Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:384

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-02-2022
Datum publicatie
22-02-2022
Zaaknummer
9238616 \ CV EXPL 21-2101
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen -samengevat- dat de kantonrechter Stork zal verbieden de lonen eenzijdig te verlagen.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0246
JAR 2022/76 met annotatie van Harlaar, E.
RAR 2022/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 9238616 \ CV EXPL 21-2101

Vonnis van 8 februari 2022

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3] ,

wonende te [woonplaats] .

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [eiser sub 8],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen [eiser] c.s. ,

gemachtigde: mr. M.T.A. Lamers,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STORK PLASTICS MACHINERY B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo,

gedaagde partij in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen Stork,

gemachtigde: mr. S. Scheltinga (of verschenen in persoon).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord in conventie en eis in voorwaardelijke reconventie,

- de conclusie van repliek in conventie en antwoord in voorwaardelijke reconventie,

- de conclusie van dupliek in conventie en repliek in voorwaardelijke reconventie,

- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

Stork is sinds 1968 een Nederlandse producent van spuitgietmachines. Zij levert, kort gezegd, spuitgietmachines en bijbehorende service aan de kunststofverwerkende industrie in en buiten Nederland.

2.2.

Sinds oktober 2013 handelt Stork onder de namen Stork Injection Moulding Machinery, Stork IMM en Stork Plastics Machinery B.V.

2.3.

Stork heeft een dochteronderneming, Stork Kunststoffmaschinen GmbH, in Duitsland. Daarnaast heeft Stork diverse servicepunten gevestigd in Frankrijk, Polen en het Verenigd Koninkrijk. In totaal werken er per 1 juni 2021 117 werknemers bij Stork (108 FTE) waarvan 7,4 FTE (12 werknemers) op basis van een inleen-of oproepovereenkomst.

2.4.

Tot aan eind juni 2020 waren [A] N.V. (75%) en [B] N.V. (25%) aandeelhouders van Stork. De aandelen zijn met een aandelenruil overgedragen aan [B] .

2.5.

[B] heeft in de zomer van 2020 vijf miljoen en in het najaar van 2020 anderhalf miljoen bijgestort.

2.6.

In juli 2021 heeft [C] B.V. 100% van de aandelen van Stork overgenomen. [B] heeft bij overname van de aandelen een deel van de leningen die zij aan Stork heeft verstrekt, kwijtgescholden.

2.7.

Alle eisers zijn in dienst bij Stork op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De heer [eiser sub 1] (52) is op 1 september 2018 in dienst gekomen;

de heer [eiser sub 2] (63) op 11 oktober 1999;

de heer [eiser sub 3] (62) op 1 december 2019;

de heer [eiser sub 4] (63) op 1 juni 1980;

de heer [eiser sub 5] (62) op 5 maart 1985;

de heer [eiser sub 6] (65) op 2 juni 1980;

de heer [eiser sub 7] (59) op 17 juli 2000 en

de heer [eiser sub 8] (63) op 12 augustus 1985.

De leeftijd is hierbij berekend tot juni 2021.

2.8.

Op de arbeidsovereenkomsten is van toepassing de Collectieve Arbeidsovereenkomst Metalektro, hierna cao genoemd.

2.9.

In 2019 heeft Stork zich genoodzaakt gezien om de organisatie te herstructureren en anders in te richten. Zij heeft een aantal kostenbesparende maatregelen doorgevoerd met gedwongen ontslagen tot gevolg.

2.10.

