Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:26

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
08.228953-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 26-jarige man tot een gevangenisstraf van 6 maanden voor diefstal, mishandeling en drugs bezit. Naast de gevangenisstraf moet hij het slachtoffer, z'n ex-vriendin, een schadevergoeding betalen van bijna 300 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.228953-21 (P)

Datum vonnis: 10 januari 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

nu verblijvende in de PI Achterhoek te Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 november 2021 en van 27 december 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.H. de Weert en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Ytsma, advocaat in Haarlem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 27 december 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 22 augustus 2021 in Heerde:

feit 1: [slachtoffer] met geweld heeft beroofd van haar mobiele telefoon, haar autosleutel en bos sleutels;

feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld;

in de periode van 1 februari 2021 tot en met 24 augustus 2021 in Nieuwleusen en/of andere plaatsen in Nederland:

feit 3: opzettelijk hennep heeft gedeald;

feit 4: opzettelijk cocaïne heeft gedeald.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2021 te Heerde

  • -

    een mobiele telefoon,

  • -

    een autosleutel en/of,

  • -

    een bos sleutels,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

  • -

    die [slachtoffer] aan haar rechterarm de wc uit te trekken,

  • -

    (als die [slachtoffer] haar telefoon in haar hand heeft) de vingers van die hand één voor één los te trekken,

  • -

    die [slachtoffer] met twee handen te duwen waardoor die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,

  • -

    een mes te pakken en dat mes op het hoofd van die [slachtoffer] te richten,

  • -

    zijn arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan en/of (met kracht) zijn arm om de keel van die [slachtoffer] te houden,

  • -

    twee armen om die [slachtoffer] te slaan en die [slachtoffer] (met kracht) zo vast te houden,

  • -

    die [slachtoffer] op de bank te duwen (waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur terecht komt),

  • -

    die [slachtoffer] aan de kant te slingeren waardoor zij ten val is gekomen;

2.

hij op of omstreeks 22 augustus 2021 te Heerde [slachtoffer] heeft mishandeld door:

  • -

    die [slachtoffer] aan haar rechterarm de wc uit te trekken,

  • -

    (als die [slachtoffer] haar telefoon in haar hand heeft) de vingers van die hand één voor één los te trekken,

  • -

    die [slachtoffer] met twee handen te duwen waardoor die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,

  • -

    een mes te pakken en dat mes op het hoofd van die [slachtoffer] te richten,

  • -

    zijn arm om de keel van die [slachtoffer] te slaan en/of (met kracht) zijn arm om de keel van die [slachtoffer] te houden,

  • -

    twee armen om die [slachtoffer] te slaan en die [slachtoffer] (met kracht) zo vast te houden,

  • -

    die [slachtoffer] op de bank te duwen (waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur terecht komt),

  • -

    die [slachtoffer] aan de kant te slingeren waardoor zij ten val is gekomen;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 24 augustus 2021 te Nieuwleusen en/of andere plaatsen in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 65 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 24 augustus 2021 te Nieuwleusen en/of andere plaatsen in Nederland opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 laste gelegde diefstal met geweld en de onder 2 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend te bewijzen. Ter onderbouwing heeft zij gewezen op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] , de (deels) bekennende verklaring van verdachte en de letselbeschrijving. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de richting van aangeefster het geweld heeft gebruikt zoals omschreven onder het eerste, tweede, derde, zesde, zevende en achtste gedachtestreepje.

De officier van justitie acht ook de onder 3 ten laste gelegde handel in hennep en de onder 4 ten laste gelegde handel in cocaïne wettig en overtuigend te bewijzen. Ter onderbouwing heeft zij gewezen op de verklaring van aangeefster [slachtoffer] , de bevindingen in het proces-verbaal van het onderzoek naar de witte iPhone, de getuigenverklaringen van de afnemers en de processen-verbaal van bevindingen over wat er in de woning van verdachte is aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde onderdelen van “het pakken van een mes en op het hoofd richten en het met een arm om de keel slaan en houden”, waarvoor de raadsman vrijspraak heeft bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman in het bijzonder aangevoerd dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet kan worden bewezen en dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden dat verdachte en aangeefster een relatie hadden waarbij zij elkaar in de haren vlogen en dat zij allebei onder invloed waren van de harddrug “2C-B”.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman het verweer gevoerd dat het de verbalisanten bij de aanhouding van verdachte enkel was toegestaan om ‘zoekend in de woning rond te kijken’ en dat de verbalisanten blijkens de stukken in het procesdossier de woning hebben doorzocht, terwijl zij daar geen bevoegdheid toe hadden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en dat al hetgeen daarbij is aangetroffen van bewijs dient te worden uitgesloten. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman primair betoogd dat er geen overtuigend bewijs is voor het dealen in cocaïne. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat slechts één cocaïnedeal in de ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde ‘diefstal met geweld’ en de onder 2 ten laste gelegde ‘mishandeling’ op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt1:

1. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 augustus 20212, met als bijlagen de foto’s van het letsel3, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Ik ben op 22 augustus 2021 in mijn huis in Heerde mishandeld. (…) [verdachte] heeft mij pijn gedaan en letsel toegebracht. (…) Hij heeft mij meerdere keren op de grond gegooid. Dit deed pijn. (…) Hij pakte mij bij mijn rechterarm en trok mij de wc uit. (…) Ik heb een blauwe plek op mijn rechterarm. (…) Ik kon op een gegeven moment mijn telefoon terugpakken, dus ik hield hem heel strak vast in mijn linkerhand. Hij begon heel agressief mijn vingers los te trekken, één voor één. (…) Aan mijn linkerhand heb ik een pijnlijke middelvinger. Deze is dik en blauw en ik heb een schaafplek op mijn duim. (…) Toen heeft hij de telefoon weer opnieuw bekeken op de wc beneden. (…) Ik zag dat hij de wc uit kwam en hij duwde mij met twee handen achteruit, waardoor ik achteruit tegen de trap aanviel. (…) Ik viel met mijn linker bil op een trede. Die is nu ook geschaafd en blauw. (…) Toen ik dreigde weg te komen, deed hij zijn twee armen om mij heen zodat ik geen kant op kon. (…) Hij heeft mij gedwongen mijn telefooncode te geven. (…) Hij duwde mij op de bank. (…) Ik klapte hierdoor met mijn achterhoofd tegen de muur achter de bank. (…) Ik draaide het slot eraf en ik deed de deur open, maar toen was [verdachte] er al en hij slingerde mij aan de kant, waardoor ik op de grond terechtkwam en hij trok de deur dicht. (…) Hij heeft uiteindelijk mijn huis na 03:00 uur verlaten. Toen hij door kennissen of vrienden in een bus werd opgehaald, heeft hij mijn huissleutels, mijn enige autosleutel en mijn mobiele telefoon meegenomen. (…) Ik zei tegen de bestuurder van de bus dat [verdachte] mijn telefoon en sleutels nog had en dat ik die terug moest hebben. (…);

2. een schriftelijk bescheid, inhoudende een letselrapportage van 27 augustus 2021, opgemaakt door de forensisch arts van de GGD Noordoost-Gelderland4, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Onderzoek huisarts: blauwe plekken op rechter bovenarm, linker bil. Schaafwond duim links strekzijde. Middelvinger links blauw en dik bij het laatste vingerkootje met asdrukpijn. (…) Het huidige tijdsinterval kan passen bij de ouderdom van het letsel. (…) Letsel aan: de linkerarm, de linkerhand, de rechterarm, het linkerbeen en het rechterbeen. (…);

3. het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 december 20215, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Ik wilde in de telefoon van [slachtoffer] kijken, omdat er iets op zou staan wat te maken heeft met vreemdgaan. (…) Ik heb de telefoon in eerste instantie vrij makkelijk uit de handen van [slachtoffer] kunnen pakken. De telefoon ging vervolgens een aantal keren over en weer. (…) Toen [slachtoffer] haar telefoon in haar hand had en ik de telefoon in mijn handen wilde krijgen, heb ik haar vingers van die hand losgetrokken. (…) Ik heb [slachtoffer] geduwd waardoor zij tegen de trap is gevallen. (…) Ik heb mijn armen om haar borsten geslagen om haar vast te houden. (…) Ik heb [slachtoffer] op de bank geduwd waardoor zij met haar hoofd tegen de muur terechtkwam. (…) Ik kan mij herinneren dat [slachtoffer] een briefje van € 50,00 door de wc heeft gespoeld. Toen zij dat had gedaan, heb ik haar uit de wc getrokken. (…) Ik heb haar een duw gegeven waardoor zij ten val is gekomen. (…) Het begon allemaal nadat ik haar telefoon voor de eerste keer had afgepakt. (…) Ik ben op een gegeven moment weggegaan met de telefoon en de autosleutel. (…) Ik constateerde later dat ik ook een sleutelbos had gepakt. (…) Ik had de sleutels van [slachtoffer] uit de keukenla gepakt. (…) Het letsel aan de handen, de armen en de benen kan inderdaad door het lostrekken van de vingers, het vasthouden, het duwen en het trekken zijn ontstaan. (…)

