Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:2067

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-07-2022
Datum publicatie
19-07-2022
Zaaknummer
C/08/282160 / KG ZA 22-128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing gelegde beslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/282160 / KG ZA 22-128

Vonnis in kort geding van 18 juli 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser, verder te noemen [eiser] ,

advocaten mrs. C.P.B. Kroep en S. Erkel te Enschede,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAJONI BESTUUR B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAJONI INVEST B.V.,

gevestigd te Hengelo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE DESSERT MEESTERS B.V.,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ZUIVELHOEVE VERKOOP B.V.,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ZUIVELHOEVE WINKELBEDRIJVEN B.V.,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE ZUIVELHOEVE PRODUCTIE B.V.,

allen gevestigd te Hengelo (Ov),

gedaagden, hierna ook te noemen: Jajoni Bestuur, [gedaagde sub 2] , Jajoni Invest, DDM, DZV, DZW, DZP, de Werkmaatschappijen (DDM, DZV, DZW, DZP gezamenlijk), De Zuivelhoeve (de Werkmaatschappijen en Jajoni Invest gezamenlijk) en
Jajoni Bestuur c.s. (alle gedaagden tezamen),

advocaten mrs. S.W. Holterman en L.M. Smelik te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    het e-mailbericht van de griffie van 29 juni 2022 aan de advocaten van partijen dat de zitting niet fysiek, maar via een video-verbinding zal worden gehouden,

  • -

    de op 1 juli 2022 ontvangen pleitnota van de zijde van [eiser] ,

  • -

    de e-mailberichten van de advocaten van partijen van 1 juli 2022 aan de griffie van de rechtbank en in reactie daarop het e-mailbericht van de griffie van de rechtbank dat de pleitnota van Jajoni Bestuur c.s. uiterlijk 3 juli 2020 om 13.00 uur moet zijn ontvangen en dat de mondelinge behandeling online zal worden gehouden,

  • -

    de op 1 juli 2022 ontvangen producties van de zijde van Jajoni Bestuur c.s.,

  • -

    de op 3 juli 2022 ontvangen pleitnota, van de zijde van Jajoni Bestuur c.s.,

  • -

    het e-mailbericht van de griffie van de rechtbank van 4 juli 2022 aan de advocaten van partijen,

  • -

    de op 4 juli 2022 via een videoverbinding gehouden mondelinge behandeling, waar partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De beslissing samengevat

Waarover gaat deze zaak?

2.1.

In deze procedure staat de vraag centraal of de door DDM, DZV, DZW en Jajoni Invest respectievelijk de Werkmaatschappijen ten laste van [eiser] gelegde conservatoire (derden)beslagen al dan niet moeten worden opgeheven.

Wat beslist de voorzieningenrechter?

2.2.

De voorzieningenrechter heft de beslagen op. Naar zijn voorlopig oordeel kan het bestaan van de schade van ruim € 1.273.140,07 aan de zijde van De Zuivelhoeve en het vereiste causale verband tussen die schade en het (beweerde) toerekenbaar tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen van [eiser] , niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen. Dit betekent dat voorshands summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering(en) van de Zuivelhoeve is gebleken. Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een andere conclusie. De voorzieningenrechter legt hieronder uit waarom hij tot deze beslissing is gekomen.

3 De feiten

3.1.

Op 1 januari 2003 is [eiser] in dienst getreden bij DZP in de functie van financieel manager. Vervolgens is hij als financieel directeur in dienst geweest van verschillende aan die vennootschap gelieerde bedrijven. Op 1 juli 2013 is hij bij
[A] Beheer B.V. (hierna [A] Beheer) in dienst getreden. Van 1 januari 2019 tot 1 december 2019 was [eiser] in dienst bij Jajoni Bestuur als financieel directeur.

3.2.

In maart 2014 hebben [eiser] , [A] Beheer en [A] Food Family B.V. (oud) en [eiser] een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst heeft betrekking op de aandelen die [eiser] (2,5%) en [A] Beheer zijn gaan houden in [A] Food Family B.V. (oud).

3.3.

De naam van [A] Beheer is per 21 juni 2016 gewijzigd in [gedaagde sub 2] en vervolgens per 16 maart 2018 in [A] Food Family B.V. (nieuw) (hierna: RFF).

3.4.

