Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:23

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-01-2022
Datum publicatie
10-01-2022
Zaaknummer
08-997031-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een transportbedrijf tot het betalen van een geldboete van 25.000 euro. In een periode van vijf jaren maakte het bedrijf zich schuldig aan meerdere strafbare feiten. Zo maakte het bedrijf valselijk vervoersbewijzen dierlijke meststoffen op en deze opgestuurd naar Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland. Daarnaast heeft het bedrijf tientallen vrachten met uienwater en proceswater afgegeven aan een bedrijf dat niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-997031-18 (P)

Datum vonnis: 10 januari 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.,

gevestigd aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 december 2021, 7 december 2021 en 27 december 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P. van der Vliet en van wat door de wettelijke vertegenwoordiger van verdachte, de heer [medeverdachte 2] , en de raadslieden mr. M.G. Pekkeriet en mr. A.C. Huisman, advocaten te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1 en feit 4: samen met anderen of alleen zogenoemde ‘vervoersbewijzen dierlijke meststoffen’ (VDM’s) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken;

- feit 2 en feit 5: samen met anderen of alleen opzettelijk van die valselijk opgemaakte en/of vervalste VDM’s gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken;

- feit 3: zich samen met anderen of alleen, al dan niet opzettelijk, heeft ontdaan van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater, door afgifte aan Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 te ‘t Loo gemeente Oldebroek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

14, althans een groot aantal, geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, waaronder

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

03 september 2014, nummer [nummer 1] , (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

03 september 2014, nummer [nummer 1] , (pag 1455 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 240 ton mest, gedateerd op

28 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 504 ton mest, gedateerd op

31 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

05 september 2014, nummer [nummer 1] , (pag 2400, ordner 8 ZD 1.4), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

05 september 2014, nummer [nummer 1] ,(pag 2403, ordner 8 ZD 1.4),

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of gelost op de losplaats met postcode [adres 3] ( [maatschap 2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] ( [maatschap 2] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en/of

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen en/of te doen invullen dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ),

dit terwijl in alle voornoemde gevallen in het geheel geen mest was afgevoerd,

met het oogmerk om die vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

(overige VDM’s zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM’s zaak ZD1.4 pag 2404, 2409 en 2412)

2.

Zij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 september 2014 tot en met 9 september 2015 te ‘t Loo, gemeente Oldebroek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van 14, althans een groot aantal, valselijk opgemaakte geschrift(en) en/of vervalst(e) geschrift(en),

dat (die) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als was/waren deze echt en onvervalst, door, waaronder,

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, (pag 1452 ordner 5 ZD 1.1),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden aan en/of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1557 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 03 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, (pag 1455 ordner 5 ZD 1.1),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1551 ordner 5 ZD 1.1), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (ongeveer 240 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 2] was, (pag 1701 Ordner 6 ZD 1.2)

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 1705 ordner 6 ZD 1.2), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (ongeveer 504 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] , en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 2] was, (pag 2126, Ordner 7 ZD 1.3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) (pag 2130 ordner 7 ZD 1.3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, (Pag 2400, ordner 8 ZD 1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2501 ordner 8 ZD 1.4, pag 2501), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 05 september 2014, nummer [nummer 1] , (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd, naar en/of was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en/of dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, (Pag 2403, ordner 8 ZD 1.4),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (pag 2497 ordner 8 ZD 1.4);

(overige VDM’s zaak ZD1.1 pag 1458, 1462, 1464, 1467 en 1470. Overige VDM’s zaak ZD1.4 pag 2406, 2409 en 2412)

3.

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 januari 2016 tot en met

12 mei 2017 te Oosterzee, gemeente De Friese Meren, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk,

zich door afgifte aan een ander, te weten Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en/of proceswater heeft ontdaan;

4.

Zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2018 tot en met

23 maart 2019 te ’t Loo, gemeente Oldebroek en/of te Wildervank, gemeente Veendam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

989, althans 12, althans een groot aantal, geschrift(en) dat/ die bestemd was/waren om tot bewijs van enig te dienen, waaronder

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 08 februari 2019, nummer [nummer 1] , (pag 4042, Ordner 12 zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , (pag 4045, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4048, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4051, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4054, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4056, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4059, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4061, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4064, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4067, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer 1] , (pag 4070, Ordner 12, zaak ZD3), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] , (pag 4073, Ordner 12, zaak ZD03),

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken door

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 08 februari 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 3] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 3] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 3] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 3] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 4] , en/of

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 4] , en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 4] , en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen en/of doen invullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] was vervoerd en/of gelost bij afnemer [maatschap 4] ,

dit terwijl in alle voornoemde gevallen de mest geen pure vleesvarkensmest betrof en derhalve de onjuiste mestcode was vermeld,

met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5.

Zij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2018 tot en met

23 april 2019 te ’t Loo, gemeente Oldebroek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt en/of gebruik heeft doen maken van 989, althans 12, althans een groot aantal, valse gschrift(en) en/of vervalst(e) geschrift(en),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als was/waren deze echt en onvervalst, door, waaronder,

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 08 februari 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] (pag 4042, Ordner 12 zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 1480), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , (pag 4045, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 2078), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , (pag 4048, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 899), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , (pag 4051, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 864), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , (pag 4054, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 177), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 01 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , (pag 4056, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 11), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , (pag 4059, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 309), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , (pag 4061, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 334), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , (pag 4064, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 383), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , (pag 4067, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 173), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , (pag 4070, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 89), en/of

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , (pag 4073, Ordner 12, zaak ZD3),

te verzenden of doen verzenden aan, althans ter beschikking te stellen/te melden of ter beschikking doen stellen/doen melden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), (PV 524-B01 201672621 excelbestand regel 1339).

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank stelt voorop dat de dagvaarding op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een opgave behelst van het feit dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het zou zijn begaan, alsmede met vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.

Bij de uitleg van deze bepaling staat de vraag centraal of de verdachte op basis van de tenlastelegging weet waartegen hij zich moet verdedigen. Ook voor de rechter moet de tenlastelegging begrijpelijk zijn. De eis van ‘opgave van het feit’ wordt zo uitgelegd dat het geheel in de eerste plaats duidelijk en begrijpelijk moet zijn, in de tweede plaats niet innerlijk tegenstrijdig en in de derde plaats voldoende feitelijk.

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota het standpunt ingenomen dat de dagvaarding voor zover het de feiten 1 en 2 betreft nietig is op het onderdeel “een groot aantal” en ook voor wat betreft de slechts bij paginanummers – en aldus als zogenoemde ‘ad info’-feiten – aangeduide VDM’s, die onderaan de feiten 1 en 2 staan genoemd.

De rechtbank overweegt dat, mede gelet op de door de raadslieden gevoerde verweren, niet is gebleken dat verdachte in haar verdediging is geschaad door het gebruik van de terminologie “een groot aantal”. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook geen onduidelijkheid bestaan over de vraag welke feiten aan verdachte ten laste worden gelegd, nu de tenlastelegging op dit punt voldoende duidelijk en voldoende bepaald is.

De rechtbank overweegt voorts dat het volgens vaste jurisprudentie is toegestaan om de tenlastelegging vorm te geven op de wijze waarop dat voor de feiten 1 en 2 is gebeurd, te weten door naast de uitgewerkte VDM’s een aantal louter bij paginanummers aangeduide VDM’s op te nemen als onderdeel van de tenlastelegging.

Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte in staat worden geacht om zich op basis van deze tenlastelegging goed te verdedigen, nu hetgeen haar wordt verweten voldoende duidelijk kan worden vastgesteld door dit onderdeel van de tenlastelegging in onderlinge samenhang te bezien met de in de tenlastelegging uitgewerkte VDM’s en de inhoud van het dossier. De rechtbank is dus van oordeel dat de tenlastelegging ook op dit punt voldoende feitelijk en begrijpelijk is, en dat geen onduidelijkheid kan bestaan over de vraag welke feiten aan verdachte ten laste worden gelegd.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook voor het overige geldig is.

3.2

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Daartoe hebben de raadslieden met betrekking tot de feiten 1 en 2 onder meer aangevoerd dat bepaalde verklaringen met de nodige terughoudendheid moeten worden bekeken, waaronder die van [getuige 6] , dat verdachte noch op papier, noch in realiteit betrokken was bij het vervoer en dat het opzet van verdachte ontbreekt.

Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat de rol van verdachte onvoldoende duidelijk is geworden.

