Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:270

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
01-02-2022
Zaaknummer
C/08/275657 / KG ZA 22-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Contactverbod wordt toegewezen.

De vordering van eiser om gedaagde te verbieden op geen enkele wijze uitlatingen over eiser te doen tegenover derden wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/275657 / KG ZA 22-1

Vonnis in kort geding van 26 januari 2022

in de zaak van

[eiser sub 1] ,

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die toebehoren aan

[eiser sub 2] , wonende te [woonplaats 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser sub 2] ,

gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 januari 2022 met producties 1 tot en met 4,

- het e-mailbericht van [gedaagde] van 9 januari 2022 met het verzoek om de zaak uit te stellen wegens nietigheid van de dagvaarding,

- de reactie daarop van mr. Thiescheffer van 10 januari 2022,

- het e-mailbericht van de griffie van 10 januari 2022, namens de rechter, dat er geen grond is om de dagvaarding nietig te verklaren,

- de producties 5 tot en met 9 van de zijde van [eiser sub 2] , waaronder de machtiging waarbij mr. Thiescheffer wordt gemachtigd om namens de bewindvoerder van [eiser sub 2] , de heer [eiser sub 1] , te verschijnen,

- het e-mailbericht van mr. Thiescheffer van 10 januari 2022 met productie 10,

- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 11 januari 2022 met producties 1 tot en met 13,

- de mondelinge behandeling op 12 januari 2022 via Teams, waarbij [eiser sub 2] is verschenen, bijgestaan door mr. Thiescheffer. Ook [gedaagde] is verschenen. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] en [eiser sub 2] hebben elkaar in augustus 2021 ontmoet. In de daarop volgende maanden hebben partijen meerdere malen contact met elkaar gehad.

2.2.

Op 18 november 2021 heeft [eiser sub 2] aangifte tegen [gedaagde] gedaan van smaad, bedreiging en stalking. De politie heeft aan [eiser sub 2] kenbaar gemaakt dat geen sprake is van strafrechtelijk handelen van [gedaagde] en dat er geen stappen worden ondernomen tegen [gedaagde] .

2.3.

[gedaagde] heeft [eiser sub 2] via WhatsApp en sms meerdere berichten gestuurd. Voor zover van belang gaat het om onder meer de volgende teksten:

whatsapp:
“(…)
We will hunt you if needed
(…)”
“(…)
Ik breek je met 1 arm”

“(…)
OH MY FUCKING GOD JIJ BENT ECHT ZIEK
(…)”
“(…)
Jij bent nu zwaar en zwaar de lul [eiser sub 2]
Ik beloof jou
Beter pleeg zelfmoord
Is beter dan wat je gaat meemaken nu met mij
Ik zweer jou ik ga tot de laatste druppel
(…)”

sms:

“(…)Een confrontatie, zeg je, kom maar op [eiser sub 2] . Zielig ventje en de mensen om je heen nog triester [beroep eiser 2] , ik lach je uit met je grote mond maar nu ben je niets meer, dief (…)”
“Als ik dit alles toen wist had ik jou allang van je eigen balkon gegooid toen je een grote mond had onterecht en dat weet jij dondersgoed. Ik zie je nog wel.”

“(…) En jij bent een zieke gestoorde narcist. Ik ben nog niet klaar!
“Beter wis je alles, al je dossiers, sloop al je hardware, of ik laat de FIOD serieus bij je komen, ik ben jou nu spuugzat vuile oplichter. (…)”

“Blok me. Maar jij en ik vechten dit uit tot er 1 van ons nog leeft. (…)”

“(…) Je bent heel erg ziek en je lost het op. Nogmaals je zoon gaat hier ook onder lijden, je naam, zijn naam, ben je echt zo dom? Jij kapt hier nu mee.”

“(…) Jij hebt geen recht op een kind. Vuurwapen in je huis.”

