Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:2174

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-07-2022
Datum publicatie
15-08-2022
Zaaknummer
ak_21_1126
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor gebruiken van een woning als kamerverhuurpand voor zes personen; omdat niet voldaan wordt aan alle criteria uit de Beleidsregel verweerder niet bevoegd om af te wijken van het bestemmingsplan; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 21/1126


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Kolkman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1], uit Enschede (hierna: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van de door hem gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de woning op het perceel [adres 1] in Enschede (hierna: perceel [nummer 1] ) als kamerverhuurpand voor zes personen.

1.1.

Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het primaire besluit van 28 november 2019 verleend. Met het bestreden besluit van 2 juni 2021 op het bezwaar van, onder meer, [naam 1] heeft verweerder het primaire besluit herzien en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

1.2.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2022 op zitting behandeld. Namens eiser zijn diens dochter [naam 2] alsmede [naam 3] , partner van [naam 2] , verschenen, bijgestaan door eisers gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Fikkert. [naam 1] is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [naam 4]

Totstandkoming van het bestreden besluit

Feiten

2. De voormalig eigenaren van de woning op perceel [nummer 1] en [naam 5] (hierna: [naam 5] ) hebben op 21 oktober 2019 een koopovereenkomst betreffende deze woning gesloten. Eiser wil de woning op perceel [nummer 1] gebruiken als kamerverhuurpand voor zes personen. Daartoe heeft hij op 22 oktober 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning bij verweerder ingediend. De besluitvorming op die aanvraag ligt in deze uitspraak voor. In de aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij op 1 december 2019 eigenaar wordt van deze woning. Op 15 januari 2020 is de woning op perceel [nummer 1] geleverd aan eisers dochter,

[naam 2]

[naam 1] woont op het perceel [adres 2] in Enschede. Dit perceel grenst aan perceel [nummer 1] .

Voorliggende besluitvorming

3. Bij aanvraag van 22 oktober 2019 heeft eiser verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen om de woning op perceel [nummer 1] te gebruiken als kamerverhuurpand voor zes personen.

Deze aanvraag is in strijd met artikel 3.1, onder a, van het (paraplu)bestemmingsplan “Onzelfstandige bewoning Enschede” (hierna: het bestemmingsplan). Vanwege deze strijd is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) vereist. De aanvraag ziet op deze omgevingsvergunning.

4. In het primaire besluit van 28 november 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verleend. Hierbij heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo, in samenhang met artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan, in samenhang met de Beleidsregel “Onzelfstandige bewoning Enschede” (hierna: de Beleidsregel). Verweerder heeft zich hierbij op de navolgende standpunten gesteld.

4.1.

Op grond van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan kan hij met een omgevingsvergunning afwijken van het onder 3.1, onder a, van het bestemmingsplan genoemde verbod en het gebruik van of het in gebruik geven van een kamerverhuurpand toestaan, mits wordt voldaan aan de criteria uit de Beleidsregel dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel.

4.2.

Op de aanvraag en de verdere besluitvorming is de Beleidsregel van toepassing, omdat uit de Beleidsregel en de nadien gewijzigde beleidsregels volgt dat de dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ontvangen, bepalend is voor de vraag welke beleidsregels van toepassing zijn.

Uit de Beleidsregel volgt dat van onzelfstandige bewoning sprake is wanneer drie of meer bewoners geen gezamenlijk zelfstandig huishouden voeren en dus de bewoning niet als één afzonderlijk huishouden kan worden aangemerkt. Indien een aanvraag voor onzelfstandige bewoning wordt ingediend, vindt toetsing plaats of hiervoor afgeweken kan worden van het bestemmingsplan met een omgevingsvergunning. Hierbij geldt als toetsingskader dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat door, onder andere, te toetsen aan het gebruik van de twee naastgelegen woningen (zowel links als rechts). Wat betreft dit gebruik staat in de Beleidsregel dat het pand waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft, meer dan twee aaneengesloten woningen verwijderd moet zijn van een geregistreerd pand voor onzelfstandige bewoning dan wel een woning waarvoor al een aanvraag om een omgevingsvergunning voor onzelfstandige bewoning bij verweerder is ingediend. De dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning door de gemeente is ontvangen, is bepalend voor het vaststellen van het gebruik van de belendende (vier) woningen.