Met betrekking tot de feiten 4 en 5 is aangevoerd dat enig bewijs dat een onjuiste mestcode is gebruikt ontbreekt, dat VDM’s mogelijk onvolledig maar niet onjuist zijn ingevuld, zodat niet kan worden gesproken van valsheid en dat het opzet van verdachte op die valsheid ontbreekt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Feiten 1 en 2

4.3.1.1 De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzittingen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Boeren die te veel dierlijke meststoffen binnen hun bedrijf produceren mogen – onder voorwaarden – 25% van hun dierlijke mest (in kg’s fosfaat) rechtstreeks afvoeren naar een boer binnen een straal van 10 kilometer zonder deze te hoeven wegen, bemonsteren en analyseren. Dit wordt ook wel ‘boer-boer transport’ genoemd.

Op 13 juni 2019 zijn tijdens een doorzoeking zeven originele VDM’s aangetroffen in een ordner met het opschrift “ [verdacht bedrijf] B.V. Mestbonnen 2014”. Het gaat om de VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] .2

Uit de gegevens van de desbetreffende VDM’s kan worden afgeleid dat op 3 september 2014 boer-boer transporten (daar staat opmerkingscode 32 voor3) hebben plaatsgevonden, waarbij steeds 36 ton mest is afgevoerd van [maatschap 5] naar [maatschap 1] . Als postcode van de losplaats is steeds ‘ [adres 2] ’ ingevuld.4

Tijdens de doorzoeking is voorts een ‘machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest’ aangetroffen5, waarmee [verdacht bedrijf] B.V. wordt gemachtigd om namens [maatschap 5] te tekenen voor afvoer van dierlijke meststoffen op het VDM.6

Uit informatie van de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) blijkt dat de VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] zijn ingediend door [verdacht bedrijf] B.V. Daarnaast staat [verdacht bedrijf] B.V. steeds genoemd als vervoerder.7

Er is op naam van [bedrijf 3] (met daarbij vermeld KvK-nummer [nummer 2] ) een factuur gestuurd naar [maatschap 5] met de omschrijving: ‘Mest afgevoerd (vloeibaar)’.8

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] , vertegenwoordiger van [medeverdachte 2] , het boer-boer transport in 2014 heeft geregeld.9 [medeverdachte 1] heeft voorgesteld om de mest naar [maatschap 1] te brengen.10 De mest is echter niet uitgereden en gelost, maar is in de put gebleven. [medeverdachte 1] is met deze oplossing gekomen en [maatschap 5] heeft daar toestemming voor gegeven. [medeverdachte 2] heeft alles geregeld en daar heeft [maatschap 5] een vergoeding voor betaald.11 De VDM’s zijn door [medeverdachte 1] ingevuld of door iemand die voor hem werkt. Daar heeft [maatschap 5] een machtiging voor afgegeven.12 [medeverdachte 1] heeft ook geregeld dat de VDM’s bij de RVO zijn ingediend. [maatschap 5] heeft ook daar een machtiging voor gegeven.13

Tijdens de doorzoeking is voorts een originele VDM (met daarachter een verzamel VDM met twaalf transporten) aangetroffen in een ordner met het opschrift “ [verdacht bedrijf] B.V. Mestbonnen 2015”. Het gaat om het VDM met nummer [nummer 1] .14

Uit de gegevens van het desbetreffende VDM kan worden afgeleid dat op 28 augustus 2015 boer-boer transporten (daar staat opmerkingscode 32 voor15) hebben plaatsgevonden, waarbij in totaal 240 ton mest is afgevoerd van [maatschap 6] naar [maatschap 2] . Als postcode van de losplaats is ‘ [adres 3] ’ ingevuld.16

Tijdens de doorzoeking is ook een ‘machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest’ aangetroffen17, waarmee [verdacht bedrijf] B.V. wordt gemachtigd om namens [maatschap 6] te tekenen voor afvoer en aanvoer van dierlijke meststoffen op het VDM.18

Uit informatie van de RVO blijkt dat het VDM met nummer [nummer 1] is ingediend door [verdacht bedrijf] B.V.19

Er is op naam van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. een tweetal facturen gestuurd naar [maatschap 6] met de omschrijving: ‘Mest afgevoerd (vloeibaar)’.20

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij in 2015 boer-boer transporten heeft laten regelen door [medeverdachte 1] , vertegenwoordiger bij [medeverdachte 2] .21 [getuige 2] heeft voorts gezegd dat in 2015 geen mest is uitgereden en gelost op het land van [maatschap 1] .22 Op papier was de losplaats op postcode [adres 3] . [medeverdachte 1] heeft per mail een kaart van dit perceel gestuurd. Anders dan op papier staat, is geen 240 ton mest gelost op de genoemde/weergegeven losplaats. De mest is in de put gebleven of op het eigen terrein gelost.23 Ze hebben het op papier proberen te regelen, maar de mest is niet afgevoerd. [getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] met het idee is gekomen om het op die manier te doen.24 [medeverdachte 1] zou regelen dat het VDM naar de RVO wordt gestuurd.25

Tijdens de doorzoeking is nog een originele VDM (met daarachter een verzamel VDM met veertien transporten) aangetroffen in de ordner met het opschrift “ [verdacht bedrijf] B.V. Mestbonnen 2015”. Het gaat om het VDM met nummer [nummer 1] .26

Uit de gegevens van het desbetreffende VDM kan worden afgeleid dat op 31 augustus 2015 boer-boer transporten (daar staat opmerkingscode 32 voor27) hebben plaatsgevonden, waarbij in totaal 504 ton mest is afgevoerd van [maatschap 7] naar [maatschap 2] . Als postcode van de losplaats is ‘ [adres 3] ingevuld’.28

Tijdens de doorzoeking is ook een ‘machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest’ aangetroffen29, waarmee [verdacht bedrijf] B.V. wordt gemachtigd om namens [maatschap 7] te tekenen voor afvoer en aanvoer van dierlijke meststoffen op het VDM.30

Uit informatie van de RVO blijkt dat het VDM met nummer [nummer 1] is ingediend door [verdacht bedrijf] B.V.31

Er is op naam van [medeverdacht bedrijf 1] B.V. een factuur gestuurd naar [maatschap 7] met de omschrijving: ‘Mest afgevoerd (vloeibaar)’.32

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat er in 2015 alleen via [medeverdachte 2] boer-boer transporten zijn geweest.33 De contactpersoon bij [medeverdachte 2] is [medeverdachte 1] .34 Hij weet niet waar de mest is gelost. Er is een boete opgelegd en die boete is geaccepteerd.35

Tijdens de doorzoeking van 13 juni 2019 zijn ook nog vijf originele VDM’s aangetroffen in een verhuisdoos waarop de naam van [getuige 4] stond vermeld. Het gaat om de VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] .36

Uit de gegevens van de desbetreffende VDM’s kan worden afgeleid dat op 5 september 2014 boer-boer transporten (daar staat opmerkingscode 32 voor37) hebben plaatsgevonden, waarbij steeds 36 ton mest is afgevoerd van [maatschap 8] naar [maatschap 1] . Als postcode van de losplaats is steeds ‘ [adres 2] ’ ingevuld.38

Tijdens de doorzoeking is ook een ‘machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest’ aangetroffen39, waarmee [verdacht bedrijf] B.V. wordt gemachtigd om namens [maatschap 8] te tekenen voor afvoer van dierlijke meststoffen op het VDM.40

Uit informatie van de RVO blijkt dat de VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] zijn ingediend door [verdacht bedrijf] B.V. Daarnaast staat [verdacht bedrijf] B.V. steeds genoemd als vervoerder.41

Er is op naam van [bedrijf 3] (met daarbij vermeld KvK-nummer [nummer 2] ) een factuur gestuurd naar [maatschap 8] met de omschrijving: ‘Mest afgevoerd (vloeibaar)’.42

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat de mest via [medeverdachte 1] , vertegenwoordiger van [medeverdachte 2] , door middel van boer-boer transporten is afgevoerd naar [maatschap 1] .43 De verbalisanten hebben [getuige 5] voorgehouden dat aannemelijk is geworden dat de boer-boer transporten niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Daarop heeft [getuige 5] geantwoord dat naar aanleiding daarvan de bestuurlijke gevolgen hebben plaatsgevonden en dat hij de boete heeft betaald. [getuige 5] heeft voorts verklaard dat hij de VDM’s niet heeft ingevuld.44 [medeverdachte 2] is gemachtigd om de VDM’s in te vullen. [getuige 5] weet niet of de mest bij [maatschap 1] is gelost.45 Hij heeft [medeverdachte 1] gevraagd om de mest op te halen en de rekeningen daarvoor zijn betaald. De VDM’s zijn door [medeverdachte 2] naar de RVO gestuurd, want ook daar is het bedrijf voor gemachtigd.46

[getuige 6] heeft over de boer-boer transporten verklaard dat deze bijna allemaal fictief zijn. In 2014 hebben geen boer-boer transporten naar de losplaats met postcode [adres 2] plaatsgevonden.47 In 2015 is ook niet op het perceel met postcode [adres 2] gelost. De losplaats met postcode [adres 3] is niet bij [maatschap 1] bekend.48 In 2015 is door de boeren [getuige 2] en [maatschap 7] fictief mest afgevoerd naar [maatschap 1] . Dit is in naam van [medeverdachte 2] geregeld door [medeverdachte 1] en [maatschap 1] heeft daarvoor betaald gekregen.49 [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bij [maatschap 1] gekomen en hebben hem aangespoord om grond te zoeken voor boeren, zodat die percelen als gebruiksruimte konden worden opgegeven. [maatschap 1] heeft voor zijn bemiddelende werkzaamheden een vergoeding ontvangen.50 [maatschap 1] en [maatschap 2] zijn bedrijven van [getuige 6] .

