Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1498

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-05-2022
Datum publicatie
24-05-2022
Zaaknummer
84.298369.21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 50-jarige man tot een geldboete van 10.000 euro, waarvan 5.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De man werkte als dierenarts en paste uierinfusen toe bij melkkoeien met uierontsteking. Hiervoor mengde hij verschillende diergeneesmiddelen die volgens de vergunningsvoorschriften van diergeneesmiddelen niet gemengd hadden mogen worden. Daarnaast voerde hij niet op de juiste wijze de administratie van veehouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2022/93 met annotatie van Pieters, S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.298369.21 (P)

Datum vonnis: 23 mei 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 april 2022 en 9 mei 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. van der Vliet en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K.J. Breedijk, advocaat in Tilburg, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in strijd met de bijsluiter diergeneesmiddelen heeft gemengd in een uierinfuus voor koeien, alsmede de toepassing van de diergeneesmiddelen niet volledig heeft aangetekend in de administratie van de veehouders.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2019 tot en met 7 oktober 2019 in het rechterlijk arrondissement Oost-Nederland, althans (elders) in Nederland,
meermalen, al dan niet opzettelijk,
in strijd met het bepaalde bij artikel 5.3 Regeling diergeneeskundigen, als dierenarts, bij toepassing van diergeneesmiddelen, te weten Genta-ject 10% en/of Dexamedium en/of Ampi-Dry, althans een diergeneesmiddel, niet volledig de toepassing heeft aangetekend in de administratie van de houder van die dieren, immers heeft hij, verdachte:
- op 28 augustus 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 1] ), en/of
- op 30 september 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten de datum van de behandeling met diergeneesmiddelen voor zover door de dierenarts uitgevoerd en/of benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel en/of de identificatie van de behandelde dieren en/of de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 1] ), en/of
- op 7 oktober 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel en/of de in acht te nemen wachttermijn aan te tekenen in de administratie van de houder van dat dier ( [maatschap 2] ), en/of
- op 18 september 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten de identificatie van de behandelde dieren en/of de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 3] ), en/of
- op 1 juli 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund (werknummer [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten een foutief in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 4] );

2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2019 tot en met 7 oktober 2019 in het rechterlijk arrondissement Oost-Nederland, althans (elders) in Nederland,
opzettelijk, twaalf maal, te weten op:
- 11 maart 2019 (zie p. 21 en bijlagen 9 en 24), en/of
- 25 maart 2019 (zie p. 15 en bijlagen 9, 14 en 15), en/of
- 28 maart 2019 (zie p. 21 en bijlagen 9 en 23), en/of
- 28 mei 2019 (zie p. 16 en bijlagen 9 en 17), en/of
- 1 juli 2019 (zie p. 16 en bijlagen 9, 16 en 18), en/of
- 31 juli 2019 (zie p. 21 en bijlagen 9 en 22), en/of
- 28 augustus 2019 (zie p. 5 en bijlagen 2, 4, 8 en 9), en/of
- 9 september 2019 (zie p. 19 en bijlagen 9 en 19), en/of
- 18 september 2019 (zie p. 11 en bijlagen 9, 11 en 12), en/of
- 30 september 2019 (zie p. 5 en bijlagen 3, 5, 8 en 9), en/of
- 2 oktober 2019 (zie p. 21 en bijlagen 9 en 21), en/of
- 7 oktober 2019 (zie p. 8 en bijlagen 9 en 10),
althans eenmaal,
(een) diergeneesmiddel(en), te weten Dexamedium (REG NL 9458) en/of Ampi-Dry (REG NL 9778), heeft toegepast in strijd met (een) voorschrift(en) en/of (een) beperking(en) zoals bedoeld in artikel 2.19 derde lid, onderdeel a van de Wet Dieren, welk(e) voorschrift(en) en/of beperking(en) was/waren verbonden aan de vergunning die ten behoeve van die/dat diergeneesmiddel(en) Dexamedium (REG NL 9458) en/of Ampi-Dry (REG NL 9778), was verstrekt, immers heeft hij, verdachte,
die/dat diergeneesmiddel(en) (telkens) toegepast in strijd met de bijsluiter behorende bij die/dat diergeneesmiddel(en) Dexamedium (REG NL 9458) en/of Ampi-Dry (REG NL 9778),
te weten het vermengen van de diergeneesmiddelen Genta-ject 10% (REG NL 1637) met Dexamedium (REG NL 9458) en/of Ampi-Dry (REG NL 9778) in een uierinfuus,
althans, het handelen in strijd met voorschriften en/of beperkingen zoals in de bijsluiter bij Dexamedium (REG NL 9458) en/of Ampi-Dry (REG NL 9778) was voorgeschreven (zie p. 35 en 39 proces-verbaal).

