wettelijke schuldregeling wordt kwijtgescholden. BAD meent dat deze werkwijze daardoor voor rechthebbenden geen consequenties heeft. Daarnaast meent BAD dat een bewindvoerder aansprakelijk kan zijn indien de bewindvoerder een betalingsregeling treft, zonder dat deze aflossing leidt tot een structurele oplossing van de schulden.

5.2

Uit het onderzoek is gebleken dat BAD in diverse dossiers niet toewerkt naar voorlopige afmelding bij het CAK, terwijl de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen met de zorgverzekeraar er wel is. De schuld bij de zorgverzekeraar wordt daardoor onnodig hoger. De kantonrechter zal hieronder vier dossiers bespreken.

Zo is uit dossier BM [nummer 17] gebleken dat rechthebbende voorafgaand aan instelling van het bewind, maar ook tijdens het bewind dat vanaf februari 2018 is ingesteld, is aangemeld als wanbetaler bij het CAK. Bij brieven van 1 en 26 november 2021 zijn daarover aan BAD nadere vragen gesteld, waaronder de vraag waarom geen betalingsregeling is getroffen om rechthebbende af te kunnen melden als wanbetaler. Bij brief van 21 december 2021 heeft BAD gereageerd. Zij stelt dat er terugkijkend wel mogelijkheden zijn geweest om een betalingsregeling voor de schuld bij de zorgverzekeraar te treffen. ‘Dat is helaas niet gebeurd en wordt nu alsnog opgepakt’, aldus BAD. De kantonrechter vindt het in deze zaak onbegrijpelijk dat BAD niet eerder actie heeft ondernomen. Rechthebbende werd vanaf aanvang van het bewind geconfronteerd met de bestuursrechtelijke premie. In de rekening en verantwoording over 2020 heeft BAD vermeld dat de bestuursrechtelijke premie wordt ingehouden op de uitkering. Daar komt nog bij dat er in dit geval geen sprake is van een minnelijke of wettelijke schuldregeling. BAD heeft ter zitting van 2 februari 2022 hierover verder nog verklaard dat rechthebbende de schulden op termijn mogelijk in zijn geheel kan betalen. Indien BAD eerder, bijvoorbeeld vanaf aanvang bewind, actie had ondernomen had rechthebbende naast betaling van de normale premie van de zorgverzekering ook kunnen aflossen op de schuld bij de zorgverzekeraar en was de schuld al vele malen lager geweest dan nu het geval is. BAD onderneemt veel te laat actie en pas nadat hierover vragen zijn gesteld. De kantonrechter geeft BAD in overweging na te denken op welke wijze zij rechthebbende op dit onderdeel zal compenseren.

In dossier met BM [nummer 18] wordt de bestuursrechtelijke premie ingehouden op de Wajong-uitkering van rechthebbende. Er is geen betalingsregeling getroffen met de zorgverzekeraar, terwijl ook niet werd gewerkt naar een minnelijke of wettelijke schuldregeling. BAD geeft daarvoor als reden dat de wens van rechthebbende om te verhuizen een schuldregeling in de weg kan staan, omdat aan een verhuizing kosten verbonden zijn en er tijdens een schuldregeling geen nieuwe schulden mogen ontstaan. Pas op 3 december 2021 is alsnog een aanvraag schuldregeling ingediend. De kantonrechter ziet niet in waarom BAD zich niet heeft ingespannen om rechthebbende (voorlopig) af te melden als wanbetaler. In dat geval was zolang de schuldregeling niet werd aangevraagd de schuld bij de zorgverzekeraar verminderd. Dat is nu niet het geval.

In dossier met BM [nummer 19] zijn bij brieven van 26 november en 1 december 2021 door het bewindsbureau vragen gesteld over de wanbetalersregeling, waaronder de vraag waarom geen betalingsregeling is getroffen met de zorgverzekeraar. BAD heeft daarop gereageerd en stelt bij brief van 21 december 2021 het volgende: ‘Rechthebbende is al in 2012 aangemeld als wanbetaler. In 2016 is deze aanmelding opgeschort vanwege een aanvraag schuldregeling. Deze schuldregeling is in de loop van 2017 beëindigd, omdat de financiën niet stabiel waren op dat moment. Naar aanleiding van dat bericht heeft de zorgverzekering de opschorting als wanbetaler opgeheven en is de aanmelding als wanbetaler bij het CAK weer hervat. Nota’s aan het CAK betreffende de bestuursrechtelijke premie worden in principe niet betaald in gevallen waarin op termijn een aanvraag voor minnelijke schuldhulpverlening wordt ingediend. De wanbetalersregeling is zo opgezet, dat deze facturen bij een aanvraag schuldhulpverlening worden kwijtgescholden’. Niet in geschil in dit dossier is dat de mogelijkheid bestond om een betalingsregeling met de zorgverzekeraar te treffen, aangezien er ook betalingsregelingen waren getroffen met andere schuldeisers. Weliswaar stelt BAD dat de wanbetalersregeling niet ongedaan is gemaakt omdat ‘op termijn’ een schuldregeling mogelijk is, maar hiervoor is pas op 9 december 2021 door BAD een machtigingsverzoek ingediend. Intussen neemt de schuldenlast vanaf 2017, het jaar waarin een eerdere schuldregeling is geëindigd, ruim vier jaren toe.

Illustratief zijn verder de dossiers BM [nummer 20] en BM [nummer 21] . Vanaf november 2017, aanvang van het bewind, is sprake van een wanbetalersregeling. De bestuursrechtelijke premie wordt niet voldaan en evenmin is een betalingsregeling getroffen met de zorgverzekeraar. Het is wel aannemelijk dat BAD een betalingsregeling had kunnen treffen indien zij de betaling van bijzondere bijstand op orde had. In de rekening en verantwoording over 2018 meldt BAD dat de bijzondere bijstand die rechthebbenden te weinig hebben ontvangen in 2019 wordt gecorrigeerd. Er is in die periode slechts een bedrag van € 110,- bijzondere bijstand uitgekeerd, terwijl er een bedrag van € 1.597,20 aan bewindvoerderskosten in rekening is gebracht. Rechthebbenden hadden in 2019 volledig recht op bijzondere bijstand. Volgens het kostenoverzicht van BAD van 28 februari 2020 is er in januari 2019 over 2018 een bedrag van € 413,93 aan bijzondere bijstand uitgekeerd. Het restant wordt pas teruggestort op 21 augustus 2020. De bewindvoerderskosten zijn in die periode wel maandelijks betaald. Indien de bijzondere bijstand maandelijks zou zijn uitgekeerd hadden rechthebbenden ruimte om een betalingsregeling van € 25,- te treffen met de zorgverzekeraar, het bedrag waarvan BAD ter zitting van 22 februari 2022 heeft gesteld dat dit het minimumbedrag is wat vrijwel alle zorgverzekeraars hanteren voor een aflossingsregeling.