“(…) of ik sleep jou voor de rechter en meld je bij toezichthouders. (…)”
“Waar ben je nou? Durfte je niet te komen?
Hahahhahaha mn boys zoeken je pik”
“(…) Blijf over je schouder kijken, heb mensen overal. Ik doe niks, zij? Weet ik niet.”

2.4.

[gedaagde] heeft bekenden van [eiser sub 2] berichten gestuurd via sociale media, met onder andere de volgende inhoud:


Aan [X] :
“Kom jullie allemaal nog een keer tegen na de coronacrisis, beloof ik. (…)
(…) en we allemaal zullen jagen op [eiser sub 2] , door heel NL
(…)
of moet ik toch die leuke fotos even ergens posten (…)
Doen? Vraag maar ff, heb geweldige fotos van [eiser sub 2] (…)
Straks hangt heel [woonplaats 1] nog vol met [eiser sub 2] , dat zou wat zijn he (…)”
“Wil je echt dat ik voor je deur sta [X]
(…) Of voor school?
Ik gedraag me nog [X] (…)”
“ [X] , grijp in want ik verzeker je, loopt fout af”

Aan [Y]
“Je vind het normaal dat hij [Z] en [W] al die tijd heeft uitgebuit? Je vind het normaal dat hij ze bedreigt en hun ouders belt? Je vind het normaal dat hij ze oplicht voor 1200 euro? Je vind het ook normaal dat hij een donatie aan haïti van 500 euro in eigen zak steekt en ingezamelde spullen zelf gebruikt? (…) Je vind het normaal dat hij zijn exen bedreigt, stalkt, hun ouders bedreigt en met iedereen problemen zoekt? (…)”
“(…) Ten tweede maak ik mij in deze zorgen over de veiligheid van jullie beiden en is de eerste instantie waar ik denk, jeugdzorg. Ik denk niet dat je dit wilt, vandaar dat ik eerst mijn zorg uit bij jou. (…)”
“Nee, ik heb wel een keer een pistool gevonden (…)”
“Meneer [eiser sub 2] heeft zich de afgelopen tijd behoorlijk misdragen en een hele hoop schade aangericht bij mensen, zowel financieel als persoonlijk en het is nu tijd dat dit stopt. In deze is het belangrijk dat [eiser sub 2] niet meer daar thuis komt aan [adres], ik heb uit getuigenverklaringen vernomen dat er een vuurwarpen ligt. (…)”
“Prima, ik denk dat ik het op ga pakken met jeugdzorg. Deze man is zeer labiel en gestoord. (…)”

Aan [U] :
“(…)
Als jij hun blijft helpen
Tsja dan ga je ook”

Aan [T] :

“Ik hoop dat je begrijpt in deze dat [eiser sub 2] problemen heeft gemaakt met de verkeerde mensen. En jij hiervan geen onderdeel wil worden, wat wel gebeurd als je je associeert met deze man, of laat ge(mis)bruiken door beste heer. Nogmaals dringend advies de banden dit jaar nog te beeindigen, voordat je zelf slachtoffer wordt.”

2.5.

[gedaagde] heeft op haar eigen Facebookpagina de volgende berichten geplaatst:

“(…) blokken gaat niet helpen, ik hou van jagen (…)”

“(…) Geen genade met je, kattensteler. [volledig adres en KvK-nummer] (…)”
“(…) Laatste waarschuwing. Duw ons niet (…)”

2.6.

Op 16 december 2021 heeft er tussen [eiser sub 2] , [gedaagde] en mevrouw [S] van de politie een gesprek plaatsgevonden.

2.7.

Partijen hebben op 28 december 2021 contact met elkaar gehad via WhatsApp en hebben toen afgesproken elkaar met rust te laten.

2.8.