[A] Food Family B.V. (oud) is per 16 maart 2018 Dutch Foodsurprise B.V. (hierna DFS) geworden. [eiser] is aldus per die datum aandelen gaan houden in DFS.

3.5.

Jajoni Bestuur is bestuurder van (onder meer) [gedaagde sub 2] , Jajoni Invest, de Werkmaatschappijen, DFS en RFF (geweest). De enig directeur-grootaandeelhouder van Jajoni Bestuur was en is de heer [A] (hierna: de heer [A] ). Jajoni Invest is de moedermaatschappij van de werkmaatschappijen.

3.6.

In 2019 bleek uit de daadwerkelijke geconsolideerde resultaten van 2018 van de Werkmaatschappijen dat de voor hen verwachte of geschatte resultaten (de latest estimates) voor het boekjaar 2018 (gedeeltelijk) niet zijn behaald. Dit is besproken in een directieoverleg op 15 mei 2019. Om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen zijn er maatregelen getroffen. Zo werd besloten dat een extern adviseur vier maal per jaar een extra controle zou doen op de tussentijdse latest estimates.

3.7.

[eiser] heeft per e-mailbericht van 24 oktober 2019 ontslag genomen bij Jajoni Bestuur en zijn aandelen in DFS te koop aangeboden.

3.8.

Eind 2019 zijn de voorbereidingen gestart voor de fusie tussen De Zuivelhoeve Machine B.V. (hierna: DZM) en DFS. Deze fusie heeft op 23 juni 2020 plaatsgevonden. In het kader van de fusie is bepaald dat [eiser] als aandeelhouder van DFS geen recht heeft op een aandeel in de door de fusie ontstane vennootschap, [A] Food Group B.V. (hierna: RFG).

3.9.

Er is discussie geweest en overleg gevoerd over de aanbieding door [eiser] van zijn aandelen in DFS en de koopplicht van RFF. Dat heeft niet geleid tot een koop door RFF van de aandelen van [eiser] .

3.10.

In januari 2020 is [eiser] een procedure tegen [gedaagde sub 2] begonnen bij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Almelo. Van de zijde van [gedaagde sub 2] is een bevoegdheidsincident opgeworpen. In de incidentele conclusie tot onbevoegdheidsverklaring staat (onder meer) het volgende:

“[…]

Allereerst dienen de bij Dagvaarding ingestelde vorderingen als losstaand van de arbeidsovereenkomst te worden beschouwd, omdat de arbeidsovereenkomst van [eiser] reeds met ingang van 1 december 2019 is beëindigd. Hierbij zijn in goed overleg alle rechten en verplichtingen voor werkgever en werknemer voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst afgehandeld, waardoor partijen op grond van de arbeidsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben.

[…]”

3.11.

Omdat in voormelde procedure bleek dat de verkeerde partij was gedagvaard, is [eiser] in 2021 bij deze rechtbank, locatie Almelo, een (nieuwe) procedure gestart tegen RFF en Jajoni Bestuur wegens het niet afnemen en niet betalen voor zijn aandelen in DFS.

3.12.

Bij vonnis van 12 januari 2022 heeft deze rechtbank, locatie Almelo, (onder meer) RFF veroordeeld om € 976.775,- te betalen aan [eiser] . Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

3.13.

Op verzoek van DDM, DZV, DZW en Jajoni Invest heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, locatie Almelo, op 20 januari 2022 verlof verleend voor het leggen van conservatoir (derden)beslag onder RFF op de vordering ten bedrage van € 986.276,85 die [eiser] heeft op RFF en op de woning van [eiser] , met begroting van de vordering inclusief rente en kosten op een bedrag van € 1.500.000,-. Deze beslagen zijn vervolgens op 20 januari 2022 gelegd.

3.14.

Na verkregen uitstel daarvoor is [eiser] op 4 maart 2022 gedagvaard door DDM, DZV, DZW, Jajoni Invest en DZP.

3.15.

Op 8 maart 2022 heeft [eiser] Jajoni Invest gedagvaard in een bodemprocedure, omdat Jajoni lnvest op basis van een door haar gedeponeerde
403-verklaring (hoofdelijk) aansprakelijk is voor al hetgeen [eiser] uit hoofde van het vonnis van 12 januari 2022 van RFF te vorderen heeft.

3.16.

