Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:3

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-01-2022
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
08/073319-21 en 08/015310-20 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 34-jarige man tot een gevangenisstraf van 7 jaar en tbs met dwangverpleging. De man beroofde zijn ex-partner van het leven in haar woning in Zwolle. Hij wurgde de vrouw met een elektriciteitskabel en drukte haar mond en neus dicht. Uit het onderzoek van het Pieter Baan Centrum blijkt dat de man verminderd toerekeningsvatbaar is.

Voorbedachten rade

De rechtbank oordeelt dat de man de vrouw met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Dit blijkt onder andere uit de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. Hij verklaarde dat het zo’n dertig minuten duurde voordat de vrouw overleed. Hierdoor heeft de man tijd gehad om na te denken over de gevolgen van zijn handelen. Verder verklaarde hij dat hij op de dag van de moord van plan was om de vrouw te wurgen, dat hij de moord bewust heeft gepleegd en dat het voor hem belangrijk was de vrouw te doden.

Tbs met dwangverpleging

Uit het onderzoek van het Pieter Baan Centrum blijkt dat de man lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De man leed hier ook aan op het moment dat hij de vrouw om het leven bracht, waardoor hij verminderd toerekeningsvatbaar is. Volgens de rechtbank is het noodzakelijk om tbs met dwangverpleging op te leggen, omdat de man een gevaar voor de samenleving vormt als hij onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Naast de gevangenisstraf en tbs-maatregel moet de man de nabestaanden ruim 20.000 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/073319-21 en 08/015310-20 (tul) (P)

Datum vonnis: 4 januari 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] , Syrië,

nu verblijvende in het PPC van de P.I. Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 december 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.H. de Weert en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. H.J. Voors, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging, zoals bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 30 november 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-partner [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 15 maart 2021 te Zwolle
[slachtoffer]
opzettelijk en
al dan niet met voorbedachten rade
van het leven heeft beroofd
- door zijn hand op/over de mond en/of de neus van die [slachtoffer] te leggen
en/of te houden, althans die [slachtoffer] te smoren/verstikken, en/of
- door een kabel/snoer (strak) om de keel/hals van die [slachtoffer] te wikkelen
en/of te leggen en/of (hard) aan die/dat kabel/snoer te trekken, althans
die [slachtoffer] te wurgen met die/dat kabel/snoer.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Volgens de verdediging kan niet worden bewezen dat verdachte dit met voorbedachten rade heeft gedaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 15 maart 2021 worden twee fietsende geüniformeerde verbalisanten aangesproken door verdachte. Verdachte zegt tegen hen dat hij zijn vriendin heeft doodgemaakt. De politie gaat ter plaatse en in de woning wordt mevrouw [slachtoffer] op de grond aangetroffen. Ze heeft blauw/zwarte vingers en om haar nek is een elektriciteitskabel gewikkeld. Verdachte wordt aangehouden.

Bij de politie geeft verdachte de tolk de opdracht om hetgeen hij vertelt letterlijk te vertalen. Verdachte verklaart:

Het was moeilijk om die kabel om haar nek te doen

Op hetzelfde moment ging mijn hart snel kloppen, samen met haar hart

Ik zat op haar rug

De strijd begon tussen twee zielen

De ene ziel wil winnen van de ander ziel

Op een gegeven moment had ik het gevoel: ik kan het niet, ik kan haar niet doden”

Het heeft lang geduurd totdat ze dood ging

Zij heeft een scheet gelaten toen ze haar ziel verloor.

Daarna ging ik zelf trillen,

Ik ging daarna met de fiets.

Ik heb besloten om naar de politie te gaan.

Wat er later is gebeurd is bekend bij de politie. Dit huis is bekend bij de politie".

Even later verklaart verdachte specifiek ten aanzien van zijn handelingen dat hij met zijn hand de neus en mond van [slachtoffer] vastpakte. [slachtoffer] begon te schreeuwen, maar verdachte hield haar mond dicht. Hij sleepte [slachtoffer] naar de kamer, alwaar hij een kabel om haar nek legde. Hij trok de kabel aan toen zij op haar buik lag. Na een strijd van in totaal dertig minuten was [slachtoffer] dood, zo verklaart verdachte.