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Inleiding

Op 25 oktober 2019 werd bij de voorbereiding van een noodslachting van een rund een zogenoemd formulier dubieuze Voedsel Keten Informatie (VKI) aangeleverd door de toezichthoudend dierenarts van de NVWA. De toezichthoudend dierenarts vermeldde op het formulier onder meer dat sprake was van een spuitplek en dat bij raadpleging van de sectorale databank ‘www.medirund.nl’ was geconstateerd dat de dienstdoende dierenarts, zijnde verdachte, het diergeneesmiddel Genta-ject 10% had voorgeschreven aan melkvee van twee jaar en ouder. Bij dat diergeneesmiddel geldt een wachttijd van 139 dagen voor vlees en slachtafval en het middel is volgens de bijsluiter bedoeld voor gebruik bij kalveren tot 13 weken. Omdat niet kon worden uitgesloten dat het rund dat voor de noodslachting werd aangeboden was behandeld met Genta-ject 10% terwijl het nog in de wachttijd voor vlees zat – inhoudende dat het rund nog niet mocht worden geslacht ten behoeve van de verkoop van het vlees –, werd nader onderzoek ingesteld door de NVWA naar de toepassing van diergeneesmiddelen door verdachte en de naleving van de administratieverplichting daarbij.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de diergeneesmiddelen zoals genoemd in het onder 1 ten laste gelegde niet toegediend zoals omschreven in de tenlastelegging, maar na magistrale bereiding als uierinfuus. De genoemde diergeneesmiddelen bestonden daardoor als zodanig niet meer. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan voorts niet worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit de in het dossier opgenomen visiteformulieren kan worden afgeleid dat verdachte de toepassing van de onder 1 genoemde diergeneesmiddelen niet op de juiste wijze in de administratie van de veehouders heeft aangetekend.

Bij de toepassing van de diergeneesmiddelen Genta-ject 10%, Dexamedium en Ampi-Dry op 28 augustus 2019 bij het rund met nummer [nummer] van [maatschap 1] heeft verdachte de in acht te nemen wachttermijn niet vermeld op de visitebrief.1

Van de toepassing van diezelfde diergeneesmiddelen bij de behandeling van het rund met nummer [nummer] op 30 september 2019 bij dezelfde maatschap heeft verdachte evenmin op de visitebrief de in acht te nemen wachttermijn vermeld en ook niet de benaming en het nummer van het diergeneesmiddel en de juiste identificatie van het behandelde dier.2 Verdachte heeft enkel vermeld: “Koe 139, ernstige coli mastitis, behandeld met uierinfuus”.

Op 7 oktober 2019 heeft verdachte het rund met nummer [nummer] van [maatschap 2] behandeld met diezelfde diergeneesmiddelen en daarvan op de visitebrief enkel genoteerd: “Behandeld met uierinfuus”, zodat moet worden geconstateerd dat ook in dit geval de benaming en het nummer van de diergeneesmiddelen niet zijn genoteerd en evenmin de in acht te nemen wachttermijn.3

Van de behandeling van het rund met nummer [nummer] van [maatschap 3] op 18 september 2019 met diezelfde diergeneesmiddelen heeft verdachte niet volledig de identificatie en de in acht te nemen wachttermijn in de administratie genoteerd.4

Bij de behandeling van het rund met werknummer [nummer] op 1 juli 2019 van [maatschap 4] met diezelfde diergeneesmiddelen heeft verdachte een foutief in acht te nemen wachttermijn in de administratie genoteerd.5

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de in de tenlastelegging genoemde diergeneesmiddelen Genta-ject 10%, Dexamedium en Ampi-Dry in combinatie via een uierinfuus heeft toegepast en dat hij de administratieve handelingen daarbij niet op de juiste wijze heeft uitgevoerd.6

Verdachte wist dat hij de administratieve verplichtingen niet op de juiste wijze uitvoerde en heeft daarmee opzettelijk (willens en wetens) gehandeld, aangezien voor economische delicten als de ten laste gelegde feiten “kleurloos opzet”, oftewel opzet op de gedraging, voldoende is om de ten laste gelegde opzet bewezen te kunnen verklaren. Opzet op de wederrechtelijkheid behoeft slechts te bestaan indien in de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte “opzettelijk wederrechtelijk” heeft gehandeld. Dat is hier niet aan de orde, noch vereist (voor kwalificatie als economisch delict).