Op 29 december en 30 december heeft [gedaagde] [eiser sub 2] sms-berichten gestuurd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 2] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] verbiedt om na betekening van dit vonnis op geen enkele wijze, hoe genaamd dan ook in contact te treden met [eiser sub 2] , wegens redenen voornoemd, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per overtreding met een maximum van € 25.000,00;

II. [gedaagde] verbiedt binnen 48 uur na het vonnis op geen enkele wijze, hoe genaamd dan ook uitlatingen tegenover derden over [eiser sub 2] te doen, zulks wegens redenen voornoemd, zulks onder verbeurte van een dwangsom van

€ 500,00 per overtreding met een maximum van € 25.000,00;

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

Ter zitting is van de zijde van [eiser sub 2] de onder II. genoemde vordering verminderd, in die zin door aan de vordering onder II. toe te voegen: met uitzondering van de bevoegde instanties.

3.2.

[eiser sub 2] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover hem handelt door hem langs diverse media kanalen te benaderen en allerlei dreigementen te uiten. Ook heeft [gedaagde] diverse relaties binnen het netwerk van [eiser sub 2] benaderd en hem daarbij afgeschilderd als een onbetrouwbaar en onveilig persoon. Hierdoor is het door hem geïnitieerde Haïti-project beëindigd. [gedaagde] heeft van veel verschillende telefoonnummers gebruik gemaakt om [eiser sub 2] telefonisch en per sms te bereiken. [gedaagde] maakt gebruik van een sms-dienst waarmee je een sms kunt versturen zonder dat daar een nummer aan gekoppeld is. Volgens [eiser sub 2] is er geen enkele aanleiding dat partijen nog met elkaar in debat zouden moeten zijn en heeft [gedaagde] enkel en alleen de intentie om [eiser sub 2] te bedreigen en onjuiste informatie over hem te verstrekken om hem te beschadigen. [gedaagde] houdt zich ook niet aan de afspraak die partijen met elkaar hebben gemaakt op 28 december 2021 om elkaar met rust te laten. [gedaagde] heeft namelijk op 29 en 30 december 2021 nog sms-berichten naar [eiser sub 2] gestuurd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat er wel aanleiding was om nog contact met [eiser sub 2] op te nemen. Volgens [gedaagde] is er geen sprake van onrechtmatig handelen van haar zijde, omdat het contact dat zij met [eiser sub 2] en derden zocht erop was gericht feiten en waarheden boven tafel te krijgen aangaande een donatie aan project Haïti en ook de activiteiten van [eiser sub 2] als [beroep eiser 2] . Over de door [eiser sub 2] gestelde bedreigingen door [gedaagde] heeft [gedaagde] ter zitting naar voren gebracht dat eventuele bedreigingen strafrechtelijk moeten worden opgepakt. Uit de dagvaarding blijkt volgens [gedaagde] dat alle aangiftes tegen haar niet worden opgepakt en hieruit blijkt dat er geen strafrechtelijke gronden zijn voor de kwalificatie bedreiging. [gedaagde] stelt verder dat in de aangeleverde producties door [eiser sub 2] delen van gesprekken worden weggelaten ten nadele van haar.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.

Ingediende producties aan de zijde van [gedaagde]

4.2.

Op 11 januari 2022 heeft [gedaagde] bij de conclusie van antwoord dertien producties ingediend. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser sub 2] bezwaar gemaakt tegen de producties, omdat de producties niet op tijd zijn ingediend. De voorzieningenrechter heeft de producties geweigerd. In artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie is bepaald dat stukken zo spoedig mogelijk ingediend worden en dat stukken die niet dienovereenkomstig zijn ingediend, door de voorzieningenrechter buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het procesreglement bepaalt dat stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing worden gelaten. De voorzieningenrechter heeft daarom de door [gedaagde] ingediende producties niet bij haar beoordeling betrokken, nu de producties niet op tijd zijn ingediend en het bovendien een omvangrijk aantal stukken betreft. De conclusie van antwoord van [gedaagde] wordt wel betrokken in de beoordeling.

Spoedeisend belang

4.3.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen en wordt ook niet betwist door [gedaagde] . Dit betekent dat de vorderingen van [eiser sub 2] inhoudelijk kunnen worden behandeld.

Contactverbod

4.4.

