Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:2490

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
01-09-2022
Zaaknummer
9286671 \ CV EXPL 21-2677
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2022:902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurprijsvermindering in verband met de gevolgen van de coronapandemie. Vervolg op ECLI:NL:RBOVE:2022:902.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 9286671 \ CV EXPL 21-2677

Vonnis van 23 augustus 2022

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser 7],

wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk te noemen [de erven] ,

gemachtigde: mr. E. Speich,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MNFLD B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,

hierna te noemen Manfield,

gemachtigde: mr. A. de Fouw.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 maart 2022

- de akte uitlaten van Manfield

- de akte van [de erven] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis van 29 maart 2022 (hierna te noemen: het tussenvonnis) is Manfield in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of bij de berekening van de huurprijsvermindering over de maanden januari en februari 2021 uitgegaan kan worden van de hypothetische situatie dat zij over die maanden TVL heeft ontvangen, althans over eventueel inmiddels verkregen duidelijkheid op het punt van de TVL-aanvraag. De kantonrechter heeft Manfield in dat vonnis tevens opgedragen aan te geven hoe het door haar genoemde bedrag van € 38.161.067,00 aan totale vaste lasten van de groep precies is opgebouwd en op grond waarvan moet worden aangenomen dat de betreffende afzonderlijke posten tot de vaste lasten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 dienen te worden gerekend. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat aannemelijk is dat de kosten voor de webshop in die bedrijfslasten zijn opgenomen, terwijl dat niet redelijk is als met de (toegenomen) omzet van die webshop geen rekening wordt gehouden.

2.2.

Manfield heeft vervolgens bij akte duidelijk gemaakt dat de TVL-aanvraag van de groep voor het eerste kwartaal van 2021 is afgewezen, dat zij tegen die beslissing bezwaar heeft gemaakt en dat, hoewel geenszins vaststaat dat dat bezwaar wordt gehonoreerd, zij ermee akkoord is om in deze procedure ervan uit te gaan dat zij in het eerste kwartaal van 2021 € 600.000,00 aan TVL heeft ontvangen.

2.3.

[de erven] hebben naar aanleiding hiervan betoogd dat de groep in het eerste kwartaal van 2021 niet op € 600.000,00 maar op € 900.000,00 aan overheidssteun aanspraak kan maken, aangezien de TVL voor de detailhandelsector in dat eerste kwartaal werd aangevuld met de ‘Voorraadsubsidie Gesloten Detailhandel’ (VGD). De kantonrechter beschouwt deze stelling van [de erven] als een nieuw feit dat zij aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Gelet op artikel 130 Rv laat de kantonrechter dit nieuwe feit buiten beschouwing. Manfield kan hier immers niet meer op reageren. Weliswaar zou de kantonrechter een beslissing op de vorderingen van partijen andermaal kunnen aanhouden om Manfield in de gelegenheid te stellen om alsnog op de betreffende stelling te reageren, maar daar ziet de kantonrechter omwille van een goede procesorde vanaf, want er moet aan deze procedure eens een einde komen (litis finiri oportet). Indien zou komen vast te staan dat Manfield daadwerkelijk aanspraak op de VGD kan maken, zou wel geredeneerd kunnen worden dat de VGD een voordeel in de bedrijfsexploitatie van de huurder oplevert ter compensatie van door corona geleden nadeel, waardoor de verstoring van de waardeverhouding tussen de prestaties van de huurder en de verhuurder als gevolg van de overheidsmaatregelen in enige mate wordt gecorrigeerd, zodat er – gelet op rechtsoverweging 3.2.5 van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021 – wat voor te zeggen valt om daarmee bij de berekening van de huurprijsvermindering rekening te houden. Maar partijen dienen dan eerst standpunten in te nemen over de manier waarop dan met die VGD rekening gehouden zou moeten worden, want de VGD is immers niet bedoeld als een tegemoetkoming voor de vaste lasten, zodat de vraag kan worden gesteld of en in hoeverre de berekeningsformule van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021 hiervoor uitkomst kan bieden. De kantonrechter gaat het debat tussen partijen hiervoor niet heropenen, omdat [de erven] dit feit al vóór het laatste tussenvonnis van 29 maart 2022, namelijk in hun akte van 18 januari 2022, hadden kunnen aanvoeren, zodat Manfield hierop nog had kunnen reageren, terwijl het effect van een eventuele VGD (maximaal € 300.000,00 voor het hele concern) op de huurprijsvermindering over de maanden januari en februari 2021 betrekkelijk gering wordt ingeschat. Dit betekent dat de kantonrechter bij zijn standpunt blijft dat moet worden uitgegaan van een TVL van € 600.000,00 voor het eerste kwartaal van 2021 en dus van een TVL van € 200.000,00 per maand voor de maanden januari en februari 2021.

2.4.