De bekennende verklaring van verdachte vindt steun in de situatie die in de woning van verdachte en het slachtoffer wordt aangetroffen. Zo zijn er verwondingen van verdachte (krassen in zijn gezicht) die zijn verklaring dat er ruzie is geweest tussen hem en [slachtoffer] ondersteunen.

Daarnaast passen ook de conclusies van het NFI over de doodsoorzaak bij de verklaring van verdachte. Het NFI concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door toesnoerend geweld op de hals (strangulatie), samendrukkend geweld op de neus en mond (smoren), of een combinatie hiervan. Van een andere doodsoorzaak is niet gebleken. Verder zijn het snoer dat zich om de hals van [slachtoffer] bevond, de nagels van [slachtoffer] en de handen van verdachte bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van DNA. Op het snoer en onder de vingernagels van [slachtoffer] is DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van verdachte. Aan de binnenzijde van beide handen van verdachte is DNA-materiaal aangetroffen dat overeenkomst met het DNA van [slachtoffer] . Er is geen enkele aanwijzing voor de betrokkenheid van een derde persoon bij de dood van [slachtoffer] .

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

Voorbedachten rade

De vraag die voor ligt is of sprake is geweest van het handelen met voorbedachten rade, zoals in de tenlastelegging is opgenomen.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.1

Uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de politie, kan volgens de rechtbank worden afgeleid dat sprake is geweest van een situatie, waarin verdachte zich enige tijd heeft (kunnen) beraden op het genomen besluit om zijn ex-partner [slachtoffer] te doden. Verdachte verklaart immers dat het lang heeft geduurd, te weten dertig minuten, voordat zij dood ging. Gedurende dat tijdsbestek heeft hij meerdere handelingen verricht, te weten het smoren door het leggen en houden van zijn hand op de neus en mond van [slachtoffer] en vervolgens de wurging met het elektriciteitssnoer. Tussen die handelingen heeft tijd gezeten voor verdachte om zich te beraden op het te nemen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verder verklaart verdachte dat hij op de dag van de moord van plan was om [slachtoffer] te wurgen. Tot slot verklaart verdachte dat hij de moord bewust heeft gepleegd en dat hij zich heel bewust is van wat hij heeft gedaan. Het was voor hem belangrijk om [slachtoffer] te doden. Voornoemde elementen uit de verklaring van verdachte maken volgens de rechtbank dat door verdachte niet is gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat sprake was van een voornemen dat verdachte al enige dagen had, waarvan hij op meerdere momenten, zelfs ten tijde van het aantrekken van het snoer om de hals van [slachtoffer] , had kunnen besluiten om dat voornemen niet daadwerkelijk uit te voeren.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft (kunnen) beraden op het besluit om zijn ex-partner [slachtoffer] te doden, zodat ook het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ wettig en overtuigend kan worden bewezen.


De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 maart 2021 te Zwolle [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd:
- door zijn hand op de mond en de neus van die [slachtoffer] te leggen
en te houden en die [slachtoffer] te smoren, en;
- door een snoer (strak) om de hals van die [slachtoffer] te wikkelen

en te leggen en (hard) aan dat snoer te trekken en die [slachtoffer] te wurgen met dat snoer.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: moord

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich onder andere op basis van de bevindingen van de deskundigen op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het aan hem ten laste gelegde feit (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen uitdrukkelijk verweer tegen de strafbaarheid van verdachte. Wel merkt de verdediging spreekwoordelijk op dat het PBC-rapport het beeld geeft van erg dun ijs, waarop geschaatst wordt. Volgens de verdediging is dat ijs misschien wel te dun om te concluderen dat ten tijde van het aan verdachte ten laste gelegde feit sprake was van een ziekelijke stoornis.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapportage) van 17 december 2021, waarin over verdachte is gerapporteerd door M.C.F. Hoes, GZ-psycholoog in opleiding, onder supervisie van F.H.A. Berkelbach van der Sprenkel, GZ-psycholoog en B. Gunnewijk, psychiater, onder supervisie van dr. F.R. Kruisdijk, psychiater.