5.3

De tijdelijke bewindvoerders hebben in diverse dossiers waarin zij zijn benoemd ook geconstateerd dat sprake was van de wanbetalersregeling.
In dossier BM [nummer 22] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat er vanaf februari 2016, aanvang van het bewind, sprake is van de bestuursrechtelijke premie. De tijdelijke bewindvoerder stelt dat BAD direct een betalingsregeling had kunnen en moeten treffen met de zorgverzekeraar, zodat de wanbetalersregeling niet meer van toepassing zou zijn en een boetepremie bespaard zou zijn gebleven voor de duur van bijna vijf jaar.

In dossier met BM [nummer 23] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat de premie ziektekostenverzekering vanaf december 2018 niet is betaald. BAD heeft daarop gereageerd bij brief van 23 december 2021. De kantonrechter acht de volgende opmerking van BAD in haar reactie in dit verband van belang: ‘In de regel is het zo, dat de openstaande bestuursrechtelijke premie wordt kwijtgescholden op het moment dat met de zorgverzekeraar een regeling is getroffen. Wij gaan er vanuit dat dit nu ook het geval is, maar hebben geen mogelijkheid om dat te verifiëren. (…). Wij zijn, ook met de kennis van nu, nog steeds van mening dat een eerdere aanvraag voor schuldhulpverlening niet mogelijk was’.
De kantonrechter begrijpt niet waarom BAD geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de wanbetalersregeling, nu zij zelf stelt dat een schuldregeling niet mogelijk was. Dit betekent dat de schuldenlast in ieder geval ten tijde van het gevoerde bewind door BAD is toegenomen met de boetepremie, terwijl er geen uitzicht is op een schuldregeling. Dit zou niet het geval zijn geweest indien zij een betalingsregeling had getroffen met de zorgverzekeraar, maar dat heeft BAD nagelaten.

5.4

De stelling van BAD dat een bewindvoerder aansprakelijk is indien zij een betalingsregeling treft zonder dat deze aflossing leidt tot een structurele oplossing van de schulden kan de kantonrechter op dit onderdeel niet volgen. Doordat BAD zich niet inspant om rechthebbende (voorlopig) af te melden als wanbetaler, laat BAD de achterstanden bij de zorgverzekeraar doelbewust oplopen. BAD gaat er dan vanuit dat een minnelijke of wettelijke schuldregeling tot stand komt, maar lijkt het risico dat de schuldregeling niet tot stand komt voor lief te nemen. De vraag die ook rijst is of de WSNP een mogelijkheid biedt, omdat doelbewust nieuwe schulden ontstaan die de toelating tot de WSNP in de weg kunnen staan. Daar komt nog bij dat het gehele invorderingsproces ook wordt gecontinueerd. De werkwijze van BAD op dit onderdeel staat naar het oordeel van de kantonrechter haaks op de kerntaak van de bewindvoerder, namelijk het stabiliseren van de financiële situatie en voorkoming van de vergroting van de schuldenlast. De stelling van BAD dat deze werkwijze voor rechthebbenden geen consequenties heeft kan de kantonrechter, gelet op de hiervoor besproken dossiers, niet volgen. Van BAD mag als goed bewindvoerder worden verwacht dat zij adequaat handelt en zaken zoals deze niet op zijn beloop laat. Nu gebleken is dat zij hierin verzuimt kan de kantonrechter niet anders dan vaststellen dat BAD in haar taak op dit onderdeel tekort is geschoten.


6. Overige fouten in het gevoerde beheer
6.1 Tijdens het onderzoek zijn naast de hiervoor besproken bevindingen ook andere fouten geconstateerd. Deze bevindingen variëren van het niet doorgeven van informatie aan instanties tot het doen van onjuiste betalingen.

6.2

In dossier BM [nummer 24] , waarvan het bewind is ingesteld in juli 2015, bleek uit de rekening en verantwoording over 2020 dat de schuldenlast op 31 december 2020 aanzienlijk hoger was dan op 31 december 2019. Bij brief van 8 april 2021 is aan BAD verzocht om een toelichting op de toename van de schuld bij het UWV. Bij brief van 30 april 2021 heeft BAD daarop gereageerd en gesteld dat het UWV in 2020 onderzoek heeft gedaan naar het recht op toeslag die rechthebbende op dat moment ontving. Omdat rechthebbende al vanaf mei 2017 samenwoonde, heeft het UWV geconcludeerd dat er geen recht meer was op die toeslag. Deze toeslag is vervolgens door het UWV teruggevorderd. BAD heeft in haar brief verder het volgende opgemerkt: ‘Als bewindvoerder had het BAD dit door moeten geven aan het UWV. Dit is echter te laat gebeurd. Betrokkenen hebben de toeslag van het UWV onterecht ontvangen, maar hebben deze kunnen besteden aan hun uitgaven voor levensonderhoud. Betrokkenen zijn door deze gang van zaken niet financieel benadeeld en ook zonder deze vordering was een schuldregeling noodzakelijk geweest’. Uit de brief van het UWV van
29 juni 2021 blijkt dat de terugvordering € 12.303,73 bedraagt, vermeerderd met aanmaningskosten en wettelijke rente. Bij verzoek van 3 december 2021 vraagt BAD machtiging om een saneringskrediet aan te mogen gaan, omdat de afdeling schuldhulpverlening tot een akkoord is gekomen met alle schuldeisers.
De totale schuldenlast bedraagt dan € 18.537,30. Dit betekent dat de schulden die zijn ontstaan door rechthebbende ‘slechts’ € 6.233,57 bedragen en dat het leeuwendeel van de schuldenlast is ontstaan doordat BAD heeft verzuimd tijdig het UWV in te lichten. De kantonrechter vindt het onbegrijpelijk dat BAD stelt dat de rechthebbenden niet zijn benadeeld, omdat de schuld wordt meegenomen in een schuldregeling. BAD had zodra zij op de hoogte was van de terugvordering die door haar toedoen is ontstaan de hand in eigen boezem moeten steken en de schade moeten vergoeden zoals een goed en integer bewindvoerder betaamt. In dat geval zouden de overige schuldeisers met het saneringskrediet een groter deel van hun vordering hebben ontvangen.

In dossier BM [nummer 25] is de waterschapsbelasting in 2019 niet tijdig betaald, waardoor aanmaningskosten van € 7,- en kosten dwangbevel van € 43,- door GBLT in rekening zijn gebracht. BAD meldt bij brief van 21 december 2021 dat dit pas bij het opmaken van de rekening en verantwoording over 2020 is geconstateerd. BAD heeft op 10 juni 2021 de kosten vergoed.

In dossier met BM [nummer 26] worden er drie betalingen teruggestort door Allianz, te weten in juni, september en november 2020. BAD meldt in haar brief van 21 december 2021 dat deze betalingen per abuis zijn verricht op een andere rekening dan op de factuur staat vermeld.
Daarnaast is bij brief van 26 november 2021 aan BAD verzocht om toe te lichten waarom er vijf betalingen van € 164,70 van [verzekeraar] retour zijn gekomen. BAD heeft daarover verklaard dat rechthebbende gebruik maakt van een collectieve zorgverzekering, waarvan de premies niet per individuele verzekerde worden betaald, maar via een verzamelfactuur waarmee in één betaling voor alle verzekerden gelijktijdig wordt betaald. Door miscommunicatie werd de premie enkele maanden ook nog rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald. De te veel betaalde premie is gerestitueerd.

In dossier BM [nummer 27] wordt de premie voor de levensverzekering langer doorbetaald dan nodig. Hoewel daar vanaf 2 september 2019 geen premie meer voor verschuldigd is, wordt deze maandelijks wel betaald tot en met september 2020. Opmerkelijk is dat er op 29 januari 2020 een brief verstuurd is door de verzekeraar. Hierin staat vermeld: ‘U hoeft sinds 2 september 2019 geen premie meer te betalen voor uw levensverzekering (…). Toch ontvangen we nog steeds betalingen voor deze verzekering. In deze brief leest u wat u kunt doen’. Daarnaast is de waterschapsbelasting niet tijdig betaald, waardoor er extra kosten door GBLT in rekening zijn gebracht. De dagtekening van de aanslag was 31 juli 2020 en de dagtekening van de aanmaning 24 oktober 2020. BAD heeft pas op 26 mei 2021 de aanmaningskosten ad € 7,- vergoed.

In dossier BM [nummer 1] wordt in februari 2020 € 1,- minder betaald aan het abonnement bij Ziggo dan in andere maanden. BAD heeft in haar brief van 17 september 2021 erkend dat er € 1,- te weinig is betaald, maar dat dit bedrag tot op heden niet alsnog in rekening is gebracht door Ziggo.

In dossier BM [nummer 28] blijkt uit de brief van GBLT van 3 december 2020, geadresseerd aan BAD, dat de oorspronkelijke aanslag van € 128,18 is verhoogd met aanmaningskosten en kosten dwangbevel tot een bedrag van € 182,18. Dit laatste bedrag heeft rechthebbende voldaan op 3 december 2020. De extra kosten hadden voorkomen kunnen worden indien BAD eerder actie had ondernomen. Pas op 28 juni 2021 herstelt BAD de fout en compenseert rechthebbende voor een bedrag van € 54,-.

In de dossiers BM [nummer 10] en [nummer 11] is gebleken dat de aanslag gemeentelijke belastingen in maart 2019 is betaald voor een bedrag van € 987,78. Vervolgens wordt dit bedrag op 2 juni 2020 opnieuw betaald. Weliswaar komt dit bedrag weer retour op 5 juni 2020, maar gelet op het feit dat rechthebbenden in die periode een bijstandsuitkering ontvangen en een schuldenlast hebben van ruim € 30.000,- is dit een slechte zaak.

In dossier BM 16506 is uit de mutatieoverzichten gebleken dat vanaf aanvang van het bewind, juli 2020, maandelijks tot en met december 2020 dubbele betalingen aan KPN plaatsvinden. KPN stort het te veel betaalde dan terug met de omschrijving dat het twee keer is betaald of dat er te veel is betaald.

In dossier BM [nummer 29] heeft BAD in de rekening en verantwoording over 2020 opgemerkt dat er maandelijks betalingen ad € 35,32 zijn verricht ten behoeve van een autoverzekering, terwijl de autoverzekering al beëindigd was. Uit de mutatieoverzichten is gebleken dat de premie vanaf januari 2020 door de verzekeraar terug wordt gestort en dat de premie vanaf dat moment niet meer verschuldigd is. Pas ruim één jaar later, na februari 2021, wordt dit door BAD gecorrigeerd en vinden er geen onverschuldigde betalingen meer plaats. Ook de betalingsregeling die was getroffen voor achterstallige bewindvoerderskosten ad € 131,- liep niet zoals het zou moeten. Uit de mutatieoverzichten is gebleken dat er op 18 juni 2020 eenmaal € 30,- is betaald en vanaf juli 2020 maandelijks € 3,-. Bij brief van 1 november 2021 zijn hierover vragen gesteld. BAD reageert hierop bij brief van 22 november 2021 en stelt dat de betalingsregeling € 30,- per maand had moeten zijn, maar dat dit niet correct in het budgetplan is gezet. Het restant is pas in 2021 betaald.

In dossier BM [nummer 30] is uit de rekening en verantwoording over 2019 gebleken dat op 21 februari 2019 leenbijstand is verstrekt door de gemeente Deventer voor woninginrichting voor een bedrag van € 1.000,-. Tevens is gebleken dat er per juli 2019 een schuldhulpverleningstraject is gestart. BAD heeft in de rekening en verantwoording opgemerkt dat rechthebbende aflost ten behoeve van dat traject volgens het vrij te laten bedrag. Gebleken is echter ook dat daarnaast wordt afgelost op de leenbijstand. De kantonrechter ziet niet in om welke reden deze vordering niet in het schuldhulpverleningstraject is meegenomen. Er lijkt namelijk te worden afgelost op de leenbijstand uit het vrij te laten bedrag.

In dossier BM [nummer 31] is er sprake van een fraudevordering van de gemeente Deventer van ongeveer € 14.000,-. In de rekening en verantwoording over 2018 is door BAD het volgende opgemerkt: ‘Per 26-07-2018 is er een saneringskrediet verstrekt t.b.v. bovenstaande schulden’. Op het schuldenoverzicht waar naar wordt verwezen staat ook de fraudevordering van de gemeente Deventer, die op basis van dat saneringskrediet 5,32% van de totale vordering betaald krijgt. De kantonrechter begrijpt niet dat nadat het saneringskrediet in zijn geheel door rechthebbende is voldaan er verder wordt afgelost op de fraudevordering. Uit de onderliggende stukken blijkt namelijk niet dat rechthebbende verder dient af te lossen op de fraudevordering nadat deze al voor 5,32% is voldaan. Evenmin is gebleken dat rechthebbende en/of andere schuldeisers van deze constructie op de hoogte zijn.

In haar reactie op deze gang van zaken verwijst BAD naar de afdeling schuldhulpverlening, die verantwoordelijk zou zijn voor de besteding van de afgedragen bedragen tijdens de schuldregeling. Hiermee miskent BAD dat zij als beschermingsbewindvoerder tot taak heeft om op te komen voor de financiële belangen van de rechthebbende. In dit dossier had het op de weg van BAD gelegen om de gemeente Deventer te wijzen op de finale kwijting die zou zijn verleend indien de gemeente Deventer (al dan niet terecht) had ingestemd met de schuldregeling, dan wel om een andere weg te bewandelen om tot sanering van de schulden te komen, indien op voorhand duidelijk was dat de gemeente Deventer geen finale kwijting zou (kunnen) verlenen voor de fraudevordering (dwangakkoord of wsnp). Door de passieve houding van BAD wordt rechthebbende nu – na een succesvol doorlopen schuldregeling – alsnog geconfronteerd met een hoge vordering van de gemeente Deventer, die op haar beurt al heeft meegedaan en meegedeeld met de schuldregeling van rechthebbende.
6.3 De tijdelijke bewindvoerders hebben in het kader van hun onderzoek diverse vragen gesteld aan BAD over het door BAD gevoerde beheer. BAD heeft daarop gereageerd. Illustratief zijn de hierna te bespreken dossiers.
In dossier BM [nummer 32] heeft de tijdelijke bewindvoerder vragen gesteld aan BAD ten aanzien van verzekeringen en de verschillende premies die daarvoor zijn betaald. BAD heeft daarop gereageerd en concludeert dat rechthebbende zowel in 2018 als 2019 dubbel verzekerd is geweest voor aansprakelijkheid. BAD stelt dat zij over zal gaan tot compensatie voor een bedrag van € 207,03.

De tijdelijke bewindvoerder heeft in dossier BM [nummer 33] diverse bevindingen gedeeld ten aanzien van de betaling van bijzondere bijstand, bewindvoerderskosten en de schuldregeling. BAD heeft daarop bij brief van 28 oktober 2021 gereageerd en onder meer het volgende geconcludeerd: ‘Samengevat komen wij zelf tot de conclusie dat in het dossier van rechthebbende in 2018 een bedrag van € 60,00 teveel is afgedragen ten behoeve van de schuldregeling. Dit bedrag wordt aan betrokkene gecompenseerd. Overigens heeft (…) rechthebbende een bedrag van € 4,56 te weinig betaald aan bewindvoeringskosten en is een bedrag van € 440,00 aan bijzondere bijstand teveel ontvangen, wat niet is teruggevorderd. Per saldo is betrokkene naar onze mening dus niet financieel benadeeld’.

De tijdelijke bewindvoerder heeft opgemerkt dat er geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2018 is ingediend in onder meer dossier BM [nummer 34] . BAD merkt in haar reactie van 23 december 2021 op dat deze vaststelling juist is en dat dit niet had mogen gebeuren.

In dossier BM [nummer 35] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat er ten tijde van het gevoerde bewind door BAD geen individuele inkomenstoeslag is aangevraagd, terwijl rechthebbende daar wel recht op had. BAD heeft bij brief van 1 november 2021 erkend dat rechthebbende over 2019 en 2020 waarschijnlijk wel recht had op individuele inkomenstoeslag en stelt dat zij de schade ad € 843,- zal vergoeden.
6.4 De kantonrechter is van oordeel dat uit de hiervoor besproken dossiers blijkt dat BAD haar administratie niet op orde heeft zoals dat van een professioneel bewindvoerder mag worden verwacht. Er is sprake van een veelheid aan fouten en slordigheden die een professioneel bewindvoerder zich niet kan permitteren. Facturen worden te vaak te laat of foutief betaald met extra kosten tot gevolg. Als een van de redenen van deze fouten verwijst BAD onder meer naar de gebreken van het door hen gebruikte softwarepakket. Dit pakket werkt met een PRS-rekening en vanaf die rekening kunnen geen automatische incasso’s plaatsvinden. Evenmin kunnen automatische boekingen worden klaargezet waarvan de omschrijving of het betaalkenmerk maandelijks wijzigt. Om die reden verwerkt BAD veel van de betalingen handmatig aan de hand van facturen. De kantonrechter begrijpt dat het verwerken van betalingen op deze wijze meer foutgevoelig is dan wanneer gebruik wordt gemaakt van een meer geavanceerd softwarepakket. Dit neemt echter niet weg dat van een bewindvoerder zoals BAD bij de uitvoering van haar taak dezelfde nauwgezetheid en precisie mag worden verwacht als van een bewindvoerder die van een ander softwarepakket gebruik maakt. BAD had haar werkwijze zo kunnen inrichten om die standaard te kunnen halen, maar dit is door BAD niet (tijdig) opgepakt. BAD heeft weliswaar tijdens het gesprek van 26 oktober 2021 en ter zitting van 2 februari 2022 opgemerkt dat zij over zal gaan naar een nieuw softwarepakket, maar ook de inrichting van de financiën in een nieuw softwarepakket en de implementatie van een oud naar een nieuw softwarepakket vergt dezelfde vaardigheden. Daarnaast zullen niet alle door BAD gemaakte fouten door een nieuw softwarepakket worden ondervangen. De kantonrechter rekent BAD de veelvoud aan fouten en de incapabiliteit om die fouten zelf en/of tijdig te ontdekken en te herstellen zwaar aan.


Onjuiste periodieke verantwoordingen
7.1 Op grond van artikel 1:445 lid 1 BW is een bewindvoerder jaarlijks verplicht om rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende ten overstaan van de kantonrechter. In het tweede lid van het artikel is bepaald dat de rekening en verantwoording wordt afgelegd aan de kantonrechter, indien de rechthebbende niet in staat is de rekening en verantwoording op te nemen. Deze rekening en verantwoording moet de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten. Deze mutaties dienen onder de daarvoor bestemde posten in de rekening en verantwoording te worden vermeld. Van een professionele bewindvoerder mag worden verwacht dat dit op correcte wijze gebeurt. De rekening en verantwoording behoort immers een weerspiegeling te zijn van de wijze waarop het bewind is gevoerd, zodat de kantonrechter zijn toezichthoudende taak goed kan uitvoeren.

Tijdens het onderzoek naar het door BAD gevoerde bewind is gebleken dat in meerdere dossiers inkomsten en/of uitgaven niet onder de daarvoor bestemde posten in de rekening en verantwoording worden vermeld.

7.2

In dossier BM [nummer 36] is uit de rekening en verantwoording over 2020 gebleken dat er één transactie huurtoeslag is opgenomen onder de post ‘Zorgtoeslag’ en dat de vermogensopstelling per 31 december 2020 afwijkt van de vermogensopstelling op de laatste pagina van het maandoverzicht van de PRS-rekening van december 2020. Zo is de P-rekening in de rekening en verantwoording opgenomen met een bedrag van € 287,44, maar bedraagt dit volgens het maandoverzicht € 297,44. Dit geldt ook voor de reserveringspost 7. In de rekening en verantwoording is deze post opgenomen voor een bedrag van € 180,-, maar bedraagt deze post volgens het maandoverzicht € 170,-.

In dossier BM [nummer 28] is uit de mutatieoverzichten gebleken dat er op 29 december 2020 een bedrag van € 118,- is betaald aan de Belastingdienst. Uit het betalingskenmerk blijkt deze betaling betrekking te hebben op het kindgebonden budget. De betaling is in de rekening en verantwoording echter vermeld onder de post ‘Eigen risico ziektekostenverzekering’.

In dossier BM [nummer 29] is uit de mutatieoverzichten over 2020 gebleken dat rechthebbende twee maal motorrijtuigenbelasting heeft betaald. In de rekening en verantwoording staat echter een bedrag van € 0,- vermeld bij de post ‘Motorrijtuigbelasting’. Nadat hierover door het bewindsbureau bij brief van 1 november 2021 vragen zijn gesteld, heeft BAD bij brief van 22 november 2021 gereageerd. Zij stelt dat de twee betalingen aan de Belastingdienst helaas foutief gecategoriseerd zijn, ‘waardoor ze niet naar voren kwamen bij de post ‘motorrijtuigbelasting’.


In dossier BM [nummer 17] is een bedrag van € 781,07 gestort door GGN Mastering Credit NV op 19 mei 2020 op de rekening van rechthebbende. Deze betaling is in de rekening en verantwoording vermeld onder de post ‘Uitkering’.

In dossier BM [nummer 37] is uit de mutatieoverzichten over 2020 gebleken dat er tweemaal € 5,- wordt betaald door rechthebbende. Uit het betalingskenmerk valt op te maken dat één betaling betrekking heeft op de zorgtoeslag en de andere betaling op de huurtoeslag. In de rekening en verantwoording worden beide betalingen vermeld bij de post ‘Motorrijtuigbelasting’. Daarnaast is een betaling ten behoeve van de uitvaartverzekering vermeld onder de post ‘Overige verzekeringen’, terwijl deze betaling onder de post ‘Uitvaartverzekering’ had moeten worden vermeld.

In dossier BM [nummer 24] is uit de mutatieoverzichten gebleken dat er in totaal € 1.265,64 kinderbijslag is ontvangen in 2020. In de rekening en verantwoording over 2020 is een bedrag van € 0,- vermeld bij de post ‘Kinderbijslag’. Bij nader onderzoek is gebleken dat de ontvangsten zijn vermeld bij de post ‘Kindgebonden budget’, terwijl de rechthebbende ook kindgebonden budget in die periode heeft ontvangen.

In dossier BM [nummer 38] wordt vanaf mei 2020 maandelijks € 14,- overgemaakt van de beheer- naar de leefgeldrekening. Uit de omschrijving van die maandelijkse overboeking valt op te maken dat dit betrekking heeft op een abonnement bij Netflix. Deze betalingen staan echter niet vermeld onder de post voor het leefgeld of abonnementen zoals mag worden verwacht, maar onder de post ‘Mobiele telefoon’.

7.3

Eén van de tijdelijke bewindvoerders heeft over dit onderdeel vragen gesteld aan BAD. BAD heeft daarop gereageerd.

In dossier BM [nummer 39] heeft de tijdelijke bewindvoerder onder meer opgemerkt dat de totale inkomsten en uitgaven niet juist zijn vermeld in de rekening en verantwoording over 2019. Ook is het de tijdelijke bewindvoerder opgevallen dat de post ‘Rente en aflossing schulden’ niet € 1.231,74 moet bedragen, maar € 1.231,24. BAD heeft hierop gereageerd en heeft toegelicht dat de ontvangen huurtoeslag in 2019 is gecategoriseerd onder de uitgavepost ‘Huur/kostgeld’ en dat daardoor een verschil is ontstaan van € 6.790,- . BAD stelt daarnaast dat zij per abuis een bedrag van € 1.231,74 heeft vermeld bij de post ‘Rente en aflossing schulden’ en dat deze post € 1.231,24 bedraagt.

In dossier BM [nummer 15] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat in de rekening en verantwoording over 2017 een bedrag van € 500,44 is vermeld bij de post ‘Eigen risico ziektekostenverzekering’. De tijdelijke bewindvoerder vraagt zich af of een aantal bedragen niet op incorrecte wijze is verantwoord. BAD heeft daarop gereageerd en stelt dat een bedrag van € 286,64 eigen risico betrof, maar dat een bedrag van € 213,80 betrekking had op een betaling aan het CAK die had moeten worden gecategoriseerd onder een andere post.

In dossier BM [nummer 32] heeft de tijdelijke bewindvoerder opgemerkt dat de totale uitgaven over 2019 niet juist zijn vermeld in de rekening en verantwoording. BAD heeft daarop gereageerd en stelt dat de ontvangen zorgtoeslag niet als inkomen is gecategoriseerd onder de post ‘Zorgtoeslag’, maar onder de post ‘Eigen risico ziektekostenverzekering’ bij de uitgaven wat het verschil van € 990,- in de rekening en verantwoording verklaart.

Schuldenlijsten
7.4 Ook is gebleken dat de in de rekening en verantwoording opgenomen schuldenlijst in veel dossiers niet juist is. De aflossingen op schulden worden vaak niet verwerkt in de schuldenlijst, ongeacht of de schulden worden afgelost door beslaglegging of een reguliere betalingsregeling. Dit leidt tot een veelvoud aan vragen bij de controle van de rekening en verantwoording. BAD heeft daarover ter zitting van 2 februari 2022 verklaard dat de schuldenlijsten bij aanvang van het bewind heel secuur in kaart worden gebracht. Daarentegen worden de schuldenlijsten niet altijd goed bijgehouden in dossiers waar sprake is van een problematische schuldenlast van gemiddeld € 40.000,-, aldus BAD. BAD ziet voor de uitvoering van het bewind geen meerwaarde om in die zaken alle aflossingen bij te houden. Als de schuldenlast beperkt is, of als er geen problematische schulden zijn, dan is het wel van belang om de schuldenlijsten goed bij te houden. BAD heeft verder gesteld dat zij hiervoor navraag heeft gedaan bij de afdeling schuldhulpverlening van de gemeente Deventer. In 15 dossiers is een vergelijking gemaakt tussen de schuldenlijsten na opvraag van de schuldhulpverlener bij schuldeisers en de door andere bewindvoerders overgelegde schuldenlijsten bij aanvraag van de schuldregeling. Tussen deze lijsten was een gemiddelde afwijking te zien van 22%.

Naar aanleiding van de controle van de rekening en verantwoording over 2020 is in dossier BM [nummer 40] gebleken dat er loonbeslag was gelegd op het inkomen van rechthebbende. Bij brief van 1 november 2021 is verzocht aan BAD om te laten weten door welke partij loonbeslag was gelegd. Bij brief van 21 december 2021 heeft BAD laten weten welke partij loonbeslag heeft gelegd en stelt dat het loonbeslag is opgeheven per 1 januari 2021, omdat de schuld volledig is voldaan. In de schuldenlijst bedraagt de betreffende schuld echter € 1.871,25 per 31 december 2020, maar deze schuld had kennelijk € 0,- moeten bedragen. Opgemerkt dient te worden dat de schuldenlast volgens de rekening en verantwoording in totaal € 11.611,42 bedraagt per 31 december 2020. De kantonrechter begrijpt niet, mede indachtig dat BAD heeft verklaard dat de schuldenlijst niet wordt bijgewerkt bij een gemiddelde schuldenlast van € 40.000, dat BAD in dit dossier de schuldenlijst niet op correcte wijze heeft bijgehouden.


Dit geldt ook voor dossier BM [nummer 41] . De stand van de schulden bedroeg volgens de periodieke verantwoordingen zowel op 31 december 2019 als 31 december 2020 € 6.660,64, terwijl in 2020 in totaal € 323,- is afgelost op de schulden. Bij navraag heeft BAD bij brief van 1 december 2021 verklaard dat het begin- en eindsaldo op de schuldenlijst voor 2020 niet juist was overgenomen.

In dossier BM [nummer 42] is uit de rekening en verantwoording over 2020 gebleken dat er sprake is van een fraudevordering bij de gemeente Deventer. Omdat deze vordering niet eerder is gemeld, is hierop bij brief van 8 december 2021 toelichting gevraagd. BAD heeft gereageerd en stelt dat de fraudevordering al is ontstaan in 2011 en dat bij aanvang van het bewind verzuimd is om deze vordering op de schuldenlijst te zetten en dat dit ook in latere jaren niet is geconstateerd. De constatering in dit dossier staat haaks op de verklaring van BAD dat alle schulden secuur in kaart worden gebracht bij aanvang van het bewind en ook op de verklaring dat de schuldenlijst wordt bijgewerkt indien de schuldenlast minder dan € 40.000,- bedraagt. In dit dossier bedroeg de schuldenlast immers ongeveer € 18.000,-.

7.5

De tijdelijke bewindvoerders hebben opgemerkt dat de schuldenlijsten die onderdeel uitmaken van de rekening en verantwoording verouderd zijn. Illustratief zijn de dossiers
BM [nummer 13] en BM [nummer 14] . De tijdelijke bewindvoerder heeft opgemerkt dat de schuldenlijsten over 2017 en 2018 niet correct zijn. Zo zijn schulden uit 2018 opgenomen in de schuldenlijst over 2017 en zijn schulden uit 2019 opgenomen in de schuldenlijst over 2018. Hierdoor kan niet worden opgemaakt welke schulden daadwerkelijk in het verantwoorde jaar van toepassing waren en welke na dat jaar zijn ontstaan.

7.6

De kantonrechter overweegt als volgt. Het toezicht is onderworpen aan de eisen die aan een behoorlijk en zorgvuldig toezicht in het kader van het bewind mogen worden gesteld. Het toezicht is bedoeld om erop toe te zien dat een bewindvoerder in algemene zin uitvoering geeft aan zijn taak. De voornaamste taak van een bewindvoerder in een schuldenbewind is het stabiliseren van de financiële situatie en het voorkomen van vergroting van de schuldenlast. De schuldenlijst die onderdeel uitmaakt van de rekening en verantwoording biedt daarvoor houvast. Indien de schuldenlijst in grote mate afwijkt van de werkelijkheid en geen getrouw beeld geeft van de situatie op dat moment, kan de kantonrechter zijn toezichthoudende taak niet goed uitvoeren. Daarnaast geeft de rekening en verantwoording op dat moment onvoldoende inzicht over de financiële situatie aan de rechthebbende. Van een bewindvoerder mag in ieder geval worden verwacht dat de schuldenlijst zo goed als mogelijk wordt bijgehouden en bijgewerkt. Een afwijking in de schuldenlijst met de daadwerkelijke schuldsituatie kan voor komen, vooral als een schuld wordt vermeerderd met rente en kosten. Dit is echter van andere orde dan dat een bewindvoerder actief aflost op een schuld en de bewindvoerder dit niet bijhoudt op de schuldenlijst, zelfs niet indien de schuld in zijn geheel is afgelost zoals uit BM [nummer 40] bleek. De aflossing blijkt immers uit de rekening en verantwoording en valt vervolgens niet te rijmen met de schuldenlijst. Hierdoor rijzen vragen bij de controle van de rekening en verantwoording, waaronder de vraag welke werkzaamheden een bewindvoerder ten aanzien van de schulden heeft verricht. De vervolgvraag is dan of een bewindvoerder wel aanspraak mag maken op de hogere beloning in geval van problematische schulden indien de beloning daarvoor in rekening is gebracht.

8. Conclusie

8.1

De kantonrechter dient te beoordelen of op grond van artikel 1:448 lid 2 BW ambtshalve ontslag dient te worden verleend aan BAD wegens gewichtige redenen.

8.2

Van gewichtige redenen voor ontslag van een bewindvoerder is bijvoorbeeld sprake in het geval van het voeren van een slecht bewind en/of nalatigheid waardoor het vermogen van de rechthebbende negatief wordt geraakt, nalatigheid bij het insturen van de rekening en verantwoording of bij het informeren van de kantonrechter en het niet informeren van de rechthebbende als bedoeld in artikel 5 leden 5 juncto lid 6 van het Besluit kwaliteitseisen. De tekortkomingen dienen van voldoende gewicht te zijn, waarbij het gaat om de vraag of het totale beeld van het functioneren van BAD een gewichtige reden oplevert op basis waarvan ontslag dient te volgen in alle zaken van BAD in het arrondissement Overijssel.

8.3

De kantonrechter gaat niet lichtvaardig over tot een ontslag van een bewindvoerder in alle zaken. Uit het procesverloop blijkt dat het traject, waarvan deze beslissing de slotsom is, al vele jaren loopt. Voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter van 11 augustus 2020 om BAD niet langer te benoemen in nieuwe zaken is de kantonrechter in maart van dat jaar reeds in gesprek gegaan met BAD, nadat eind 2019 ter zitting is beslist om aan de rekeningen en verantwoordingen over het jaar 2018 goedkeuring te onthouden. Sinds deze constateringen hebben de kantonrechter en medewerkers van het bewindsbureau diverse gesprekken gevoerd met BAD en is veelvuldig gecorrespondeerd naar aanleiding van geconstateerde fouten en gebreken in de rekening en verantwoording van de jaren na 2018. De kantonrechter moet thans constateren dat gedurende deze gehele periode diverse herstelplannen en goede voornemens vanuit BAD de revue hebben gepasseerd, maar dat ook nu nog ernstige gebreken en tekortkomingen worden geconstateerd, die blijkens het meest recente herstelplan niet voor zouden moeten komen.

8.4

In de beschikking van 1 februari 2021 heeft de kantonrechter al ernstige fouten geconstateerd. In r.o. 5.1 van die beschikking heeft de kantonrechter uitgebreid stilgestaan bij het belang van vertrouwen. De kantonrechter moet er op kunnen vertrouwen dat door de bewindvoerder gedane verklaringen juist zijn en in die beschikking heeft de kantonrechter moeten constateren dat – anders dan de bewindvoerder verklaarde in de rekening en verantwoording – terugbetalingen niet waren verricht, maar pas gedaan werden nadat medewerkers van het bewindsbureau BAD hierop wezen. Na die beschikking van begin 2021 lag het op de weg van BAD om vertrouwen terug te winnen. De kantonrechter moet echter vaststellen dat dit niet is gelukt.

8.5

Ook nu is weer kenmerkend voor een groot aantal geconstateerde fouten en tekortkomingen dat BAD deze niet zelf vaststelt, maar de fouten pas constateert nadat zij door de kantonrechter en medewerkers van het bewindsbureau hierop wordt gewezen. Door deze gebrekkige werkwijze van BAD kan de kantonrechter enkel toezicht houden door zelf aan de hand van de bankafschriften de rekening en verantwoording te reconstrueren en zodoende BAD te wijzen op fouten, die moeten worden hersteld. Medewerkers van het bewindsbureau hebben deze werkwijze gehanteerd in een deel van de zaken om onderzoek te doen naar de werkwijze van BAD, maar om zijn taak als toezichthouder goed te kunnen uitoefenen zou de kantonrechter deze werkwijze in alle dossiers van BAD moeten hanteren. Daarmee zou de kantonrechter het werk van BAD volledig opnieuw moeten doen. Medewerkers van het bewindsbureau zijn uitzonderlijk veel tijd kwijt geweest aan deze vorm van toezichthouden in slechts een deel van de zaken en van de kantonrechter kan niet worden gevergd dat hij op deze wijze toezicht moet houden.

8.6

Het had op de weg van BAD gelegen om sinds het einde van 2019 aanpassingen te doen in haar werkwijze, zodat deze intensieve wijze van toezicht houden niet langer nodig zou zijn. De kantonrechter moet nu constateren dat er op geen enkel voornemen concreet resultaat is bereikt. Typerend voorbeeld hiervan is de wijze waarop BAD ernstig is tekortgeschoten en nog steeds tekortschiet bij het aanvragen, bijhouden en eventueel corrigeren van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, zoals hiervoor in r.o. 4.1 t/m 4.4 is overwogen, terwijl de kosten van bewindvoering in de meeste dossiers wel stipt aan BAD werden voldaan. Hetzelfde geldt voor de overige fouten in de bewindvoering, zoals overwogen in r.o. 6.1 t/m 6.4. Ook hiervoor geldt dat BAD onvoldoende actie heeft ondernomen om hierin verbetering te laten zien, waarbij het er op lijkt dat BAD haar hoop volledig heeft gevestigd op een nieuw softwarepakket. Daarmee miskent BAD dat ook met een ander softwarepakket accuraat en nauwkeurig moet worden gewerkt.

8.7

Dit laatste klemt temeer nu BAD fouten en tekortkomingen niet als zodanig erkent, zoals bij haar foutieve werkwijze ten aanzien van de wanbetalersregeling bij het CAK.
BAD lijkt hier te zijn overtuigd van haar gelijk, terwijl haar werkwijze evident leidt tot het oplopen van de schulden van rechthebbenden en het hoog houden van de vaste lasten. Daarnaast getuigt het niet bijhouden van schuldenlijsten, ook niet wanneer het gaat om ‘geringe’ schulden tot € 40.000,00, van een onzorgvuldige werkwijze, die niet wordt verbeterd door wijziging van softwareleverancier.

8.8

Alle geconstateerde tekortkomingen en fouten geven een beeld van zeer onzorgvuldig beheer van financiën door BAD. De belangen van rechthebbenden, die al in een zeer kwetsbare positie waren, zijn hierdoor ernstig in het gedrang gekomen. Daarbij heeft BAD ook verkeerde afwegingen en keuzes gemaakt in het kader van die belangenbehartiging waartoe zij was gehouden. Illustratief is daarin de keuze om een rechthebbende niet te begeleiden richting een dwangakkoord of WSNP, maar een minnelijke regeling met een saneringskrediet te laten doorlopen, terwijl de in die regeling betrokken fraudevordering van de gemeente Deventer, na doorlopen van de regeling (en uitkering conform die regeling aan de gemeente Deventer), nog volledig op rechthebbende wordt verhaald. Van een bewindvoerder mag worden verwacht dat hierin andere keuzes zouden zijn gemaakt of dat voor de belangen van rechthebbende zou zijn opgekomen. Hetzelfde geldt voor de kwestie waarin – om onbegrijpelijke redenen – leenbijstand van de gemeente Deventer niet wordt betrokken in de minnelijke saneringsregeling.

8.9

Alles in onderling verband en samenhang beschouwend kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat BAD het financieel beheer van de aan haar toevertrouwde vermogens onvoldoende op orde heeft. Er is niet slechts sprake van een enkele fout, maar van een veelheid aan fouten en slordigheden. Zij heeft in een groot aantal dossiers het belang van rechthebbenden tekort gedaan, waardoor het vertrouwen van de kantonrechter in BAD ernstig is geschaad. BAD verleent immers haar diensten aan een (zeer) kwetsbare doelgroep die vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat zijn zelf hun (al dan niet vermogensrechtelijke) belangen behoorlijk waar te nemen of mensen met problematische schulden. Deze doelgroep moet erop kunnen vertrouwen dat de bewindvoerder het bewind zorgvuldig en correct uitvoert en dat heeft BAD nagelaten.

8.10

De kantonrechter is van oordeel dat BAD wegens gewichtige redenen op grond van artikel 1:448 lid 2 BW in alle in Overijssel lopende dossiers moet worden ontslagen. De kantonrechter zal het ontslag verlenen met ingang van 1 mei 2022. Omdat BAD tot
1 april 2022 is geschorst in 18 dossiers en tot die termijn niet benoembaar is in nieuwe zaken zal de kantonrechter bepalen dat ook die termijn wordt verlengd tot 1 mei 2022.

8.11

Finta Beheer B.V. heeft zich bereid verklaard om tot opvolgend bewindvoerder te worden benoemd.

8.12

Het ontslag van de bewindvoerder en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder raakt de rechthebbenden rechtstreeks in hun belangen. Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW dient de kantonrechter bij de benoeming van een bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbenden te volgen, tenzij gegronde redenen zich hiertegen verzetten. De kantonrechter zal daarom rechthebbenden in de gelegenheid stellen om – indien zij dit wensen – zelf een vervangend bewindvoerder voor BAD aan te dragen en hier eventueel over te worden gehoord.
8.13 BAD zal worden vrijgesteld van de verplichting om eindrekening en -verantwoording af te leggen. Het belang van een vlotte overdracht van de dossiers naar de opvolgend bewindvoerder en curator gaat boven het belang van het afleggen van eindrekening en -verantwoording. Indien BAD er voor kiest om eindrekening en -verantwoording af te leggen dan mag BAD hier geen kosten voor in rekening brengen gelet op de reden van ontslag.

De beslissing


De kantonrechter:

  • -

    verlengt de termijn van de bij beschikking van 1 februari 2021 uitgesproken schorsing tot 1 mei 2022;

  • -

    verlengt de termijn waarbinnen BAD niet benoembaar is in nieuwe zaken tot
    1 mei 2022;

  • -

    ontslaat BAD met ingang van 1 mei 2022 in alle zaken waarin BAD bij beschikking van 1 februari 2021 is geschorst als bewindvoerder;

  • -

    ontslaat BAD met ingang van 1 mei 2022 in alle zaken die vallen onder het arrondissement van de rechtbank Overijssel waarin zij is benoemd tot bewindvoerder;

  • -

    benoemt met ingang van 1 mei 2022 Finta Beheer B.V., gevestigd te Meppel, postadres: Blankenstein 122, 7943 PE Meppel, tot opvolgend bewindvoerder, maar stelt rechthebbende in de gelegenheid om een andere bewindvoerder voor deze benoeming voor te stellen aan de kantonrechter, op de wijze zoals beschreven in het begeleidend schrijven bij deze beschikking;

  • -

    bepaalt dat BAD geen eindrekening en -verantwoording hoeft af te leggen;

- gelast BAD het papieren en digitale dossier van rechthebbende, alle elektronische en/of digitale gegevensdragers waarop zich gegevens van rechthebbende bevinden en alle inlogcodes en wachtwoorden die toegang bieden tot gegevens van rechthebbende over te dragen aan de opvolgend bewindvoerder;

- bepaalt dat de opvolgend bewindvoerder voor zijn/haar (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de rechthebbende mag brengen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Bosch, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2022, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Bieshaar, griffier.

Tegen deze beschikking kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.