Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:2178

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2022
Datum publicatie
27-07-2022
Zaaknummer
C/08/273728 / FA RK 21-2855
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van ouders die gedupeerd zijn door de toeslagaffaire om herstel in het gezag. Artikel 1:277, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank vindt het passend, omdat alle betrokkenen en de raad dit wensen, om de ouders, het landelijke Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire en de GI de ruimte te geven om een onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een verklarende analyse door een onafhankelijk psycholoog, waarin ook gekeken wordt naar het perspectief van de kinderen. Alle betrokkenen zijn het er voorts over eens dat de voorvraag in het onderzoek moet zijn: kunnen de kinderen een dergelijk onderzoek aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/273728 / FA RK 21-2855

beschikking van de meervoudige kamer van 21 juli 2022

inzake

[verzoeker sub 1] ,

verder te noemen: de vader, en

[verzoekster sub 2] ,

verder te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaten: mr. M. Alta te Hoogeveen en mr. M. Krol te Rotterdam.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: de raad,

de gecertificeerde instelling

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: de GI.

Als informanten zijn aangemerkt:

De heer en mevrouw [A],

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de gezinshuisouders.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 18 november 2021 heeft de rechtbank Gelderland zich

onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond doorverwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.

1.2.

De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:

- een op 2 december 202 binnengekomen brief van mr. Alta van 30 november 2022;
- een op 6 januari 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum met bijlagen (productie 9 tot en met 18);
- een op 26 januari 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum;
- een op 27 januari 2021 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum;
- een op 31 januari 2022 binnengekomen brief van de GI van die datum met bijlagen;
- een op 9 maart 2022 binnengekomen brief van de GI van 8 maart 2022 met bijlagen;
- een op 24 mei 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum met bijlagen (producties 19 tot en met 26);
- een op 25 mei 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum met bijlage;
- een op 27 mei 2022 binnengekomen brief van prof.mr.drs. M.R. Bruning van die datum;
- een op 31 mei 2022 binnengekomen brief van de GI van die datum met bijlagen;
- een op 2 juni 2022 binnengekomen brief van de GI van die datum met bijlagen;
- een op 2 juni 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum met bijlagen;
- een op 7 juni 2022 binnengekomen brief van mr. Alta van die datum met bijlage.

1.3.

Op 9 juni 2022 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaten,
- [B] en [C] , namens de raad,
- [D] en [E] , namens de GI.

1.4.

De gezinshuisouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.5.

Bijzondere toegang is verleend aan [F] van het landelijke Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire (hierna: het Ondersteuningsteam).

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn de ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2013,

verder te noemen: [minderjarige 1] ,

2.2.

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014,

verder te noemen [minderjarige 2] .

2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds 15 oktober 2014 bij de gezinshuisouders.

2.4.

Bij beschikking van 20 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, het gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Bij beschikking van 31 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 11 juni 2021 is het verzoek van de ouders om beëindiging van de voogdij door deze GI en benoeming van een andere GI afgewezen, omdat de rechtbank een wijziging van de jeugdbeschermer niet in het belang van de kinderen achtte. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 22 maart 2022 deze beslissing van de rechtbank bekrachtigd.

2.6.

Bij genoemde beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van
22 maart 2022 is als omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen vastgesteld: eens per maand gedurende vier uur onbegeleide omgang op een neutrale plek.

3 Het verzoek

De ouders verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

te bepalen dat het gezag van de ouders over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt hersteld, dat de maatregelen worden beëindigd en te gelasten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang bij de ouders terug worden geplaatst, met daarbij eventueel een ondertoezichtstelling;

subsidiair

een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke instantie naar de opvoedkundige capaciteiten en vaardigheden van de ouders en naar de mogelijkheden tot terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders en daarbij te onderzoeken of een mogelijke bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door middel van een andere beschermingsmaatregel weggenomen kan worden;

tevens een bijzondere curator te benoemen om de minderjarigen ter zake van de in deze procedure voorliggende verzoeken, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

4 Het standpunt van de ouders

4.1.

De ouders stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 6 oktober 2014 vrijwillig zijn geplaatst in een crisispleeggezin. De moeder kampte op dat moment met een burn out, welke burn out het rechtstreekse gevolg was van financiële problemen veroorzaakt door de toeslagenaffaire. Door de financiële problemen hadden de ouders geen woonruimte meer, waardoor zij niet voor hun gezin konden zorgen. Ook vader is slachtoffer van de toeslagenaffaire. Door de toeslagenaffaire zijn ouders in een nachtmerrie beland.

4.2.

Volgens de ouders is er in het eerste jaar van de vrijwillige uithuisplaatsing van de kinderen getracht om toe te werken naar een terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. De ouders hadden alle opdrachten hiervoor voltooid. In september 2015 is het traject voor terugplaatsing in een MDO op de lange baan geschoven en jeugdzorg hield een traject bij De Stee tegen in verband met de belastbaarheid van de kinderen. De opvoedkundige capaciteiten van ouders zijn derhalve nooit onderzocht. Dit is in strijd met Europese rechtspraak.

4.3.

In het raadsrapport is destijds onterecht opgenomen dat de kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld en dat sprake was van psychische problematiek van vader. De ouders hebben kritiek op deze werkwijze van de raad, die zonder aan waarheidsvinding te doen, dit opneemt in rapportages. De overheid mag enkel ingrijpen in gezinssituaties op basis van objectieve feiten. Er is derhalve niet vastgesteld dat ouders ten tijde van de gezagsbeëindiging de verantwoordelijkheid voor de kinderen niet konden dragen. De raad beschrijft in het recente onderzoek met betrekking tot de omgang hoe ouders in 2014 tijdelijk niet voor de kinderen konden zorgen, waarna de aanvaardbare termijn vervolgens in de knel kwam. De raad vraagt zich vervolgens af of dit terecht in de schoenen van ouders is geschoven. Bij de raad is kennelijk sprake van voortschrijdend inzicht.

4.4.

Wel zijn er heftige gesprekken geweest tussen ouders, maar nooit in het bijzijn van de kinderen, stellen ouders. Zij kunnen aantonen dat zij een blanco strafblad hebben en ook de GGZ heeft verklaard dat uit de rapporten niets blijkt van huiselijk geweld. In november 2015 was er sprake van een crisissituatie in de problematiek van de moeder. Deze terugval kwam door het terugdraaien van de beslissing om de kinderen terug te laten keren bij de ouders en de financiële problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. De gezinshuisouders hebben toen (november 2015) de kinderen eerder opgehaald op verzoek van ouders zelf. De omgang tussen de kinderen en de ouders is vervolgens tijdelijk stopgezet. Daarna behoorde het traject bij De Stee mede gelet op het tijdsverloop niet meer tot de mogelijkheden. Moeder was volgens haar GGZ dossier in februari 2016 weer stabiel. Desondanks werd op 20 juli 2016 het gezag van de ouders beëindigd door de rechtbank wegens het verstrijken van de aanvaardbare termijn. Minister Dekker heeft de wet inmiddels zodanig uitgelegd dat de aanvaardbare termijn niet aan de orde is bij vrijwillige uithuisplaatsing (productie 11). De richtlijn met betrekking tot de aanvaardbare termijn is inmiddels ook herzien wegens voortschrijdend inzicht (productie 23).

4.5.

In augustus 2021 heeft de gezinshuismoeder een hersenbloeding gehad. Het is onduidelijk hoe de gezinshuismoeder hiervan gaat herstellen, aldus ouders. Daarnaast is de gezinshuismoeder gediagnosticeerd met borstkanker. Het toekomstperspectief van de kinderen is daardoor onduidelijk, temeer nu de gezinshuisvader in het verleden al eens is uitgevallen met ernstige burn out klachten. Continuering van de plaatsing bij de gezinshuismoeder lijkt niet in het belang van de kinderen. Het belang van de kinderen bij een herstel van het gezag en het opgroeien bij ouders weegt zwaarder dan het voortduren van de huidige opvoedsituatie, waarbij het voor de kinderen ongewis is waar zij tot hun meerderjarigheid kunnen opgroeien. Daarom kan de rechtbank nu niet anders dan de fouten van destijds herstellen en de kinderen terugplaatsen bij de ouders. Plaatsing van de kinderen in een ander gezin is niet in hun belang.

4.6.

De ouders stellen dat zij weer in staat zijn om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verzorgen en op te voeden. Zij hebben een stabiele relatie en zijn in staat om de opvoedingstaken op zich te nemen. Zij hebben ieder ook kinderen uit een eerdere relatie, voor wie zij in het verleden jaren zorgtaken op zich hebben genomen. De ouders hebben de psychische problematiek achter zich gelaten. Ouders werken nu onder andere als ervaringsdeskundigen bij de GGZ. Zij hebben nog steeds financiële problemen, maar deze schulden worden gesaneerd. Ouders hebben een financieel adviseur. Ouders beschikken over huisvesting die voldoende ruimte biedt om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een eigen plek te geven. Het contact tussen de ouders en de kinderen verloopt goed, ook al is dit lange tijd begeleid geweest.

4.7.

Zelf als kinderen goed gehecht zijn in een pleeggezin / gezinshuis kunnen kinderen eveneens goed gehecht zijn aan ouders. De kinderen zijn zelf nooit gehoord over hun behoefte aan contact met ouders.

4.8.

Ouders stellen dat de manager van de casemanager van de raad hen heeft geadviseerd om dit verzoek in te dienen. Ouders willen dat het gezag wordt hersteld omdat de gezagsbeëindiging is gebaseerd op een raadsrapport dat onwaarheden bevat en aantoonbaar het gevolg is geweest van armoede door de toeslagenaffaire. Er is ook een roep vanuit de samenleving dat de slachtoffers van de toeslagenaffaire worden herenigd met hun kinderen. De ouders staan open voor een gefaseerd terugplaatsingstraject, hulpverlening in een ambulant kader en een ondertoezichtstelling. Ouders geven daarnaast ook aan dat de relatie tussen de jeugdzorgwerker van de GI en ouders gebrouilleerd is. Zij vragen of een andere jeugdzorgmedewerker in het vervolg de gesprekken met ouders kan doen.

5 Het standpunt van de GI

5.1.

De GI betreurt het dat ouders slachtoffer zijn geworden van de toeslagaffaire. De GI betwist echter dat de gezagsbeëindiging en de uithuisplaatsing toe te schrijven is aan de toeslagenaffaire. Er was sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de kinderen en er was geen perspectief op terugplaatsing. Bij ouders was sprake van psychiatrische problematiek en overbelasting, waardoor zij niet in staat waren opvoedverantwoordelijkheid voor de kinderen te dragen. Als gevolg daarvan ontstonden spanningen tussen ouders en zijn er incidenten van huiselijk geweld geweest waar de kinderen getuige van waren. De financiële positie van ouders was geen hoofdreden voor de gezagsbeëindiging.

5.2.

Zowel een herstel van het gezag als een thuisplaatsing van de kinderen zijn volgens de GI niet in het belang van de kinderen. De hechting van de kinderen aan de gezinshuisouders is in het belang van de kinderen en moet niet worden doorbroken. De kinderen verliezen dan hun vaste basis en de volwassenen op wie zij het meest vertrouwen. De aanvaardbare termijn is reeds met jaren verstreken. De vraag is ook of ouders een zodanig stabiel opvoedklimaat kunnen bieden dat het de heftige impact van een terugplaatsing kan dragen.

5.3.

Het perspectief van de kinderen hangt niet aan een zijden draadje, zoals de ouders stellen. De plaatsing van de kinderen bij de gezinshuisouders staat niet ter discussie of op het spel door de hersenbloeding van de gezinshuismoeder. De GI heeft de ouders structureel op de hoogte gehouden over de situatie van de gezinshuismoeder.

5.4.

De GI stelt dat de ouders in korte tijd anders zijn gaan denken over de gezinshuisplaatsing van de kinderen en de uitoefening van de voogdij. In september 2021 noemen de ouders nog dat de plaatsing (en verzorging en opvoeding) van de kinderen niet op het spel mag worden gezet en dat zij niet om opheffing van de voogdij verzoeken. Dit komt op de GI over als onbetrouwbaar. De kinderen kunnen in een loyaliteitsconflict raken als de kinderen dit gaan merken. In het verleden zijn ouders hier reeds meerdere keren op aangesproken door de (vorige) pleegzorginstelling. Het herstel van het gezag zou de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis in gevaar brengen.

5.5.

De ouders hebben in de afgelopen anderhalf jaar de keuze gemaakt om niet aanwezig te zijn bij besprekingen over de kinderen. Zij worden hier wel voor uitgenodigd. Er is summier tot geen contact tussen de ouders en de GI. De ouders zijn niet aanwezig bij evaluaties en planbesprekingen van hun kinderen in het gezinshuis en bij besprekingen vanuit Omega Pleegzorg rondom de begeleide bezoeken. De begeleide bezoeken van de kinderen aan ouders lopen de laatste tijd over het algemeen positief.

5.6.

Het gezag over de kinderen door de GI blijft nodig in deze tijd van juridische onrust. Het is noodzakelijk dat een derde partij met gezag kan handelen omdat de ouders in het verleden niet consistent en betrouwbaar zijn gebleken in hun uitspraken en handelen. Daarnaast dient een derde partij overzicht te houden op de ongestoorde ontwikkeling van de kinderen.

5.7.

Hoewel de GI geen voorstander is van het opnieuw onderzoeken van het perspectief van de kinderen, heeft de GI tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld zich te kunnen vinden in een aanhouding van de zaak in afwachting van een verklarende analyse zoals voorgesteld door het landelijk Ondersteuningsteam.

6 Het standpunt van de raad

6.1.

De raad betreurt het ook dat ouders slachtoffer zijn geworden van de toeslagaffaire. Voor de raad staat het perspectief van de kinderen echter niet ter discussie. De gezinshuismoeder kan bovendien gewoon de zorg blijven bieden, haar hersenbloeding heeft geen invloed op haar functioneren als gezinshuismoeder.

6.2.

De raad kan zich vinden in een aanhouding van de zaak, als de rechtbank daartoe besluit, voor een analyserend onderzoek, waarin ook het perspectief wordt meegenomen. De raad merkt daarbij wel op dat belangrijke vragen zijn: is het in het belang van de kinderen dat het gezag van de ouders wordt hersteld, wat zijn de opvoedvaardigheden van ouders, wat zijn de mogelijkheden voor ouders om op termijn voor de kinderen te zorgen en wat betekent dit voor de kinderen.

7 De beoordeling

Wat zegt de wet

7.1.

Ingevolge artikel 1:277, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.

Het oordeel

7.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken van de bemiddelende rol van de heer [F] van het Ondersteuningsteam tussen de GI en ouders. Het Ondersteuningsteam begeleidt (kosteloos) ouders die te maken hebben met complexe problemen rondom uithuisplaatsingen door de toeslagenaffaire. De hulp van het Ondersteuningsteam wordt betaald door de overheid maar in de uitvoering is het Ondersteuningsteam onafhankelijk en neutraal. De GI is bereid met het Ondersteuningsteam en ouders in gesprek te gaan.

7.3.

De ouders en het Ondersteuningsteam hebben de wens dat in deze zaak een onderzoek zal plaatsvinden in de vorm van een verklarende analyse door een onafhankelijk psycholoog, waarin ook gekeken wordt naar het perspectief van de kinderen. Vanuit de ouders en het Ondersteuningsteam wordt voorgesteld om orthopedagoog / klinisch psycholoog [G] te Groningen in te zetten voor het opstellen van deze verklarende analyse. Ter zitting is gebleken dat de GI en de raad hiermee instemmen.

7.4.

Gelet hierop acht de rechtbank het passend om de zaak aan te houden, om de betrokkenen deze ruimte te geven. De rechtbank gaat ervan uit dat mevrouw [G] hiervoor beschikbaar is en dat het Ondersteuningsteam de regie neemt om het onderzoek in gang te zetten.

7.5.

De rechtbank merkt hierbij wel het volgende op. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat binnen het onderzoek ook het perspectief van de kinderen onderzocht kan worden. De rechtbank heeft echter wel zorgen over wat een dergelijk onderzoek betekent voor de draagkracht van de kinderen en de gezinshuisouders. De rechtbank acht daarom, mede gelet op het wettelijk criterium dat herstel van het gezag in het belang van de kinderen moet zijn, van groot belang dat het onderzoek slechts plaatsvindt als blijkt dat de kinderen dit aan kunnen. De ondergrens is het belang van de kinderen; dus de eerste vraag moet zijn: kunnen de kinderen een dergelijk onderzoek aan? De ouders, de GI en de raad hebben ter zitting verklaard het hiermee eens te zijn.

7.6.

De rechtbank gaat ervan uit dat mevrouw [G] , als het onderzoek naar de bovengenoemde voorvraag gereed is, alle betrokkenen, inclusief de gezinshuisouders, daarvan direct in kennis stelt.

7.7.

De gezinshuisouders dienen zorgvuldig in het onderzoek / proces te worden meegenomen. Mocht de conclusie zijn dat de kinderen het onderzoek aankunnen, dan dient het onderzoek op een voor de kinderen en de gezinshuisouders minst belastende wijze plaats te vinden.

7.8.

De rechtbank zal zelf geen onderzoek gelasten nu alle betrokkenen akkoord zijn met de inzet van mevrouw [G] en de rechtbank partijen daartoe de ruimte wil geven. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de GI te gelasten om medewerking te verlenen aan verruiming van de omgang voor de duur van de verklaringen analyse. De rechtbank gaat ervan uit dat als daartoe aanleiding wordt gezien, de GI in overleg met ouders en de gezinshuisouders de omgang kan verruimen.

7.9.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank iedere beslissing aanhouden in afwachting van de resultaten van de verklarende analyse, zoals hierna vermeld.

8 De beslissing

De rechtbank:

8.1.

houdt iedere beslissing aan in afwachting van de resultaten van de verklarende analyse van [G] , orthopedagoog / klinisch psycholoog te Groningen;

8.2.

verzoekt ouders (dan wel het Ondersteuningsteam uit naam van ouders) uiterlijk op 9 december 2022 of zoveel eerder als het rapport beschikbaar is, aan de rechtbank, de GI, de raad en de gezinshuisouders het rapport van [G] toe te zenden;

8.3.

stelt ouders (en het Ondersteuningsteam), de GI, de raad en de gezinshuisouders in de gelegenheid om uiterlijk vier weken daarna zich schriftelijk uit te laten aan de rechtbank, waarbij zij tevens dienen aan te geven of behoefte bestaat aan voortzetting van de mondelinge behandeling, in welk geval zij tevens verhinderdata voor de maanden januari, februari en maart 2023 dienen over te leggen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.F.J.M. Schröder, mr. M. van Bruggen en
mr. A.M. Mensink en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2022 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.

[.]