Als productie 3 is het rapport Voorgenomen plan tot herstructurering Stork van maart 2019 overgelegd (hierna herstructurering I). In het rapport staat vermeld dat negatieve cijfers Stork heeft doen inzien dat zij haar organisatiestructuur en processen anders moet inrichten, nu de prognose bij ongewijzigd beleid geen stijgende lijn zal laten zien, mede door de teruglopende orderportefeuille en de hoge personeelskosten. In het rapport staat ook vermeld dat [B] , als grootaandeelhouder, als gevolg van de situatie en/of ontwikkelingen een extra financiering heeft toegezegd. De toegezegde financiering bedraagt 2,5 miljoen waarvan 1 miljoen in december 2018 is betaald aan Stork. [B] heeft aan de financiering de strikte voorwaarde verbonden dat Stork haar organisatie moet herinrichten zodat het aansluit bij de markt en tevens kostentechnisch verantwoord is. Deze financiering is voor het bestaansrecht van Stork van essentieel belang, nu de bank -als financier- enkel bereid is haar kredietfaciliteiten te continueren mits de aandeelhouder(s) in 2019 financier(t)(en). Stork heeft hierover gesprekken gehad met de bank in 2019.

2.11.

De ondernemingsraad heeft positief geadviseerd over dit voorgenomen plan tot herstructurering. Aan het plan is ook uitvoering gegeven.

2.12.

Vanwege blijvende negatieve cijfers heeft Stork zich in 2020 genoodzaakt gezien wederom kritisch te kijken naar de (personele) inrichting van haar organisatie en de daarmee gepaard gaande kosten en ziet Stork zich genoodzaakt om de organisatie wederom te herstructureren.

2.13.

Als productie 4 is het voorgenomen plan tot herstructurering Stork 2020 overgelegd (hierna herstructurering II). Hierin staat onder andere dat Stork ondanks de herstructurering in 2019 en de positieve effecten daarvan helaas door de ontwikkelingen in de markt nog altijd onder (financiële) hoge druk staat. Doordat er minder machines zijn verkocht, dan wel zullen worden verkocht, komen er minder aanbetalingen binnen. Dit heeft de cash positie van Stork in groot gevaar gebracht en dit zal ook niet verbeteren op korte termijn. Stork heeft immers nog steeds een organisatie te financieren, die gebaseerd is op de uitlevering van

70 machines conform de basis van de herstructurering in 2019. De crediteurenachterstand is ondertussen hoog opgelopen en dit leidt er onder meer toe dat verbeteringen in de supply chain niet gerealiseerd kunnen worden. Als Stork geen verdere ingrijpende kostenbesparende maatregelen neemt, dan zal dit de continuïteit van Stork nog verder in gevaar brengen met het mogelijke gevolg dat de dienstverbanden van al haar medewerkers en zelfs het voortbestaan van Stork ernstig in gevaar komt.

Onder 3.2.2 in het rapport staat vermeld dat de loonkosten veel impact hebben op het resultaat. Ze bedragen 40% van de bijgestelde omzet voor 2020. Door de voorgenomen herstructurering zal op deze kostenpost moeten worden bezuinigd zodat dit percentage rond de 30% zal komen te liggen. De verhouding toegevoegde waarde (omzet minus inkoop) versus personeelskosten is niet in balans.

2.14.

De ondernemingsraad heeft positief geadviseerd over het voorgenomen plan tot herstructurering van 2020. Aan dit plan is ook uitvoering gegeven.

2.15.

De herstructurering II is ingezet in de eerste maanden van 2020. De besluiten zijn toentertijd gebaseerd op de eerste cijfers over 2020.

2.16.

De personele bezetting is gereduceerd met circa 30 fte’s. Ten gevolge van deze reductie dalen de personele kosten structureel met circa 2.2M (Memorandum Continuïteitsbeoordeling d.d. 30 -11-2020, productie 16).

2.17.

Vanwege rode cijfers is Stork jarenlang afhankelijk geweest van bij financieringen van de aandeelhouders om de continuïteit van de organisatie te waarborgen. In 2019 heeft er een additionele financiering plaatsgevonden van € 5 miljoen in de vorm van storting eigen vermogen en het verstrekken van een achtergestelde lening door de aandeelhouders. Ook in de zomer van 2020 heeft [B] een faciliteit verstrekt van € 5 miljoen.

2.18.