GZ-psycholoog Hoes concludeert dat bij verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld, dat in classificerende zin als een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis wordt gesteld. Gelet op het huidige ontregelde psychiatrische toestandsbeeld wordt persoonlijkheidsproblematiek vooralsnog uitgesteld. Er is eveneens onvoldoende zicht verkregen op eventuele agressie- en impulscontroleproblematiek en de mogelijk luxerende invloed van alcohol en drugs. Dit geldt eveneens voor de seksualiteitsbeleving van verdachte. Ondanks het feit dat verdachte zowel in aanloop naar het ten laste gelegde, als tijdens zijn verblijf in het PBC, ontremd gedrag laat zien, worden onvoldoende aanwijzingen gevonden die een seksuele stoornis rechtvaardigen. Alles overziend lijkt het kinderlijk ongepaste gedrag van verdachte verklaard te kunnen worden door een onderliggende behoefte tot symbiotische versmelting – en daarmee veiligheid – met de ander.

Alhoewel er in classificerende zin geen eenduidige uitspraak over het bestaan van psychopathologie kan worden gedaan, kan er – op basis van collaterale informatie, gedragsobservaties, gespreksindrukken en verdachtes beperkte belastbaarheid tijdens onderhavig onderzoek – wel worden gesproken van een psychische stoornis en gebrekkige ontwikkeling.

Psychiater Gunnewijk concludeert eveneens dat verdachte tijdens het onderzoek een mutistisch psychotisch aandoend toestandsbeeld laat zien, met katatonie en bijbehorende stereotype bewegingen: stilstaan in een positie, grimassen en mutisme. Er zijn tevens enige aanwijzingen voor een depressieve stemming, gezien de uitlatingen van verdachte zoals “of hij nog wel recht op leven heeft”. Een mogelijkheid van een depressie met psychotische kenmerken wordt dan ook open gehouden.

In classificerende zin betekent het voorgaande dat geconcludeerd wordt dat tijdens de observatie een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische of psychotisch depressieve stoornis aanwezig was, met in dit kader een kenmerkende katatonie.

GZ-psycholoog Hoes en psychiater Gunnewijk concluderen gezamenlijk dat verdachte door de beperkte medewerking aan het onderzoek uiteindelijk weinig zicht heeft gegeven op zijn bizar aandoende belevingswereld voorafgaand aan het ten laste gelegde. De precieze mate en ernst van zijn gestoorde realiteitstoetsing of psychotische ontregeling, kon als gevolg daarvan achteraf niet nader bepaald worden. Gezien het langdurige bestaan van de hierboven beschreven psychische symptomen bij verdachte, wordt geconcludeerd dat deze problematiek ook aanwezig was ten tijde van het hem ten laste gelegde.

Alles overziend wordt geadviseerd het ten laste gelegde tenminste in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de deugdelijk onderbouwde conclusies en het advies uit de hierboven weergegeven PBC-rapportage over en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank vaststelt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daardoor kan het bewezenverklaarde hem in verminderde mate worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verder vordert de officier van justitie dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert geen strafmaatverweer.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] van het leven beroofd door haar te wurgen. Uitgerekend op de plek waar [slachtoffer] zich het meest veilig moest voelen, in haar eigen woning, heeft hij haar om het leven gebracht. Door zijn handelen heeft verdachte het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, van [slachtoffer] ontnomen. [slachtoffer] laat haar zoon die net de leeftijd van 19 jaren heeft bereikt na. Hij moet nu opgroeien zonder steun en zorg van zijn moeder. De ingrijpende gevolgen die het handelen van verdachte voor hem hebben gehad zijn onder meer gebleken uit de slachtofferverklaring, zoals die ter terechtzitting is voorgelezen.

Ondanks de bekennende verklaring van verdachte bij de politie heeft hij ter terechtzitting, in het bijzijn van de nabestaanden, enkel gezwegen. Hierdoor heeft hij de nabestaanden de mogelijkheid ontnomen om iets van de redenen voor de moord op [slachtoffer] te weten te komen. De rechtbank is van oordeel dat dit voor de nabestaanden buitengewoon pijnlijk is. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 4 november 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Verdachte is in 2020 wel veroordeeld voor belaging.

De rechtbank oordeelt dat in onderhavige zaak, gezien de aard en ernst van het gepleegde feit niet anders kan worden gereageerd, dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank in grote mate rekening met de persoon van verdachte, het feit dat het ten laste gelegde hem in verminderde mate moet worden toegerekend en de (langdurige) tbs-behandeling (zoals in hierna wordt besproken) die na het uitzitten van de gevangenisstraf nog zal volgen. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft verbleven.