Het onder 1 ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen verklaard.

Zoals hiervoor is genoemd heeft verdachte de diergeneesmiddelen Dexamedium (REG NL 9458) en Ampi-Dry (REG NL 9778), samen met het diergeneesmiddel Genta-ject 10% (REG NL 1637), meermalen vermengd als uierinfuus toegepast. Verdachte paste dit uierinfuus naar eigen zeggen toe bij melkkoeien met een ernstige uierontsteking (mastitis), veroorzaakt door de e.coli bacterie.

Uit de bij het dossier gevoegde facturen kan worden afgeleid dat verdachte dit uierinfuus in ieder geval op de in de ten laste gelegde data heeft toegepast.7 Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bevestigd.8

In de bijsluiters, die te gelden hebben als vergunningvoorschriften, van de diergeneesmiddelen Dexamedium en Ampi-Dry is evenwel vermeld dat de middelen niet vermengd mogen worden.

In de vergunningvoorschriften van Dexamedium is vermeld:

6.2 onverenigbaarheden

Niet vermengen met andere diergeneesmiddelen.

In de vergunningvoorschriften van Ampi-Dry is vermeld:

6.2 belangrijke onverenigbaarheden

Niet mengen met enig ander diergeneesmiddel.9

Verdachte heeft met de toepassing van de uierinfusen telkens in strijd gehandeld met deze vergunningvoorschriften.

Aangezien verdachte bewust de diergeneesmiddelen heeft vermengd in de uierinfusen heeft hij opzet gehad op de bestanddelen van de delictsomschrijving, hetgeen volstaat voor bewezenverklaring van het – ook ten aanzien van dit feit vereiste – kleurloos opzet, en zodoende heeft verdachte ook in dit geval opzettelijk gehandeld.

Het onder 2 ten laste gelegde kan dan ook eveneens wettig en overtuigd worden bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 juli 2019 tot en met 7 oktober 2019, in Nederland, meermalen, opzettelijk,
in strijd met het bepaalde bij artikel 5.3 Regeling diergeneeskundigen, als dierenarts, bij toepassing van diergeneesmiddelen, te weten Genta-ject 10% en Dexamedium en Ampi-Dry, niet volledig de toepassing heeft aangetekend in de administratie van de houder van die dieren, immers heeft hij, verdachte:
- op 28 augustus 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 1] ), en
- op 30 september 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie en de benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel en de identificatie van de behandelde dieren en de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 1] ), en
- op 7 oktober 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten benaming en, in voorkomend geval, nummer van het diergeneesmiddel en de in acht te nemen wachttermijn aan te tekenen in de administratie van de houder van dat dier ( [maatschap 2] ), en
- op 18 september 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund ( [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten de identificatie van de behandelde dieren en de in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 3] ), en
- op 1 juli 2019 bovengenoemde diergeneesmiddelen toegepast bij een rund (werknummer [nummer] ) zonder (volledige) aantekening in de administratie, te weten een foutief in acht te nemen wachttermijn, van de houder van dat dier ( [maatschap 4] ).

2
hij in de periode van 11 maart 2019 tot en met 7 oktober 2019 in Nederland,
opzettelijk, twaalf maal, te weten op:
- 11 maart 2019 en
- 25 maart 2019 en
- 28 maart 2019 en
- 28 mei 2019 en
- 1 juli 2019 en
- 31 juli 2019 en
- 28 augustus 2019 en
- 9 september 2019 en
- 18 september 2019 en
- 30 september 2019 en
- 2 oktober 2019 en
- 7 oktober 2019
diergeneesmiddelen, te weten Dexamedium (REG NL 9458) en Ampi-Dry (REG NL 9778), heeft toegepast in strijd met een voorschrift zoals bedoeld in artikel 2.19 derde lid, onderdeel a van de Wet Dieren, welke voorschrift was verbonden aan de vergunning die ten behoeve van die diergeneesmiddelen Dexamedium (REG NL 9458) en Ampi-Dry (REG NL 9778), was verstrekt, immers heeft hij, verdachte,
die diergeneesmiddelen telkens toegepast in strijd met de bijsluiter behorende bij die diergeneesmiddelen Dexamedium (REG NL 9458) en Ampi-Dry (REG NL 9778),
te weten het vermengen van de diergeneesmiddelen Genta-ject 10% (REG NL 1637) met Dexamedium (REG NL 9458) en Ampi-Dry (REG NL 9778) in een uierinfuus.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De ten laste gelegde feiten zijn strafbare feiten.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Het ten laste gelegde kan niet langer worden gekwalificeerd als strafbaar feit, aangezien de wettelijke bepalingen waar de ten laste gelegde feiten op zijn gebaseerd per 28 januari 2022 zijn vervallen.