Gezien de financiële situatie van Stork heeft de bank halverwege 2020 geen werkkapitaalfinanciering meer aan Stork willen verstrekken (productie 5, e-mail d.d. 6 juli 2020) en zijn de lopende kredieten beëindigd (productie 23).

2.19.

In september 2020 hebben alle medewerkers een brief ontvangen. Hierin staat, voor zover van belang (productie 2):

“(…) In deze brief wil de directie van Stork (…) je op de hoogte brengen van haar voornemen tot het aanpassen van het salarishuis per 1-11-2020 en de financiële gevolgen daarvan.

Noodzaak

Zoals inmiddels bekend verkeert Stork al enige tijd in financieel zwaar weer en heeft zij al de nodige verstrekkende maatregelen moeten treffen om het tij te keren. Zo is het budget bijgesteld naar 35 gemiddelde machines op jaarbasis en is het personeelsbestand daarop weer aangepast mede aan de hand van een tweetal reorganisaties (in 2019 en 2020). Daarnaast zijn er diverse kostenbesparende maatregelen doorgevoerd, zoals de verhuizing van R&O en ook is Stork in overleg getreden met de leveranciers om een kostenbesparing te kunnen realiseren. Stork heeft echter moeten constateren dat dit alles niet voldoende is gebleken en dat zij zich genoodzaakt ziet tot het treffen van extra maatregelen om in ieder geval weer financieel gezond te worden (en te blijven). Hierbij dient opgemerkt te worden dat [B] , als aandeelhouder, al meerdere malen heeft bij gefinancierd, te weten een totaalbedrag van 8.5 miljoen euro in de afgelopen drie jaren. Deze financiering zal na overname door [D] door [B] met 2.5 miljoen euro worden uitgebreid tot 11 miljoen euro. De salarisaanpassing is een absolute voorwaarde van [D] voor overname en wordt ondersteund door [B] .

Voorgenomen aanpassing

De salariskosten bij Stork zijn aanzienlijk. Op dit moment kan Stork het zich niet veroorloven om nog een reorganisatie door te voeren om de personeelskosten verder omlaag te brengen. Stork heeft immers wel een bepaald werknemersaantal nodig om een bepaalde omzet te kunnen genereren. Stork ziet zich om die reden genoodzaakt om het salarishuis aan te passen. Indien een dergelijke maatregel niet wordt doorgevoerd zal dit naar het oordeel van Stork aanzienlijke gevolgen hebben voor het bestaansrecht van Stork, oftewel dan is er geen bestaansrecht.

In het verlengde heeft Stork het salarishuis kritisch bekeken en heeft zij het volgende moeten constateren:

1. de salarissen liggen gemiddeld 12 % boven de cao salaristabel;

2. Stork heeft ongeveer 1800 uren aan seniorendagen te financieren, met een waarde van ongeveer EUR 42.000,- per jaar en een opzetverlies van tenminste EUR 100.000,-.

3. De salariskosten maken 40% uit van de totale kosten;

Na een grondige analyses van de salarisindeling ten opzichte van het functiewaarderingssysteem, de cao salaristabellen en de markt, wenst Stork de volgende salariswijziging door te voeren. (…)

Stork is aldus voornemens om het salaris te verlagen. Er is ruimte om binnen de vastgestelde opties zoveel mogelijk bij de persoonlijke situatie van medewerkers aan te sluiten. (…)

Naast de bovengenoemde aanpassingen is Stork ook voornemens om een urenbankregeling te implementeren en de seniorenregeling aan te passen. (…)

Stork is van mening dat de financiële situatie juist verlangt dat de directie van Stork ingrijpt en verdergaande maatregelen doorvoert. Stork is zich bewust van dit grote loonoffer die zij van haar werknemers verlangt. Ter compensatie hiervan is Stork bereid om een winstregeling door te voeren. Dit houdt concreet in: 10% van de winst wordt verdeeld onder het personeel. Echter, voor de eerste twee jaren zal dit 20% betreffen. In 2021 wordt, met inachtneming van de salarisaanpassing een resultaat verwacht, op basis van de kennis van nu, van EUR 70.000,-. (…)

De OR is betrokken en gevraagd om deze maatregel te ondersteunen en zij heeft zich van de noodzaak van deze maatregel overtuigd. (…)

Extra maatregelen

Naast de aanpassing van het salarishuis is Stork voornemens om een aantal regelingen aan te passen.

