Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1560

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-06-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
C/08/268446 / HA ZA 21-291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling van declaraties ad. € 112.671,24. Gedaagden op grond van artikel 6:166 BW tegenover eiseres aansprakelijk wegens (in groepsverband) gepleegde fraude. Gedaagden dienen uitgekeerde bedragen terug te betalen. Door gedaagden ingestelde tegenvorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/268446 / HA ZA 21-291

Vonnis van 1 juni 2022

in de zaak van

de naamloze vennootschap ONVZ ZIEKTEKOSTEN VERZEKERAAR N.V.,

gevestigd in Houten,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna genoemd: “ONVZ”,

advocaat: mr. A.E. de Vos,

tegen

1 [A] ,

2. [B],

beiden wonend in [woonplaats] ,

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

hierna afzonderlijk genoemd: “[A]” en “[B]”,

advocaat: mr. E. Jacobson.

1 Samenvatting

1.1.

Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. Zorgverzekeraar ONVZ heeft een zorgverzekering afgesloten met [A] . [B] is op de polis meeverzekerd. ONVZ heeft vergoedingen aan [A] uitgekeerd, op basis van door [A] ingediende declaraties voor kosten van zorg die aan [B] zou zijn verleend door zorgaanbieder De Rozenhof. [A] is bestuurder en [B] was bestuurder van De Rozenhof. Volgens ONVZ heeft zij de vergoedingen onverschuldigd aan [A] betaald en is sprake van fraude. [A] en [B] bestrijden dat de vergoedingen onterecht zijn uitgekeerd en dat zij hebben gefraudeerd.

De rechtbank zal tot het oordeel komen dat ONVZ de declaraties onverschuldigd aan [A] heeft betaald en dat [A] en [B] op grond van artikel 6:166 BW tegenover ONVZ aansprakelijk zijn wegens in groepsverband gepleegde fraude. Daarom wordt de vordering van ONVZ tot terugbetaling van de uitgekeerde vergoedingen ten aanzien van zowel [A] als [B] toegewezen, en worden de door [A] en [B] ingestelde tegenvorderingen afgewezen.

1.2.

Hierna (onder 5.) wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot zijn oordeel is gekomen. Eerst zal de rechtbank het verloop van de procedure weergeven (onder 2.), de feiten die tussen partijen niet ter discussie staan uiteenzetten (onder 3.), en de vorderingen over en weer omschrijven (onder 4.).

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 november 2021,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van ONVZ met roldatum van 22 december 2021,

  • -

    de “akte overlegging producties” van ONVZ met roldatum van 26 januari 2022,

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 januari 2022,

  • -

    de spreekaantekeningen van ONVZ,

  • -

    de spreekaantekeningen van [A] en [B] .

3 De vaststaande feiten

3.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

a. [A] heeft als verzekeringnemer bij ONVZ een basisverzekering afgesloten (als bedoeld in de Zorgverzekeringswet). [B] , een dochter van [A] , is (mede) als verzekerde aangemeld op de zorgpolis. Op de polis zijn de polisvoorwaarden van ONVZ van toepassing verklaard.

In 2015 is op aanvraag van [B] een persoonsgebonden budget (pgb) aan haar toegekend voor de kosten van verpleging en verzorging bij haar thuis (ook wel wijkverpleging genoemd). ONVZ heeft aan [A] een bedrag van in totaal € 112.671,24 uitgekeerd op basis van door [A] ingediende declaraties. De betaalde declaraties zien op kosten voor de verpleging en verzorging van [B] vanaf 1 februari 2015 tot en met maart 2019, verleend door zorgaanbieder De Rozenhof B.V. (hierna: “De Rozenhof”).

[A] is bestuurder van De Rozenhof sinds de oprichting in maart 2000. [B] was vanaf januari 2017 tot en met februari 2019 eveneens bestuurder.

ONVZ heeft naar aanleiding van fraudeverdenkingen onderzoek gedaan naar de door [A] ingediende declaraties. ONVZ heeft [A] en [B] naar aanleiding van haar bevindingen aangemaand om de uitgekeerde bedragen terug te betalen. Daarnaast heeft ONVZ meegedeeld dat zij de betaling opschort van de door [A] ingediende declaraties voor kosten van zorg aan [B] over de maanden vanaf april 2019.