Adviezen deskundigen

De rechtbank benoemde hiervoor de in de PBC-rapportage door de psychologen en psychiaters geconstateerde stoornissen bij verdachte. Zij hebben in de rapportages ook bevindingen beschreven ten aanzien van het recidivegevaar.

GZ-psycholoog Hoes en psychiater Gunnewijk concluderen dat de klinische inschatting is dat de kans op toekomstig gewelddadig gedrag in samenhang met de aanwezige psychopathologie verhoogd is. Verdachte lijkt geen inzicht te hebben in zijn eigen functioneren en zijn realiteitstoetsing staat onder druk, waardoor hij minder in staat is zijn gedrag te sturen. Niet valt uit te sluiten dat eventuele toekomstige relaties eenzelfde beloop en/of dynamiek zullen hebben zoals bij het huidige ten laste gelegde feit het geval was.

Het risicotaxatie instrument de HCR-20V3, waarmee een schatting wordt verkregen van het risico van toekomstig gewelddadig gedrag, is niet uitgevoerd omdat te veel gegevens, vooral over zijn voorgeschiedenis, ontbreken.

De SAPROF, een beoordelingsinstrument voor beschermende factoren voor gewelddadig gedrag, laat zien dat vanuit de interne items (coping vaardigheden, empathie en zelfcontrole), de motivationele factoren (dagbesteding, financiën en motivatie) en vanuit de externe factoren (netwerk, intieme relaties en contacten met hulpverlening) geen bescherming uitgaan, wat conform het klinisch oordeel is.

Met betrekking tot interventies die het recidivegevaar kunnen beperken bevelen Hoes en Gunnewijk een psychiatrische behandeling aan om het contact met de realiteit te verbeteren, waardoor verdachte weer in staat kan worden gesteld om reële doelen in het leven te leren stellen en hier meer richting aan te geven. Verdachte dient ingesteld te worden op anti-psychotische medicatie. Als het contact met verdachte verbetert, kan psychodiagnostisch onderzoek herhaald worden om meer zicht te krijgen op de etiologie van verdachtes psychische problematiek, ernst van zijn identiteitszwakte en risico's op psychotische ontregeling. Na deze diagnostische fase kan mogelijk een forensische delictanalyse worden gedaan en een daaraan gekoppelde risico-taxatie op recidive in een soortgelijk delict als het ten laste gelegde. Dit traject dient klinisch vorm gegeven te worden in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau, gelet op het risico op brandstichting en suïcidaliteit. Naar verwachting zal dit traject geruime tijd, zo niet enkele jaren, in beslag nemen. Verdachte is naar inschatting van de deskundigen gebaat bij een beschermde behandelsetting met een hoge zorgintensiteit, waarbij externe structurering kan worden aangebracht en op een geleidelijke manier toegewerkt kan worden naar een eventueel resocialisatietraject.

Geadviseerd wordt om aan betrokkene het kader van tbs met bevel tot dwangverpleging op

te leggen om bovenstaande te kunnen realiseren.

Oplegging maatregel

Op basis van de rapportage van het Pieter Baan Centrum stelt de rechtbank vast dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Gezien de ernst van de stoornis, het hoge recidivegevaar en het gevaar voor anderen, indien verdachte onbehandeld in de maatschappij terugkeert, acht de rechtbank het opleggen van de terbeschikkingstellingsmaatregel noodzakelijk, nu de veiligheid van de samenleving zulks vereist. Daarbij is de voorgestelde langdurige, intensieve en forensische (klinische) behandeling van verdachte noodzakelijk in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.

De rechtbank overweegt dat de maatregel tot terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 359, zevende lid, Wetboek van Strafvordering (Sv). De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

8 De schade van de benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Hij heeft
mr. L. Scheffer gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure tegen verdachte. Aanvankelijk werd op 16 december 2021 een schadevergoeding gevorderd van in totaal € 62.585,62 (zegge tweeënzestigduizendvijfhonderdvijfentachtig euro en tweeënzestig cent). De raadsvrouw heeft ter terechtzitting de hoogte van de vordering van de benadeelde partij naar beneden bijgesteld. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 62.347,63 (zegge tweeënzestigduizenddriehonderdenzevenenveertig euro en drieënzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- € 2.214,25 kosten vliegtickets maart en december 2021;

