Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:2399

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-08-2022
Datum publicatie
23-08-2022
Zaaknummer
08.176433.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 20-jarige man tot een taakstraf van 150 uur en een rijontzegging van 16 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het veroorzaken van een verkeersongeluk. De man dronk bijna zes keer zoveel alcohol als toegestaan als beginnend bestuurder. Hij reed in zijn auto met 3 passagiers met 80 tot 100 kilometer per uur tegen een boom. Twee van de drie passagiers raakten gewond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.176433.20 (P)

Datum vonnis: 23 augustus 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Grooters en van wat door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: als beginnend bestuurder van zijn auto, terwijl hij onder invloed was van alcohol, een ongeval heeft veroorzaakt waarbij anderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen of lichamelijk letsel waardoor die anderen tijdelijk hun normale bezigheden niet konden uitoefenen;

feit 1 subsidiair: zodanig met zijn auto heeft gereden dat daardoor gevaar of hinder op de weg werd of kon zijn ontstaan;

feit 2: als beginnend bestuurder een auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed was van alcohol.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 omstreeks 01:48 uur te Saasveld, althans in de gemeente Dinkelland, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (Gunnerstraat),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, over voornoemde Gunnerstraat met een snelheid té hoog voor een veilig verkeer ter plaatse te rijden en/of

gekomen in een flauwe bocht naar rechts (vlak voor de Plegtsweg) zijn motorrijtuig niet onder controle te houden en/of

(daarbij) niet het verloop van de rijbaan te volgen en/of (vervolgens) forntaal op een - links in de berm staande - boom te botsen en/of te rijden, waardoor (een) ander(en) (genaamd [naam 1] en/of [naam 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 juni 2020 omstreeks 01:48 uur te Saasveld, althans in de gemeente Dinkelland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Gunnerstraat, met een snelheid té hoog voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden en/of

gekomen in een flauwe bocht naar rechts (vlak voor de Plegtsweg) zijn motorrijtuig niet onder controle heeft gehouden en/of heeft kunnen houden en/of

(daarbij) niet het verloop van de rijbaan heeft gevolgd en/of

(vervolgens) forntaal op een - links in de berm staande - boom is gebotst en/of gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 14 juni 2020 omstreeks 01:48 uur te Saasveld, althans in gemeente Dinkelland, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd

na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,19 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdachte

Verdachte bekent de hem tenlastegelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door hem geen vrijspraak is bepleit –

conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

1.

Het proces-verbaal ter terechtzitting van 9 augustus 2022, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

2.

Het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse van 6 november 2020, pagina 9.1 – 9.9;

3.

Het proces-verbaal rijden onder invloed, met bijlagen, van 4 september 2020, pagina 16-22;

4.

Een schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai uit de registers van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) betreffende het rijbewijs van verdachte van 20 augustus 2020, pagina 30;

5.

Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van 25 juni 2020, opgemaakt door W.A. Ten Cate, arts, pagina 35;

6.

Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring van 3 juli 2020, opgemaakt door R. Frankhuisen, huisarts, pagina 36 – 38.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 14 juni 2020 omstreeks 01:48 uur in de gemeente Dinkelland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Gunnerstraat,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig over voornoemde Gunnerstraat met een snelheid te hoog voor een veilig verkeer ter plaatse te rijden en, gekomen in een flauwe bocht naar rechts, vlak voor de Plegtsweg, zijn motorrijtuig niet onder controle te houden en daarbij niet het verloop van de rijbaan te volgen en vervolgens frontaal tegen een - links in de berm staande - boom te botsen, waardoor aan anderen, genaamd [naam 1] en [naam 2] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 14 juni 2020 omstreeks 01:48 uur in gemeente Dinkelland, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,19 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 175 en 176 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

Het bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van:

feit 1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 eerste of tweede lid, van deze wet

en

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft oplegging gevorderd van een taakstraf van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest.