Verder heeft ONVZ de (persoons)gegevens van [A] en [B] opgenomen in haar incidentenregister en in het Extern Verwijzingsregister. Ook heeft ONVZ een tegen [A] en [B] gerichte melding gedaan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringsfraude (CBV) van het Verbond van Verzekeraars. Tot slot heeft ONVZ aangifte tegen [A] en [B] gedaan van valsheid in geschrifte en oplichting.

ONVZ heeft conservatoire beslagen ten laste van [A] en [B] gelegd, waaronder een derdenbeslag ten laste van [B] onder ABN AMRO. [B] heeft als vervangende zekerheid een recht van tweede hypotheek op haar woning aan ONVZ verstrekt, waarna dat beslag is opgeheven.

4 De vorderingen

in conventie

De vordering van ONVZ

4.1.

ONVZ vordert (verkort weergegeven) om [A] en [B] hoofdelijk te veroordelen om haar een bedrag van € 112.671,24 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.

4.2.

Daaraan legt ONVZ ten aanzien van [A] ten grondslag: primair dat zij de vergoedingen onverschuldigd aan [A] heeft betaald, omdat op grond van de polisvoorwaarden geen recht op de vergoedingen bestaat (artikel 6:203 BW); subsidiair dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld door fraude te plegen (artikel 6:162 BW); en meer subsidiair dat [A] onrechtmatig in groepsverband heeft gehandeld door samen met [B] fraude te plegen (artikel 6:166 BW).

Ten aanzien van [B] legt ONVZ aan haar vordering ten grondslag: primair dat [B] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld doordat zij fraude heeft gepleegd (artikel 6:162 BW); subsidiair dat [B] onrechtmatig in groepsverband heeft gehandeld door samen met [A] fraude te plegen (artikel 6:166 BW).

4.3.

[A] en [B] concluderen dat de vordering van ONVZ moet worden afgewezen.

Zij betwisten dat ONVZ de vergoedingen onverschuldigd heeft betaald en dat zij, al dan niet in groepsverband, onrechtmatig tegenover ONVZ hebben gehandeld.

in reconventie

De vorderingen van [A] en [B]

4.4.

[A] en [B] vorderen (verkort weergegeven):

  • -

    veroordeling van ONVZ om haar hypotheekrecht op de woning van [B] door te halen, op straffe van een dwangsom;

  • -

    veroordeling van ONVZ om aan [B] een bedrag van € 24.886,25 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;

  • -

    veroordeling van ONVZ tot (a) het verwijderen van de (persoons)gegevens van [B] en [A] uit haar incidentenregister, (b) het verwijderen van de (persoons)gegevens van [B] en [A] uit het Extern Verwijzingsregister, (c) ongedaanmaking van de tegen [B] en [A] gerichte melding aan CBZ, en (d) intrekking van de tegen [B] en [A] gerichte aangifte, alles op straffe van een dwangsom.

4.5.

Daaraan leggen [A] en [B] het volgende ten grondslag.

De hypotheek moet direct vervallen ingeval de vordering van ONVZ tegen [B] wordt afgewezen.

ONVZ is gehouden tot betaling van de door [A] ingediende declaraties voor kosten van zorg aan [B] over april tot en met juli 2019 ten bedrage van in totaal € 11.334,24. Daarnaast is ONVZ een vergoeding verschuldigd van € 13.552,01 voor kosten van zorg die vanaf augustus tot en met december 2019 aan [B] is verleend, waarvoor geen declaraties zijn ingediend.

De registraties, de melding aan CBZ en de aangifte zijn onterecht, aangezien zij geen fraude hebben gepleegd.

4.6.

ONVZ concludeert dat de vorderingen van [A] en [B] moeten worden afgewezen.

Zij voert onder meer aan dat het hypotheekrecht pas vervalt bij het in kracht van gewijsde gaan van een vonnis waarin haar vordering wordt afgewezen; dat zij de gevorderde zorgkosten niet is verschuldigd, althans dat zij de betaling daarvan bevoegd heeft opgeschort; dat [A] en [B] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot verwijdering van hun (persoons)gegevens omdat zij een verkeerde rechtsingang hebben gekozen; en dat de registraties, de melding aan CBS en de aangifte rechtmatig zijn.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

De rechtbank zal eerst de vordering van ONVZ behandelen. Daarbij zal de rechtbank ten eerste beoordelen of [A] tot terugbetaling van de vergoedingen verplicht is op grond van onverschuldigde betaling. Daarna wordt beoordeeld of [A] en [B] aansprakelijk zijn wegens fraude.