  • -

    Aanpassing van de seniorendagen en de VEP, dit zijn individuele arbeidsvoorwaarden en zal Stork met de betreffende groep bespreken.

  • -

    Implementatie van een urenbankregeling, dit is een regeling waarbij zowel de vakbonden als OR betrokken worden. Dit traject wordt het einde van september opgestart. Dit betreft een collectieve regeling en hierover zal Stork jullie later informeren. (…)”

2.20.

Begin november ontvangen de medewerkers een nieuw, op onderdelen aangepast, voornemen (productie 3). De ingangsdatum is verschoven naar 1 december 2020.

2.21.

Eind november 2020 heeft Stork het definitieve plan gepresenteerd: per 1 januari 2021 worden de salarissen structureel verlaagd met het percentage uitgaande van inlevering van 11 ADV dagen. Daarnaast wordt er een verlaging toegepast ter hoogte van de in de cao verplichte verhoging van het loon bij verlaging van het aantal roostervrije uren (productie 4).

10,99% van de medewerkers hebben zich tegen het voorstel verzet.

2.22.

[eiser] c.s. komt in deze procedure op tegen de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden door Stork. In de onderhavige arbeidsovereenkomsten is geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

3 Het geschil

3.1.

De vordering in conventie

[eiser] c.s. vordert -samengevat- dat de kantonrechter:

- Stork zal verbieden de lonen van [eiser] c.s. eenzijdig te verlagen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

- Stork zal veroordelen tot betaling van het reeds ingehouden salaris vanaf 1 januari 2021, verhoogd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente, onder verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie;

- Stork zal gelasten de gedwongen inlevering van 88 ADV uren over 2021 ongedaan te maken en weer bij te schrijven op het verlofoverzicht;

- Stork zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

De vordering in voorwaardelijke reconventie

Stork vordert in voorwaardelijke reconventie dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [eiser] c.s. geen aanspraak kan maken op de winstafhankelijke uitkering vanaf 2021, tenzij hij alsnog berust in doorgevoerde collectieve loonmatiging per 1 januari 2021. Tevens vordert Stork dat de kantonrechter [eiser] c.s. zal veroordelen in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

3.3.

Partijen voeren over en weer verweer. Op het verweer en de stellingen van partijen zal hieronder nader worden ingegaan, voor zover van belang.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of Stork gerechtigd was het loon eenzijdig te verlagen. Zoals ook Stork onderschrijft is loon een primaire arbeidsvoorwaarde en staat het in de regel haar niet vrij het loon eenzijdig te verlagen. Niet in geschil is dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding geldt waarop Stork een beroep kan doen. Bij gebreke van een dergelijk beding is een werknemer in beginsel niet gehouden voorstellen van een werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden: daarover moet tussen werkgever en werknemer overeenstemming worden bereikt. Van bereikte overeenstemming is in de onderhavige situatie geen sprake.

4.2.

Stork stelt zich op het standpunt dat de doorgevoerde loonmatiging in alle redelijkheid van [eiser] c.s. gevergd kan worden. Aan de orde is daarom of het in strijd is met het goed werknemerschap om niet met het salarisvoorstel in te stemmen. Deze vraag

dient beoordeeld te worden aan de hand van de maatstaf zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847, Stoof/Mammoet). Onderzocht moet worden:

1.) of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging;

2.) zo ja, of dat voorstel in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk is;

3.) zo ja, of aanvaarding van dat voorstel in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.

4.3.

Daarbij verdient opmerking dat bij de hier te hanteren maatstaf het accent niet eenzijdig moet worden gelegd op wat van de werknemer in een dergelijke situatie mag worden verwacht. Bij de beantwoording van de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, dient immers in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever daarin als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is.