7.2

Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat een taakstraf moeilijk te combineren zal zijn met zijn baan. Een geldboete zou hij liever ook niet opgelegd krijgen omdat hij maandelijks € 500,-- aflost op de vordering van de ziektekostenverzekering voor de ziektekosten die de slachtoffers van het ongeval hebben gemaakt, tot een totaalbedrag van € 15.753,00.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Strafbare feiten

Verdachte was een beginnend bestuurder, hij had sinds vijftien maanden zijn rijbewijs, toen hij na het drinken van bijna zes keer meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol een ongeval veroorzaakte. Hij reed in zijn auto, met drie vrienden als passagier, aan het begin van de nacht met een snelheid van naar zijn eigen schatting 80 tot 100 tot kilometer per uur tegen een boom, in de bocht van de weg waar de maximale snelheid 60 kilometer per uur bedroeg. Daarbij raakten twee van de drie passagiers zodanig gewond dat zij ongeveer een maand niet hebben kunnen werken.

De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor de keuzes die hij voorafgaand aan dit ongeval heeft gemaakt: bier drinken zonder te tellen hoeveel dat er waren en of hij daarmee nog mocht rijden, terwijl hij van plan was daarna zijn auto te besturen en vervolgens in de nacht, op een onoverzichtelijke 60 km weg, met veel te hoge snelheid te rijden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich niets heeft aangetrokken van de risico’s die hij daarmee nam en de gevaren die dat kon opleveren.

Persoon verdachte

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de schuldbewuste indruk die verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt. Verdachte lijkt het verkeerde van zijn gedrag in te zien. Hij heeft de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) gevolgd en zegt daarvan te hebben geleerd. Hij heeft in de lange tijd tussen het ongeval en de dag van de zitting nog vaak aan het ongeval gedacht en zich gerealiseerd dat het een groot geluk is dat zijn vrienden, de passagiers, en hijzelf door de botsing geen zwaarder lichamelijk letsel hebben opgelopen dan wel de dood hebben gevonden. Hij heeft met zijn vrienden nog steeds contact. Hij is voor de ziektekosten aangesproken en betaalt daarop maandelijks € 500,00 af, tot een totaalbedrag van € 15.753,00.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 7 juli 2022 volgt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest. Ook dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee. De rechtbank houdt, gelet op het bepaalde in artikel 63 Sr, rekening met de aan verdachte opgelegde strafbeschikking van 28 juni 2021.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Verdachte heeft verklaard dat hij, vanaf het moment dat het ongeval heeft plaatsgevonden op 14 juni 2020, er rekening mee heeft gehouden dat hij strafrechtelijk vervolgd zou worden. De rechtbank merkt die datum daarom aan als begin van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn.

Als uitgangspunt geldt dat het geding met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan worden gedacht aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Deze zaak heeft voor het eerst op zitting gestaan op 9 augustus 2022 en is toen inhoudelijk behandeld. Op 23 augustus 2022 wordt uitspraak gedaan. In dit geval heeft de behandeling van de zaak langer dan twee jaren geduurd, namelijk twee jaren en ruim twee maanden. De redelijke termijn is dan ook met ruim twee maanden overschreden. De oorzaak voor de duur van dit strafproces lag buiten de invloedssfeer van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval een strafvermindering rechtvaardigt.

Overige strafmaatoverwegingen

Bij het bepalen van de duur en modaliteit van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank de eis van de officier van justitie en de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen. Deze oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld, met als gevolg lichamelijk letsel van een slachtoffer met tijdelijke ziekte en waarbij sprake is van de strafverzwarende omstandigheid van rijden onder invloed van alcohol met een promillage van minder dan 1,3, een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.

In beginsel acht de rechtbank, alles in aanmerking nemend, een taakstraf van 160 uren passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze taakstraf matigen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast moet worden opgelegd een ontzegging van de rijbevoegdheid van zestien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De tijd waarin het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest wordt op de duur van de ontzegging in mindering gebracht.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr en de artikelen 6, 8, 175, 176, 179 WVW 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1 primair het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 eerste of tweede lid, van deze wet

en

feit 2 het misdrijf: overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en onder 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 16 (zestien) maanden, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, afgetrokken wordt van de duur van de ontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Rikken, voorzitter, mr. H. Stam en

mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockotter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2020270778, gesloten op 28 augustus 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.