Door [medeverdachte 1] is aan [getuige 2] een kaart gestuurd van een perceel in Ferwoude.51 Blijkens de ontvangstbevestiging van de RVO is de losplaats op postcode [adres 3] .52

Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat zij de eigenaresse is van het perceel met postcode [adres 3] Ferwoude en dat daar geen mest op is gelost of over is uitgereden.53 [getuige 7] heeft op een kaart het desbetreffende perceel omcirkeld, zijnde hetzelfde perceel als het stuk grond dat op de kaart staat dat [medeverdachte 1] in een e-mailbericht naar [getuige 2] heeft gestuurd.54

Uit onderzoek is gebleken dat in 2014 en 2015 geen mest is gelost op de percelen die bij postcode [adres 3] horen.55

[getuige 4] heeft verklaard dat hij werkzaam is voor [medeverdacht bedrijf 1] B.V., maar dat er veel overlap is en dat hij derhalve ook bij de andere B.V.’s inspringt. [getuige 4] is administratief medewerker56 en draagt in die hoedanigheid zorg voor het compleet maken van de vervoersdocumenten en het verzenden daarvan naar de RVO.57 De VDM’s van de boeren [maatschap 7] , [getuige 2] , [maatschap 5] en [getuige 5] zijn door hem in het systeem gezet aan de hand van de door [medeverdachte 1] verschafte informatie.58 [getuige 4] heeft een paar keer aan [medeverdachte 1] gevraagd of de mest daadwerkelijk is verreden en kreeg daar een bevestigend antwoord op. Desondanks vertrouwde hij het niet.59

4.3.1.2 Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet moet een vracht dierlijke meststoffen tijdens het vervoer vergezeld gaan van een op die vracht betrekking hebbend VDM. De gegevens van het transport en de mest worden geregistreerd om zo te controleren waar de mest vandaan komt en waar de mest naar toe gaat. Elk VDM heeft een uniek nummer. VDM’s worden ingediend bij de RVO. De RVO beheert en registreert de mestproductie van agrariërs en waar deze mest wordt opgeslagen en/of uitgereden.

Ook een ‘boer-boer transport’ moet vergezeld gaan van een VDM en ook dat VDM moet bij de RVO worden ingediend.

De ten laste gelegde gedragingen

Op grond van hetgeen onder hoofdstuk 4.3.1.1 uiteen is gezet, stelt de rechtbank vast dat de ten laste gelegde transporten in werkelijkheid, en anders dan de VDM’s suggereren, niet hebben plaatsgevonden.

Daartoe overweegt de rechtbank dat twee boeren – [maatschap 5] en [getuige 2] – hebben toegegeven dat de mest in de put is gebleven en dat de transporten slechts op papier hebben plaatsgevonden. Dit wordt ondersteund door de hiervoor weergegeven verklaring van [maatschap 1] en de verklaringen van de eigenaren van de percelen die op de VDM’s als losplaats zijn genoemd. Die grondeigenaren hebben allen verklaard dat geen mest op hun percelen is gelost of uitgereden. De rechtbank is ook voor wat betreft de mesttransporten van de andere twee boeren – [maatschap 7] en [getuige 5] – van oordeel dat is bewezen dat deze niet hebben plaatsgevonden zoals is vermeld op de VDM’s. Die boeren hebben verklaard dat de mest is opgehaald door [medeverdachte 2] , maar ze weten niet waar de mest is gelost. De eigenaren van de percelen waar de mest volgens de VDM’s zou zijn gelost, hebben verklaard dat dat niet is gebeurd. Ook [maatschap 1] heeft toegegeven dat de mest niet daar is gelost.

Over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [maatschap 1] heeft de verdediging opmerkingen gemaakt. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 6] met de nodige behoedzaamheid dienen te worden bekeken. De raadslieden hebben daartoe – onder andere, zakelijk weergegeven – betoogd dat [maatschap 1] gezien zijn eigen betrokkenheid een belang had om in een bepaalde richting te verklaren.

Ten aanzien van de persoon van de getuige overweegt de rechtbank dat wanneer een getuige zelf betrokkenheid heeft bij het ten laste gelegde dit aanleiding kan zijn om de verklaringen van de getuige met behoedzaamheid te bezien, als de getuige een mogelijk motief heeft om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen en niet valt uit te sluiten dat de getuige heeft geprobeerd om zijn of haar rol te minimaliseren. De enkele omstandigheid dat een getuige een rol vervult bij het ten laste gelegde, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de door die getuige afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de verklaringen van [maatschap 1] op basis van de persoon van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden bestempeld. De rechtbank overweegt daartoe dat [maatschap 1] zichzelf in zijn verklaringen (uiteindelijk) niet heeft gespaard en zijn aandeel in de gedragingen grotendeels heeft toegegeven.

Ten aanzien van de inhoud van de verklaringen kunnen verschillende aspecten worden onderscheiden, namelijk: coherentie, plausibiliteit/geloofwaardigheid, nauwkeurigheid, logica, mate van concreetheid, gedetailleerdheid, de overeenkomst met andere vastgestelde gegevens uit het dossier, en consistentie.

De rechtbank overweegt dat [maatschap 1] coherent en consistent heeft verklaard over het al dan niet daadwerkelijk hebben plaatsgevonden van de boer-boer transporten. Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van [maatschap 1] hierover bovendien steun in de overige bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van de boeren [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 5] , de verklaringen van getuige [getuige 7] , en de processen-verbaal van bevindingen over de percelen waarop mest zou zijn gelost.

De rechtbank acht de verklaringen van [maatschap 1] aldus betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de in de tenlastelegging genoemde VDM’s valselijk zijn opgemaakt (feit 1), nu de inhoud van die documenten niet overeenstemt met de werkelijkheid. Op de VDM’s staat immers vermeld dat mest op een specifiek perceel is gelost, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Ten aanzien van de VDM’s inzake mest van [maatschap 5] en [getuige 2] is bewezen dat in het geheel geen transporten hebben plaatsgevonden. Het is wettelijk verplicht VDM’s op te maken, welke dienen tot bewijs van onder meer de herkomst en de losplaats van iedere partij mest.

Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk bestond om die VDM’s als echt en onvervalst te gebruiken, aangezien de VDM’s zijn verzonden naar de RVO. Gelet daarop is tevens bewezen dat opzettelijk, in de zin van bewust of willens en wetens, gebruik is gemaakt van deze valse VDM’s (feit 2).

Toerekening aan de rechtspersoon

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, als de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Er zal sprake kunnen zijn van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon, als zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.60

Gelet op wat onder hoofdstuk 4.3.1.1 uiteen is gezet, overweegt de rechtbank het volgende.

[verdacht bedrijf] B.V. is blijkens de VDM’s als zogenaamde vervoerder van de mesttransporten opgetreden. Daarnaast hebben de boeren dit bedrijf gemachtigd, zodat zij de VDM’s kon invullen en naar de RVO kon sturen. Deze taken zijn door [getuige 4] , die werkzaamheden verricht voor onder andere deze rechtspersoon, uitgevoerd. [getuige 4] heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij dit ook voor wat betreft de VDM’s inzake de mest van de vier in de tenlastelegging genoemde boeren heeft gedaan. Dat leidt tot de conclusie dat de VDM’s in naam van [verdacht bedrijf] B.V. zijn ingevuld en naar de RVO zijn verzonden.

Het invullen van de VDM’s is gebeurd op basis van door [medeverdachte 1] gegeven informatie en was aldus een direct gevolg van het handelen van [medeverdachte 1] , die op grond van een dienstbetrekking (ook) voor [verdacht bedrijf] B.V. werkzaam is. Blijkens de getuigenverklaringen van [maatschap 1] en de vier boeren is [medeverdachte 1] voorts degene die met het initiatief is gekomen om de boer-boer transporten alleen op papier te laten plaatsvinden, althans fictieve losplaatsen op te nemen. Het strafbare handelen is onlosmakelijk met die handelwijze verbonden.

Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft [verdacht bedrijf] B.V. deze manier van werken aanvaard. [medeverdachte 2] was samen met [medeverdachte 1] betrokken bij het plan om fictieve boer-boer transporten, althans fictieve losplaatsen op te tuigen. Dit blijkt onder meer uit het bezoek dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samen hebben gebracht aan [maatschap 1] . Tijdens dat bezoek hebben zij [maatschap 1] gevraagd om land te zoeken voor boeren, die deze percelen dan als gebruiksruimte kunnen opgeven.61 De hierover gemaakte afspraken vormen naar het oordeel van de rechtbank de basis voor de verder gevolgde lijn inzake fictieve boer-boer transporten/losplaatsen. Dat komt ook naar voren uit e-mailberichten tussen [medeverdachte 1] en [maatschap 1] .62 Naar het oordeel van de rechtbank kan tevens uit het tapgesprek met sessienummer 147563 worden afgeleid dat [medeverdachte 2] op de hoogte is geweest van de door [medeverdachte 1] geregelde fictieve boer-boer transporten/losplaatsen. In dat gesprek hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het immers over het gesprek dat zij met [maatschap 1] hebben gehad en dat de van hem gehuurde grond bij twee klanten is ondergebracht. Doordat [medeverdachte 2] vervolgens tegen [medeverdachte 1] heeft gezegd “regel het maar”, heeft hij als leidinggevende zijn fiat gegeven voor deze praktijk en bevorderde hij deze praktijk zelfs actief. Achteraf heeft [medeverdachte 2] zwijggeld betaald aan enkele boeren om te voorkomen dat zij over het strafbare handelen zouden verklaren.64

Daarmee is binnen het bedrijf van verdachte het klimaat gecreëerd waarin de onderhavige gedragingen hebben kunnen plaatsvinden. Deze rechtspersoon vermocht er aldus over te beschikken of het ten laste gelegde handelen al dan niet zou plaatsvinden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen in de sfeer van [verdacht bedrijf] B.V. hebben plaatsgevonden.

Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan deze rechtspersoon worden toegerekend.

Opzet

Naast het daderschap van de rechtspersoon vormt de beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld – en waarop deze bestanddelen betrekking hebben – een zelfstandige afweging. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.5. en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.2.).

Ter terechtzitting van 7 december 2021 is door de verdediging aangevoerd dat de boeren verantwoordelijk waren voor het afvoeren van de mest en dat de VDM’s zijn ingevuld ervan uitgaande dat zij die mest inderdaad afvoerden. Daarmee heeft de rol van de rechtspersoon volgens de verdediging alleen bestaan uit bemiddelen en is geen sprake geweest van wetenschap van – en dus ook niet van opzet op – het onjuist invullen van de VDM’s. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de boeren daar een andere verklaring over hebben afgelegd, namelijk dat was afgesproken dat [medeverdachte 2] het transport zou uitvoeren (op papier). Die lezing vindt, naar het oordeel van de rechtbank, steun in de VDM’s waarop verdachte staat vermeld als vervoerder en in de facturen die naar deze boeren zijn gestuurd, waarop steeds de volgende omschrijving staat: ‘Mest afgevoerd’.

De rechtbank overweegt voorts dat [medeverdachte 1] als vertegenwoordiger van [verdacht bedrijf] B.V. in naam van deze rechtspersoon op papier boer-boer transporten heeft geregeld. Die transporten zijn op papier onjuist weergegeven door toedoen van [medeverdachte 1] , terwijl [medeverdachte 1] wist dat het niet klopte. Hij is immers degene geweest die de informatie aan [getuige 4] heeft gegeven aan de hand waarvan de VDM’s zijn ingevuld. Zoals hiervoor is overwogen, wist ook [medeverdachte 2] dat VDM’s onjuist werden ingevuld en ingediend en bevorderde hij dat actief. Het opzet van verdachte kan daarom worden afgeleid uit het beleid en de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – [verdacht bedrijf] B.V. – opzet heeft gehad op het ten laste gelegde handelen.

Medeplegen

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging, omdat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking met een andere (rechts)persoon.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De acht (8) niet in de tenlastelegging uitgeschreven VDM’s zijn niet op de terechtzittingen besproken, wat maakt dat de rechtbank deze niet in de bewezenverklaring zal opnemen.

4.3.2

Feit 3

4.3.2.1 De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzittingen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 13 juni 2019 heeft in het kantoorpand van [verdacht bedrijf] B.V. een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij onder andere de server van de applicatie TransportMaster – met daarop meerdere facturen – in beslag is genomen en is veiliggesteld.65

[medeverdacht bedrijf 2] B.V. heeft in 2016 facturen gestuurd naar Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] . De eerste factuur heeft betrekking op proceswater met als eerste leverdatum

13 januari 2016.66 Daarna heeft [medeverdacht bedrijf 2] B.V. nog meer facturen gestuurd naar Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] voor proceswater67 en vervolgens ook voor uienwater.68

[medeverdacht bedrijf 2] B.V. heeft in 2017 wederom facturen gestuurd naar Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] voor uienwater, met als laatste leverdatum 12 mei 2017.69

[medeverdacht bedrijf 2] B.V. heeft in 2016 ook facturen gestuurd naar [bedrijf 4] B.V. voor proceswater70 en naar [bedrijf 5] B.V. voor uienwater.71

[medeverdacht bedrijf 2] B.V. heeft in 2017 wederom facturen gestuurd naar [bedrijf 5] B.V. voor uienwater.72

[verdacht bedrijf] B.V. heeft in 2016 facturen gestuurd naar [medeverdacht bedrijf 2] B.V. voor transporten van proceswater en uienwater. Blijkens die facturen zijn de ladingen die naar Oosterzee (waar Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] is gevestigd73) zijn vervoerd

afkomstig uit Creil (waar [bedrijf 5] B.V. is gevestigd74) en uit Swifterbant (waar [bedrijf 4] B.V. is gevestigd75).76

[verdacht bedrijf] B.V. is bij de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) geregistreerd als vervoerder, inzamelaar, handelaar en bemiddelaar van/in afvalstoffen (een zogenaamde VIHB-registratie).77

In de milieuvergunning van [bedrijf 5] B.V. komt naar voren dat het uienwater uit een verwerkingsproces afkomstig is.78 In de milieuvergunning van [bedrijf 4] B.V. komt naar voren dat ook het proceswater uit een verwerkingsproces afkomstig is.79 Bijproducten en meststoffen kwalificeren niet als (bedrijfs)afvalstoffen. Het uienwater en spoelwater kunnen op grond van artikel 5 lid 2 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) juncto artikel 1.1 lid 6 van de Wet Milieubeheer juncto de Regeling criteria bijproducten kaderrichtlijn afvalstoffen niet worden aangemerkt als bijproduct. Het uienwater en spoelwater zijn evenmin aangewezen als meststof, want deze zijn niet opgenomen in bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.80

Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] heeft geen VIHB-registratie.81

[naam 1] , werkzaam bij één van de bedrijven van [medeverdachte 2] , heeft verklaard dat hij met één van de vertegenwoordigers een bestemming voor het proceswater van [bedrijf 4] B.V. heeft geregeld.82 Door de vertegenwoordiger zijn de gegevens van de afnemer doorgegeven. [naam 1] heeft die informatie vervolgens doorgegeven aan de chauffeurs.83

[naam 2] , eigenaar van Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] , heeft verklaard dat zijn contact met [medeverdachte 2] altijd verloopt via [medeverdachte 1] . In 2016 heeft [medeverdachte 1] aan hem gevraagd of hij uienwater wilde hebben. Het initiatief voor het leveren van uienwater kwam volgens [naam 2] van [medeverdachte 1] . Het uienwater was afkomstig van [bedrijf 5] en werd door de chauffeurs van [medeverdachte 2] gebracht,84 dus door het transportbedrijf van [medeverdachte 2] .85 De chauffeurs lieten iedere keer een begeleidingsbrief achter.86

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zijn bedrijf voor [bedrijf 4] B.V. water heeft weggereden.87

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij uienwater aan [medeverdacht bedrijf 3] heeft aangeboden en dat er tientallen vrachten uienwater zijn geleverd.88 Dat is vanuit [medeverdacht bedrijf 2] B.V. geregeld.89

In het proces-verbaal van bevindingen inzake telefoongesprekken met betrekking tot ‘Z02 Uienwater’, ‘Z03 Waswater’ en ‘Z08 Ontvanger van afvalwater’ komt naar voren dat verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben gesproken over het uienwater dat ze vorig jaar naar [naam 2] hebben gebracht. [medeverdachte 1] is met [naam 3] naar [naam 2] gegaan om te zorgen dat het verhaal gelijk is, nu hij voor de politie moet verschijnen. Daarnaast heeft verdachte [medeverdachte 2] gezegd dat ze moeten zeggen dat het geen afvalstof is, maar gewoon water (van zilveruitjes). Een dag later heeft verdachte [medeverdachte 2] tegen verdachte [medeverdachte 1] gezegd dat hij erover heeft nagedacht en dat ze allemaal moeten verklaren dat het water uit het uienpotje van de menselijke consumptie is; zo moeten ze het spelen en nooit over afvalwater praten, want dan willen ze bonnen zien. [medeverdachte 1] heeft daarop geantwoord dat hij de mannen instructies zal geven. In de bijlage zijn de uitgewerkte tapverslagen van de genoemde sessies opgenomen.90

4.3.2.2 Het oordeel van de rechtbank

De ten laste gelegde gedraging

Op grond van hetgeen onder hoofdstuk 4.3.2.1 uiteen is gezet, stelt de rechtbank vast dat uienwater en proceswater zijn aan te merken als bedrijfsafvalstoffen, dat deze afvalstoffen aan Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] zijn afgegeven en dat dit bedrijf niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen. Tegen dit één en ander is geen bewijsverweer gevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de ten laste gelegde gedraging heeft plaatsgevonden.