Op verzoek van DDM, DZV, DZW, en DZP heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, locatie Almelo, op 21 maart 2022 verlof verleend voor het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [eiser] op al hetgeen Winkelborst te

vorderen heeft van Jajoni Invest, alsmede op de vorderingen die [eiser] op

Jajoni Invest zal verkrijgen uit een bestaande rechtsverhouding, met begroting van de vordering inclusief rente en kosten op een bedrag van € 1.500.000,-. Dit beslag is vervolgens op 28 maart 2022 gelegd.

4 Het geschil

4.1.

Het gevorderde van [eiser] strekt in de kern - zeer kort gezegd - primair tot opheffing van de gelegde conservatoire (derden)beslagen en subsidiair tot een veroordeling van Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] om een abstracte bankgarantie dan wel voldoende zekerheid te stellen ten behoeve van de Werkmaatschappijen en Jajoni Invest voor een bedrag van € 1.500.000,- waarna de beslagen moeten worden opgeheven, dit alles op straffe van verbeurte van (een) dwangsom(men) en met hoofdelijke veroordeling van Jajoni Bestuur c.s. in primair de volledige kosten van deze procedure, althans subsidiair de kosten van deze procedure, de nakosten en de wettelijke rente over deze kosten.

4.2.

[eiser] heeft - samengevat weergegeven - het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd. De beslagen moeten worden opgeheven omdat de eis waarvoor beslag is gelegd op 20 januari 2022 niet in de hoofdzaak is ingesteld en de gepretendeerde vorderingen ondeugdelijk zijn. Daarnaast maakt De Zuivelhoeve misbruik van de bevoegdheid om beslag te mogen leggen door haar uit te oefenen met geen ander doel dan [eiser] te schaden, en met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (namelijk niet ter meerdere zekerheid tot verhaal van enige vordering, maar ter voorkoming van een betaling van een in rechte toegekende vordering), waarbij zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening hadden kunnen en mogen komen. [eiser] bestrijdt dat hij toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Evenmin is hij op grond van het bepaalde in artikel 7:661 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk, voor de vordering van De Zuivelhoeve. [eiser] ontkent en betwist dat hij met opzet of bewuste roekeloosheid foutieve gegevens zou hebben opgenomen in de latest estimates en dat hij dat zou hebben gedaan om met opzet of bewuste roekeloosheid bij De Zuivelhoeve de gevorderde (vermeende) schade te berokkenen. Als er sprake zou zijn van een grond voor aansprakelijkheid van [eiser] , dan geldt dat van de door De Zuivelhoeve gestelde vermeende schade ook niets deugt. [eiser] betwist met klem dat de werkmaatschappijen enige schade zouden hebben geleden als gevolg van de achteraf gebleken onjuiste latest estimates eind 2018.

Voor zover de vordering niet ondeugdelijk is, vordert [eiser] dat [gedaagde sub 2] en Jajoni Bestuur als (voormalig) formele werkgever [eiser] moeten vrijwaren voor alle aansprakelijkheid en in dat kader ook zekerheid dienen te stellen voor de door de Werkmaatschappijen (en Jajoni lnvest) gepretendeerde vorderingen waarna de Werkmaatschappijen (en Jajoni lnvest) de beslagen dienen op te heffen.

4.3.

Jajoni Bestuur c.s. voeren gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

4.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Bezwaar van [eiser] tegen overgelegde producties en pleitnota van de zijde van
Jajoni Bestuur c.s.

5.1.

In reactie op het e-mailbericht van de griffie van de rechtbank van 4 juli 2022 is namens [eiser] bij aanvang van de mondelinge behandeling betoogd dat de door
Jajoni Bestuur c.s. ingediende producties en de pleitnota c.s. te laat zijn overgelegd en dat de pleitnota, gelet op de omvang (van 35 pagina’s) bovendien is aan te merken als een verkapte conclusie, waarin Jajoni Bestuur c.s. ook de gelegenheid heeft gehad om de eerder overgelegde pleitnota van [eiser] te betrekken. Van de zijde van Jajoni Bestuur c.s. is verzocht zowel de producties als de pleitnota, die wat hen betreft als voorgedragen kan worden beschouwd, bij de beoordeling te betrekken. De producties zijn grotendeels bekend bij [eiser] en wat betreft de pleitnota hebben Jajoni Bestuur c.s. zich aan de opdracht van de griffie van de rechtbank gehouden.