4.4.

In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, als ook de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden.

Gewijzigde omstandigheden

4.5.

Allereerst is aan de orde of er sprake is van gewijzigde omstandigheden waarin Stork als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van het onderhavige voorstel tot loonmatiging.

4.6.

Volgens Stork heeft zij in de nijpende situatie en de financiële noodzaak die zich in het najaar van 2020 voltrok, aanleiding kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging. In 2019 stond Stork al onder bijzonder beheer. In het najaar van 2020 was de situatie nog altijd zorgelijk. Vervolgens heeft de bank het vertrouwen in Stork opgezegd.

Er volgde aanvankelijk geen continuïteitsverklaring. Het was een reëel risico dat Stork, bij geen enkele actie, in staat van faillissement was komen te verkeren. Dit maakt dat er sprake was van een dusdanige gewijzigde situatie, dat moest worden ingegrepen.

4.7.

[eiser] c.s. betwist dat er sprake is van dusdanige gewijzigde omstandigheden. Erkend wordt dat de financiële positie niet rooskleurig is, maar volgens [eiser] c.s. is dat al jaren zo. In de periode waarin de loonmaatregel genomen is, was er geen sprake van een dreigend faillissement of surseance van betaling.

De oorspronkelijke reden voor loonmatiging was de eis van [D] , de mogelijk nieuwe aandeelhouder, die als absolute voorwaarde voor overname had gesteld dat de salarissen worden aangepast. Dit is komen te vervallen met het niet doorgaan van de overname door [D] . Daarnaast was er al sprake van herstel, dat heeft zich medio maart 2020 al ingezet.

De orderportefeuille voor de eerste maanden van 2021 zou al goed zijn gevuld, de planning staat al vol. [eiser] c.s. verwijst daarvoor naar haar productie 15.

4.8.

Stork verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de brief (productie 23) van de bank en de correspondentie die als productie 5 is overgelegd. Hieruit volgt volgens Stork dat in 2020 de financiering door ABN AMRO volledig is opgezegd.

[eiser] c.s. betwist dat de bank de financiering heeft opgezegd, volgens [eiser] c.s. volgt dat uit de letterlijke tekst niet. Ook betwist [eiser] c.s. dat Stork dan niet elders financiering kon krijgen.

De kantonrechter is van oordeel dat als de bank inderdaad halverwege 2020 het vertrouwen heeft opgezegd, dit een omstandigheid is waarmee in heroverweging I en heroverweging II geen rekening is gehouden.

4.9.

Uit de correspondentie die als productie 5 is overgelegd, volgt dat de bank halverwege 2020 geen werkkapitaalfinanciering meer aan Stork wilde verstrekken omdat ‘nog niet is aangetoond dat de turn-around al was gerealiseerd’. Dat er voldoende zekerheid geboden kon worden, paste niet in het beleid van ABN AMRO. [B] heeft vervolgens de financiering op zich genomen, waarbij het hypotheekrecht op het pand als zekerheid is gegeven (dat volgt uit productie 16). Dat de bank halverwege 2020 geen kredietfaciliteit meer wenste te verstrekken staat tussen partijen ook niet ter discussie, althans [eiser] c.s. voert hiertegen geen gemotiveerd verweer. Uit de overgelegde cijfers, die niet zijn weersproken, volgt dat Stork ook in 2020 nog iedere maand een groot verlies leed. Stork had dus elke maand krediet voor werkkapitaal nodig voor haar bedrijfsvoering en om aan haar verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Het niet meer verstrekken van de bank van een kredietfaciliteit staat in deze omstandigheden gelijk aan het opzeggen van het vertrouwen van de bank in Stork en het opzeggen van het krediet. Zonder kredietfaciliteit kon Stork immers niet verder. Het is [B] die hier met de overname van het krediet en de bereidheid tot het doen van (wederom) extra bijstortingen, feitelijk als reddingsboei is opgetreden.