- € 1.000,00 kosten accommodatie Nederland maart 2021;

- € 47,76 kosten vervoer binnen Nederland maart en december 2021;

- € 1.000,00 kosten accommodatie in Nederland december 2021;

- € 10.585,62 kosten gederfd levensonderhoud.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 47.500,- gevorderd, bestaande uit € 30.000,- voor shockschade en € 17.500,- voor affectieschade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen voor zover het de posten ‘reiskosten’, ‘shockschade’ en ‘affectieschade’ betreffen. De officier van justitie vordert dit bedrag toe te wijzen vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 15 maart 2021. Ten aanzien van de posten ‘gederfd levensonderhoud’ en ‘accommodatie in Nederland’, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan reiskosten kan worden toegewezen voor zover dit ziet op [benadeelde] en niet op de reiskosten die vader heeft gemaakt. Van dit bedrag dient
€ 1.000,- te worden afgetrokken nu dit reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is vergoed. De verblijfskosten in Nederland en het gederfd levensdonderhoud zijn door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Bovendien is het gederfd levensonderhoud sterk afhankelijk van toekomstige ontwikkelingen, zodat de benadeelde partij ten aanzien van deze posten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

De verdediging stelt zich ten aanzien van de immateriële schade op het standpunt dat het gevorderde bedrag aan shockschade dient te worden afgewezen, dan wel aanzienlijk te worden gematigd. Het gevorderde bedrag aan affectieschade is conform de formele eisen en komt overeen met het bedrag uit de regeling, zodat dit kan worden toegewezen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde] , de zoon van het slachtoffer, die ten tijde van het overlijden van zijn moeder 18 jaar oud was, in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het meereizen naar Nederland door zijn vader, [naam] (tevens de ex partner van het slachtoffer). De rechtbank is daarmee van oordeel dat ook de reis- en verblijfkosten van zijn vader tot de kosten van [benadeelde] moeten worden gerekend.

De volgende opgevoerde materiële schadepost is als het gaat om de hoogte niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk:

- Reiskosten [benadeelde] en [naam] maart en december 2021 à € 2.262,01.

De rechtbank zal het gevorderde daarom tot een bedrag van € 2.262,01 toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 22 november 2021. De rechtbank is van oordeel dat het door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag à
€ 1000,- niet in mindering wordt gebracht op hetgeen de benadeelde partij in deze strafzaak vordert. Uit de mededeling van het Schadefonds Geweldsmisdrijven dat, indien de benadeelde nog geld krijgt van de dader, wordt beoordeeld of de benadeelde geld moet terugbetalen aan het Schadefonds Geweldsmisdrijven, blijkt dat de uitkering een voorlopig karakter heeft.2 Een (eventuele) uiteindelijke verrekening behoort tot het takenpakket van het CJIB.

De onder de volgende posten opgevoerde materiële schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist.

  • -

    Verblijfkosten [benadeelde] en [naam] maart 2021 à € 1.000,-;

  • -

    Gederfd levensonderhoud [benadeelde] à € 10.585,62.

De rechtbank heeft in het dossier in het proces-verbaal van bevindingen opgenomen gezien dat de heren [naam] als zij zich in verbinding stellen met de politie melden dat zij in Apeldoorn bij familie en kennissen verblijven. Ook volgt uit het dossier dat het slachtoffer aangewezen was op zeer beperkte middelen van bestaan. In dat licht had het op de weg gelegen van de benadeelde om deze kosten aannemelijk te maken en is niet voldaan aan het vereiste, zoals omschreven in artikel 6:108 sub b van het Burgerlijk Wetboek nu niet is komen vast te staan dat het slachtoffer voor haar overlijden in het levensonderhoud van [benadeelde] voorzag. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De onder de volgende post opgevoerde materiële schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist.