5.2.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens tijdens de mondelinge behandeling besloten om de producties en de pleitnota van de zijde van Jajoni Bestuur c.s. te accepteren en bij de beoordeling te betrekken. Ook heeft hij besloten de pleitnota’s als voorgedragen te beschouwen. Bij deze beslissing(en) heeft de voorzieningenrechter laten meewegen dat van de zijde van [eiser] is verklaard dat er voldoende gelegenheid is geweest om de producties en pleitnota te lezen en te bespreken, zodat [eiser] niet in zijn belangen is geschaad. Bovendien is van de zijde van [eiser] ook verklaard dat een (korte) aanhouding van de procedure, gelet op de belangen aan de zijde van [eiser] , ook geen optie is.

Toetsingskader

5.3.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de vordering tot opheffing van het beslag moeten ook de wederzijdse belangen van partijen worden betrokken. Dit betekent enerzijds dat het beslag niet noodzakelijkerwijs hoeft te worden opgeheven, indien niet summierlijk van de deugdelijkheid van de vordering blijkt en anderzijds dat aan de orde kan zijn dat de vordering wel degelijk in bepaalde mate aannemelijk is, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het beslag te rechtvaardigen.

Ontvankelijkheid

5.4.

Jajoni Bestuur c.s. heeft zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat voor zover de vorderingen van [eiser] gericht zijn tegen Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] , [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze twee vennootschappen niet om verlofverlening voor het leggen van beslag hebben verzocht.

5.5.

[eiser] stelt dat hier sprake is van een nieuw verweer dat in dit stadium niet alsnog kan worden opgeworpen, omdat het in strijd is met het vereiste van concentratie van verweer.

5.6.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in zijn betoog dat dit verweer als tardief moet worden beschouwd. Mede gelet op de aard van de procedure valt niet in te zien waarom een dergelijk verweer niet (pas) tijdens de mondelinge behandeling kan worden gevoerd. [eiser] had de gelegenheid om tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijke argumenten tegen dit verweer naar voren te brengen, maar heeft dit nagelaten. De voorzieningenrechter stelt vast dat Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] niet een verzoek tot verlofverlening voor beslaglegging hebben ingediend en dat zij ook niet de van belang zijnde beslagen hebben laten leggen. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover het door hem gevorderde tot Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] is gericht.

Het al dan niet ontbreken van een eis in de hoofdzaak

5.7.

[eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat De Zuivelhoeve heeft nagelaten een eis in de hoofdzaak in te stellen. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt benadrukt dat DDM, DZV, DZW en Jajoni Invest in het beslagrekest van januari 2022 hebben gesteld dat zij één hoofdelijke vordering (in hoofdsom) van € 1.265.248,56 hebben op [eiser] , terwijl Jajoni Invest in de op 4 maart 2022 uitgebrachte dagvaarding geen eis heeft ingesteld, behalve dat zij aanspraak wil maken op vergoeding van proceskosten, en DDM, DZV en DZW afzonderlijk een beduidend lagere eis hebben ingesteld dan € 1.265.248,56. Dit betekent dat de beslagen op grond van artikel 700 lid 3 Rv zijn vervallen.

5.8.

De Zuivelhoeve heeft gesteld dat bij de dagvaarding van 4 maart 2022 de eis in de hoofdzaak is ingesteld. Dat er een verschil zit tussen de berekening van de transitievergoeding in deze dagvaarding (waar deze is verhoogd tot € 21.829,51) en het beslagrekest, ligt aan de omstandigheid dat deze nader is beoordeeld bij het opstellen van de dagvaarding. In het petitum van de dagvaarding is duidelijk gemaakt welke werkmaatschappij aanspraak maakt op welk bedrag aan schadevergoeding. Van één hoofdelijke schade is geen sprake, maar dat is ook niet gesteld in het beslagrekest. Wel zijn in de tussentijd de partijen, gewijzigd, maar dat heeft ook niet tot gevolg dat er geen eis in de hoofdzaak zou zijn ingesteld.