Toerekening aan de rechtspersoon

De rechtbank hanteert het toetsingskader zoals onder hoofdstuk 4.3.1.2 is weergegeven.

Gelet op wat onder hoofdstuk 4.3.2.1 uiteen is gezet, overweegt de rechtbank het volgende.

Het feitelijk inzamelen van het uienwater en proceswater is door [verdacht bedrijf] B.V. uitgevoerd. Gelet op de VIHB-registratie van [verdacht bedrijf] B.V. was zij daartoe bevoegd en pasten genoemde werkzaamheden in de normale bedrijfsuitoefening. Daarnaast vermocht deze rechtspersoon erover te beschikken of de verweten gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Zij heeft immers de vrijheid om te bepalen of een lading wordt aangenomen en naar wie die lading wordt vervoerd. Blijkens de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] heeft [medeverdachte 1] het initiatief richting [naam 2] genomen om het uienwater en het proceswater aan het bedrijf van [naam 2] te leveren. Deze rechtspersoon heeft ook de afgifte van deze afvalstoffen aan Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] uitgevoerd. Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft [verdacht bedrijf] B.V. aanvaard dat het proceswater en het uienwater werden afgegeven aan een bedrijf dat niet bevoegd is om die afvalstoffen te ontvangen. Er hebben immers tientallen transporten plaatsgevonden over een periode van ruim een jaar.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 3 ten laste gelegde gedraging in de sfeer van [verdacht bedrijf] B.V. heeft plaatsgevonden.

Die gedraging kan daarom in redelijkheid aan deze rechtspersoon worden toegerekend.

Opzet

De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 1] als vertegenwoordiger van [verdacht bedrijf] B.V. uienwater en proceswater heeft aangeboden aan zijn klant Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] , waarna hij er zorg voor heeft gedragen dat genoemde afvalstoffen aan dit bedrijf zijn afgegeven.

De rechtbank overweegt voorts dat door de vertegenwoordiger gegevens van de afnemer van de bedrijfsafvalstoffen zijn doorgegeven aan een werknemer van [medeverdacht bedrijf 2] B.V., die er vervolgens voor zorg heeft gedragen dat deze informatie aan de chauffeurs is doorgespeeld.

In het proces-verbaal van bevindingen inzake telefoongesprekken met betrekking tot ‘Z02 Uienwater’, ‘Z03 Waswater’ en ‘Z08 Ontvanger van afvalwater’ komt naar voren dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben gesproken over het uienwater dat ze vorig jaar naar [naam 2] hebben gebracht. [medeverdachte 1] is met [naam 3] naar [naam 2] gegaan om te zorgen dat het verhaal gelijk is, nu hij voor de politie moet verschijnen. Daarnaast heeft [medeverdachte 2] gezegd dat ze moeten zeggen dat het geen afvalstof is, maar gewoon water (van zilveruitjes). Een dag later heeft [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij erover heeft nagedacht en dat ze allemaal moeten verklaren dat het water uit het uienpotje van de menselijke consumptie is; zo moeten ze het spelen en nooit over afvalwater praten, want dan willen ze bonnen zien. [medeverdachte 1] heeft daarop geantwoord dat hij de mannen instructies zal geven. In de bijlage zijn de uitgewerkte tapverslagen van de genoemde sessies opgenomen.91

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het vorenstaande worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] van meet af aan wisten dat het om bedrijfsafvalstoffen ging, die op een strafbare wijze werden afgegeven aan onbevoegde derden. De wetenschap en gedragingen van deze personen komen voor rekening van de rechtspersonen, waarvoor beide personen al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst actief zijn.

Bovendien wijst de rechtbank ter zake van het aanwezige opzet bij verdachte op de aard van het delict en de omstandigheden waaronder het delict plaatsvond, namelijk het meermalen in een periode van ruim een jaar leveren van afvalwater aan een bedrijf dat niet bevoegd was om dat in te zamelen. Hieruit volgt dat het opzet van verdachte ook kan worden afgeleid uit het beleid van het bedrijf, dan wel de feitelijke gang van zaken ter zake van de levering van afvalwater binnen het bedrijf ten tijde van het ten laste gelegde handelen.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het ten laste gelegde handelen.

Medeplegen

De rechtbank overweegt dat de inzameling van het afvalwater en vervolgens de afgifte daarvan is gecontracteerd door [medeverdacht bedrijf 2] B.V. Uit hoofde van deze rechtspersoon zijn immers de facturen gestuurd naar de partijen van wie de afvalstoffen afkomstig zijn ( [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 4] B.V.) en naar de klant waar het uienwater en proceswater naartoe is gebracht (Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] ). Het transport is uitgevoerd door [verdacht bedrijf] B.V., die immers over de noodzakelijke VIHB-registratie beschikte. [verdacht bedrijf] B.V. heeft facturen naar [medeverdacht bedrijf 2] B.V. gestuurd voor de uitgevoerde transporten van afvalstoffen.

De overwegingen over de toerekening van gedragingen aan de rechtspersoon en de opzet van de rechtspersoon ten aanzien van verdachte, gelden op dezelfde wijze voor [medeverdacht bedrijf 2] B.V.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat een nauwe en bewuste samenwerking heeft plaatsgevonden tussen [verdacht bedrijf] B.V. en [medeverdacht bedrijf 2] B.V. en dus dat sprake is van medeplegen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde, tezamen en in vereniging met een ander, heeft begaan.

4.3.3

Feiten 4 en 5

4.3.3.1 De feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de terechtzittingen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Tijdens de doorzoeking op 13 juni 2019 zijn in het kantoor van [verdacht bedrijf] B.V. negentien verhuisdozen met in totaal 989 originele VDM’s aangetroffen van de periode

1 oktober 2018 tot en met 23 maart 2019. Per bedrijf zijn door de politie vier willekeurige VDM’s geselecteerd, die nader zijn onderzocht.92

Op de vier VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] staat vermeld dat door [verdacht bedrijf] B.V. mest met mestcode 50 is vervoerd naar [bedrijf 2] .93

Op de vier VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] staat vermeld dat door [verdacht bedrijf] B.V. mest met mestcode 50 is vervoerd naar [maatschap 3] .94

Op de vier VDM’s met de nummers [nummer 1] , [nummer 1] , [nummer 1] en [nummer 1] staat vermeld dat door [verdacht bedrijf] B.V. mest met mestcode 50 is vervoerd naar [maatschap 4] .95

In de mestopslag van [verdacht bedrijf] B.V. is, in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 23 maart 2019, met meerdere transporten, mest met diverse mestcodes en samenstellingen van diverse mestcodes aangevoerd.96 In de genoemde periode hebben in totaal 989 transporten onder één mestcode plaatsgevonden van de opslag naar verschillende afnemers. Daarvan zijn 988 vrachten mest afgevoerd met mestcode 50 (vleesvarkensmest) en is één vracht mest afgevoerd met mestcode 46 (zeugenmest).97

[getuige 4] heeft verklaard dat in de mestopslag van [verdacht bedrijf] B.V. allerlei soorten mest worden opgeslagen en dat die mest afkomstig is van diverse veehouders en biogasinstallaties. De mest wordt onder mestcode 50 (vleesvarkensmest) naar de afnemers afgevoerd. [getuige 4] heeft verklaard dat dit de standaard werkwijze is, omdat [medeverdachte 3] , buitendienstmedewerker bij [medeverdachte 2] die de mestafzet naar de akkerbouw regelt, van mening is dat het geen probleem is om in alle gevallen mestcode 50 te gebruiken. De chauffeurs vullen de VDM’s in en [getuige 4] meldt de VDM’s bij de RVO. Hij heeft met [medeverdachte 3] overlegd en op de werkvloer aangekaart dat de mestcode van de uitgaande mest niet correct is, maar [medeverdachte 3] heeft daar de regie in.98 De VDM’s worden door de chauffeurs ingevuld aan de hand van de gegevens die door [medeverdachte 3] worden aangeleverd.99 [medeverdachte 3] heeft opdracht gegeven om mestcode 50 op de VDM’s van de uitgaande mest in te vullen.100

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat in de mestopslag van [verdacht bedrijf] B.V. meerdere soorten mest worden opgeslagen.101 Op die locatie wordt geen mest gescheiden.102 De mest wordt onder verschillende mestcodes aangevoerd en onder mestcode 50 afgevoerd. De mest wordt uit gemak onder één mestcode afgevoerd. Het is moeilijk de mestcodes toe te spitsen op de lading vanwege de hoeveelheid vrachten. Ook is het voeren van de voorraadadministratie op deze manier eenvoudiger. De chauffeur maakt het VDM op en [getuige 4] meldt het VDM bij de RVO.103

4.3.3.2 Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet moet een vracht dierlijke meststoffen tijdens het vervoer vergezeld gaan van een op die vracht betrekking hebbend VDM. Een VDM moet ingevolge artikel 53, derde lid, van die Uitvoeringsregeling in ieder geval gegevens bevatten over onder meer de hoeveelheid meststoffen (c) en het soort meststoffen (d). Op het bij ministeriële regeling vastgestelde formulier VDM staat vier keer “mestcode” met daaronder een invulveld en daarnaast telkens “%” met daaronder eveneens een invulveld.

De ten laste gelegde gedragingen

Op grond van wat onder hoofdstuk 4.3.3.1 uiteen is gezet, overweegt de rechtbank als volgt. In de mestopslag van [verdacht bedrijf] B.V. is onder verschillende mestcodes en in verschillende samenstellingen daarvan mest aangeleverd. Ter plaatse is geen mest gescheiden en dus is er op elk moment sprake geweest van mengmest. Die mengmest is onder één mestcode (mestcode 50: vleesvarkensmest, dan wel in één geval mestcode 46: zeugenmest) afgevoerd naar 989 afnemers, waaronder de afnemers die in de tenlastelegging bij naam zijn genoemd.

Artikel 53, eerste lid, Meststoffenbesluit bepaalt dat door de leverancier, de vervoerder en de afnemer ter zake van het vervoer van een vracht dierlijke meststoffen gezamenlijk een vervoersbewijs wordt opgemaakt, welk bewijs op grond van artikel 50 van dat besluit het transport vergezelt vanaf het moment van inladen tot het moment van lossen. Artikel 54 Meststoffenbesluit biedt de grondslag om ter zake van het opmaken van bewijs van het vervoerbewijs alsmede het indienen van de op de vracht betrekking hebbende gegevens nadere regels te stellen. Deze nadere regels zijn neergelegd in de artikelen 60 tot en met 67 Uitvoeringregeling Meststoffenwet. In artikel 60, eerste lid, van de regeling wordt het model van het vervoerbewijs vastgesteld zoals dat is opgenomen in bijlage F, onderdeel A. Uitgangspunt is, zo volgt uit artikel 61 van de regeling, dat bij het laden van de mest de gegevens van de leverancier dienen te worden ingevuld, alsmede “de door middel van een mestcode aangeduide soort meststoffen en het netto gewicht van de meststoffen” (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, Stcrt. 2005, 226, p. 6, Toelichting voor de Staatscourant, § 7.3). Verder worden bij het laden de locatie waar en het tijdstip waarop wordt geladen, vermeld, evenals de gegevens van de vervoerder, gegevens van de vervoerscombinatie (kenteken trekkend voertuig, combinatienummer van het transportmiddel waarop de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd) en het unieke nummer van de monsterverpakking.

Het systeem van vervoerbewijzen is een essentieel instrument om de dierlijke meststromen in de gehele keten van producent tot eindgebruiker te kunnen volgen. Dit instrument kan alleen dan die betekenis hebben indien de vervoerbewijzen naar waarheid worden ingevuld.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het noteren van één code die ziet op louter één soort mest – in dit geval code 50: vleesvarkensmest, dan wel mestcode 46: zeugenmest – in dat er daadwerkelijk ten aanzien van alle 989 transporten steeds maar één soort mest wordt afgevoerd. Aangezien telkens sprake is geweest van mengmest bestaande uit verschillende soorten mest, waarbij overigens ook telkens onduidelijk is of de vermelde mestsoort het hoofdbestanddeel is geweest van de betreffende lading, is dat een onvolledige weergave die niet overeenstemt met de werkelijkheid. Het formulier VDM biedt expliciet de mogelijkheid om in geval van mengmest meerdere (tot maximaal vier) soorten mest met bijbehorende percentages te vermelden. In het licht van de artikelen 60 en 61 Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de toelichting daarop moet daaruit redelijkerwijs worden afgeleid dat de in die vracht (maximaal vier) meest voorkomende soorten mest moeten worden ingevuld. Dit in samenhang bezien met het doel van het systeem van vervoerbewijzen in het algemeen en een VDM in het bijzonder – te weten (onder meer) het registreren van de keten van locaties in de meststromen van hoeveelheden onderscheiden soorten dierlijke mest –, is de rechtbank van oordeel dat essentiële informatie niet is vermeld. Het voorgaande brengt met zich dat sprake is van valselijk opgemaakte VDM’s (feit 4).

Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk bestond om de VDM’s als echt en onvervalst te gebruiken, aangezien de VDM’s zijn verzonden naar de RVO. Gelet daarop is tevens bewezen dat opzettelijk, in de zin van bewust of willens en wetens, gebruik is gemaakt van deze valse VDM’s (feit 5).

Toerekening aan de rechtspersoon

De rechtbank hanteert het toetsingskader zoals onder hoofdstuk 4.3.1.2 is weergegeven.

Gelet op wat onder hoofdstuk 4.3.3.1 uiteen is gezet, overweegt de rechtbank het volgende.

De VDM’s zijn door de chauffeurs van [verdacht bedrijf] B.V. ingevuld. Daarbij is de standaardwerkwijze volgens [getuige 4] en [medeverdachte 3] om mestcode 50 in te vullen, ook wanneer in werkelijkheid een mengsel van verschillende soorten mest wordt vervoerd. [getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] deze werkwijze – ondanks de door [getuige 4] daartegen geuite bezwaren – in stand heeft gehouden. De VDM’s worden door [getuige 4] ingevuld en naar de RVO gestuurd. Dit heeft hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking gedaan in naam van [verdacht bedrijf] B.V. De genoemde werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van [verdacht bedrijf] B.V. Daarnaast vermocht deze rechtspersoon erover te beschikken of het ten laste gelegde handelen al dan niet zou plaatsvinden. [medeverdachte 3] heeft immers uit hoofde van zijn dienstbetrekking als vertegenwoordiger de touwtjes in handen als het gaat om de afvoer van mest. In die hoedanigheid is hij voorts degene die kan bepalen en ook daadwerkelijk bepaalt welke mestcode op het VDM wordt ingevuld door de administratief medewerker, die het document vervolgens naar de RVO verzendt. Blijkens de feitelijke gang van zaken heeft [verdacht bedrijf] B.V. deze gedragingen ook aanvaard, nu haar werknemers hierover hebben gezegd dat het de standaardwerkwijze betreft en ook uit het aantal transporten (989) dat is uitgevoerd en de periode waarin deze transporten hebben plaatsgevonden (bijna zes maanden) het structurele karakter blijkt.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 4 en 5 ten laste gelegde gedragingen in de sfeer van [verdacht bedrijf] B.V. hebben plaatsgevonden.

Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan deze rechtspersoon worden toegerekend.

Opzet

De rechtbank overweegt dat de medewerkers van [verdacht bedrijf] B.V. wisten dat in de mestopslag verschillende soorten mest zijn opgeslagen. Het invullen van één mestcode heeft steeds plaatsgevonden uit praktische overwegingen en gemakzucht. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het VDM daarmee onvolledig is ingevuld. De rechtbank overweegt dat die wetenschap hem er niet van heeft weergehouden om de chauffeurs en [getuige 4] telkens opdracht te geven die werkwijze op te volgen. De chauffeurs hebben dan ook telkens één mestcode ingevuld en [getuige 4] heeft, weliswaar onder protest, telkens de VDM’s ingediend. Het was staande praktijk volgens zowel [medeverdachte 3] als [getuige 4] . Het opzet van verdachte kan daarom worden afgeleid uit het beleid en de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Ter terechtzitting van 7 december 2021 is door de verdediging aangevoerd dat het niet de bedoeling was om de VDM’s valselijk op te maken. Daartoe is naar voren gebracht dat het niet haalbaar is om te bepalen wat de verhoudingen zijn van de verschillende soorten mest in de mestopslag. Het is om die reden onduidelijk hoe de mengmest naar het VDM dient te worden vertaald.

De rechtbank overweegt dat het aan verdachte is om ervoor zorg te dragen dat zij aan de vigerende wet- en regelgeving voldoet en om daarover zo nodig advies in te winnen. Het is niet aannemelijk geworden dat aan de wet- en regelgeving op dit punt onmogelijk kan worden voldaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het een bewuste keuze was om verschillende soorten mest in één opslag samen te brengen en alle uitgaande mest van mestcode 50 te voorzien. Dat zijn keuzes die voor rekening en risico van verdachte komen.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het ten laste gelegde handelen.

Medeplegen

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging, omdat het procesdossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking met een andere (rechts)persoon.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 3 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 in Nederland 6 geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

3 september 2014, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

3 september 2014, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 240 ton mest, gedateerd op

28 augustus 2015, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 504 ton mest, gedateerd op

31 augustus 2015, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

5 september 2014, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor ongeveer 36 ton mest, gedateerd op

5 september 2014, nummer [nummer 1] ,

telkens valselijk heeft opgemaakt door

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] ( [maatschap 2] ), en

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] ( [maatschap 2] ), en

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ), en

- op dat vervoersbewijs met nummer [nummer 1] in te vullen dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] ( [maatschap 1] ),

dit terwijl in alle voornoemde gevallen in het geheel geen mest was afgevoerd, met het oogmerk om die vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als echt en onvervalst te gebruiken;

2.

zij in de periode van 3 september 2014 tot en met 9 september 2015 in Nederland telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 6 valselijk opgemaakte geschriften,

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 3 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 3 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 28 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (ongeveer 240 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] en dat de afnemer van die mest [maatschap 2] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 31 augustus 2015, nummer [nummer 1] , (ongeveer 504 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 3] , en dat de afnemer van die mest [maatschap 2] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 5 september 2014, nummer [nummer 1] (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 5 september 2014, nummer [nummer 1] , (ongeveer 36 ton mest), waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat die mest was vervoerd, naar en was gelost op de losplaats met postcode [adres 2] en dat de afnemer van die mest [maatschap 1] was, te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO);

3.

zij in de periode van 13 januari 2016 tot en met 12 mei 2017 te Oosterzee, gemeente De Friese Meren, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zich door afgifte aan een ander, te weten Dienstverlenend Agrarisch bedrijf [medeverdacht bedrijf 3] , van bedrijfsafvalstoffen, te weten uienwater en proceswater heeft ontdaan;

4.

zij in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 23 maart 2019 in Nederland 989 geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, waaronder

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 8 februari 2019, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 1 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 5 oktober 2018, nummer [nummer 1] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] ,

telkens valselijk heeft opgemaakt door

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 8 februari 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [bedrijf 2] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 3] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 1 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 3] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 3] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 3] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 4] , en

- op dat vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 4] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 5 oktober 2018, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 4] , en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] , in te vullen dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens), afkomstig van de laadplaats met postcode [adres 4] , was vervoerd en gelost bij afnemer [maatschap 4] ,

dit terwijl in alle voornoemde gevallen de mest geen pure vleesvarkensmest betrof en derhalve de onjuiste mestcode was vermeld, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken;

5.

zij in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 23 april 2019 in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van 989 valse geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door, onder meer,

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, gedateerd op 08 februari 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] ,

te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 21 maart 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 27 december 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 december 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [bedrijf 2] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 1 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 18 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 20 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 3] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 26 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 11 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 05 oktober 2018, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), en

- een vervoersbewijs dierlijke meststoffen gedateerd op 30 januari 2019, nummer [nummer 1] , waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat ongeveer 36 ton mest met mestcode 50 (mest van vleesvarkens) was vervoerd naar afnemer [maatschap 4] , te verzenden aan Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 225, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 en feit 4:

telkens het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 5:

telkens het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 3:

het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,--, waarvan € 25.000,-- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben overeenkomstig een door hen overgelegde pleitnota verzocht om bij een bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzittingen naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

In een periode van vijf jaren heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Zij heeft valselijk VDM’s opgemaakt en die valse VDM’s gebruikt door deze naar de RVO te verzenden. Daarnaast heeft verdachte tientallen vrachten met uienwater en proceswater afgegeven aan een bedrijf dat niet bevoegd was om die afvalstoffen te ontvangen.

Met haar handelen heeft verdachte de wet- en regelgeving waarmee de Nederlandse overheid tracht het milieu te beschermen, genegeerd. Het overtreden van de regels heeft met name ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten 1 tot en met 3 plaatsgevonden met het oog op geldelijk gewin. Verdachte heeft geld verdiend door transporten die niet hebben plaatsgevonden dan wel niet op deze manier hadden mogen plaatsvinden. In het kader van de bewezen verklaarde feiten 4 en 5 lijkt gemakzucht een belangrijke rol te hebben gespeeld. De rechtbank signaleert echter ook in dat verband een financieel voordeel voor verdachte: door de mest niet te scheiden en niet gescheiden te administreren heeft verdachte kosten bespaard.

Met name de onder feiten 1 tot en met 3 bewezen verklaarde gedragingen van verdachte hebben mogelijk natuurschade tot gevolg gehad. Zo is in de gevallen waarin de boer-boer transporten niet zijn uitgevoerd de mest achtergebleven bij de producerende boer, waardoor diens land (mogelijk) te zwaar is bemest. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat concurrenten zijn benadeeld. Doordat verdachte zich niet aan de regels heeft gehouden, was er geen sprake van een gelijk speelveld en bevond verdachte zich onterecht in een gunstigere concurrentiepositie.

Wat betreft de ernst van de feiten ligt het zwaartepunt bij de structurele vervalsing van VDM’s inzake (zogenaamde) boer-boer transporten. De rechtbank neemt het verdachte, mede gelet op de aard en de omvang van het bedrijf en de voorbeeldfunctie die daaruit voortvloeit, zeer kwalijk dat er documenten behorende tot de administratie vals zijn opgemaakt en zijn gebruikt in de richting van de RVO, de bevoegde autoriteit. Daarmee is een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, terwijl men gezien doel en strekking van het systeem van die vervoerbewijzen op de juistheid van dergelijke documenten behoort te kunnen vertrouwen. Juist van een professioneel bedrijf als dat van verdachte mag worden verwacht dat wet- en regelgeving worden nageleefd. Daarin is verdachte tekort geschoten, hetgeen afbreuk heeft gedaan aan een juist en volledig beeld van de meststromen voor de RVO en andere toezichthouders.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat een deel van de feiten (1, 2 en 3) dateren van 2014, 2015 en 2017. Door onderhavige strafzaak heeft verdachte daarnaast reeds de nodige nadelige gevolgen ondervonden, waaronder imagoschade.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

9 juli 2021, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden voor wat betreft de feiten 1 tot en met 3, maar zal mede gezien de relatief geringe overschrijding (van circa zes maanden) naast de hiervoor beschreven rekenschap van de ouderdom van de feiten geen verdere gevolgen aan deze overschrijding verbinden.

Alles afwegend, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van € 25.000,-- passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.

7.4

De in beslag genomen voorwerpen

De rechtbank overweegt dat tijdens de terechtzitting van 7 december 2021 is gesproken over het beslag. Het is de rechtbank echter gebleken dat de in beslag genomen documenten reeds zijn teruggeven.104 Naar het oordeel van de rechtbank hoeft derhalve geen beslissing meer op het beslag te worden genomen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24c, 47, 51, 57 en 63 Sr en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, onder 2, onder 3, onder 4 en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en feit 4: telkens het misdrijf: valsheid in geschrift, begaan door

een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 5: telkens het misdrijf: opzettelijk gebruik maken van een vals

geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als

ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 3: het misdrijf: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij

artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een

rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 25.000,-- (zegge: vijfentwintigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.B. Cakir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2022.

1 Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van
onderzoek Koekoek, onderzoeksnummer NNRBA17010, van de politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst
Regionale Recherche, team Milieu, van 25 februari 2020. Er wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in
de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij hieronder anders wordt
vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.1
1451.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.1
1451.

4 Schriftelijke bescheiden, te weten vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, pagina’s ZD1.1 1452, 1455, 1458,
1462, 1464, 1467 en 1470.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , van 25 juli 2019, pagina ZD1.1
1563.