Wat betreft het bedrag van € 38.161.067,00 aan vaste lasten heeft Manfield zich in haar akte onder verwijzing naar de definitie van het begrip ‘vaste lasten’ in de TVL-regeling op het standpunt gesteld dat deze de afschrijvingen op vaste activa en de overige bedrijfskosten, niet zijnde de inkoopwaarde van de omzet en arbeidskosten, betreffen. Volgens Manfield bestaan deze lasten dus uit de posten ‘afschrijvingen’, ‘overige bedrijfskosten’ – zijnde onder meer overige personeelskosten en verkoopkosten – en ‘rentelasten en soortgelijke posten’, die te vinden zijn op pagina 30 en 31 van de door haar als productie 13 overgelegde jaarstukken.

2.5.

[de erven] stellen zich op het standpunt dat Manfield bij de vaste lasten diverse posten heeft betrokken die volgens de vastelastenmethode van de Hoge Raad niet relevant zijn. Zij voeren daartoe aan dat rechters tegenwoordig een instructie voor de berekening van de huurkorting hanteren waarin vermeld staat dat als vaste lasten mogen worden meegenomen huur, servicekosten, onderhoud, verzekeringen, leasecontracten en abonnementen. [de erven] menen dan ook dat alle andere posten buiten beschouwing moeten worden gelaten. Volgens [de erven] is het ook onjuist om aansluiting te zoeken bij de definitie van vaste lasten in de TVL-regeling, aangezien die definitie alleen weergeeft hoe de TVL wordt berekend en dit niet maakt dat deze definitie ook geldt voor de berekening van de huurkorting.

2.6.

De kantonrechter is van oordeel dat voor wat betreft het door de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021 genoemde ‘totaalbedrag aan vaste lasten’ wel degelijk aansluiting kan worden gezocht bij de definitie van vaste lasten in de TVL-regeling. Op grond van het betreffende arrest dient immers ter berekening van de huurkorting de overeengekomen huurprijs uitgedrukt te worden in een percentage van het totaalbedrag aan vaste lasten, waarna het met dat percentage overeenstemmende deel van de TVL waarop de huurder aanspraak kan maken, wordt afgetrokken van het bedrag van de overeengekomen huurprijs. Aldus wordt berekend welk deel van de TVL betrekking heeft op de huur en de kantonrechter acht het daarom niet juist om bij het uitdrukken van de huurprijs in een percentage van de totale vaste lasten een enger begrip ‘vaste lasten’ te hanteren dan bij het bepalen van de TVL. De kantonrechter gaat er dus van uit dat het totaalbedrag aan vaste lasten inderdaad de afschrijvingen op vaste activa en de overige bedrijfskosten, niet zijnde de inkoopwaarde van de omzet en arbeidskosten, betreft. De stelling van [de erven] dat bij het bepalen van de vaste lasten de afschrijvingen, de (overige) personeelskosten, de verkoopkosten en de rente buiten beschouwing moeten worden gelaten, wordt daarom gepasseerd.

2.7.

[de erven] hebben nog aangevoerd dat Manfield inzage had moeten geven in de vaste lasten per maand in plaats van per jaar, maar de kantonrechter acht het in de gegeven omstandigheden afdoende dat een opgave is gedaan van de vaste lasten per jaar. Manfield maakt immers deel uit van een concern dat meerdere winkelketens exploiteert en van haar hoefde dan ook niet verwacht te worden dat zij de vaste lasten per maand zou uitsplitsen. Overigens is ook aannemelijk dat het overgrote deel van de door Manfield als vaste lasten opgevoerde posten een vast bedrag per maand aan kosten tot gevolg heeft.

2.8.

De kantonrechter passeert eveneens de stelling van [de erven] dat Manfield de post afschrijvingen nader had moeten onderbouwen en dat de (overige) personeelskosten worden gedekt door de NOW-regeling. Niet valt namelijk in te zien wat de meerwaarde is van het nader onderbouwen van de afschrijvingen, terwijl uit de door Manfield overgelegde jaarstukken duidelijk is af te leiden dat de overige personeelskosten juist niet zien op loonkosten, waarvoor de NOW-regeling bedoeld is.

2.9.

Ten aanzien van de aan de webshop toe te rekenen vaste lasten heeft Manfield onder verwijzing naar een verklaring van haar accountant tot slot toegelicht dat deze

€ 9.763.614,00 bedragen. Manfield heeft deze lasten in mindering gebracht op het voornoemde bedrag van € 38.161.067,00, zodat zij bij de berekening van de huurprijskorting uitgaat van een totaalbedrag aan vaste lasten van € 28.397.453,00 per jaar, zijnde € 2.366.454,42 per maand. Afgezet tegen een huurprijs van € 8.459,68 per maand, maakt de huur over de maanden januari en februari 2021 volgens Manfield dus 0,3574 % uit van de totale vaste lasten. Vermenigvuldigd met een TVL-bedrag van € 200.000,00 per maand kan daarom een TVL-bedrag van € 715,00 per maand worden toegerekend aan de huurlasten over die maanden, zodat dit resulteert in een huur van € 7.744,68. Dit leidt over de maand januari 2021 tot een huurkorting van € 3.872,34 en over de maand februari 2021 tot een huurkorting van € 3.825,87, aldus steeds Manfield.

2.10.