ONVZ heeft onverschuldigd aan [A] betaald

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat ONVZ de declaraties van € 112.671,24 onverschuldigd aan [A] heeft uitbetaald. [A] is op die grond gehouden om dit bedrag aan ONVZ terug te betalen (artikel 6:203 BW). Dit oordeel wordt hierna gemotiveerd.

De voorwaarden voor het recht op vergoeding van wijkverpleging

5.3.

ONVZ heeft gesteld welke vereisten op grond van de polisvoorwaarden gelden voor het recht op vergoeding van kosten voor wijkverpleging, waarbij zij de (relevante onderdelen van de) polisvoorwaarden heeft overgelegd. [A] en [B] hebben die stellingen niet bestreden. De aldus vaststaande voorwaarden voor dekking van de gedeclareerde zorgkosten, kunnen als volgt worden samengevat:

  • -

    [B] moet redelijkerwijs op de zorg zijn aangewezen.

  • -

    De zorg moet worden verleend door een verpleegkundige, een verpleegkundig specialist of een verzorgende.

  • -

    Er moet een zorgindicatie worden gesteld, een zorgplan worden opgesteld en worden gerapporteerd over de zorg. Daarbij moet worden voldaan aan een zestal normen die de beroepsvereniging Verplegenden & Verzorgenden Nederland (V&VN) heeft neergelegd in het document “Normen voor indiceren en organiseren van verpleging en verzorging in de eigen omgeving”. Deze normen houden kort gezegd in dat het indiceren en organiseren van zorg plaatsvindt op basis van professionele autonomie (1), gedaan wordt door een hbo-bachelor of master opgeleide verpleegkundige (2), gericht is op het versterken van eigen regie en zelfredzaamheid (3), dat daarbij de methode van het verpleegkundig proces wordt gehanteerd (4), dat de verslaglegging voldoet aan de Richtlijn “Verpleegkundige en Verzorgende verslaglegging” van de V&VN (5), en dat de verpleegkundige overdracht voldoet aan de V&VN-standaard voor overdracht van zorg (6).

De genoemde Richtlijn voor de verslaglegging schrijft voor dat deze moet bestaan uit gegevensverzameling of anamnese, verpleegkundige diagnoses, een zorgplan, voortgangsreportages, evaluaties en overdracht.

5.4.

Verder staat tussen partijen vast dat op grond van de polisvoorwaarden in geval van fraude ieder recht op vergoeding van zorgkosten vervalt, ook met betrekking tot (onderdelen van) declaraties waarop de fraude niet ziet. Onder fraude als bedoeld in de polisvoorwaarden wordt onder meer verstaan, kort gezegd, het geven van een verkeerde voorstelling van zaken, het indienen van vervalste of misleidende stukken, het doen van een onware opgave en het verzwijgen van relevante feiten, met als doel het krijgen van een vergoeding waarop geen recht bestaat.

Het is aan [A] en [B] om te onderbouwen dat recht bestaat op de uitgekeerde vergoedingen

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat ONVZ voldoende feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [A] en [B] op grond van de polisvoorwaarden geen recht hebben op de uitgekeerde vergoeding. Het is in de gegeven omstandigheden aan [A] en [B] als betwistende partij om te onderbouwen dat de gedeclareerde kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen. Dit oordeel steunt op de volgende overwegingen.

5.5.1.

