Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:620

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-02-2022
Datum publicatie
03-03-2022
Zaaknummer
8944992 EL 20-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Dexia-zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 8944992 EL 20-6

vonnis van de kantonrechter van 10 februari 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 december 2020 van Dexia, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties,

  • -

    de conclusie van repliek van Dexia, tevens houdende akte (voorwaardelijke) wijziging van eis, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 januari 1998 is [gedaagde] een effectenlease-overeenkomst aangegaan met (de rechtsvoorganger van) Dexia, genaamd ‘Spaarleasen’. De overeenkomst heeft contractnummer 36005504. [gedaagde] is verder op 21 december 1998 een tweede effectenlease-overeenkomst aangegaan met (de rechtsvoorganger van) Dexia, genaamd ‘WinstVerDriedubbelaar’. De overeenkomst heeft contractnummer 74125732. In september 1999 is hij met (de rechtsvoorganger van) Dexia een derde effectenlease-overeenkomst aangegaan, genaamd ‘Korting Kado’. Deze overeenkomst heeft contractnummer 59181515.

2.2.

De overeenkomsten zijn respectievelijk geëindigd op 15 december 2010, 18 december 2001 en 29 september 2009. Daarbij is bij de overeenkomst met nummer 59181515 een restschuld ontstaan van € 1.881,88, welke door [gedaagde] is voldaan. Dexia heeft in januari 2012 een bedrag van € 1.351,36 aan [gedaagde] terugbetaald.

2.3.

De echtgenote van [gedaagde] heeft [gedaagde] , met wie zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomsten.

2.4.

Bij brief van 27 juni 2006 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote van [gedaagde] een beroep gedaan op artikel 1:89 BW gericht op vernietiging van de lease-overeenkomsten.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert (samengevat), na (voorwaardelijke) wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:

1. zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers 36005504, 59181515 en 74125732, na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
2. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd.

4.2.

[gedaagde] stelt dat er nog een vordering op Dexia resteert, omdat hij meent nog een vordering te hebben op Dexia vanwege de vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten op grond van art. 1:89 BW, dan wel vanwege de onaanvaardbaar zware financiële last die het aangaan van de overeenkomst met contractnummer 74125732 voor hem betekende. Ook is hij van mening dat Dexia nog de aan zijn kant gemaakte buitengerechtelijke kosten dient te vergoeden.

4.3.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen, dan wel de vordering slechts voorwaardelijk toewijsbaar is.

Algemeen

4.4.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder [gedaagde] .

4.5.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.6.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.7.

Verder volgt daar uit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat op de door [gedaagde] geleden schade eerst in mindering dient te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [gedaagde] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [gedaagde] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [gedaagde] een derde deel van de schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient [gedaagde] de schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hofformule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [gedaagde] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.
Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW

4.8.

Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en 9 juli 2010 (LJN BM3868) wordt de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop.

4.9.

Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten van toepassing is, zodat [gedaagde] voor het aangaan van de lease-overeenkomsten de toestemming van zijn echtgenote behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had de echtgenote van [gedaagde] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

Verjaring

4.10.

Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard.

De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer de echtgenote van [gedaagde] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten.

4.11.

Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

4.12.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. Voorts heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

4.13.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst(en) is gestuit indien uiterlijk zes maanden na 25 januari 2007, dat wil zeggen uiterlijk op 25 juli 2007, een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgegeven.

4.14.

Vastgesteld wordt dat de lease-overeenkomsten méér dan drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering zijn afgesloten. Dat betekent dat bovengenoemd arrest van de Hoge Raad niet van toepassing is indien de echtgenote van [gedaagde] op 13 maart 2000 bekend was met de lease-overeenkomsten.

4.15.

Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia allereerst aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenote er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Deze stelling is echter in haar algemeenheid onvoldoende om bekendheid van de echtgenote met de lease-overeenkomsten aan te nemen. Verwezen wordt in dit verband naar het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2009. Hetzelfde geldt voor de stellingen van Dexia ten aanzien van de hoeveelheid post betreffende de lease-overeenkomsten en andere stellingen die slechts berusten op aannamen van Dexia en niet op concrete aanknopingspunten in deze zaak.

4.16.

Dexia heeft omtrent deze lease-overeenkomsten onder meer aangevoerd dat de betalingen van de op grond van deze lease-overeenkomsten verschuldigde bedragen vermoedelijk hebben plaatsgevonden vanaf een en/of-rekening die op naam van [gedaagde] en zijn echtgenote stond. Daaruit volgt volgens Dexia dat de echtgenote van [gedaagde] op de hoogte was van deze lease-overeenkomsten met ingang van de (oudste) ontvangstdata van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld.

4.17.

Voorts heeft Dexia (onder meer) daartoe de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar blijkt dat de echtgenote eerder dan drie jaar voor

13 maart 2003 op de hoogte was van de lease-overeenkomsten:

– [gedaagde] heeft ter zake de overeenkomsten aanzienlijke termijnbetalingen (incasso’s) en vooruitbetalingen van in totaal € 3.290,62 betaald. Een dergelijk uitgavenpatroon wordt volgens Dexia binnen het gezin besproken, zodat ook de onderhavige overeenkomsten met de echtgenote zijn besproken en zij eerder dan drie jaar voor 13 maart 2003 op de hoogte was van de lease-overeenkomsten.