4.3.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Feit 2: Mishandeling

De rechtbank stelt vast dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 22 augustus 2021 in Heerde aangeefster [slachtoffer] heeft mishandeld, zoals onder 2 met het eerste, tweede, derde, zesde, zevende en achtste gedachtestreepje is ten laste gelegd. Aangeefster heeft verklaard dat deze geweldshandelingen hebben plaatsgevonden en verdachte heeft bekend zich op die wijze te hebben gedragen. Door de gedragingen van verdachte heeft aangeefster pijn en letsel opgelopen. Dit wordt ondersteund door letselbeschrijving, waaruit blijkt dat het bij aangeefster geconstateerde letsel, zoals de blauwe plekken op haar handen, de armen en de benen en de dikke middelvinger, kan passen bij de door de verdachte verrichte geweldshandelingen. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde ‘mishandeling’.

De rechtbank acht het onder het vierde en vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde pakken van een mes en dat op het hoofd van aangeefster richten en het met een arm om de keel van aangeefster slaan en houden niet bewezen. De verklaring van aangeefster vindt op deze punten geen steun in andere bewijsmiddelen. Gelet daarop zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 1: Diefstal (met geweld)

De rechtbank stelt vast dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de genoemde mishandeling van aangeefster heeft gepleegd met het specifieke doel om tegen de wil van aangeefster als heer en meester te kunnen beschikken en te kunnen blijven beschikken over haar mobiele telefoon. Uit zowel de verklaring van aangeefster als de verklaring van verdachte blijkt dat verdachte de telefoon van aangeefster met geweld heeft afgepakt en, nadat zij probeerde haar telefoon terug te pakken, geweld heeft gebruikt om de telefoon in zijn bezit te houden en daarmee uiteindelijk ook de woning te kunnen verlaten. In dit tijdsbestek zijn door verdachte meerdere geweldshandelingen verricht. Vóórdat verdachte het huis van aangeefster verliet, heeft hij – zo heeft hij verklaard – ook de sleutels van aangeefster uit de keukenla gepakt en meegenomen. Dit wegnemen was zonder toestemming van aangeefster en daarom wederrechtelijk. Omdat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte aangeefster heeft mishandeld met het specifieke doel om het bezit van de autosleutel en de bos sleutels te verkrijgen, dan wel zich daar van te verzekeren, is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze goederen enkel sprake is geweest van ‘eenvoudige’ diefstal. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde ‘diefstal van een telefoon, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, of bij betrapping op heterdaad zich hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, evenals ‘de diefstal van een autosleutel en van een sleutelbos’.

4.3.3

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde ‘dealen van hennep’ en het onder 4 ten laste gelegde ‘dealen van cocaïne’ op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt:

1. de verklaring van [slachtoffer] van 22 augustus 20216, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Op 22 augustus 2021 had [verdachte] cocaïne bij zich. (…) Ik heb de cocaïne gelijk van hem afgepakt. Dit zat in zijn broek, welke op de grond lag en daar viel dit zakje uit. Ik heb dit direct doorspoeld in de wc. (…) Hij vroeg mij om het geld van de waarde van de cocaïne. Dat was € 50,00. (…)

Op 2 september 20217, verklaarde [slachtoffer] , zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) [verdachte] dealde al vanaf februari 2021. (…) [verdachte] vertelde toen dat hij alleen in weed zou handelen. Later kwam ik erachter dat hij ook verschillende andere drugs verkocht. Dat was een maandje later. [verdachte] heeft dat toegegeven en hij heeft dat zelf aan mij verteld. (…) Hij verkocht ook cocaïne. (…) [verdachte] gebruikte sinds kort een ‘dealtelefoon’, de iPhone. Hij had deze sinds een paar weken. (…) Het kan wel kloppen dat deze telefoon sinds begin augustus in gebruik was. (…) Daarvóór dealde hij via zijn eigen telefoon, de zwarte Samsung. (…);