De gegevens die ONVZ nodig heeft om de juistheid van de declaraties te controleren en om haar stellingen te onderbouwen, bevinden zich in het domein van [A] en [B] . Het zorgdossier wordt beheerd door De Rozenhof, waarvan [A] bestuurder is en [B] tot in februari 2019 bestuurder was. [A] erkent dat zij over het zorgdossier beschikt. [A] en [B] zijn als respectievelijk verzekeringnemer en verzekerde gehouden om aan ONVZ alle inlichtingen en stukken te verschaffen die van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen, zo nodig door de benodigde gegevens op te vragen bij De Rozenhof. Dat volgt uit artikel 7:941 lid 2 BW, en daarnaast heeft ONVZ onweersproken gesteld dat die verplichting ook is opgenomen in de polisvoorwaarden en het pgb-aanvraagformulier. ONVZ heeft alle indicatiebesluiten, zorgplannen en rapportages met betrekking tot de geleverde zorg bij [B] opgevraagd.

5.5.2.

ONVZ heeft concreet gemotiveerd dat op basis van de informatie en stukken die [A] en [B] hebben verschaft, niet kan worden vastgesteld dat zij aanspraak hebben op vergoeding van de gedeclareerde kosten.

5.5.3.

De rechtbank acht omstandigheden aanwezig die erop wijzen dat [B] niet (volledig) op de gedeclareerde zorg was aangewezen. De zorgbehoefte van [B] bestond volgens haar en [A] uit hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen, aan- en uitkleden en tandenpoetsen. Volgens hen was die hulp nodig omdat [B] als gevolg van een auto-ongeval in 2012, onder andere chronische pijnklachten aan haar hoofd, nek en rug ondervond, vaak misselijk was, niet lang op een scherm kon kijken, en sprake was van het uitvallen van haar linkerarm en linkerbeen.

Echter, ONVZ heeft een overzicht ingebracht van de pintransacties die vanaf de bankrekening van [B] hebben plaatsgevonden in de periode waarop de zorgdeclaraties betrekking hebben. Naast de grote hoeveelheid van de geldopnames, sluiten ook de activiteiten waarbij die opnames kennelijk zijn gedaan niet aan bij de aangevoerde lichamelijke beperkingen van [B] ; het gaat onder meer om contante

opnames in nachtclubs, in benzinestations en vanuit het buitenland. Weliswaar heeft [B] daartegen ingebracht dat ook [A] en haar partner gebruik hebben gemaakt van de betreffende bankpas, maar [B] heeft niet toegelicht welk deel van de geldopnames niet door haarzelf zou zijn gedaan. Bovendien hebben [A] en [B] niet verklaard waarom zij gebruik zouden maken van dezelfde bankrekening, terwijl ze geen gemeenschappelijke huishouding voeren.

Verder heeft ONVZ een Facebook-bericht ingebracht waaruit blijkt dat [B] in november 2015 heeft deelgenomen aan een kart-uitje. Dat valt evenmin te rijmen met de gestelde functionele beperking van [B] .

Daarnaast staat vast dat [B] aan een behandelend neuroloog heeft verklaard dat het vanaf 2017 beter met haar ging en dat ze weer in staat was om te werken. Daarbij sluit aan dat [B] vanaf 2017 salaris en reiskostenvergoedingen van De Rozenhof heeft ontvangen voor (fulltime) werkzaamheden, zoals ONVZ onweersproken heeft gesteld. Dit strookt echter niet met de gestelde zorgbehoefte; ONVZ heeft namelijk onbetwist aangevoerd dat de zorgindicatie niet is verlaagd vanaf 2017, dat de gerapporteerde zorg niet is afgenomen, en dat de declaraties vanaf dat jaar juist zijn gestegen.

5.5.4.

De rechtbank ziet ook aanwijzingen dat de gedeclareerde zorg niet daadwerkelijk (volledig) is verleend. Volgens [A] en [B] is in de periode waarop de declaraties betrekking hebben, iedere dag twee uur zorg verleend (hoewel die uren niet volledig bij ONVZ zijn gedeclareerd).

Echter, vast staat dat [B] vanaf 9 februari tot en met 24 april 2015 in een revalidatiekliniek verbleef, en dat zij op 21 en 22 maart 2016 en op 28 september 2017 in het buitenland verbleef. Volgens de rapportages zou De Rozenhof op deze dagen wel zorg aan [B] hebben verleend, wat feitelijk onmogelijk is. [A] en [B] hebben geen verklaring gegeven voor deze tegenstrijdigheid.