- Verblijfkosten [benadeelde] en [naam] december 2021 à € 1000,-.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden nu deze, zij het in beperkte mate, in elk geval aannemelijk is gemaakt dat er overnacht is in hotels. De exacte omvang staat (nog) niet vast. De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank stelt de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid vast op € 750,-. Deze schatting baseert de rechtbank op plus minus vijf hotelovernachtingen à € 150,- per nacht. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 19 december 2021 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

Shockschade

Ten aanzien van de gevorderde shockschade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 20023 en haar latere arrest van 9 oktober 20094, kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.5

De benadeelde heeft het lichaam van [slachtoffer] kort na het bewezenverklaarde gezien in het mortuarium. Het staat niet ter discussie dat sprake is van immens leed bij de benadeelde die zijn moeder door een misdrijf heeft verloren en dat de aanblik van haar levenloze lichaam vreselijk voor hem moet zijn geweest. Toch moet de rechtbank concluderen dat deze feiten niet kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, zoals vereist voor toewijzing van een vergoeding voor shockschade.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Affectieschade

De rechtbank stelt voorop dat het invoelbaar is dat het overlijden van het slachtoffer bij haar zoon veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Het vorderen van affectieschade is vanaf
1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108 BW, vierde lid, genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van naasten en nabestaanden te erkennen.

Vaststaat dat [benadeelde] , zoon van het slachtoffer, als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. Dit wordt door de verdediging niet betwist. De rechtbank waardeert de schade (conform het Besluit vergoeding affectieschade) op € 17.500,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 15 maart 2021.

Conclusie

Resumerend wijst de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe voor een bedrag van € 20.512,01, bestaande uit € 3.012,01 materiële schade en € 17.500,-immateriële schade (affectieschade). De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 137 (honderdzevenendertig) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9 De vordering tenuitvoerlegging

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft om toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging verzocht.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft om afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging verzocht.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging laat de rechtbank achterwege vanwege de aan verdachte opgelegde tbs-maatregel met dwangverpleging.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a en 37b Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: moord;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een
bedrag van € 20.512,01 (zegge twintigduizend vijfhonderdentwaalf euro en één cent),
bestaande uit € 3.012,01 (zegge drieduizendentwaalf euro en één cent) materiële schade
en € 17.500,- (zegge zeventienduizendvijfhonderd euro) immateriële schade;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van een bedrag van € 20.512,01 (zegge twintigduizendvijfhonderdentwaalf euro en één cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2021;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 20.512,01 (zegge twintigduizend vijfhonderdentwaalf euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 137 (zegge honderdzevenendertig) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde] voor een deel van € 41.835,62 (zegge eenenveertigduizend achthonderdvijfendertig euro en tweeënzestig cent)
niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08/015310-20

- wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. N.J.C. Monincx en mr. M.S. de Waard, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Jentzsch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2022.

Buiten staat:

Mr. N.J.C. Monincx is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, onderzoek Dwergstern / ON1R021022. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 15 maart 2021, voor zover inhoudende, pagina’s 34 t/m 37:

A: Ik wil dat u dit letterlijk opschrijft:

“Het was moeilijk om die kabel om haar nek te doen

Op hetzelfde moment ging mijn hart snel kloppen. Samen met haar hart

Ik zat op haar rug.

De strijd begon tussen twee zielen

De ene ziel wil winnen van de ander ziel

Op een gegeven moment had ik het gevoel: Ik kan het niet: Ik kan haar niet doden”.

Het heeft lang geduurd totdat ze dood ging

Zij heeft een scheet gelaten toen ze haar ziel verloor.

Daarna ging ik zelf trillen,

Ik ging daarna met de fiets.

Ik heb besloten om naar de politie te gaan.

Wat er later is gebeurd is bekend bij de politie. Dit huis is bekend bij de politie”.

(…)

Nadat ik slachtoffer was moest ik haar afmaken. Anders zou zij mij afmaken. Laatste tijd waren er aanwijzingen van haar dat ze aangeeft “dood mij".

(…)

Daarvoor gaf ze al sinds 2 dagen aan / aanwijzingen om moord te plegen. Onbewust. Niet direct maar onbewust.

V: Gaf [slachtoffer] dat?

A: Ja zij was aan sterven en toen zei ze tegen mij dat het verraad was. Niet werkelijkheid maar een verraad.