2. het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar de witte iPhone van 23 augustus 20218, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Het gaat om een witte iPhone. De telefoon werd in beslag genomen. (…) Op het toestel bleek WhatsApp geïnstalleerd te zijn. De gebruiker had op WhatsApp als profielnaam ingesteld: Meneer 3m. (…) Als profielfoto was een foto van een prijslijst van verschillende soorten drugs en de medicijnen Kamagra (viagra) en slaappillen ingesteld. (…) Hierbij merk ik, verbalisant, op dat het envelopje-symbool kennelijk staat voor cocaïne en het broccoli-symbool voor hennep. (…) In de fotogalerij van het toestel trof ik, verbalisant, een selfie-foto van verdachte aan. (…) De foto is genomen op 4 augustus 2021 om 01:17 uur. (…) Daarnaast trof ik, verbalisant, in de fotogalerij nog een foto van een drugs-bestellijst aan, evenals twee foto’s van reclame-uitingen van Mijnheer 3M aan. Hierbij merk ik, verbalisant, op dat de term/naam SOS in de drugsscene gebruikt wordt als naam voor cocaïne. (…) In de WhatsApp-chatgeschiedenis trof ik, verbalisant, 17 gesprekken aan. Vrijwel al deze gesprekken gaan over het leveren, het afspraken en het kopen van drugs. Het gaat over verschillende soorten drugs. (…) Een voorbeeld van een gesprek is het gesprek dat plaatsvond op dinsdag 3 augustus 2021 23:43 uur tot en met 23:45 uur: Er wordt gevraagd: ‘Tijd voor 1g SOS?’. Door de gebruiker van de iPhone wordt gereageerd: ‘Jawel, maar kan nu alleen afhaal. [adres] .’. Het kwam in dit geval niet tot een afspraak, want het was al laat. (…);

3. het proces-verbaal van bevindingen van het onderzoek naar de witte iPhone van 2 september 20219, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Een gesprek op 3 augustus tot en met 7 augustus 2021 gaat over het kopen van hele coke en wiet. (…) Een gesprek op 3 augustus tot en met 16 augustus 2021 op gaat over het kopen van ‘W’. (…) Een gesprek op 14 augustus 2021 gaat over het kopen van een jointje. (…) In een gesprek op 3 augustus 2021 wordt een filmpje gestuurd door een dealer van een zakje met hennep. (…) Naast de selfie-foto trof ik, verbalisant, 5 andere foto’s van verdachte en 5 filmpjes van verdachte op de telefoon aan. Betreffende items zijn alle in de nacht van 4 augustus gemaakt. (…) Op een ingesproken bericht in de chat met ‘ [slachtoffer] ’ is een mannenstem te horen. (…) Een collega-verbalisant herkende de mannenstem als de stem van verdachte. (…) Gelet op de bevindingen kan worden vastgesteld dat de onderzochte iPhone 7 in gebruik was, dan wel is geweest bij verdachte. (…);

4. het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] van 1 september 202110, met als bijlage een foto van contactpersoon ‘meneer 3M’ en een getoonde politiefoto van verdachte11, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Ik ken verdachte als meneer 3M. Zo noemde hij zich op snapchat. (…) Hij komt uit [adres] . (…) Opmerking verbalisant: Getuige toont mij, verbalisant, een contactpersoon in zijn mobiele telefoon. Deze contactpersoon meneer 3M heeft een profielfoto op WhatsApp. De persoon op de foto herken ik als de aangehouden verdachte. (…) Ik heb alleen wiet bij hem gekocht. (…) Ik denk dat ik zo’n vier maanden geleden voor de eerste keer van deze dealer heb gekocht. (…) Ik heb toen volgens mij voor € 40,00 of

€ 60,00 aan wiet gekocht. (…) In totaal heb ik 4 of 5 keer bij hem gekocht. (…) U toont mij een foto van de verdachte. Ja, dat is hem. Dat is de dealer uit [adres] . (…);

5. het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] van 1 december 202112, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) Ik begrijp van u dat mijn telefoonnummer voorkomt in de telefoon van een aangehouden drugsdealer. Ik heb hooguit 1 of 2 keer cocaïne van deze dealer gekocht. (…);