6 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest, pagina
ZD1.1 1564.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , van 8 mei 2018, pagina’s
ZD1.1 1549 en 1550. Zie ook: schriftelijke bescheiden, te weten report vervoerswijzen dierlijke meststoffen,
pagina’s ZD1.1 1551 t/m 1557.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een factuur, pagina ZD1.1 1577. Op de terechtzitting van 7 december 2021
heeft [medeverdachte 2] verklaard dat het op het factuur genoemde bedrijf niet meer bestaat, maar is gesplitst in [medeverdacht bedrijf 1]
B.V. en [verdacht bedrijf] B.V. De rechtbank constateert dat het op de factuur
genoemde nummer van de Kamer van Koophandel (KvK), te weten [nummer 2] , dezelfde is als het KvK-nummer
van [medeverdacht bedrijf 1] B.V., zie pagina PD02 4648.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 april 2018, pagina ZD1.1 1610.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 april 2018, pagina ZD1.1 1611.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 april 2018, pagina ZD1.1 1613.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 april 2018, pagina ZD1.1 1611.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 april 2018, pagina ZD1.1 1613.

14 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.2
1699.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.2
1699.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, pagina ZD1.2 1701.

17 Het proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , van 25 juli 2019, pagina ZD1.2 1707.

18 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest, pagina
ZD1.2 1708.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten een ontvangstbevestiging van RVO, van 9 september 2015, pagina’s ZD1.2
1705. De ontvangstbevestigingen van 9 september 2015 zijn de laatste in datum van de onder 1 en 2 ten laste
gelegde transporten.

20 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD1.2 1905 en 1907.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 april 2018, pagina ZD1.2 1861.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 april 2018, pagina ZD1.2 1863.

23 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 april 2018, pagina ZD1.2 1864.

24 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 april 2018, pagina ZD1.2 1865.

25 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 april 2018, pagina ZD1.2 1865.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.3
2124.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.3
2124.

28 Een schriftelijk bescheid, te weten een vervoersbewijs dierlijke meststoffen, pagina ZD1.3 2126.

29 Het proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , van 25 juli 2019, pagina ZD1.3 2132.

30 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest, pagina
ZD1.3 2133.

31 Een schriftelijk bescheid, te weten een ontvangstbevestiging van RVO, van 9 september 2015, pagina’s ZD1.3
2130. De ontvangstbevestigingen van 9 september 2015 zijn de laatste in datum van de onder 1 en 2 ten laste
gelegde transporten.

32 Een schriftelijk bescheid, te weten een factuur, pagina’s ZD1.3 2198.

33 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 30 april 2018, pagina ZD1.3 2273.

34 Het verhoor van [getuige 3] van 9 december 2016, pagina ZD1.3 2190.

35 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 30 april 2018, pagina ZD1.3 2274.

36 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.4
2398.

37 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 11 juni 2019, pagina ZD1.4
2398.

38 Schriftelijke bescheiden, te weten vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, pagina’s ZD1.4 2400, 2403, 2404,
2409 en 2412.

39 Het proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , van 25 juli 2019, pagina ZD1.4 2507.

40 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een machtiging ondertekening vervoersbewijs dierlijke mest, pagina
ZD1.4 2509.

41 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , van 30 januari 2019, pagina’s
ZD1.4 2495 en 2496. Zie ook: de schriftelijke bescheiden, te weten report vervoerswijzen dierlijke meststoffen,
pagina’s ZD1.4 2497 en 2501.

42 Een schriftelijk bescheid, te weten een factuur, pagina ZD1.4 2529. Op de terechtzitting van 7 december 2021
heeft [medeverdachte 2] verklaard dat het op het factuur genoemde bedrijf niet meer bestaat, maar is gesplitst in [medeverdacht bedrijf 1]
B.V. en [verdacht bedrijf] B.V. De rechtbank constateert dat het op de factuur
genoemde KvK-nummer, te weten [nummer 2] , dezelfde is als het KvK-nummer van [medeverdacht bedrijf 1]
B.V., zie pagina PD02 4648.

43 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] van 25 april 2018, pagina ZD1.4 2601.

44 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] van 25 april 2018, pagina ZD1.4 2602.

45 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] van 25 april 2018, pagina ZD1.4 2603.

46 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] van 25 april 2018, pagina ZD1.4 2604.

47 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] van 9 juni 2016, pagina AD01 346.

48 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] van 9 juni 2016, pagina AD01 348.

49 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] van 9 juni 2016, pagina AD01 350.

50 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] van 17 maart 2016, pagina AD01 336.

51 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een e-mailbericht met kaart als bijlage, pagina’s ZD1.2 1995C en 1995D en pagina’s ZD1.3 2297 en 2298.

52 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een ontvangstbevestiging van de RVO, pagina ZD1.2 1995E en pagina
ZD1.3 2299.

53 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] van 24 mei 2018, pagina ZD1.2 1991 en pagina
ZD1.3 2287.

54 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , van 31 mei 2018, pagina’s
ZD1.2 1995A en 1995B en pagina’s ZD1.3 2295 en 2296.

55 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , van 8 november 2018, pagina’s ZD1.2 2033 en 2034 en pagina’s ZD1.3 2304 en 2305.

56 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina PD06 5063.

57 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina PD06 5064.

58 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina PD06 5068.

59 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina’s PD06 5068 en 5069.

60 ECLI:NL:HR:2003:AF7938.

61 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] van 17 maart 2016, pagina AD01 336.

62 Zie o.a. pagina’s AD 646 en 653.

63 Zie pagina ZD1.1 1561 / ZD1.2 2064 / ZD1.3 2331 / ZD1.4 2505.

64 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een tapgesprek met sessienummer 5334, pagina ZD1.2 2059/ZD1.3 2323
en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 3 mei 2018, pagina’s ZD1.2 1988 en 1989.

65 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 6] , van 9 oktober 2019, pagina
ZD2.1 2724 en pagina ZD2.2 3578.

66 Een schriftelijk bescheid, te weten een factuur, pagina ZD2.1 2754.

67 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2755 t/m 2758 en 2764.

68 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2757 t/m 2763 en 2765 t/m 2779.

69 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2834 en 2835.

70 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.2 3584 t/m 3588.

71 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2801 t/m 2831.

72 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2867 t/m 2872.

73 Een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina PD08 5128.

74 Een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina PD09 5179.

75 Een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel, pagina PD11 5232.

76 Schriftelijke bescheiden, te weten facturen, pagina’s ZD2.1 2896 t/m 2900, 2903 t/m 2926 en 2928 t/m 2931.

77 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] , van 21 augustus 2019, pagina
ZD1.2 3318 en pagina ZD2.2 3914.

78 Een schriftelijk bescheid, te weten voorschriften behorende bij milieuvergunning, pagina’s ZD2.1 3265 t/m
3284.

79 Een schriftelijk bescheid, te weten voorschriften behorende bij de beschikking, pagina’s ZD2.2 3879 t/m
3895.

80 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 9 juli 2019, pagina ZD2.1
3264 en pagina ZD2.2 3871.

81 Een schriftelijk bescheid, te weten een milieuvergunning, pagina’s ZD2.1 3138 t/m 3182 en pagina’s ZD2.2
3744 t/m 3788.

82 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] van 13 juni 2019, pagina PD05 5019.

83 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] van 14 juni 2019, pagina PD05 5038.

84 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdacht bedrijf 3] van 26 april 2018, pagina PD08 5133.

85 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdacht bedrijf 3] van 26 april 2018, pagina PD08 5135.

86 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdacht bedrijf 3] van 26 april 2018, pagina PD08 5134.

87 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 15 juni 2019, pagina PD01 4602.

88 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 15 juni 2019, pagina PD04 4935.

89 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 15 juni 2019, pagina PD04 4936.

90 Zie pagina’s ZD2.2 3821, 3824 en 3847.

91 Zie pagina’s ZD2.2 3821, 3824 en 3847.

92 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] , van 24 juli 2019, pagina’s ZD3
4040 en 4041.

93 Schriftelijke bescheiden, te weten een vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, pagina’s ZD3 4042, 4045, 4048
en 4051.

94 Schriftelijke bescheiden, te weten een vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, pagina’s ZD3 4054, 4056, 4059
en 4061.

95 Schriftelijke bescheiden, te weten een vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, pagina’s ZD3 4064, 4067, 4070
en 4073.

96 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 7] , van 8 mei 2019, pagina ZD3 4287.

97 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 7] , van 8 mei 2019, pagina ZD3 4288.

98 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina PD06 5075.

99 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina PD06 5076.

100 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] van 13 juni 2019, pagina’s PD06 5076 en 5077.

101 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] van 15 juni 2019, pagina PD07 5113.

102 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] van 15 juni 2019, pagina PD07 5114.

103 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] van 15 juni 2019, pagina PD07 5115.

104 Zie pagina AD03 1317.