(…)

ik kwam thuis ik was rustig Ik ging de kamer binnen. Zij gelooft in Allah. Dit is voor mij iemand die zegt dat er is geen andere god dan Allah. Dat zegt diegene tegen een weeskind. Ik ging naar de kamer en pakte de Koran en ik riep haar. Ik ben zelf ongelovig. De ware geloof is voor mij bekend. Zij zat op de bank en ik heb haar geroepen om naar de kamer te komen. Maar ze kwam niet. Ik was van plan om haar te wurgen. Want het was of zij dood of ik dood. Daarna liep ik zelf naar de woonkamer. Normaal masseer ik haar nek. Ik stond erachter. Opeens heb ik haar neus en mond met mijn hand vastgepakt. En toen begon de strijd. Zij begon te schreeuwen maar ik hield haar mond dicht. Ik trok haar naar de kamer.

(…)

Ik zag een elektrische draad. Die pakte ik vast. Zij hield die vast. Toen heb ik een andere draad opgepakt van de oplader. Toen was er strijd totdat ik de controle kreeg over de elektrische kabel.

(…)

Ik weet het niet precies, maar langer dan tien minuten. Dat was de strijd tussen haar ziel en mijn ziel. Nadat ik zeker wist dat ze dood was. Vanaf het begin tot het eind ongeveer een half uur.

(…)

De strijd duurde totaal ongeveer 30 minuten. Het wurgen duurde ongeveer 10 minuten.

(…)

Ik begon te trekken. In het begin lag zij op haar buit. In het begin voel je dat zij trok. Later niet meer. Jullie hebben haar op de rug gevonden. Ik was aan het trekken en toen hoorde ik dat zij een scheet had gelaten. Plotseling liet ik de kabel los en draaide ik haar om. Ik zag haar tong naar buiten en haar gezicht was bleek/ blauw.

(…)

Ik heb de moord gepleegd. Gewoon bewust. Ik ben heel bewust van wat ik heb gedaan. Ik ben stapelgek door de liefde. Wat ik meemaakte, de toeval in mijn leven, het was voor mij belangrijk om haar te doden.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, pagina 66:

Ik hoorde dat de man op een rustige toon zei: Ik heb mijn vriendin dood gemaakt. (…) Ik vroeg de man waar zijn vriendin nu was. Ik hoorde dat de man zei dat zijn vriendin in zijn woning lag.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, pagina 77:

Ik zag dat zij op haar rug lag, met haar benen in de richting van de toegangsdeur van

de woonkamer naar deze slaapkamer. (…) Ik zag dat haar handen en vingers blauw

waren. Ik zag dat er naast haar lichaam een dikke witte elektriciteitskabel lag en dat deze

onder haar lichaam door lag. Tevens zag ik dat er links naast haar lichaam twee lange

blauwe oplaadkabels lagen. (…) Ik zag dat de vrouw een rood blauwe gelaatskleur had.

4. Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, pagina 97:

Ik hoorde hem zeggen: I killed her. Ik hoorde dat hij dit een twee keer herhaalde. Ik vroeg aan hem hoe het gebeurd was. Ik hoorde hem zeggen: Ik heb haar gewurgd. Ik vroeg vervolgens hoe dit dan gebeurd was. Ik hoorde hem zeggen: snoer. Ik vroeg vervolgens hoelang dit geleden was gebeurd. Ik hoorde hem zeggen: Max één uur.

5. Rapport ‘onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Zwolle op 15 maart 2021’ van 7 september 2021, opgemaakt door het NFI:

Snoer AAMV6538NL

Snoer [AAMV6538NL] is verschillende delen bemonsterd (o.a. de contrastekker van het snoer [AAMV6538NL#01] en een deel van het snoer grenzend aan de contrastekker [AAMV6538NL#02]).

Uit bemonstering [AAMV6538NL#01] is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee (of drie) personen. Een relatief grote hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] en mogelijk een andere persoon. Voor de berekening van de bewijskracht t.a.v. verdachte [verdachte] is aangenomen dat bemonstering [AAMV6538NL#01] DNA bevat van in totaal drie (niet-verwante) personen, vanwege het afgeleide DNA-hoofdprofiel is daarnaast aangenomen dat een relatief grote hoeveelheid afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] (of iemand anders met hetzelfde DNA-profiel als [slachtoffer] ).

- DNA-mengprofiel [AAMV6538NL#01] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.

Uit bemonstering [AAMV6538NL#02] is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen. Een relatief grote hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] . Voor de berekening van de bewijskracht t.a.v. verdachte [verdachte] is aangenomen dat bemonstering [AAMV6538NL#02] DNA bevat van in totaal twee (niet-verwante) personen, vanwege het afgeleide DNA-hoofdprofiel is daarnaast aangenomen dat een relatief grote hoeveelheid afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] (of iemand anders met hetzelfde DNA-profiel als [slachtoffer] ).