6. het proces-verbaal van bevindingen van 23 augustus 202113, met als bijlagen de fotobladen van de aangetroffen goederen14, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, inhoudende:

(…) In de woning van verdachte troffen wij (…) de volgende zaken aan: een plastic bakje met drie grote gripzakken hennep in de slaapkamer en twee losse gripzakken in de woonkamer. (…) Wij verbalisanten zagen dat in de gripzakken een groene vaste stof zat waaraan een sterke lucht hing die wij meteen herkenden als die van hennep. (…) Op het politiebureau werd de hennep gewogen: het brutogewicht betrof 65 gram. (…);

7. het proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 202115, met als bijlagen onder meer fotobladen van de digitale weegschaal met witte poederresten, de aangetroffen hennepresten, hasj en witte poederresten en een grote hoeveelheid lege, ongebruikte gripzakjes, alsook het in de brievenbus van verdachte aangetroffen pakje sigaretten met contant geld16, zakelijk weergegeven en voor zover hier belang, inhoudende:

(…) In de woning werden diverse restanten aangetroffen die wezen op drugs(…): een digitale weegschaal, poederresten op de salontafel, gripzakje met hennepresten en een bekje met een klein brokje hasj. (…) Tevens werd er een groot aantal lege, ongebruikte gripzakjes aangetroffen onder de salontafel. De grote hoeveelheid aan ongebruikte gripzakjes kan worden gezien als een indicatie voor de handel in drugs. (…) In de brievenbus van verdachte zat een pakje sigaretten met daarin drie briefjes van € 20,00. Het is mij verbalisant ambtshalve bekend dat sigarettenpakjes vaak gebruikt worden in het drugscircuit voor het onopvallend overgeven van verdovende middelen of geld. Het achterlaten van drugs en/of geld in een brievenbus is tevens een bekend fenomeen. (…);

4.3.4

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde

Het artikel 359a Sv-verweer

De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen17 blijkt dat de verbalisanten op 23 augustus 2021 waren belast met de aanhouding buiten heterdaad van verdachte op bevel van de officier van justitie. Hoewel de verdachte door de verbalisanten niet in de woning werd aangetroffen, troffen verbalisanten in de woning ‘op zicht’ in de slaapkamer een plastic bakje met drie grote gripzakken hennep en in de woonkamer twee losse gripzakken in de woonkamer aan. De woorden ‘op zicht’ impliceren naar het oordeel van de rechtbank dat de verbalisanten (opsporingsambtenaren) ‘zoekend aan het rondkijken waren’, waartoe zij op grond van artikel 96 Sv bevoegd zijn. De verbalisanten constateerden dat in de gripzakken een groene vaste stof zat waaraan een sterke lucht hing die zij direct herkenden als de geur van hennep. Dit was aanleiding voor de inbeslagname van de aangetroffen hennep, een verboden middel op grond van de Opiumwet. De gripzakken bevonden zich niet in afgesloten kasten of ruimtes, maar waren open en bloot in de woning te zien. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat met deze handelwijze van de verbalisanten in de woning van verdachte geen sprake is geweest van een doorzoeking, zijnde het systematisch doorzoeken ter inbeslagname.18 De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv, dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Feit 3 en feit 4: Dealen van hennep en cocaïne

De ex-vriendin van verdachte, [slachtoffer] , is als getuige gehoord en heeft verklaard dat verdachte sinds februari 2021 in verschillende soorten drugs heeft gedeald. Hij heeft daarvoor aanvankelijk gebruik gemaakt van een (zwarte) Samsung telefoon en vervolgens van de inbeslaggenomen witte iPhone. De resultaten van het digitale onderzoek naar de witte iPhone ondersteunen de verklaring van deze getuige. Zo betrof de WhatsApp-profielfoto van de telefoon een prijslijst van verschillende soorten drugs, waarop onder meer cocaïne en hennep vermeld stonden. Daarnaast werden in de fotogalerij van de telefoon meerdere (selfie-)foto’s en filmpjes aangetroffen waarop de verdachte herkenbaar te zien is. Ook werd in de fotogalerij een foto van een drugs-bestellijst aangetroffen, evenals reclame-uitingen van ‘meneer 3M’. Uit de WhatsApp-chatgeschiedenis blijkt vervolgens van gesprekken over het leveren, het afspreken en het kopen van drugs door en/of van die ‘meneer 3M’. Bovendien is op een door de gebruiker van de iPhone ingesproken voice-bericht de mannenstem van verdachte te horen.

De rechtbank slaat verder acht op de getuigenverklaringen van de personen die verdachte, (‘meneer 3M’) als drugsdealer kennen en die wiet en/of cocaïne van hem hebben gekocht. Deze gebruikersverklaringen worden ondersteund door de inhoud van de op de witte iPhone aangetroffen WhatsApp-gesprekken die in augustus 2021 hebben plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit processen-verbaal van bevindingen dat in de woning van de verdachte is aangetroffen: 65 gram (bruto gewicht) aan hennep, een digitale weegschaal met poederresten, een grote hoeveelheid (ongebruikte) gripzakjes en een in de brievenbus van verdachte aangetroffen sigarettenpakje met drie coupures van € 20,00. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorhanden hebben van deze voorwerpen kenmerkend voor een drugsdealer. Hoewel niet vastgesteld kan worden wat de exacte omvang is geweest van de handel in drugs, kan de rechtbank op basis van het hiervoor overwogene over de stukken in het procesdossier wél vaststellen dat verdachte daadwerkelijk hennep voorhanden heeft gehad en in hennep en cocaïne heeft gedeald in de ten laste gelegde periode. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde ‘dealen van hennep’ en het onder 4 ten laste gelegde ‘dealen van cocaïne’.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 augustus 2021 te Heerde een mobiele telefoon, die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

  • -

    die [slachtoffer] aan haar rechterarm de wc uit te trekken,

  • -

    (als die [slachtoffer] haar telefoon in haar hand heeft) de vingers van die hand één voor één los te trekken,

  • -

    die [slachtoffer] met twee handen te duwen waardoor die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,

  • -

    twee armen om die [slachtoffer] te slaan en die [slachtoffer] zo vast te houden,

  • -

    die [slachtoffer] op de bank te duwen waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur terecht is gekomen,

  • -

    die [slachtoffer] aan de kant te slingeren waardoor zij ten val is gekomen;

en,

hij op 22 augustus 21 te Heerde een autosleutel en een bos sleutels, die aan

[slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.

hij op 22 augustus 2021 te Heerde [slachtoffer] heeft mishandeld door:

  • -

    die [slachtoffer] aan haar rechterarm de wc uit te trekken,

  • -

    (als die [slachtoffer] haar telefoon in haar hand heeft) de vingers van die hand één voor één los te trekken,

  • -

    die [slachtoffer] met twee handen te duwen waardoor die [slachtoffer] tegen de trap is gevallen,

  • -

    twee armen om die [slachtoffer] te slaan en die [slachtoffer] zo vast te houden,

  • -

    die [slachtoffer] op de bank te duwen waardoor het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur terecht is gekomen,

  • -

    die [slachtoffer] aan de kant te slingeren waardoor zij ten val is gekomen;

3.

hij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 24 augustus 2021 te Nieuwleusen en andere plaatsen in Nederland opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 65 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 24 augustus 2021 te Nieuwleusen en andere plaatsen in Nederland opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

en

het misdrijf: diefstal;

feit 2

het misdrijf: mishandeling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vijfenveertig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangeefster. Bij haar vordering heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend, gezien de adviezen van de forensisch psychiater drs. H.A. Gerritsen en GZ-psycholoog R. Steinmann.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan moet worden met een geldboete of een taakstraf voor uitsluitend het onder 2 ten laste gelegde, daarbij nadrukkelijk rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

7.3.1

Aard en ernst van het strafbare feit

Verdachte heeft zich ten opzichte van zijn ex-vriendin schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in haar woning. Met deze geweldshandelingen heeft hij ook zijn ex-vriendin letsel toegebracht. Daardoor heeft hij een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Het door verdachte toegepaste geweld heeft bij het aangeefster geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid, evenals pijn en meerdere bloeduitstortingen. Verdachte toont zich niet schuldbewust. Verdachte heeft ter terechtzitting nog verklaard dat hij zijns inziens in zijn recht stond om de telefoon van aangeefster af te pakken en te controleren, omdat zij in zijn beleving mogelijk “vreemdging”. Hij heeft – terwijl hij naar zijn zeggen onder invloed was van de drug 2C-B – niet geaarzeld om geweld toe te passen. De wijze waarop verdachte zich heeft gedragen is zorgelijk en kwalijk. De rechtbank rekent verdachte bovendien aan dat hij zich bevond in de woning van het slachtoffer, waar zij zich veilig mag weten. Dat heeft hem niet weerhouden om meermalen geweld jegens haar toe te passen.