Daar komt bij dat vast staat dat De Rozenhof geen betaling heeft ontvangen voor de zorg die [A] aan ONVZ heeft gedeclareerd. [A] betoogt dat ze haar verplichting tot voldoening van de zorgnota’s van De Rozenhof heeft verrekend, door de van ONVZ ontvangen vergoedingen te verwerken in haar rekening-courantverhouding met De Rozenhof. De rechtbank gaat aan dat betoog voorbij. [A] heeft namelijk niet gemotiveerd op welke grond zij tot zulke verrekeningen bevoegd zou zijn, en heeft geen inzicht geboden in de gestelde rekening-courantverhouding.

5.5.5.

Een nadere aanwijzing dat de uitbetaalde declaraties onjuist zijn, is dat vast is komen te staan dat [B] in deze procedure vergoeding vordert van zorgkosten die niet daadwerkelijk zijn gemaakt. Bovendien wist [B] dat die zorgkosten niet daadwerkelijk zijn gemaakt, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met de verplichting uit artikel 21 Rv om de van belang zijde feiten naar waarheid aan te voeren. [B] vordert namelijk onder meer vergoeding van kosten van zorg die zou zijn verleend in de periode van juli tot en met december 2019. Echter, uit de overgelegde stukken blijkt dat [B] op 17 oktober 2019 aan (een praktijkondersteuner van) haar huisarts heeft verklaard dat zij al vier maanden geen hulp meer ontving. En [B] deelde per brief van 17 april 2020 aan ONVZ mee, weer anders, dat de zorg van De Rozenhof is gestopt per augustus 2019. Deze inconsistenties zijn tijdens de mondelinge behandeling aan [A] en [B] voorgehouden, maar ze hebben daar geen steekhoudende verklaring voor gegeven.

[A] en [B] hebben onvoldoende onderbouwd dat recht bestaat op de uitgekeerde vergoedingen

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat [A] en [B] onvoldoende hebben onderbouwd dat de polisvoorwaarden recht geven op de uitgekeerde vergoeding. Zodoende hebben zij onvoldoende betwist dat de declaraties onverschuldigd door ONVZ zijn betaald.

5.7.

De door [A] en [B] ingenomen stellingen en ingebrachte stukken, maken namelijk niet aannemelijk dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk (volledig) is ontvangen, dat [B] redelijkerwijs was aangewezen op de zorg, dat de zorg is verleend door gekwalificeerd personeel in de zin van de polisvoorwaarden, en dat de vereiste indicaties, zorgplannen en rapportages aanwezig zijn.

5.8.

[A] en [B] hebben niet inzichtelijk gemaakt waaruit de zorg die door de jaren heen aan [B] zou zijn verleend concreet heeft bestaan. Voor zover verslaglegging van de zorg in het geding is gebracht, zijn de verrichtingen daarin telkens zo vaag of generiek omschreven (bijvoorbeeld als “ADL-PV” en “adl.vlgs. Zorgplan”) dat daaruit niet duidelijk wordt welke specifieke hulp aan [B] is geboden.

Ook hebben [A] en [B] niet toegelicht door welke personeelsleden van De Rozenhof de zorg zou zijn verleend. Dit valt ook niet af te leiden uit de ingebrachte stukken.

Verder staat vast dat de indicaties, zorgplannen en verslaglegging die op grond van de polisvoorwaarden zijn vereist, niet volledig in het geding zijn gebracht. Zo ontbreekt een zorgplan over de periode van 2015 tot en met september 2018, ontbreken voortgangsreportages en is geen indicatie overgelegd voor de per januari 2017 doorgevoerde verhoging van de zorgkosten. [A] en [B] stellen dat de vereiste stukken wel aanwezig zijn. Ze hebben echter geen gegronde reden aangedragen om die niet in het geding te brengen. [A] en [B] hebben aangevoerd dat zij niet alle medische stukken hebben overgelegd omdat die privacygevoelige informatie bevatten. Zij miskennen daardoor echter dat zij wettelijk en contractueel zijn verplicht om ONVZ te voorzien van alle gegevens die nodig zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen (zie de voorgaande overweging 5.4.1).

5.9.