[de erven] menen kennelijk dat Manfield niet alle vaste lasten die zijn toe te rekenen aan de webshop in haar berekening van het bedrag van € 9.763.614,00 heeft meegenomen en betogen dat slechts gerekend moet worden met een bedrag van € 19.862.798,00 per jaar aan vaste lasten. Aangezien zij dit standpunt onvoldoende hebben toegelicht en de berekening van het bedrag van € 9.763.614,00 wordt ondersteund door een verklaring van de accountant van Manfield, gaat de kantonrechter ook aan dit verweer voorbij. De kantonrechter gaat er dus van uit dat de totale vaste lasten van de groep minus de vaste lasten die betrekking hebben op de webshop inderdaad € 28.397.453,00 per jaar bedragen, zijnde € 2.366.454,42 per maand.

2.11.

Dit leidt ertoe dat de maandelijkse huur over de maanden januari en februari 2021 van € 8.459,68 0,3575% van de totale vaste lasten uitmaakt en dat van de TVL inderdaad een bedrag van € 715,00 per maand kan worden toegerekend aan de huurlasten. Uitgaande van de omzetvermindering die kan worden afgeleid uit de als productie 8 en 11 door Manfield overgelegde overzichten, komt de huurprijsvermindering over de maanden januari en februari 2021 daarmee conform de formule uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 uit op het volgende:

maand

Omzetvermindering

in %

huurprijs - TVL

(huurprijs – TVL) x percentage omzetvermindering x 50%

in euro’s

huurprijsvermindering

in %

januari

100

7.744,68

3.872,34

45,77

februari

98,8

7.744,68

3.825,87

45,22

2.12.

Manfield is dus over de maanden januari en februari 2021 respectievelijk

€ 4.587,34 en € 4.633,81 aan huur aan [de erven] verschuldigd. Over de maanden april en mei 2020 is dit, gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen, respectievelijk

€ 5.194,24 en € 6.357,45. In totaal diende Manfield dus over de maanden april en mei 2020 en januari en februari 2021 € 20.772,84 aan huur te voldoen. Daarvan heeft zij € 16.919,36
(4 x € 4.229,84) betaald, zodat [de erven] in conventie nog aanspraak zouden kunnen maken op € 3.853,48. Manfield kan over de maanden maart, juni, augustus, oktober, november en december 2020 echter aanspraak maken op een huurkorting van in totaal

€ 9.174,52 (€ 2.398,32 + 617,56 + 431,44 + 727,53 + 1.793,45 + 3.206,22) en heeft in conventie (impliciet) een beroep gedaan op verrekening, welk beroep slaagt. Dit betekent dat de gehele in conventie gevorderde huurachterstand moet worden afgewezen, net als de in conventie gevorderde contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. In reconventie zullen de primaire vorderingen van Manfield op de hierna in het dictum genoemde wijze worden toegewezen. Voor een matiging van de huurkorting, waar [de erven] nog om hebben verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding.

2.13.

Omdat [de erven] zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk worden gesteld, zullen zij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Van nodeloos door Manfield veroorzaakte aktewisselingen is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, zodat geen aanleiding wordt gezien om de kosten van die aktes voor rekening van Manfield te laten komen. De kosten in conventie zullen dus tot op heden aan de zijde van Manfield worden begroot op een bedrag van € 1.119,00 aan salaris gemachtigde (3 salarispunten x tarief € 373,00) en in reconventie op een bedrag van € 747,00 aan salaris gemachtigde (3 salarispunten x tarief € 498,00 x 0,5). In conventie en reconventie is daarnaast in totaal een bedrag van € 124,00 aan nakosten toewijsbaar.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

wijs de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [de erven] in de kosten van de procedure in conventie, aan de zijde van Manfield begroot op een bedrag van € 1.119,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

in reconventie

3.3.

verklaart voor recht dat Manfield voor de maanden maart 2020 tot en met februari 2021 maandelijks de overeengekomen huurprijs is verschuldigd verminderd met de volgende percentages:

- 28,35% voor de maand maart 2020;

- 38,60% voor de maand april 2020;

- 24,85% voor de maand mei 2020;

- 7,30% voor de maand juni 2020;

- 0% voor de maand juli 2020;

- 5,10% voor de maand augustus 2020;

- 0% voor de maand september 2020;

- 8,60% voor de maand oktober 2020;

- 21,20% voor de maand november 2020;

- 37,90% voor de maand december 2020;

- 45,77% voor de maand januari 2021;

- 45,22% voor de maand februari 2021;

3.4.

wijzigt de huurovereenkomst tussen Manfield en [de erven] ter zake van de winkelruimte aan de Korte Bisschopstraat 7-9 te Deventer in die zin dat de huurprijs voor de maanden maart 2020 tot en met februari 2021 zal worden verminderd met de hiervoor onder 3.3 genoemde percentages;

3.5.

veroordeelt [de erven] in de kosten van de procedure in reconventie, aan de zijde van Manfield begroot op een bedrag van € 747,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

3.6.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in conventie en reconventie

3.8.

veroordeelt [de erven] in de nakosten ten bedrage van € 124,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling;

3.9.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.

(DM(O)