4.3.

In het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat de aanvraag voldoet aan alle criteria uit de Beleidsregel, dus ook aan het criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig worden bewoond en dat hiervoor ook geen aanvraag bij hem is ingediend.

5. In bezwaar is aangevoerd dat niet wordt voldaan aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van het pand waarop de aanvraag ziet, niet onzelfstandig bewoond mogen zijn. Op verzoek van de bezwarencommissie heeft verweerder daarop aanvullend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van deze woningen.

5.1.

Verweerder heeft dit onderzoek uitgevoerd en de bezwarencommissie over zijn bevindingen en het vervolgens door hem ingenomen standpunt, geïnformeerd.

Samengevat weergegeven is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat de woning op perceel [adres 3] (hierna: perceel [nummer 2] ) zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van de hoorzitting volgens de BRP werd bewoond door (slechts) twee personen, maar dat er feitelijk drie personen onzelfstandig woonden in dit pand. De derde persoon had niet voldaan aan de verplichting om zich als bewoner op dit adres in te schrijven in de BRP, maar heeft dit ondertussen wel gedaan. De eigenaar van de woning op perceel [nummer 2] heeft met documentatie aangetoond dat er in de periode vanaf 24 december 2016 tot heden sprake is van onzelfstandige bewoning die niet langer dan één jaar onderbroken is geweest, zodat sprake is van een ‘bestaand kamerverhuurpand’ in de zin van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft geconcludeerd dat uit het onderzoek volgt dat ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag van eiser niet werd voldaan aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning niet onzelfstandig bewoond mogen zijn.

5.2.

De secretaris van de bezwarencommissie heeft eiser bij brief van 5 januari 2021 op de hoogte gesteld van de onderzoeksbevindingen en het hierop door verweerder ingenomen standpunt, en eiser in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Eiser heeft bij brief van 1 februari 2021 zijn reactie gegeven.

6. In het bestreden besluit van 2 juni 2021 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, het bezwaar van [naam 1] gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd wegens het niet voldoen aan een criterium uit de Beleidsregel. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen bijzondere omstandigheden zijn die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen en daarmee zouden nopen tot afwijking van de Beleidsregel.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt de in bezwaar alsnog geweigerde omgevingsvergunning voor het gebruiken van de woning op perceel [nummer 1] als kamerverhuurpand voor zes personen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

8. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beroepsgrond tegen het primaire besluit

9. Eiser heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het primaire besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. In dit kader heeft hij aangevoerd dat verweerder in de primaire fase onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie in de vier belendende woningen, en dan met name de woning op perceel [nummer 2] , heeft uitgevoerd. Verweerder heeft in de primaire fase namelijk enkel volstaan met het raadplegen van de BRP.

10. De rechtbank overweegt hierover dat in beroep enkel de rechtmatigheid van het bestreden besluit voorligt. De rechtbank zal de tegen het primaire besluit gerichte beroepsgrond dan ook niet bespreken.

De bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan

11. De rechtbank stelt vast dat het gebruiken van de woning op perceel [nummer 1] als kamerverhuurpand voor zes personen in strijd is met artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan en dat daarom een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist. Verweerder kan deze vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo in samenhang met artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan verlenen mits wordt voldaan aan de criteria, opgenomen in de Beleidsregel, genoemd in laatstgenoemd artikel. De beleidsregel die in deze zaak van toepassing is, is de Beleidsregel, omdat deze gold ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag.

Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

12. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet voldoet aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig mogen worden bewoond. Uit feitenonderzoek is immers gebleken dat de woning op perceel [nummer 2] ten tijde van de binnenkomst van de aanvraag werd gebruikt voor onzelfstandige bewoning en dat op perceel [nummer 2] sprake is van een bestaand kamerverhuurpand in de zin van het bestemmingsplan.