5.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat DDM, DZV en DZW wel een eis in de hoofdzaak hebben ingesteld. Anders dan door [eiser] is gesteld kan uit het beslagrekest van 20 januari 2022 niet worden afgeleid dat DDM, DZV, DZW en Jajoni Invest hebben gesteld dat zij één hoofdelijke vordering hebben op [eiser] . Dat de vorderingen in de dagvaarding iets anders luiden dan in het (de) beslagrekest(en), maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat een rekest dat strekt tot verhaalsbeslag het (maximale) beloop van de vordering dient te begroten. Aan de hand daarvan wordt, met inbegrip van kosten, in het verlof het bedrag bepaald waarvoor beslagverlof wordt verleend. Dit bedrag geeft een indicatie van de hoogte van een eventuele zekerheidstelling die nodig is voor opheffing (artikel 705 lid 2 Rv). De term “eis in de hoofdzaak” moet ruim worden uitgelegd1. Met de in te stellen eis in de hoofdzaak wordt bedoeld de vordering die strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot het voldoen van de vordering tot zekerheid waarvan het beslag is gelegd2. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door DDM, DZV en DZW ingestelde vorderingen hier aan voldoen.

5.10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat Jajoni Invest geen vordering in hoofdzaak tegen [eiser] heeft ingesteld, anders dan dat zij in de lijst van eisende partijen in de dagvaarding is opgenomen en blijkbaar ook een proceskostenveroordeling vordert van [eiser] zonder dat daaraan een inhoudelijke vordering ten grondslag ligt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt deze vordering van Jajoni Invest voorshands voor afwijzing gereed en heeft zij om die reden geen rechtens te respecteren belang bij voortduring van het mede namens haar gelegde beslag. Het namens Jajoni Invest gelegde beslag zal reeds om die reden, voor zover nodig, worden opgeheven.

Summierlijke ondeugdelijkheid van de vordering

5.11.

[eiser] heeft met betrekking tot de deugdelijkheid van de vordering van
De Zuivelhoeve naar voren gebracht dat sprake is van afstand van recht dan wel rechtsverwerking. Ter onderbouwing van het standpunt dat er sprake is van afstand van recht heeft hij er op gewezen dat hem op 15 mei 2019 een “generaal pardon” is verleend. Het begrip “generaal pardon” is een juridische term die in het civiele, fiscale en strafrecht letterlijk “algehele kwijtschelding” betekent. Daarnaast is er aan het vermelde in randnummer 4.2. in de incidentele conclusie tot onbevoegdheidsverklaring in de procedure als vermeld onder r.o. 3.10 geen woord Spaans. Deze verklaring/passage is volgens [eiser] toe te rekenen aan de Werkmaatschappijen en daarmee is naar de mening van [eiser] (ook) afstand gedaan van enig (mogelijk) (vorderings)recht. Zo dit niet het geval is, dan geldt dat er sprake is van rechtsverwerking, aldus [eiser] . Door het gegeven “generaal pardon” en de gedane uiting in voornoemde incidentele conclusie, mocht [eiser] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij niet meer zou worden aangesproken op de afwijkende latest estimates c.q. de wijze waarop zijn taken als financieel directeur heeft uitgeoefend.

5.12.

De Zuivelhoeve betwist dit betoog van [eiser] en stelt dat de woorden “generaal pardon” enkel en alleen worden genoemd in een e-mailbericht van mevrouw [B] (hierna: mevrouw [B] )van 6 september 20193. Zij heeft in een verklaring – voor intern gebruik – laten weten dat de heer [A] in het directieoverleg (“DO”) van 15 mei 2019 aan [eiser] een “generaal pardon” heeft gegeven. Daarmee heeft zij, noch de heer [A] , de bedoeling gehad die [eiser] in de dagvaarding aan die woorden toekent, namelijk dat aan hem een ‘algehele kwijtschelding’ zou zijn gegeven. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het e-mailbericht van mevrouw [B] van
30 juni 2022. Het “generaal pardon” zoals dat in het overleg van 15 mei 2019 is genoemd is door alle partijen begrepen als het niet onmiddellijk ontslaan van [eiser] vanwege de malversaties. Dat [eiser] het generaal pardon ook zo begreep (als dat hij gespaard werd van een ontslag op staande voet) blijkt ook uit de vervolgens op gang gekomen correspondentie in het ontstane arbeidsgeschil. De uitlating in de incidentele conclusie in een eerdere procedure moet volgens De Zuivelhoeve worden gezien in de context waarin deze mededeling is gedaan, namelijk in een betoog dat inhield dat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn in die procedure. Uit de aangehaalde passage blijkt nergens dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Er staat alleen dat [gedaagde sub 2] toentertijd niets te vorderen zou hebben en dat lijkt tot op de dag van vandaag ook nog zo. [gedaagde sub 2] heeft dan ook geen vordering ingesteld. Deze stelling regardeert De Zuivelhoeve echter geenszins. Van de door [eiser] gestelde afstand van recht of rechtsverwerking is dan ook geen sprake.