Wat [A] en [B] wel aan stukken hebben ingebracht, vormt geen behoorlijke onderbouwing van de juistheid van de declaraties. Ten eerste hebben zij een verklaring overgelegd van mevrouw [X] met datum van 21 september 2021. [X] verklaart dat ze BIG-geregistreerd verpleegkundige is, dat ze het dossier van [B] heeft bekeken, dat er volgens haar niets mis is met het dossier, dat het dossier voldoet aan de normen van V&VN en dat alles netjes is bijgehouden, en tot slot dat [B] recht heeft op de betreffende hulp. Echter, het is aan [A] en [B] om de juistheid van de declaraties inzichtelijk te maken op een manier die voor de rechtbank te controleren is. Het inbrengen van een dergelijke verklaring volstaat daarvoor niet. Los daarvan acht de rechtbank de verklaring van [X] niet overtuigend, omdat zij haar bevindingen niet van enige motivering heeft voorzien.

Daarnaast beroepen [A] en [B] zich op een brief van een psychiater (waarvan de datum niet zichtbaar is). De psychiater schrijft dat [B] ernstige pijnklachten ervaart die in de loop van de tijd zijn toegenomen, dat de klachten haar in ernstige mate belemmeren in haar dagelijks functioneren, en dat zij voor haar dagelijkse verzorging afhankelijk is van haar moeder. Echter, ONVZ heeft terecht aangevoerd dat onduidelijk is waarop de psychiater zich heeft gebaseerd, en dat goed mogelijk is dat hij is afgegaan op wat [B] heeft verklaard. [B] is hier niet op ingegaan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de opleiding van psychiaters niet is gericht op het stellen van diagnoses over het lichamelijk functioneren van een patiënt. Daar komt bij dat grote stukken tekst van de brief onleesbaar zijn gemaakt, zonder dat [A] en [B] daarvoor een gegronde reden hebben aangedragen.

Tot slot hebben [A] en [B] aantekeningen van een huisarts ingebracht, die overigens ook deels onleesbaar zijn gemaakt. Echter, uit dit stuk kan niet worden afgeleid dat [B] in de betreffende periode van 1 februari 2015 tot en met maart 2019 was aangewezen op de gedeclareerde zorg, want de aantekeningen hebben betrekking op een periode vanaf oktober 2019.

5.10.

De rechtbank passeert het betoog van [A] en [B] dat voor zover de verleende zorg niet aan de polisvoorwaarden voldoet, niet zij maar De Rozenhof daarvoor aansprakelijk is. Immers, het was de verantwoordelijkheid van [A] en [B] om (op basis van het verleende pgb) zorg in te kopen die aan de polisvoorwaarden voldoet. Voor zover de door De Rozenhof verleende zorg niet voldoet aan de polisvoorwaarden, is het dus aan [A] en [B] – niet aan ONVZ – om De Rozenhof daarop aan te spreken.

[A] en [B] zijn aansprakelijk wegens fraude

5.11.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat [A] en [B] op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van ONVZ ten bedrage van € 112.671,24, omdat zij in groepsverband hebben gefraudeerd.

5.12.

De bovengenoemde omstandigheden wijzen er namelijk op dat [A] en [B] moeten hebben geweten dat geen recht bestond op vergoeding van de gedeclareerde kosten (zie de overwegingen 5.4.3 – 5.4.5). Samengevat komen die omstandigheden erop neer dat [B] door de jaren heen activiteiten heeft verricht die niet aansluiten bij de gestelde zorgbehoefte; dat [B] vanaf 2017 salaris voor (fulltime) werkzaamheden heeft ontvangen terwijl de zorgindicatie, de gerapporteerde zorg en de declaraties niet zijn verlaagd; dat zorg is gedeclareerd voor dagen waarop [B] in een revalidatiekliniek of in het buitenland verbleef; dat De Rozenhof geen betaling heeft ontvangen voor de zorg die aan ONVZ is gedeclareerd; en dat [B] in deze procedure vergoeding vordert van kosten voor zorg die zij volgens haar eigen eerdere verklaringen niet heeft ontvangen.

5.13.

Gelet op deze aanwijzingen is het aan [A] en [B] om als betwistende partij te onderbouwen dat zij redelijkerwijs mochten verwachten dat wel recht bestond op de uitgekeerde vergoedingen. Echter, de door [A] en [B] ingenomen stellingen en ingebrachte stukken maken geenszins aannemelijk dat zij hebben mogen begrijpen dat zij aanspraak hadden op die vergoedingen hadden (zie de voorgaande overwegingen 5.7 en 5.8).

5.14.

De rechtbank stelt vast dat [A] en [B] er ieder aan hebben bijgedragen dat een verkeerde voorstelling van zaken aan ONVZ is gegeven over de ontvangen zorg en het recht op vergoeding. [A] heeft de onjuiste declaraties ingediend die door ONVZ zijn uitbetaald. Anders dan [B] betoogt, stelt de rechtbank vast dat zij van de declaraties op de hoogte moet zijn geweest. [B] erkent namelijk dat ze wist dat er werd gedeclareerd, al dacht ze naar eigen zeggen dat het declaratieproces via De Rozenhof verliep (zie nummer 37 van de antwoordconclusie). Dat laatste acht de rechtbank echter ongeloofwaardig; de strekking van het aan [B] verleende pgb is immers dat de verzekerde/verzekeringnemer de zorg bij een zorgaanbieder inkoopt en de kosten daarvan zelf declareert aan de verzekeraar. Een nadere aanleiding om voorbij te gaan aan de stelling van [B] dat zij niet afwist van de declaraties door [A] , is de eerdere vaststelling dat [B] in strijd heeft gehandeld met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv (zie overweging 5.5.5).

[B] heeft op haar beurt onder meer de pgb-aanvraag ingediend en meegewerkt aan de indicatiestellingen. Verder ligt voor de hand, en wordt door [B] ook niet ontkend, dat ze betrokken was bij de totstandkoming van de op haar betrekking hebbende zorgrapportages, te meer omdat [B] tot en met februari 2019 bestuurder was van de rapporterende zorgaanbieder.

5.15.

In de aard van het vastgestelde onrechtmatige handelen van [A] en [B] , ligt voorshands al besloten dat dit handelen aan hen toerekenbaar is op grond van schuld. Zij hebben geen gronden aangevoerd die toch aan toerekening in de weg staan.

5.16.

[B] voert als verweer aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ONVZ geen aanspraken op haar heeft, en dat ONVZ haar rechten heeft verwerkt. Ze stelt daartoe dat ONVZ heeft nagelaten om de declaraties vooraf te controleren, en dat ONVZ lange tijd heeft gewacht met het instellen van haar vordering.

Dit verweer slaagt niet. Uit de omstandigheid dat ONVZ tot uitbetaling van de declaraties is overgegaan, heeft [B] niet mogen afleiden dat ONVZ de declaraties inhoudelijk als juist had aangemerkt en dat uitgesloten was dat ONVZ de uitgekeerde gelden later zou terugvorderen. ONVZ heeft onweersproken toegelicht dat vanwege de grote hoeveelheid declaraties die bij haar worden ingediend, de (eventuele) controle daarvan noodzakelijkerwijs vrijwel altijd achteraf plaatsvindt. [B] moet daarmee als voormalig bestuurder van een zorgaanbieder (De Rozenhof) bekend zijn geweest.

Het beroep op rechtsverwerking is onvoldoende onderbouwd. Enkel tijdsverloop is namelijk onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen.

De vorderingen van ONVZ

5.17.

Gezien het voorgaande zal de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [A] en [B] tot betaling van de hoofdsom van € 112.671,24 worden toegewezen.

5.18.

ONVZ vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 mei 2019. De rechtbank zal deze vordering toewijzen. [A] en [B] zijn namelijk van rechtswege in verzuim geraakt vanaf de verschillende dagen waarop de declaraties aan [A] zijn uitbetaald (op grond van artikel 6:205 BW dan wel artikel 6:83 sub b BW). Al deze betalingen hebben vóór 1 mei 2019 plaatsgevonden.

5.19.

Verder vordert ONVZ vergoeding van beslagkosten. De rechtbank overweegt dat ONVZ deze kosten deugdelijk heeft onderbouwd, zodat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Anders dan [A] en [B] stellen, is niet gebleken dat de beslagen onnodig waren. Anders dan gevorderd zullen [A] en [B] ieder voor zich – dus niet hoofdelijk – worden veroordeeld in de kosten van de exploten die op hen individueel betrekking hebben, en daarnaast ieder voor de helft in het salaris advocaat (€ 563,00, 1 punt van tarief II) en het griffierecht (€ 667,00) voor het beslagrekest. Met inachtneming van het voorgaande worden de beslagkosten die [A] en [B] ieder voor zich moeten vergoeden vastgesteld op € 941,96.

