Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:55

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2022
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
9507131 \ EJ VERZ 21-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geschil over twee honden. Verzoeker wil dat de kantonrechter bepaalt dat de honden van hem zijn en dat hij ze regelmatig bij zich mag hebben. Verweerster verzet zich daartegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 9507131 \ EJ VERZ 21-395

Beschikking van de kantonrechter van 11 januari 2022

in de zaak van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, verder te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: V.E. Hoogduijn

tegen

[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, verder te noemen [verweerster] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 25 oktober 2021 een verzoekschrift ingediend. [verweerster] heeft daar met een verweerschrift op gereageerd. De kantonrechter heeft daarna een mondelinge behandeling gepland. Vervolgens heeft [verzoeker] zijn verzoek nog veranderd en hebben beide partijen nog stukken ingestuurd.

Op 10 december 2021 is de zaak mondeling behandeld. Beide partijen waren daarbij aanwezig.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er besproken is.

1.2.

Vervolgens is de uitspraak bepaald op vandaag.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

De zaak in het kort

2.1.

Partijen hebben een geschil over [hond 1] en [hond 2] . [verzoeker] wil dat de rechter bepaalt dat de honden van hem zijn en dat hij ze regelmatig bij zich mag hebben. [verweerster] verzet zich daartegen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoeker] af. Die beslissing wordt in deze beschikking genomen en toegelicht.

Wat is er aan de hand

2.2.

Partijen hebben ongeveer vijf jaar met elkaar samengewoond en in die periode zijn de honden aangeschaft. Toen partijen in 2019 uit elkaar gingen heeft [verweerster] ze meegenomen. Sindsdien wonen de honden bij [verweerster] . [verzoeker] had ze een tijdlang elke drie weken een weekend en ook een deel van de vakanties bij zich, maar sinds mei 2021 houdt [verweerster] dat tegen.

De standpunten

2.3.

[verzoeker] vindt dat hij eigenaar van de honden is, omdat hij ze heeft gekocht. Hij wil dat de kantonrechter dit vaststelt. Partijen hebben volgens hem een beheersregeling (art. 3:168 BW) afgesproken, die [verweerster] niet mocht stopzetten. Hij wil dat de kantonrechter [verweerster] veroordeelt om die regeling weer uit te voeren, en hij wil dat ze dwangsommen moet betalen als ze dat weigert.

2.4.

[verweerster] vindt dat de honden juist van haar zijn. Ze zijn volgens [verweerster] indertijd speciaal voor haar aangeschaft en zij heeft ze ook altijd het meest verzorgd. [verweerster] is met de bezoekregeling gestopt omdat die voor haar emotioneel te belastend was. Door de voorgeschiedenis met [verzoeker] en zijn dominante gedrag staan de contacten in de weg aan haar psychologische herstel. Sowieso zijn de honden beter af als ze ongestoord bij haar kunnen blijven, aldus [verweerster] .

Het oordeel van de kantonrechter

2.5.

Wie samen met een ander eigenaar van iets is, kan de kantonrechter met een verzoekschrift vragen om het genot, het gebruik en het beheer daarvan te regelen. Dat staat in art. 3:168 BW en dat is ook het verzoek dat [verzoeker] aanvankelijk had ingediend.

2.6.

[verzoeker] wil nu in de eerste plaats dat de kantonrechter bepaalt dat de honden zijn eigendom zijn. Dat zal de kantonrechter niet doen. Allereerst is het niet zo logisch dat hij wel de eigendom van de honden wil hebben, maar niet voor ze wil zorgen: dat laatste zou [verweerster] dan het grootste deel van de tijd moeten blijven doen. Verder kan de kantonrechter in een verzoekschriftprocedure niet voor recht verklaren dat de honden van [verzoeker] zijn. Daar is de dagvaardingsprocedure voor. Maar omdat het ook voor de beheersregeling die [verzoeker] (subsidiair) vraagt belangrijk is om te weten wie eigenaar van de honden is gaat de kantonrechter hierna eerst op die vraag in.

2.7.