4.10

Ter onderbouwing van de stelling dat de financiële noodzaak en de nijpende situatie voor Stork aanwezig was, verwijst Stork ook naar productie 22. Hieruit volgt dat het banksaldo ontoereikend was om leveranciers te betalen waardoor de gemiddelde betalingstermijn opliep naar meer dan 100 dagen, waarbij een termijn van 60 dagen de absolute max was. [eiser] heeft hiertegen geen, althans niet gemotiveerd verweer gevoerd.

4.11

Stork verwijst tevens naar een brief van KPMG van 12 november 2020 waarin onder andere wordt genoemd dat het een reële situatie is dat Stork niet meer zal kunnen voldoen aan haar verplichtingen (productie 21).

4.12.

Stork verwijst ook naar enkele financiële ratio’s die zij als productie 24 heeft overgelegd. Hieruit volgt dat sprake is van een structureel maandelijks verlies bij Stork.

Alle maanden in 2020 is verlies geleden. Het gemiddelde verlies bedraagt € 292.000 per maand. Het totale verlies over 2020 bedraagt € 3,5 miljoen. Tevens volgt hieruit dat vanaf mei 2020 sprake is van een negatief netto werkkapitaal en zijn de kortlopende schulden hoger dan de kortlopende activa. Deze gegevens zijn door [eiser] c.s. niet, althans niet gemotiveerd, weersproken.

4.13.

De kantonrechter is van oordeel dat Stork met dit alles voldoende heeft onderbouwd dat zij in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging. Ondanks herstructurering I en II werd in het najaar van 2020 de situatie zorgelijker. Duidelijk was dat er iets moest gebeuren nadat de bank het vertrouwen had opgezegd, de cijfers negatief bleven, de tweede aandeelhouder zich terugtrok, er aanvankelijk geen continuïteitsverklaring volgde, de uitbetalingen van de ontslagvergoedingen ten gevolge van herstructurering II nog moest plaatsvinden evenals de affinanciering van het voorwaardelijk pensioen, bij een negatief eigen vermogen en opgelopen schulden. Dat er nog andere alternatieven voor handen waren -na herstructurering I en II- is niet gebleken.

4.14.

Dat de reden voor het verlagen van de lonen enkel de eis van [D] (mogelijk overnamekandidaat) is geweest en is komen te vervallen met het niet doorgaan van de overname door [D] , zoals [eiser] c.s. stelt, volgt uit bovenstaande feiten niet. Bovendien is niet uit te sluiten dat elke andere mogelijke aandeelhouder in deze omstandigheden dezelfde voorwaarden zou hebben gesteld.

Redelijk voorstel/ of aanvaarding kan worden gevergd

4.15

Vervolgens is aan de orde of het voorstel redelijk is en of acceptatie van het voorstel in redelijkheid van [eiser] c.s. kan worden gevergd. Vanwege de samenhang van deze vragen ziet de kantonrechter aanleiding deze vragen gezamenlijk te bespreken.

4.16

Zoals onder 4.1 al is overwogen betreft het hier een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde. Werknemers zijn in beginsel niet gehouden tot het aanvaarden van een dergelijke wijziging. In de jurisprudentie zijn weinig voorbeelden te vinden waarin werknemers hiertoe wel gehouden worden geacht. Kort om, hier dient terughoudend mee om te worden gegaan. Er dienen duidelijke feiten en omstandigheden aanwezig te zijn op grond waarvan geoordeeld kan worden dat werknemers handelen in strijd met goed werknemerschap als zij niet met het voorstel instemmen. De kantonrechter is van oordeel dat die feiten en omstandigheden hier aanwezig zijn. Zij motiveert dat als volgt.

4.17.

Juist omdat het voor werknemers van groot belang is om hun salaris te behouden, loon is immers nodig om onder andere in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien, kan hier van de medewerkers medewerking aan het voorstel worden verlangd.