Met betrekking tot het gevorderde contactverbod door [eiser sub 2] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het opleggen van een contactverbod vormt een vergaande en ingrijpende maatregel en een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om vrijelijk contact op te nemen met een ander. Voor toewijzing hiervan in kort geding moet sprake zijn van een in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke ingrijpende inbreuk kunnen rechtvaardigen. Daarbij dient in elk geval een reële dreiging te bestaan van actueel en toekomstig onrechtmatig handelen.

4.5.

De vraag waarover de voorzieningenrechter zich moet buigen, is of het gestelde gedrag van [gedaagde] met inachtneming van het toetsingskader zoals geschetst onder 4.4. zodanig is (geweest), dat dit een vergaande maatregel als een contactverbod rechtvaardigt.

4.6.

De voorzieningenrechter zal het door [eiser sub 2] gevorderde contactverbod toewijzen en overweegt daartoe als volgt. [eiser sub 2] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het optreden van [gedaagde] door hem als (be)dreigend wordt ervaren en dat hij om die reden een zwaarwegend belang heeft bij toewijzing van het gevorderde contactverbod. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat uit de door [eiser sub 2] overgelegde screenshots blijkt dat [gedaagde] hem regelmatig in korte tijd veel WhatsApp-berichten en anonieme sms-berichten heeft gestuurd. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat zij deze anonieme sms-berichten naar [eiser sub 2] heeft gestuurd. Deze berichten bevatten (be)dreigende uitingen die een dusdanige inbreuk vormen op de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 2] dat dit – gelet ook op de hoeveelheid ervan – toewijzing van een contactverbod rechtvaardigt. Ook heeft [gedaagde] ter zitting erkend dat zij [eiser sub 2] meerdere keren anoniem heeft gebeld. [gedaagde] heeft verder naar voren gebracht dat zij [eiser sub 2] op 28 december 2021 via WhatsApp heeft laten weten er geen belang bij te hebben om het gevecht met [eiser sub 2] aan te gaan en dat partijen toen ook hebben afgesproken elkaar met rust te laten. De voorzieningenrechter constateert echter dat het [gedaagde] niet is gelukt om [eiser sub 2] met rust te laten, nu zij tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat zij [eiser sub 2] op 29 en 30 december 2021 nog anonieme sms-berichten heeft gestuurd. De voorzieningenrechter kan dan ook niet uitsluiten dat [gedaagde] [eiser sub 2] in de toekomst weer gaat benaderen, ook al maken partijen een afspraak elkaar met rust te laten. Bovendien geldt dat nu [gedaagde] ter zitting zelf heeft laten weten geen contact meer te willen met [eiser sub 2] , dit contactverbod voor haar niet onevenredig in strijd met haar belangen is.

4.7.

Voor zover [gedaagde] stelt dat de oorzaak van haar handelwijze is gelegen in de omstandigheid dat zij misstanden boven water wil krijgen, vormt dit, wat hier verder ook van zij, geen rechtvaardiging voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiser sub 2] . Indien [gedaagde] van mening is dat [eiser sub 2] zich schuldig maakt aan strafbare feiten dan kan zij daarover contact opnemen met de daartoe bevoegde instanties. Het is immers niet aan [gedaagde] om ‘voor eigen rechter’ te spelen.

Verbod uitlatingen over [eiser sub 2] tegenover derden te doen

4.8.

Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vordering van [eiser sub 2] als verwoord onder rechtsoverweging 3.1 onder II een beperking zou inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de individuele vrijheden (EVRM) neergelegde recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan alleen worden beperkt als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM).

4.9.

Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval.

4.10.

[eiser sub 2] stelt dat het recht op vrije meningsuiting van [gedaagde] kan worden beperkt omdat hij in zijn rechten wordt geschaad. Volgens [eiser sub 2] wordt hij namelijk in zijn persoonlijke omstandigheden beschadigd door de uitlatingen die [gedaagde] aan derden heeft gedaan en nog steeds doet.

4.11.

De voorzieningenrechter zal de vordering van [eiser sub 2] , om [gedaagde] te verbieden op geen enkele wijze uitlatingen over hem te doen jegens derden, afwijzen, en oordeelt daartoe als volgt. Uit de door [eiser sub 2] overgelegde stukken is de voorzieningenrechter gebleken dat [gedaagde] bekenden van [eiser sub 2] herhaaldelijk berichten heeft gestuurd. Dit heeft [gedaagde] ook niet betwist. In deze berichten heeft [gedaagde] [eiser sub 2] beschuldigd van vuurwapenbezit, oplichting, bedreiging en uitbuiting. Ook heeft [gedaagde] tegen een bekende van [eiser sub 2] gezegd dat ze zullen jagen op [eiser sub 2] en gevraagd of zij (naakt)foto’s van hem zou moeten posten. Ook heeft [gedaagde] tegenover een bekende van [eiser sub 2] gedreigd om voor de school van haar kind te gaan wachten en jeugdzorg in te schakelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] gedane uitlatingen over [eiser sub 2] tegenover derden, zoals geciteerd in overweging 2.4., niet in overeenstemming zijn met basale fatsoensnormen, maar dat daarmee nog niet vaststaat dat deze uitlatingen onrechtmatig zijn ten opzichte van [eiser sub 2] . [eiser sub 2] heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] zou moeten wijken voor het recht van [eiser sub 2] op bescherming van zijn goede naam en privacy. [eiser sub 2] heeft immers niet aangetoond dat hij daadwerkelijk ernstig is geschaad en reputatieschade heeft geleden. [eiser sub 2] heeft enkel gesteld dat het project Haïti is beëindigd doordat [gedaagde] hem als een onbetrouwbaar persoon heeft afgeschilderd, maar [gedaagde] heeft ter zitting betwist dat het project Haïti is beëindigd en [eiser sub 2] is hier verder niet op teruggekomen.

4.12.

Daar komt nog bij dat de vordering erg ruim is geformuleerd zodat deze te onbepaald is en ook om die reden niet voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen. Indien de vordering zoals deze voorligt zou worden toegewezen betekent dit dat [gedaagde] geen enkele uitlating meer zou mogen doen over [eiser sub 2] tegenover wie dan ook, behoudens tegenover de bevoegde instanties. Dit zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd zijn met het in artikel 10 EVRM neergelegde recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand ook niet kan worden vastgesteld of uitlatingen in de gegeven omstandigheden van het geval (on)toelaatbaar zijn. Te verwachten valt ook dat integrale toewijzing van deze vordering tot executieproblemen zal leiden. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [eiser sub 2] ook geen eiswijziging geformuleerd die de vordering zodanig beperkt/concretiseert dat deze wel toewijsbaar zou zijn.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij op 28 december 2021 hebben afgesproken elkaar met rust te laten. Dit is een goede afspraak, en de voorzieningenrechter meent dat het verstandig zou zijn voor beide partijen om deze afspraak na te komen en ook geen contact meer op te nemen met elkaars omgeving.

4.13.

Na het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede nog het volgende. [gedaagde] mag de afwijzing van de vordering om geen uitlatingen over [eiser sub 2] te doen tegenover derden niet toch opvatten als een vrijbrief om bekenden van [eiser sub 2] tegen hun wil te (blijven) benaderen en uitlatingen over [eiser sub 2] te doen die hem in een kwaad daglicht stellen. De wet verbiedt immers om onrechtmatig te handelen en dat houdt ook in onrechtmatige/onjuiste mededelingen over derden te doen. [gedaagde] dient zich hier ook aan te houden. Zoals hiervoor al overwogen is het niet aan [gedaagde] om misstanden aan de kaak te stellen en kan zij contact opnemen met de daartoe bevoegde instanties indien zij van mening is dat [eiser sub 2] zich schuldig maakt aan strafbare feiten.

Dwangsom

4.14.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden in de beslissing.

Proceskosten

4.15.

Gelet op de relatie tussen partijen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter in kort geding

5.1.

verbiedt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis op welke wijze ook in contact te treden met [eiser sub 2] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022.