5.13.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling van het beroep op afstand van recht, is - nu op zichzelf niet in geschil is dat de term “generaal pardon” is gevallen tijdens het overleg op 15 mei 2019 – van belang hoe partijen het gegeven “generaal pardon” hebben opgevat. Duidelijk is dat partijen er een verschillende uitleg aan geven. Zonder nader onderzoek en mogelijk bewijslevering, waarvoor dit kort geding zich niet leent, valt op voorhand niet uit te sluiten dat van de door De Zuivelhoeve gegeven uitleg moet worden uitgegaan. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de hiervoor vermelde gedane uitlating in de incidentele conclusie moet worden opgevat. Gelet hierop kan het door [eiser] gedane beroep op afstand van recht niet tot de conclusie leiden dat de vorderingen van De Zuivelhoeve reeds daarom summierlijk ondeugdelijk zijn. Eenzelfde conclusie kan worden getrokken ten aanzien van het beroep op rechtsverwerking, nu dit beroep ook steunt op de ingenomen stellingen ter zake het “generaal pardon” en de gedane uitlating in de incidentele conclusie.

5.14.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door De Werkmaatschappijen gevorderde schadevergoeding in de hoofdzaak (bodemzaak) is gebaseerd op (kort gezegd) de stelling dat [eiser] tekort zou zijn geschoten in de uitoefening van zijn functie en/of werkzaamheden als financieel directeur dan wel dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens De Zuivelhoeve.

5.15.

[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover De Zuivelhoeve. Als er al grond zou zijn voor aansprakelijkheid van [eiser] dan betwist hij dat
De Zuivelhoeve schade heeft geleden door de vermeende onjuiste latest estimates. Daarnaast wordt de schadeberekening van De Zuivelhoeve betwist.

5.16.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn er vraagtekens te zetten bij de deugdelijkheid van de door De Zuivelhoeve in de bodemprocedure ingestelde vordering tot schadevergoeding. Hiervoor is het volgende relevant.

5.17.

[eiser] betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten dan wel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. Ook indien veronderstellenderwijs hiervan zou worden uitgegaan is voor een schadevergoeding op grond hiervan tevens vereist dat er sprake is van causaal verband tussen het toerekenbaar tekort schieten dan wel het onrechtmatige handelen en de geleden schade.

5.18.

De Zuivelhoeve stelt in dit kader dat zij ter compensatie van de daadwerkelijke financiële resultaten over 2018 in de periode van medio 2019 tot medio 2020 afscheid heeft genomen van 22 werknemers. Als [eiser] zijn taak als financieel directeur correct had uitgevoerd en in 2018 (maandelijks) de juiste financiële resultaten had gepresenteerd, dan was de beslissing tot het laten gaan van personeel reeds in 2018 genomen en waren de
22 werknemers uiterlijk op 1 januari 2019 uit dienst getreden. Uitgaande van dit moment als peildatum voor de berekening van de schade, bedraagt de schade € 1.273.140,07.

5.19.

[eiser] heeft daartegen aangevoerd dat hoewel in mei 2019 de definitieve cijfers bekend waren, de 22 werknemers pas voor het grootste deel eind 2019/begin 2020 uit dienst zijn getreden. [eiser] betwist dan ook dat als de heer [A] in december 2018 op de hoogte was geweest van de cijfers die hij in mei 2019 gepresenteerd kreeg, de
22 werknemers al in januari 2019 uit dienst waren getreden. Daarnaast geven volgens hem de definitieve cijfers van DZP en DZV ook helemaal geen reden tot een reorganisatie en lieten de latest estimates bij DDM al een verlies van meer dan € 500.000,-- zien. Bij DZW was er slechts sprake van een afwijking van € 17.000,--, wat in de ogen van [eiser] niet noemenswaardig is. Daarbij komt dat uit de overgelegde productie 13 bij de dagvaarding van 4 maart 2022 blijkt dat 12 medewerkers uit dienst zijn getreden om redenen die niet zijn gelegen in een herstructurering of verval van functie. Ook is het [eiser] bekend dat er in ieder geval twee medewerkers zijn die pas op of na 1 mei 2019 in dienst zijn getreden. Verder heeft [eiser] erop gewezen dat de meeste van de 22 medewerkers niet in dienst waren bij de Werkmaatschappijen, maar bij DFS en RFF.