Zoals onder 4.13 ook is overwogen was de maatregel noodzakelijk voor de continuïteit van Stork en dus voor baanbehoud en behoud van loon. Alternatieven waren niet meer voorhanden. De banen van de medewerkers zijn hiermee behouden gebleven.

Door de maatregel heeft [B] 1,5 miljoen bijgestort, waarmee bovendien ook de pensioenrechten voor 6 van de 8 eisers zijn veiliggesteld. Bij een faillissement waren die aanspraken komen te vervallen.

4.18

De inhoud van het loonoffer (zowel de structurele als de tijdelijke) is niet dusdanig dat dit niet van de werknemers kan worden gevergd bijvoorbeeld omdat zij hiermee in de problemen komen. Dat het voor [eiser] c.s. verstrekkende gevolgen heeft, heeft [eiser] c.s. niet onderbouwd. Feiten en of omstandigheden waaruit volgt dat [eiser] c.s. door de maatregel in problemen zou verkeren, zijn niet gesteld of gebleken. Stork heeft medewerkers uitdrukkelijk verzocht zich te melden, mochten ze in problemen komen door de maatregel. Niet gebleken is dat [eiser] c.s. zich bij Stork heeft gemeld. Ook is niet weersproken, althans niet gemotiveerd, dat [eiser] c.s. elk jaar veel vrije uren opbouwt en het inleveren van 11 dagen hen aldus niet zou moeten raken.

[eiser] c.s. stelt dat de gedwongen loonsverlaging voor hem € 263,28 per maand bedraagt, maar dit is inclusief afkoop van ADV dagen en die maatregel is tijdelijk en wordt dit jaar al afgebouwd van 11 naar 7 dagen. Daarnaast is er een winstdelingsregeling als compensatieregeling, waarover hieronder meer.

4.19.

Dat de tijdelijke verlaging van ADV dagen zonder het tegelijk toekennen van de verhoging van het feitelijk salaris als in de cao voorgeschreven, niet is toegestaan, zoals [eiser] c.s. stelt, gaat de kantonrechter aan voorbij. Voor deze situatie is de bepaling in de cao niet geschreven. Juist met deze maatregel heeft Stork de netto gevolgen van de noodzakelijke loonmatiging zo laag mogelijk proberen te houden. Bovendien is de maatregel tijdelijk. Dat de meeste medewerkers elk jaar een stuwmeer aan vrije dagen opbouwen, heeft [eiser] c.s. niet weersproken. Medewerkers konden ook aanspraak maken op meer roostervrije uren, in dat geval zou er een inhouding plaatsvinden op het salaris.

4.20.

Zoals ook de ondernemingsraad heeft geconstateerd (productie 12) heeft Stork de verdeling van het salarisoffer naar redelijkheid verdeeld over de diverse inkomensgroepen. Onbetwist is dat het salarisniveau van Stork beduidend boven het cao-minimum ligt en dat met deze wijziging alle werknemers nog steeds boven het cao-minimum blijven met hun salaris. Ook heeft Stork een zorgvuldig traject doorlopen.

4.21.

Stork heeft, alvorens tot een definitief besluit te komen over de collectieve loonmatiging, alle geledingen binnen de organisatie betrokken. Zij heeft de ondernemingsraad, vakbonden en alle werknemers bij haar besluitvorming betrokken.

Alle partijen zijn in de gelegenheid geweest tot het inwinnen van advies en/of om te overleggen met zijn of haar achterban en/of het voordragen van alternatieven. Zo heeft de ondernemingsraad een onafhankelijk financieel adviseur benaderd, op basis waarvan zij heeft ingestemd met het voorgenomen besluit tot loonmatiging. Dat de ondernemingsraad zich heeft laten misleiden door Stork, zoals [eiser] c.s. stelt, is de kantonrechter niet gebleken. [eiser] c.s. onderbouwt dit niet. Ook blijkt nergens uit dat de ondernemingsraad haar standpunt heeft aangepast/gewijzigd, nadat duidelijk werd dat [D] de aandelen niet zou overnemen. Stork heeft geluisterd naar de ondernemingsraad en de beweegredenen van de vakbond. Dit heeft ertoe geleid dat de eerdere plannen zijn aangepast en de loonmatiging bijvoorbeeld pas per 1 januari 2021 is ingevoerd. Dit omdat de verwachting was dat de werknemer per die datum aanspraak kon maken op een cao-verhoging én deze loonmatiging minder vergaande gevolgen had voor de opbouw van pensioen als het besluit per 1 januari 2021 werd doorgevoerd, in plaats van eerder.