5.20.

Daarnaast vordert ONVZ vergoeding van onderzoekskosten van € 1.500. De rechtbank zal die vordering afwijzen. ONVZ heeft deze kosten namelijk ondanks de betwisting daarvan niet behoorlijk onderbouwd.

5.21.

De veroordelingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [A] en [B] hebben weliswaar aangevoerd zich hiertegen te verzetten, maar de rechtbank gaat daaraan voorbij omdat zij dat verzet niet hebben gemotiveerd.

[A] en [B] worden veroordeeld in de proceskosten in conventie

5.22.

[A] en [B] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van ONVZ worden tot aan deze uitspraak begroot op:

  • -

    € 108,19 aan betekeningskosten,

  • -

    € 4.200,00 aan griffierecht,

  • -

    € 3.540,00 aan salaris advocaat (2 punten van tarief V),

in totaal € 7.848,19.

5.23.

De door ONVZ gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

5.24.

De vorderingen van [A] en [B] zullen worden afgewezen. Deze beslissing wordt hieronder per vordering gemotiveerd.

De vordering tot doorhaling van het hypotheekrecht

5.25.

ONVZ is niet verplicht om haar hypotheekrecht op de woning van [B] door te halen. Immers, de vordering van ONVZ tegen [B] wordt toegewezen.

De vordering tot betaling aan [B]

5.26.

Het is aan [B] om voldoende feiten te stellen waaruit volgt dat ONVZ op grond van de polisvoorwaarden gehouden is tot vergoeding van de gevorderde zorgkosten van € 24.886,25. Vast is komen te staan dat de eerdere declaraties, die betrekking hebben op de periode vanaf februari 2015 tot en met maart 2019, niet door ONVZ zijn verschuldigd. [B] heeft niet onderbouwd dat de hier gevorderde zorgkosten over april tot en met december 2019 wel door ONVZ zijn verschuldigd. Er is, in tegendeel, juist vast komen te staan dat een aanzienlijk deel van de door [B] gevorderde zorgkosten niet daadwerkelijk is gemaakt (zie overweging 5.5.5).

De vorderingen tot intrekking van de registraties, de melding en de aangifte

5.27.

[A] en [B] hebben als grondslag voor hun vordering niet meer gesteld dan dat de registraties, de melding aan CBZ en de aangifte onterecht zijn, omdat zij geen fraude hebben gepleegd. De rechtbank verwerpt die stelling, nu vast is komen te staan dat [A] en [B] wel degelijk hebben gefraudeerd; beiden hebben immers bewust een onjuiste voorstelling van zaken aan ONVZ gegeven over de ontvangen zorg en het recht op vergoeding.

[A] en [B] worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie

5.28.

[A] en [B] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Omdat de tegenvorderingen van [A] en [B] grotendeels voortvloeien uit hun verweer tegen de vordering van ONVZ, wordt het salaris advocaat aan de zijde van ONVZ conform het liquidatietarief gewaardeerd op de helft van de punten. Zodoende worden de proceskosten in dit geding aan de zijde van ONVZ tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 721,00 (1 punt van tarief III).

5.29.

De door ONVZ gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk tot betaling aan ONVZ van het bedrag van € 112.671,24, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2019 tot aan de dag van volledige betaling;

6.2.

veroordeelt [A] en [B] tot betaling aan ONVZ van beslagkosten van € 941,96;

6.3.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk in de proceskosten in dit geding, aan de zijde van ONVZ tot aan deze uitspraak begroot op € 7.848,19, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen af;

6.6.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk in de proceskosten in dit geding, aan de zijde van ONVZ tot aan deze uitspraak begroot op € 721,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

zowel in conventie als in reconventie

6.7.

veroordeelt [A] en [B] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van ONVZ begroot op € 255,00, te verhogen met € 85,00 en de explootkosten van betekening van dit vonnis indien [A] en [B] daaraan niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe hebben voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

6.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022. (HJB)