- DNA-mengprofiel [AAMV6538NL#02] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van verdachte [verdachte] , dan wanneer de bemonstering een relatief grote hoeveelheid DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en een relatief kleine hoeveelheid DNA bevat van een willekeurige onbekende persoon.

Nagels slachtoffer [slachtoffer]

Als onderdeel van de onderzoeksset zedendelicten zijn bemonsteringen van de nagels van slachtoffer [slachtoffer] genomen, waaronder nagelbemonsteringen van de wijsvinger links [ZAAD1399NL#10], middelvinger links [ZAAD1399NL#11], ringvinger links [ZAAD1399NL#12], duim rechts [ZAAD1399NL#14], wijsvinger rechts [ZAAD1399NL#15], middelvinger rechts [ZAAD1399NL#16] en ringvinger rechts [ZAAD1399NL#17].

Uit bemonstering [ZAAD1399NL#10] is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen. Een relatief grote hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van verdachte [verdachte] en een relatief kleine hoeveelheid DNA kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer] . Voor de berekening van de bewijskracht t.a.v. verdachte [verdachte] is aangenomen dat het afgeleide DNA-hoofdprofiel van één persoon afkomstig is. Voor dergelijke DNA-profielen is vastgesteld dat wanneer het DNA-profiel van een persoon ermee overeenkomt de bewijskracht meer dan één miljard is.

- Het afgeleide DNA-hoofdprofiel [ZAAD1399NL#10] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer de relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan [verdachte] verwante) persoon.

Uit bemonsteringen [ZAAD1399NL#11, #12, #14, #15, #16 en #17] is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen. Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] kunnen hebben bijgedragen aan het mengprofiel. Voor de volgende berekeningen t.a.v. verdachte [verdachte] is aangenomen dat elk van de bemonsteringen DNA bevatten van in totaal twee (niet-verwante) personen. Ook is aangenomen dat een deel van het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] zelf.

- DNA-mengprofielen [ZAAD1399NL#11, #12, #14, #15, #16 en #17] zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer desbetreffende bemonstering DNA bevat van verdachte [verdachte] en slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.

Handen van verdachte [verdachte] AANH3643NL#01 en AANH3645NL#01

De politie heeft de binnenzijde van de handen van verdachte [verdachte] bemonsterd als [AANH3643NL#01] (hand rechts, binnenzijde) en [AANH3645NL#01] (hand links, binnenzijde).

Uit bemonstering [AANH3643NL#01] is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen verkregen. Slachtoffer [slachtoffer] , verdachte [verdachte] en minimaal één onbekende persoon kunnen hebben bijgedragen aan dit mengprofiel. Voor de berekening van de bewijskracht t.a.v. slachtoffer [slachtoffer] is aangenomen dat bemonstering [AANH3643NL#01] DNA bevat van in totaal drie (niet-verwante) personen. Ook is aangenomen dat een deel van het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] zelf.

- DNA-mengprofiel [AANH3643NL#01] is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] , verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.

Uit bemonstering [AANH3645NL#01] is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen verkregen. Slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] kunnen hebben bijgedragen aan dit mengprofiel. Voor de berekening van de bewijskracht t.a.v. slachtoffer [slachtoffer] is aangenomen dat bemonstering [AANH3645NL#01] DNA bevat van in totaal twee (niet-verwante) personen. Ook is aangenomen dat een deel van het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] zelf.

- DNA-mengprofiel AANH3645NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] , dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en een willekeurige onbekende personen.

6. Rapport ‘pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood’ van 1 april 2021, opgemaakt door dr. D. Rijken, arts en patholoog, verbonden aan het NFI:

Het overlijden van [slachtoffer] , 53 jaren oud, wordt verklaard door toesnoerend

geweld op de hals (strangulatie), samendrukkend geweld op de neus en mond

(smoren), of een combinatie hiervan. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken.

1 ECLI:NL:HR:2012:BR2342, r.o. 2.7.3.

2 Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 26 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:156.

3 Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 (Taxibus).

4 Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2009, 387 (Vilt-arrest).

5 vgl. Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1947.