Verder geldt dat Stork haar medewerkers heeft meegedeeld dat zij te allen tijde de cao-verhogingen zal respecteren en er geen dividend en/of bonussen worden uitgekeerd.

4.22.

De FNV heeft de loonmatiging niet gesteund. De kantonrechter begrijpt dat zij geen akkoord kunnen geven op het voorstel vanwege het inleveren van ADV dagen, dat volgens FNV zo niet kan en zij geen precedent wilden scheppen in salarisaanpassingen. De slechte financiële positie werd wel onderkend. Ook FNV kon echter desgevraagd Stork geen alternatieve mogelijkheden noemen. Een groot aantal van de leden van FNV heeft wel ingestemd met de voorgestelde loonmatiging.

4.23.

Daarnaast is er een nieuwe winstdelingsregeling 2021-2022 (productie 25) op grond waarvan alle medewerkers bijdragen in de winst, welke regeling door Stork ook wel de compensatieregeling wordt genoemd. Uit de stukken en stellingen van Stork volgt dat de cijfers over 2021 goed lijken te zijn en dat Stork om die reden durft te stellen dat er een uitkering gaat volgen op basis van deze regeling. Nu in redelijkheid aanvaarding van het voorstel van [eiser] c.s. kan worden gevergd, geldt deze compensatie ook voor hen.

Dat op basis van een reeds bestaande oude winstregeling ook tot een (gelijke) uitkering aan medewerkers zou zijn gekomen, heeft [eiser] c.s. niet onderbouwd. Welk bedrag aan compensatie Stork op basis van de nieuwe winstdelingsregeling aan haar medewerkers gaat toekennen, is nog niet duidelijk.

4.24.

In het licht van al deze feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het niet onredelijk is om van werknemers een loonoffer als de onderhavige te verlangen; een deel ervan is tijdelijk, er is een compensatieregeling, voor de continuïteit van de onderneming was het noodzakelijk, medewerkers behouden hiermee hun baan en dus salaris, alternatieven zijn niet voor handen, ook de aandeelhouder heeft ingeleverd en er is een zorgvuldige procedure gevoerd.

4.25.

[eiser] c.s. verwijst nog naar de uitspraak in de V&D zaak (ECLI:RBAMS:2015:899). Met de uitspraak in de zaak van de V&D kan de onderhavige situatie niet worden vergeleken. Daarvoor zijn de feiten niet gelijk. Bij V&D waren mogelijk nog alternatieven voorhanden. En bij V&D zou er in mindere mate noodzaak hebben bestaan in reductie van huur en loonkosten indien de panden niet zouden zijn verkocht of de verkregen verkoopprijs voor een deel ten goede zou zijn gekomen aan de daarna in rekening gebrachte huurkosten. Onder die omstandigheden was het niet redelijk om van de medewerkers medewerking aan een loonoffer te verlangen.

4.26.

Uit het bovenstaande volgt dat de vorderingen van [eiser] c.s. dienen te worden afgewezen. Aan de voorwaardelijke vordering in reconventie wordt dan niet toegekomen.

[eiser] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden begroot op € 480,- aan salaris en op € 124,- (½ punt liquidatietarief met max € 124,-) aan nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van deze procedure aan de zijde van Stork begroot op € 480,-, en de nakosten op € 124,- (½ punt liquidatietarief met max € 124,-);

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2022.