Om te beoordelen wie eigenaar van de honden is, is het in de eerste plaats belangrijk wie ze heeft gekocht. [verzoeker] zegt dat hij ze heeft betaald. Of dat klopt wordt niet helemaal duidelijk, maar die betaling kan ook voor partijen samen of zelfs voor [verweerster] bedoeld zijn geweest. Wat wel duidelijk is, is dat partijen samen een huishouding hadden waarbij ze hun inkomens en uitgaven met elkaar deelden. De honden behoorden tot dat huishouden. Het is duidelijk dat ze allebei gek op de honden waren en [hond 1] en [hond 2] als hun gezamenlijke huisgenoten beschouwden. Op wiens naam het hondenpaspoort stond is dan niet zo belangrijk. Het kan ook best zijn dat [verzoeker] een groter deel van de kosten betaalde, maar daar staat dan weer tegenover dat [verweerster] de honden opvoedde, ze uitliet en alle dagen voor ze zorgde. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat partijen toen ze nog bij elkaar waren samen eigenaar van de honden waren.

2.8.

Daar is echter verandering in gekomen, toen partijen uit elkaar gingen en [verweerster] de honden meekreeg. In juridische termen zijn de honden bij de scheiding en deling van hun gezamenlijke bezittingen toen in onderling overleg aan haar toebedeeld. [verweerster] nam de honden mee en [verzoeker] vond dat prima want hij wilde ze vanwege zijn werk niet houden. Daar waren beide partijen het toen over eens. De honden wonen sindsdien bij [verweerster] en zij neemt ook de belangrijkste kosten voor haar rekening. De kantonrechter beschouwt [verweerster] daarom op dit moment als hun eigenaar.

2.9.

Het feit dat de honden na de scheiding nog regelmatig een weekend bij [verzoeker] waren, doet aan die eigendom niet af. De kantonrechter ziet dat als een tussen partijen afgesproken bezoekregeling. Ze hebben daarbij geen einddatum afgesproken. Maar ook zonder einddatum ligt zo’n duurovereenkomst niet voor altijd en eeuwig vast: zo’n regeling kan worden opgezegd en dat geldt zeker als veranderde omstandigheden maken dat je elkaar er niet langer aan kunt houden. En dat is hier volgens de kantonrechter het geval.

2.10.

De kantonrechter licht dat toe.

[verweerster] psychische gezondheid is momenteel niet goed en zij wordt daarvoor behandeld. Zij wijt een groot deel van haar klachten aan [verzoeker] en dat is een verwijt dat [verzoeker] krenkt: hij vindt het oneerlijk dat hij als een boeman wordt weggezet. De kantonrechter heeft er wel begrip voor dat partijen dit onder haar aandacht wilden brengen maar wie hier de boosdoener is maakt eigenlijk niet zoveel uit. Feit is dat de bezoekregeling tot onderling geruzie en grote spanningen leidt en dat het niet gelukt is om dat op te lossen. Het feit dat partijen nu voor de rechter zitten om over twee teckels te debatteren vormt daar het beste bewijs voor.

2.11.

Daarnaast is het belangrijk dat mensen na een scheiding weer hun eigen weg kunnen gaan en een leven zonder de ander moeten kunnen opbouwen. Dat geldt nog sterker als ze, zoals hier, al een tijd uit elkaar zijn en samen geen kinderen hebben. [verweerster] heeft voldoende aangetoond dat ieder contact met [verzoeker] haar daar nu ernstig in belemmert. [verzoeker] heeft nog aangeboden om het halen en brengen van de honden door iemand anders te laten doen, maar dat lost het probleem in dit geval onvoldoende op. Omdat het hier om levende dieren gaat is het uitbannen van contact niet goed denkbaar. In het verleden is gebleken dat de verzorging van de honden (bijvoorbeeld na dierenartsbezoek) vaak afstemming vergt en daartoe zijn partijen niet meer in staat. Zodoende zal de bron van conflict nog jaren in stand blijven.

2.12.

Hoewel het voor de kantonrechter overduidelijk is dat [verzoeker] veel van de honden houdt en een sterke band met hen voelt, weegt dat niet tegen het voorgaande op. Dat het voor het welbevinden van de honden noodzakelijk is om [verzoeker] te blijven zien is niet gebleken.

De slotsom

2.13.

De conclusie is dat [verzoeker] geen eigendomsrechten kan doen gelden en dat [verweerster] niet gedwongen kan worden om de bezoekregeling voort te zetten. De verzoeken van [verzoeker] zijn daarom niet toewijsbaar.Voor de zekerheid merkt de kantonrechter op dat [verzoeker] vanaf het stopzetten van de bezoekregeling ook niets meer voor de honden hoeft te betalen.

Proceskosten

2.14.

Omdat partijen voormalige levenspartners zijn en deze zaak met de afwikkeling van die relatie te maken heeft, moeten zij ieder hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

3.1.

wijst het verzoek af;

3.2.

compenseert de kosten zodanig dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2022. (mjd)