5.20.

Gelet op hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bestaan van de schade van ruim € 1.273.140,07 aan de zijde van De Zuivelhoeve en het vereiste causale verband tussen die schade en het beweerde toerekenbaar tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen van [eiser] , niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden aangenomen. De Zuivelhoeve heeft de stellingen en beweringen van [eiser] hierover niet voldoende weersproken, terwijl het op haar weg ligt om de omvang van de schade en de vereiste causaliteit aannemelijk te maken. Zo heeft De Zuivelhoeve, voorshands oordelend, niet summierlijk aannemelijk gemaakt dat het concern vanwege de (beweerdelijke) handelwijze genoodzaakt was om afscheid te nemen van 22 werknemers en dat, indien zij in 2018 op de hoogte was geweest van de juiste financiële gegevens, deze werknemers op 1 januari 2019 uit dienst waren getreden. In deze procedure is door De Zuivelhoeve onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze en op welke momenten om die reden is gestuurd in de personele bezetting van het concern. Daarbij kan er niet aan voorbij worden gegaan dat uit meergenoemde
productie 13 volgt dat een groot aantal medewerkers om andere redenen dan vanwege herstructurering of verval van functies zijn vertrokken en dat niet weersproken is dat twee medewerkers pas op of na 1 mei 2019 in dienst zijn getreden.

5.21.

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat voorshands summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van De Zuivelhoeve is gebleken.

Belangenafweging

5.22.

In de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging ook in het voordeel van [eiser] moet uitvallen. Het belang van [eiser] om vrijelijk over zijn eigendom te kunnen beschikken en om mogelijk, ondanks het ingestelde hoger beroep, tot tenuitvoerlegging van het (gedeeltelijk) uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 12 januari 2022 over te gaan, dient te prevaleren boven het belang van De Zuivelhoeve bij handhaving van de gelegde beslagen. De Zuivelhoeve heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiser] te zijner tijd (mogelijk) geen verhaal zou kunnen bieden.

Slotsom

5.23.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen worden de beslagen opgeheven. Omdat de beslagen met dit vonnis worden opgeheven, zal hieraan geen dwangsom worden verbonden.

5.24.

Nu de beslagen reeds op grond van het vorenoverwogene worden opgeheven, behoeft hetgeen overigens door [eiser] is aangevoerd geen bespreking meer. Aan de subsidiaire vordering wordt evenmin toegekomen.

Proceskosten

5.25.

Nu [eiser] niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen jegens
Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] , wordt hij jegens hen als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd. Nu er geen noemenswaardig partijdebat over de ontvankelijkheid heeft plaatsgehad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten van Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] op nihil te begroten.

5.26.

De Zuivelhoeve zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. Voor toewijzing van de volledige proceskosten, zoals gevorderd door [eiser] , ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, reeds omdat deze niet (voldoende) zijn onderbouwd. Met inachtneming van het liquidatietarief worden de proceskosten van [eiser] begroot op € 1.468,21 aan verschotten en € 1.016,- aan salaris van de advocaat. De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten wordt op na te melden wijze toegewezen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] ;

6.2.

heft op het op 20 januari 2022 ten laste van [eiser] op de voor de helft

aan [eiser] in eigendom toebehorende woning met erf-tuin, gelegen te
[woonplaats] aan [het adres] , kadastraal bekend gemeente

[woonplaats] , sectie AB nummer […] gelegde conservatoire beslag;

6.3.

heft op het op 20 januari 2022 ten laste van [eiser] onder RFF gelegde conservatoire (derden)beslag;

6.4.

heft op het op 28 maart 2022 ten laste van [eiser] onder Jajoni Invest gelegde conservatoire (derden)beslag;

6.5.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van Jajoni Bestuur en [gedaagde sub 2] , tot op heden begroot op nihil;

6.6.

veroordeelt De Zuivelhoeve hoofdelijk in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op € 2.484,21, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.7.

veroordeelt De Zuivelhoeve hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat De Zuivelhoeve niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2022.4

1Vgl. HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, m.nt. A.I.M. van Mierlo.

2Vgl. HR 3 september 2010, NJ 2013/329.

3Voor de (precieze) inhoud van dit e-mailbericht wordt (kortheidshalve) verwezen naar randnummer 72 van de dagvaarding.

4type: coll: