Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1950

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-07-2022
Datum publicatie
07-07-2022
Zaaknummer
9646378 \ CV EXPL 22-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het over de vraag of gedaagde nog betalingen verschuldigd is aan eiseres. Volgens eiseres staan er nog twee declaraties open. Gedaagde stelt dat dit niet het geval is. Zij heeft daarnaast een tegenvordering ingediend. Gedaagde meent dat zij een onverschuldigde betaling heeft gedaan aan eiseres. Dit omdat eiseres, ondanks de betaling van gedaagde, geen werkzaamheden heeft verricht. Bovendien vindt gedaagde dat zij recht heeft op schadevergoeding, omdat zij kosten voor een andere accountant heeft gemaakt. De kantonrechter wijst de vordering van eiseres af, net als de tegenvordering van gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 9646378 \ CV EXPL 22-240

Vonnis van 5 juli 2022

in de zaak van

[eiseres] ,
gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] ,

vertegenwoordigd door de heer [A] ,

tegen

de besloten vennootschap TCS ENTERTAINMENT B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in Tuk,

gedaagde partij, hierna te noemen: TCS,

gemachtigde: mr. W.J.A. van Es.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 5 april 2022,

- de brief van mr. Busscher van 3 juni 2022 waarin hij zich onttrekt als gemachtigde van [eiseres] ,

- de mondelinge behandeling van 7 juni 2022 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiseres] was de boekhouder van TCS. In deze zaak gaat het over de vraag of TCS nog betalingen verschuldigd is aan [eiseres] . Volgens [eiseres] staan er nog twee declaraties open. TCS stelt dat dit niet het geval is.

2.2.

TCS heeft een tegenvordering ingediend. Zij meent dat zij een bedrag aan [eiseres] onverschuldigd heeft betaald. Dit omdat [eiseres] , ondanks betaling van TCS, geen werkzaamheden heeft verricht. Daarnaast vindt TCS dat zij recht heeft op schadevergoeding, omdat zij kosten voor een andere accountant heeft gemaakt.

2.3.

De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] af. Zij wijst ook de tegenvordering van TCS af. Zij zal hierna bij de beoordeling uitleggen hoe zij tot die beslissing is gekomen.

3 De feiten

3.1.

De heer [X] heeft meerdere ondernemingen, waaronder TCS. Zijn neef, de heer [A] , is werkzaam bij [eiseres] en heeft als zodanig een tijd lang de boekhouding voor de heer [X] gedaan. Voor die werkzaamheden gold een vaste prijsafspraak ter hoogte van € 9.000,00 per jaar. Een deel daarvan, volgens TCS is dat 1/9, zag op werkzaamheden ten behoeve van TCS. Vanaf 1 maart 2017 is deze vergoeding door TCS niet meer voldaan. Daarnaast heeft [eiseres] op 30 november 2019 een declaratie gezonden aan TCS ter hoogte van € 1.391,50 met betrekking tot ‘extra werkzaamheden kalenderjaar 2013 t/m 2017’. Ook die declaratie is niet door TCS voldaan.

3.2.

[X] en [A] hebben eerder gerechtelijke procedures gevoerd bij de rechtbank Midden-Nederland. Bij kort geding vonnis van 28 februari 2018 is [A] door de voorzieningenrechter onder meer veroordeeld om, op straffe van betaling van een dwangsom, werkzaamheden te verrichten voor de vennootschappen van [X] . Bij vonnis van 3 juni 2020 heeft de kantonrechter zich in conventie uitgelaten over de vordering van [X] tot terugbetaling van een lening door [A] . Daarnaast is er in reconventie beslist op de vordering van [A] tot betaling van extra werkzaamheden voor de eenmanszaak van [X] in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016.

4 De standpunten van partijen

In conventie

4.1.

[eiseres] vordert in conventie betaling van TCS van een bedrag van

€ 3.857,88, met rente en kosten. Het genoemde bedrag bestaat uit het totaalbedrag van de niet-betaalde declaraties (te weten: € 1.565,00 aan openstaande termijnen en € 1.391,50 aan ‘extra werkzaamheden’, samen: € 2.956,50), de wettelijke handelsrente daarover (€ 480,82) en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 420,56).

4.2.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan, dat TCS op grond daarvan gehouden is om de overeengekomen vergoeding aan [eiseres] te betalen en dat TCS, ook nadat zij bij herhaling tot betaling is gesommeerd, in gebreke is gebleven met de betaling van de door [eiseres] in rekening gebrachte declaraties.

4.3.

TCS voert verweer. [X] en [A] hadden mondeling een vaste prijs afgesproken voor de boekhouding van alle vennootschappen van [X] en [X] in privé. Dit volgt ook uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2020. Omdat TCS deze vaste prijs heeft betaald over 2016 en 2017, hoeft zij [eiseres] niks meer te betalen, aldus TCS.

In reconventie

4.4.

TCS vordert in reconventie dat [eiseres] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van een bedrag van € 1.000,00 en schadevergoeding van € 250,00, telkens met rente en kosten.

4.5.

TCS legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan en dat [eiseres] deze niet is nagekomen. [eiseres] heeft zich niet gehouden aan haar verplichtingen uit het kort geding vonnis van

28 februari 2018, waardoor zij in 2017 geen werkzaamheden voor TCS heeft verricht. Als gevolg daarvan heeft TCS de boekhoudkundige kosten onverschuldigd aan [eiseres] betaald. Hierdoor heeft TCS schade geleden, die bestaat uit kosten voor het inschakelen van een andere accountant.

4.6.

[eiseres] voert als verweer aan dat zij wel degelijk werkzaamheden voor TCS heeft verricht.

5 De beoordeling

5.1.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van het geschil.

In conventie

De extra werkzaamheden in 2016

5.2.

De kantonrechter zal allereerst beoordelen of de vordering die betrekking heeft op de declaratie van extra werkzaamheden in 2016 toewijsbaar is.

5.3.

In de door [eiseres] overgelegde declaratie van 30 november 2019 staat dat de extra werkzaamheden bestaan uit het samenstellen van halfjaarcijfers en uit diverse besprekingen met de bankier. Het bedrag dat hiervoor in rekening wordt gebracht is

€ 1.391,50. Volgens TCS zou [eiseres] tegen een jaarlijkse betaling van

€ 9.000,00 de administratie voor alle vennootschappen van [X] en [X] in privé verzorgen. TCS stelt dat meerwerk in deze prijs is begrepen.

5.4.

De kantonrechter stelt vast dat [X] en [A] eerder gerechtelijke procedures hebben gevoerd. In het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2020 heeft de kantonrechter zich onder meer uitgelaten over de vraag of [A] aanspraak kan maken op betaling van extra werkzaamheden voor de eenmanszaak van [X] (niet zijnde TCS) in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2016. De kantonrechter heeft overwogen dat [A] voor de reguliere boekhoudkundige- en accountantswerkzaamheden voor zowel de vennootschappen van [X] als [X] in privé volgens prijsafspraak jaarlijks een vast bedrag ontving van € 9.000,00. Tussen partijen is afgesproken dat eventueel meerwerk vooraf zou worden besproken en pas na akkoord van [X] zou plaatsvinden. De kantonrechter heeft de vordering tot betaling voor de extra werkzaamheden, gelet op de gemotiveerde betwisting van [X] dat [A] de in de factuur vermelde werkzaamheden heeft verricht, als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

5.5.

TCS heeft gesteld dat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. [eiseres] heeft die stelling niet weersproken. Daardoor staat het vast dat eerdergenoemd vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. In artikel 236, eerste lid, Rv is bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit artikel van toepassing. Hoewel in deze procedure de vennootschappen van de betrokken personen partij zijn, te weten [eiseres] , waarbij [A] maat is, en TCS, waarvan [X] directeur en eigenaar is, gaat, zoals hiervoor onder 5.4. is omschreven, het vonnis van 3 juni 2020 over dezelfde rechtsfeiten en elementen. Het betreft immers dezelfde afspraak tot het verrichten van werkzaamheden voor een vaste prijsafspraak en dezelfde vraag of naast die afspraak ‘meerwerk’ in rekening kon worden gebracht. De kantonrechter acht zich daardoor gebonden aan die eerdere uitspraak. Daarnaast heeft te gelden dat [eiseres] geen stellingen heeft ingenomen op grond waarvan in de huidige procedure tot een andere uitkomst zou moeten worden gekomen dan de rechtbank Midden-Nederland heeft beslist. De vordering tot betaling van de extra werkzaamheden in 2016 zal daarom worden afgewezen.

De reguliere werkzaamheden in 2017

5.6.

De kantonrechter zal zich vervolgens buigen over de vordering die strekt tot betaling van € 1.565,00 voor reguliere werkzaamheden in 2017.

5.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft TCS erkend dat zij [eiseres] opdracht heeft gegeven om in het jaar 2017 werkzaamheden te verrichten. TCS heeft gesteld dat zij daarvoor de vaste prijs van € 9.000,00 heeft betaald. Deze prijs gold voor alle vennootschappen van [X] en [X] in privé, aldus TCS. Omdat deze stelling door [eiseres] niet is weersproken, staat die betaling vast. Er is daarom geen grond om de vordering toe te wijzen. De vordering tot betaling van de reguliere werkzaamheden in 2017 zal dus worden afgewezen.

Proceskosten

5.8.

[eiseres] wordt als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten worden aan de zijde van TCS begroot op

€ 498,00 aan salaris gemachtigde (twee punten × het tarief van € 249,00).

In reconventie

De onverschuldigde betaling

5.9.

De vraag die in reconventie voor ligt, is of TCS een bedrag van € 1.000,00 onverschuldigd heeft betaald aan [eiseres] . Volgens TCS is dit het geval, omdat [eiseres] geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl TCS haar wel heeft betaald. De kantonrechter gaat niet in dit standpunt mee. TCS heeft namelijk, zoals hiervoor is overwogen, tijdens de zitting erkend dat zij [eiseres] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van werkzaamheden in 2017. Op basis daarvan is er een rechtsgrond voor de betaling, zodat deze niet onverschuldigd is gedaan.

5.10.

Voor zover TCS heeft bedoeld dat zij recht heeft op schadevergoeding omdat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis door [eiseres] , overweegt de kantonrechter dat ook dat standpunt niet wordt gevolgd. Voor een geslaagd beroep daarop is namelijk nodig dat de schuldenaar in verzuim is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft TCS verklaard dat zij [eiseres] geen ingebrekestelling heeft verzonden. Hoewel uit het kort geding vonnis wel volgt dat [eiseres] de overeengekomen werkzaamheden over 2017 (destijds) niet (volledig) had uitgevoerd, volgt daaruit niet dat [eiseres] in verzuim was. Daartoe is immers een ingebrekestelling, fatale termijn of andere oorzaak vereist (artikel 6:82 en 6:83 BW). [eiseres] heeft in reconventie aangevoerd dat zij de overeengekomen werkzaamheden na het kort geding vonnis alsnog heeft uitgevoerd. TCS heeft dit onvoldoende onderbouwd weersproken. Zij kon ter zitting bijvoorbeeld niet toelichten welke werkzaamheden (nog steeds) niet verricht zouden zijn door [eiseres] . De vordering zal dus worden afgewezen.

De schadevergoeding

5.11.

TCS heeft gevorderd dat [eiseres] haar een schadevergoeding moet betalen. Door TCS is in dit verband aangevoerd dat zij kosten voor een vervangende accountant heeft gemaakt ter hoogte van € 250,00. Daargelaten dat ook ten aanzien van deze vordering van belang is dat niet gebleken is dat [eiseres] in verzuim is of dat [eiseres] ook na het kort geding vonnis de overeengekomen werkzaamheden niet heeft verricht, is de kantonrechter van oordeel dat TCS haar schade onvoldoende heeft onderbouwd. TCS heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij als gevolg van een tekortkoming van [eiseres] schade ter hoogte van dit specifieke bedrag heeft geleden. De kantonrechter weegt daarbij mee dat de voorzieningenrechter aan [eiseres] een dwangsom van € 500,00 per dag heeft opgelegd, met als maximum

€ 7.500,00, voor het geval zij haar verplichtingen niet zou nakomen. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.12.

Tot slot wordt TCS als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op

€ 124,00 aan salaris gemachtigde (één punt × het tarief van € 124,00).

6 De beslissing

De kantonrechter

In conventie

6.1.

wijst de vordering van [eiseres] af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure aan de zijde van TCS, tot op heden begroot op € 498,00.

In reconventie

6.3.

wijst de vordering van TCS af;

6.4.

veroordeelt TCS in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] , tot op heden begroot op € 124,00.

In conventie en in reconventie

6.5.

Verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Rozeboom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022. (ED)