Verdachte heeft daarnaast ongeveer zeven maanden gedeald in hennep en cocaïne. Hij heeft hennep en cocaïne verkocht en geleverd aan klanten en op deze manier bijgedragen aan de instandhouding van de handel in verdovende middelen. Het dealen in soft- en harddrugs moet krachtig worden bestreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat soft- en harddrugs schade kunnen berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Dit is een gevaar voor de volksgezondheid. Bovendien gaat de verspreiding van en de handel in soft- en harddrugs gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en kennelijk alleen eigen financieel gewin voor ogen gehad. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

7.3.2

De persoon van verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 3 december 2021 blijkt dat hij in het verleden eerder voor vermogensdelicten en geweldsdelicten met politie en/of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte al meerdere jaren is behandeld naar aanleiding van een op 21 oktober 2014 opgelegde TBS-maatregel met voorwaarden. Op 24 maart 2015 heeft de rechtbank beslist dat verdachte van overheidswege moest worden verpleegd. Daarna heeft de rechtbank op 10 juli 2018 beslist de TBS-maatregel met dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Vervolgens is de TBS-maatregel op 18 december 2018 verlengd voor de duur van twee jaren en op 1 december 2020 voor de duur van één jaar. De voorwaardelijke beëindiging van de TBS-maatregel gaat onder meer gepaard met de algemene voorwaarde dat verdachte geen strafbare feiten pleegt. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte, kennelijk bewust en gedurende meerdere maanden, deze voorwaarde met voeten heeft getreden door te handelen in soft- en harddrugs en vervolgens, onder invloed van verdovende middelen, een diefstal met geweld te plegen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de adviezen van de forensisch psychiater

drs. H.A. Gerritsen van 30 november 2021, GZ-psycholoog R. Steinmann van 29 november 2021 en het rapport van Reclassering Nederland van 6 december 2021, evenals hetgeen de deskundigen ter terechtzitting van 27 december 2021 naar voren hebben gebracht. Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Daarnaast is sprake van verslavingsproblematiek. Volgens de deskundigen hebben de stoornissen van verdachte bijgedragen aan de totstandkoming van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten. Omdat verdachte vanuit zijn diagnose geen ander gedrag in zijn repertoire had dan vanuit angst en stress te kiezen voor het gebruik van geweld, adviseren de deskundigen om feit 1 en feit 2 in verminderde mate toe te rekenen. De onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten kunnen daarentegen volledig aan verdachte worden toegerekend, omdat de bij verdachte gevonden antisociale trekken niet zo ernstig van aard zijn dat hij hierin geen andere keuzes kon maken.

De rechtbank heeft voorts gelet op het reclasseringsrapport dat over verdachte is uitgebracht. De rapporteur adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en een maatregel als bedoeld in art 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de vorm van een contactverbod met de ex-vriendin, [slachtoffer] .

7.3.3

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten de oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen. In dat licht bezien, houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het dealen in zowel softdrugs als harddrugs over een periode van 7 maanden. De rechtbank houdt bovendien rekening met de samenloopbepaling van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank ziet géén aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank houdt er daarbij tevens rekening mee dat zij bij afzonderlijke beslissing de hervatting van de TBS-maatregel met verpleging van overheidswege heeft bevolen.

De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest opleggen. De rechtbank acht deze straf passend en geboden.

7.4

De in beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag van € 1.770,00 aan verdachte terug te geven en de witte iPhone verbeurd te verklaren.

De raadsman heeft zich voor wat betreft het in beslag genomen geldbedrag geconformeerd aan de vordering van de officier van justitie, omdat verdachte dit geld heeft gespaard middels zijn Wajong-uitkering. Over de in beslag genomen witte iPhone heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen geldbedrag van € 1.770,00 aan verdachte moet worden teruggeven. Omdat niet kan worden vastgesteld dat het gelbedrag geheel of ten dele door de handel in hennep en/of cocaïne is verkregen, is het geldbedrag niet vatbaar voor verbeurdverklaring. Omdat de overige gronden voor inbeslagneming uit artikel 94 Sv niet langer aan de orde zijn en het belang van strafvordering zich dus niet verzet tegen teruggave verzet, gelast de rechtbank de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de rechthebbende: verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen witte iPhone moeten worden verbeurd verklaard, omdat dit een voorwerp betreft met behulp van welke de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevoegd in dit strafproces en de raadsvrouw mr. C.C.A. Middelhuis, advocaat in Heerde, gemachtigd om namens haar ter terechtzitting het woord te voeren. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 3.271,89, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- sessie paardencoaching van Be&become voor psychische genezing/herstel € 114,95

- reiskosten € 82,94;

- huishoudelijke hulp/verzorging/begeleiding € 74,00.