In het beroepschrift heeft eiser dit standpunt niet bestreden. Ter zitting heeft eiser voor het eerst aangevoerd dat verweerder voornoemd standpunt niet heeft onderbouwd door het in het geding brengen van de bewijsstukken/onderzoeksresultaten waarop dit standpunt is gebaseerd.

De rechtbank oordeelt dat eiser, door het eerst ter zitting bestrijden van dit standpunt van verweerder, in strijd met de goede procesorde handelt. Eiser had deze (beroeps)grond in een eerder stadium kunnen en moeten aanvoeren. Ten eerste is eiser door de bezwaren-commissie in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bevindingen van het onderzoek en de hierop gebaseerde conclusie van verweerder. Indien eiser van mening was dat de bevindingen en de daarop gebaseerde conclusie onvoldoende waren onderbouwd met bewijsstukken, dan had hij dat in zijn brief van 1 februari 2021 kunnen aangeven. Dat heeft eiser evenwel niet gedaan. Ook heeft eiser in zijn beroepschrift, ingekomen op 14 juli 2021, niet aangegeven dat hij van mening is dat verweerder zijn standpunt/conclusie onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken. Ten slotte had eiser, nadat de rechtbank de door verweerder ingebrachte gedingstukken op 21 september 2021 aan hem had doorgezonden, daarop kunnen reageren. Dat heeft eiser ook niet gedaan. Eiser heeft gewacht tot de zitting van 24 juni 2022 en heeft verweerder toen overvallen met deze nieuwe beroepsgrond, waardoor verweerder niet in staat was hier inhoudelijk op te reageren. De rechtbank betrekt deze beroepsgrond dan ook niet bij haar beoordeling.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat eiser het standpunt van verweerder - dat de aanvraag niet voldoet aan het in de Beleidsregel opgenomen criterium dat twee woningen aan weerszijden van de woning op perceel [nummer 1] niet onzelfstandig mogen worden bewoond - niet heeft bestreden, zodat dit tussen partijen niet in geschil is en de rechtbank hiervan uit zal gaan.

13. Ter zitting hebben eiser en verweerder meegedeeld dat zij zich op het standpunt stellen dat het niet voldoen aan een criterium uit de Beleidsregel niet betekent dat verweerder niet bevoegd zou zijn om gebruik te maken van de in artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Volgens eiser en verweerder kan verweerder in beginsel afwijken van de Beleidsregel. Eiser en verweerder zijn enkel verdeeld over de vraag of er in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en of de hardheidsclausule, neergelegd in de Beleidsregel, verweerder aanleiding had moeten geven om af te wijken van de Beleidsregel.

14. De rechtbank overweegt hierover allereerst dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om omgevingsvergunning te verlenen een aspect van openbare orde is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3031, r.o. 3.2). De bevoegdheid moet daarom ambtshalve door de bestuursrechter worden beoordeeld. Dat het bestaan van de bevoegdheid tussen partijen niet in geschil is, is daarbij niet relevant.

Ten aanzien van de bevoegdheid overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende.

14.1.

De raad van de gemeente Enschede (hierna: de raad) heeft in artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan aan verweerder de bevoegdheid toegekend om af te wijken van het verbod om een woning te gebruiken als kamerverhuurpand, neergelegd in artikel 3.1, onder a, van het bestemmingsplan. Gelet op de redactie van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan is dit een geclausuleerde bevoegdheid. Enkel en alleen als wordt voldaan aan de criteria uit de Beleidsregel, is verweerder bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van voornoemd verbod. Het moeten voldoen aan de criteria uit de Beleidsregel is een toepassingsvoorwaarde die de raad heeft gesteld aan de aan verweerder toegekende afwijkingsbevoegdheid.

Dit betekent dat, indien een aanvraag voor het gebruiken van een woning als kamerverhuurpand voldoet aan de criteria uit de Beleidsregel, verweerder bevoegd is om binnenplans (ex artikel 3.1, onder b) af te wijken van het bestemmingsplan en is verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb, gehouden om de gevraagde vergunning te verlenen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel.

Indien daarentegen een dergelijke aanvraag niet voldoet aan de criteria van de Beleidsregel, zoals in deze zaak het geval is, is verweerder niet bevoegd om op grond van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan af te wijken. Er wordt immers niet voldaan aan de door de raad geformuleerde voorwaarde voor toepassing van deze bevoegdheid dat moet worden voldaan aan de criteria uit de Beleidsregel.

14.2.

Omdat in deze zaak niet wordt voldaan aan alle criteria uit de Beleidsregel, is verweerder niet bevoegd om op grond van artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan af te wijken van het bestemmingsplan. Of er al dan niet sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van de Beleidsregel, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet relevant. Deze rechtbank is in haar uitspraak van 13 april 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1007, tot een soortgelijk oordeel gekomen. Deze uitspraak is te vinden op rechtspraak.nl.

14.3.

Gelet op vorenstaande heeft verweerder terecht geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 3.1, onder b, van het bestemmingsplan aan eiser te verlenen, zij het op onjuiste gronden. De rechtbank komt daarom niet toe aan bespreking van de beroepsgronden over het al dan niet aan de orde zijn van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de Beleidsregel. De in dit kader aangevoerde beroepsgronden over het motiveringsbeginsel en de belangenafweging in combinatie met het evenredigheidsbeginsel, behoeven eveneens geen bespreking door de rechtbank.

Bestreden besluit in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

15. Eiser heeft verder in zijn beroepschrift aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur (hierna: abbb’s) is genomen. Dit betreft het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, en het beginsel van fair play.

16. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

16.1

In de bezwaarfase vindt een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats. De aard van de bezwaarprocedure brengt mee dat het bestuursorgaan zowel gebreken van formele aard als zorgvuldigheidsgebreken van allerlei aard die kleven aan het primaire besluit kan herstellen. Dit kan tot gevolg hebben dat het primaire besluit wordt gewijzigd dan wel in zijn geheel wordt herroepen. Dit is inherent aan zowel de herstelfunctie als de rechtsbeschermingsfunctie van de bezwaarfase en dit betekent niet dat het rechtszekerheids-dan wel het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.

16.2

De rechtbank overweegt verder dat eiser er door verweerder in het primaire besluit op is gewezen dat hij op eigen risico handelt als hij gebruik maakt van de verleende vergunning voordat deze onherroepelijk is. Eiser wist voorts dat er bezwaren waren vanuit de buurt, aangezien deze bezwaren al naar aanleiding van de publicatie van de aanvraag naar voren waren gebracht. Dat eiser desalniettemin heeft ingeschat dat de kans dat de omgevingsvergunning in bezwaar zou worden herroepen niet zo groot was en dat hij daarom gebruik is gaan maken van de vergunning, komt voor zijn eigen rekening en risico.

16.3

Van schending van het fair play beginsel is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. Dat verweerder, naar aanleiding van een bezwaargrond van omwonenden (inhoudende dat de feitelijke situatie op perceel [nummer 1] niet overeenstemt met de BRP), nader onderzoek heeft verricht naar de feitelijke woonsituatie op dat perceel, is conform de rechtsbeschermingsfunctie van de bezwaarfase. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder, neergelegd in zijn verweerschrift, dat de rechtspraak waar eiser in dit kader naar heeft verwezen niet vergelijkbaar is met de thans voorliggende zaak.

16.4.

De in dit kader aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor kamergewijze bewoning van de woning op perceel [nummer 1] , in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…).

Planregels van het bestemmingsplan “Onzelfstandige Bewoning Enschede”

Artikel 1.13

Bestaand kamerverhuurpand: een kamerverhuurpand dat voor 24 december 2016 (het tijdstip van inwerkingtreding van het Voorbereidingsbesluit "Onzelfstandige Bewoning 2017") onzelfstandig wordt bewoond en dit gebruik niet voor een periode langer dan een jaar is onderbroken.

Artikel 1.32

Kamerverhuurpand: een woning/wooneenheid die wordt gebruikt door 3 of meer personen die niet als één huishouden kunnen worden aangemerkt. De woning/wooneenheid kenmerkt zich door het gezamenlijk gebruik van kook- en wasgelegenheid en/of toilet en in de meeste gevallen met een gezamenlijke toegang. In afwijking van deze definitie wordt een kamer in een verzorgings- of verpleeghuis niet aangemerkt als onzelfstandige bewoning in een kamerverhuurpand.

Artikel 3.1

Overige zone – onzelfstandige bewoning

a. Ter plaatse van de aanduiding “overige zone – onzelfstandige bewoning" is, daar waar ter plaatse van de geldende bestemming of functieaanduiding wonen is toegestaan, het verboden woningen/wooneenheden of andere gebouwen te gebruiken of in gebruik te geven als kamerverhuurpand.

b. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het onder a genoemde verbod en het gebruik van of het in gebruik geven van een kamerverhuurpand toestaan, mits wordt voldaan aan de criteria uit de beleidsregel "Onzelfstandige bewoning Enschede" dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde respectievelijk vervangende beleidsregel;

c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bestaande kamerverhuurpanden.

Beleidsregel Onzelfstandige bewoning Enschede

Criteria

Plangebied

a. Deze beleidsregel heeft betrekking op het gebied dat is weergegeven op de kaart in bijlage A.

Buurtpercentages

b. Verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning leidt niet tot overschrijding van het maximale buurtpercentage voor onzelfstandige bewoning door 3 of meer personen. De dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning door de gemeente is ontvangen, is bepalend voor het vaststellen van de geldende percentages.

(…).

Straatpercentages

c. In een buurt waar een maximaal percentage van toepassing is, geldt voor elke straat gelegen in deze buurt een maximumpercentage onzelfstandige bewoning door 3 of meer personen van 12%. Verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning leidt niet tot overschrijding van het maximale straatpercentage van 12%, ongeacht het feit of het maximale buurtpercentage is bereikt. Deze regel is niet van toepassing op de buurt City. De dag waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning door de gemeente is ontvangen, is bepalend voor het vaststellen van de geldende percentages. Hierbij worden alle reeds bestaande legale kamerverhuurpanden meegenomen.

Ligging tussen twee aaneengesloten woningen waar zelfstandige bewoning plaats vindt

d. Het pand waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking heeft, is meer dan twee aaneengesloten woningen verwijderd van een geregistreerd pand voor onzelfstandige bewoning door 3 of meer personen, dan wel een woning waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning voor onzelfstandige bewoning door 3 of meer personen is ingediend. Woningen die gescheiden zijn door een gang met beperkte breedte zoals een brandgang of fietstoegang gelden als aaneengesloten. Deze regel is niet van toepassing op de buurt City.

Aantal (slaap)kamers is minimaal gelijk aan aantal personen

e. Het betreffende kamerverhuurpand mag bewoond worden door niet meer personen dan het aantal (slaap)kamers (gemeenschappelijke ruimtes niet meegerekend) zoals vermeld op het moment van de aanvraag van de omgevingsvergunning en waarvan in redelijkheid mag worden aangenomen dat dit aantal passend is binnen de woning. In de omgevingsvergunning wordt dit als voorwaarde opgenomen.

Afwijking van de regels

f. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze regels naar hun oordeel tot een onwenselijke situatie leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze regels.

(verlengde) Tijdelijke beleidsregel Onzelfstandige bewoning Enschede 2020

Artikel 1

Een vergunning voor onzelfstandige bewoning wordt slechts verleend indien:

a. Sprake is van een sociale huurwoning, én

b. Het plan past binnen de (prestatie-) afspraken die zijn gemaakt met de Enschedese woningcorporaties, én

c. Geen sprake is van een negatief effect op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plan.

Artikel 2

Artikel 1 is niet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend voor het inwerking treden van deze beleidsregel. Deze aanvragen worden getoetst aan het beleid zoals dat gold op het moment van indienen van de aanvraag.