– De echtgenote van [gedaagde] wordt geacht de belastingaangifte te hebben gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij voor de jaren 1997 tot en met 2000 kunnen zien dat [gedaagde] de rente van de overeenkomsten heeft afgetrokken. In de belastingaangifte werden doorgaans ook de dividenduitkeringen en de leningen zelf opgenomen. Daarom moet de echtgenote van [gedaagde] wel hebben geweten van de effectenlease-overeenkomst.

4.18.

[gedaagde] heeft nagelaten de stellingen van Dexia gemotiveerd te weerleggen, hoewel hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Om die reden zal van de juistheid van deze stellingen worden uitgegaan. Dat brengt mee dat dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. [gedaagde] heeft derhalve op grond van artikel 1:89 BW niets aan Dexia te vorderen.


Onaanvaardbaar zware financiële last?

4.19.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, het Hofmodel, luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y).

De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van de belegger. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W

staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning

voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De

factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B

staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en

aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.

4.20.

[gedaagde] stelt dat de overeenkomst met nummer 74125732 een onaanvaardbaar zware financiële last vormde en dat Dexia nog niet (volledig) heeft voldaan aan haar verplichting om twee derde van de inleg te vergoeden. Dexia betwist dit. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil welk bedrag aan woonlasten in de berekening moet worden betrokken

(factor W) en de vraag of [gedaagde] een bedrag aan € 98,50 aan premies voor lijfrentepolissen in de berekening kan meenemen als factor D, bijzondere lasten.


Factor W

4.21.

Volgens de door [gedaagde] opgestelde berekening bedroegen zijn woonlasten in 1998 € 253,55 per maand. Daarbij is aangegeven dat de Nibud woonlastennorm € 150,00 per maand bedraagt en dat de netto woonlasten derhalve € 103,55 hoger dan die norm uitvallen, zodat de W-factor 103,55 is. [gedaagde] is bij de berekening van deze gegevens ten onrechte uit gegaan van het stipinkomen. Zoals Dexia terecht stelt dient bij de bepaling van de woonlasten te worden uitgegaan van het bruto jaarinkomen, zodat die woonlasten op
€ 191,85 berekend moeten worden. De W-factor is dan € 88,30.

Factor D

4.22.

[gedaagde] brengt een bedrag van € 98,50 aan lijfrentepolissen in de berekening aan, onder ‘D. bijzondere lasten’. Dexia stelt dat dit onterecht is. Volgens haar zijn geen specifieke omstandigheden gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat de bedragen aan premies lijfrenteverzekering meegenomen dienen te worden in de berekening, te meer nu die in beginsel enkel worden meegenomen indien deze verplicht zijn afgesloten ter verkrijging van een hypotheek. Zij stelt voorts ten aanzien van de premies lijfrenteverzekering dat sprake is van vermogensopbouw die niet onder het Hofmodel meegenomen dient te worden. [gedaagde] heeft volgens haar nagelaten te bewijzen dat de lijfrenteverzekering is afgesloten ten behoeve van een hypotheek. Ten aanzien van de premies levensverzekering geeft Dexia aan dat zij kennelijk wel gekoppeld zijn aan een hypotheek, waardoor een maandelijkse premie van € 34,22 meegenomen dient te worden, zij het onder factor C. Dexia wordt gevolgd in haar stellingen. Niet is gebleken dat de premies lijnrenteverzekering verbonden zijn aan een woninghypotheek en derhalve noodzakelijke verplichtingen vormden voor [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de leaseovereenkomst. Dat deel van het door [gedaagde] opgevoerde bedrag zal derhalve niet meegenomen worden in de Hofmodel.

Conclusie betreffende het bestaan van een onaanvaardbaar zware financiële last
4.23. Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat bij het aangaan van de overeenkomst met nummer 74125732 geen sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de schade wegens termijnen geheel voor rekening van [gedaagde] blijft.

Buitengerechtelijke kosten

4.24.

Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten is in de stellingen geen aanleiding te vinden om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is.

Conclusie betreffende de verklaring voor recht

4.25.

De kantonrechter gaat voor het overige uit van de door Dexia overgelegde financiële gegevens nu deze niet door [gedaagde] zijn weersproken.

4.26.

Uit het voorgaande volgt dat, voor zover op Dexia een verplichting tot het betalen van een schadevergoeding aan [gedaagde] berustte, zij in 2012 reeds aan die verplichting heeft voldaan. De conclusie is dan ook, dat op deze gronden geen vordering van [gedaagde] op Dexia bestaat en dat de vorderingen van Dexia toewijsbaar zijn als hierna bepaald. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met contractnummers 36005504, 59181515 en 74125732 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van Dexia tot en met heden worden vastgesteld op:

- voor verschuldigd griffierecht € 83,00

- voor het exploot van dagvaarding € 102,96

- voor salaris van gemachtigde € 500,00

in totaal € 685,96;

5.3.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijs het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.