Als immateriële schade is gevorderd een voorschot van € 3.000,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadeposten die zien op de sessie paardencoaching en de reiskosten toewijsbaar zijn, evenals de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij is volgens de officier van justitie in de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de kosten die zien op een sessie paardencoaching, de reiskosten die verband houden met deze sessie, de reiskosten met betrekking tot het verhoor bij de rechter-commissaris en de huishoudelijke hulp/verzorging/begeleiding afgewezen moeten worden. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade kan in de visie van de verdediging slechts een schadevergoeding worden toegewezen voor het opgelopen lichamelijk letsel. De verdediging refereert zich voor wat betreft de hoogte daarvan aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat dat door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks zowel materiële schade als immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Materiële schade

Omdat de opgevoerde schadepost van de reiskosten voor een bedrag van € 30,06 niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk is, zal de rechtbank het materieel gevorderde schadebedrag deels toewijzen tot een bedrag van € 30,06, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het stafbare feit is gepleegd.

Van de overige opgevoerde materiële schadeposten is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte die schade rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten aan de benadeelde partij heeft toegebracht, mede omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl de raadsman de omvang ervan gemotiveerd heeft betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid daarom niet bieden.

Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade, vanwege het opgelopen lichamelijk letsel, zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid leent voor een gedeeltelijke toewijzing. Voor aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek ziet de rechtbank geen onderbouwing. De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om de omvang van de immateriële schade wegens pijn en letsel te schatten. Hierbij houdt de rechtbank rekening met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank zal het gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van het meer of anders gevorderde

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De raadsman heeft zich hier niet tegen verzet.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 5 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en voorts de artikelen 33, 33a en 36f Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, het misdrijf: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en het misdrijf: diefstal,

feit 2, het misdrijf: mishandeling;

feit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 4, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten toe tot een bedrag van € 280,06 (tweehonderdtachtig euro en zes cent), bestaande uit € 30,06 aan materiële schade en € 250,-- aan immateriële schade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 280,06 (tweehonderdtachtig euro en zes cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2021 over een bedrag van € 250,-- en vanaf 20 december 2021 over

€ 30,06;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van (tweehonderdtachtig euro en zes cent), te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald;

- bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 (vijf) dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de in beslag genomen voorwerpen

- verklaart verbeurd de in beslag genomen witte iPhone;

- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.770,00;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2022.

Buiten staat

mr. J.T. Pouw is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Veluwe-Noord, met zaakregistratienummer PL0600-20211395635. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 24, tweede alinea onder ‘verklaring’, pagina 30, alinea’s 2, 3 en 5 en pagina 31, alinea 1 en 3.

3 Pagina’s 34 tot en met 51.

4 Pagina’s 59 tot en met 63.

5 Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting op 27 december 2021.

6 Pagina 29, zevende alinea, en pagina 30, tweede alinea.

7 Pagina 142, derde alinea onder ‘verklaring aangeefster’ en pagina 143, vierde alinea.

8 Pagina 144, derde alinea, pagina’s 145 tot en met 149, en pagina 151.

9 Pagina’s 155, 157, 158, 160, 161 en 162.

10 Pagina 173, eerste, tweede, vijfde, zevende, achtste alinea, en pagina 174, zevende alinea.

11 Pagina’s 175 en 176.

12 Zie het afzonderlijk opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van 10 december 2021, met proces-verbaalnummer PL0600-2021393446-15.

13 Pagina 120, zesde, zevende en achtste alinea.

14 Pagina’s 122 en 123.

15 Pagina 128, vijfde, zesde en zevende alinea, en 129, tweede alinea.

16 Pagina’s 130 tot en met 133.

17 Pagina’s 120 e.v.

18 HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5848.