Daarnaast zijn de ten laste gelegde overtredingen bestuurlijk beboetbaar op grond van het Specifiek interventiebeleid diergeneesmiddelen en is de bestuurlijke boete bovendien de voorgeschreven interventie, waarvan enkel na akkoord van het afdelingshoofd kan worden afgeweken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast.

Het bewezen verklaarde onder 1 was ten tijde van het begaan van de feiten strafbaar gesteld in artikel 2.8, vierde lid onder f van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 5.5 Besluit diergeneeskundigen (oud) en artikel 5.3 lid 1 van de Regeling diergeneeskundigen (oud). Het bewezen verklaarde onder 2 was ten tijde van het begaan van de feiten strafbaar gesteld in artikel 2.8 lid 1 sub c van de Wet dieren (oud).

Hoewel die bepalingen sindsdien zijn gewijzigd, is niet gebleken dat de ten laste gelegde feiten, die nu zijn opgenomen in de Europese verordening met nummer 2019/6 betreffende diergeneesmiddelen, in samenhang gelezen met artikel 2.20 van de Wet dieren, niet meer strafbaar zijn of dat de wetgever deze nu in mindere mate strafwaardig acht.

Ook overigens is niet van een beletsel gebleken tot toepassing van de strafrechtelijke wettelijke bepalingen ten aanzien van de bewezen verklaarde misdrijven en zijn er evenmin andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van die feiten uitsluiten.

Het voorgaande brengt met zich dat het eerste verweer moet worden verworpen en dat de bewezen verklaarde feiten moeten worden gekwalificeerd op basis van de oude, inmiddels vervallen wetgeving als hiervoor weergegeven en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

De rechtbank begrijpt het tweede verweer van de verdediging zo dat zij een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, in die zin dat bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gedragingen waarop het ten laste gelegde ziet zouden worden gehandhaafd binnen het kader van de bestuurlijke boeteprocedure, en dat verdachte dus niet voor deze feiten strafrechtelijk zou worden vervolgd. Dit zou, aldus de raadsman, tot ontslag van alle rechtsvervolging moeten leiden.

De rechtbank overweegt aangaande de stellingen die de raadsman hieraan ten grondslag heeft gelegd het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld kan sprake zijn wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd.

Een dergelijke uitlating of gedraging valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden uit het Specifiek interventiebeleid diergeneesmiddelen, nog los van de vraag of die uitlating/gedraging aan het openbaar ministerie toe te rekenen zou zijn. De rechtbank komt tot de slotsom dat dit verweer niet tot niet-ontvankelijkheid en evenmin tot ontslag van alle rechtsvervolging kan leiden. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.8 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.8 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

Verdachte is strafbaar, omdat er geregistreerde medicatie beschikbaar is voor de uierontsteking en daarom geen beroep kan worden gedaan op de zogenoemde cascaderegeling.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de uierinfusen, zoals onder 2 ten laste gelegd, toegepast bij zeer ernstig zieke koeien veroorzaakt door peracute mastitis. Er was in deze gevallen sprake van levensbedreigend, onaanvaardbaar lijden. Magistrale bereiding van een diergeneesmiddel is in dat geval op grond van de cascaderegeling toegestaan, omdat geen ander geschikt diergeneesmiddel beschikbaar was. Verdachte heeft daarbij voldaan aan de geldende voorschriften. Dit maakt dat sprake was van overmacht-noodtoestand, zoals bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Er bestaat voor dierenartsen bij de bedrijven waarvoor de dierenarts de verantwoording heeft bij dieren die bestemd zijn voor de productie van levensmiddelen een mogelijkheid om af te wijken van de vergunningvoorschriften van diergeneesmiddelen, met name teneinde deze dieren onaanvaardbaar lijden te besparen, indien het een aandoening betreft waarvoor in Nederland geen diergeneesmiddel in de handel is gebracht. Deze uitzondering wordt de cascaderegeling genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in dit geval geen beroep op deze regeling toekomt en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat de genoemde koeien zodanig ernstig ziek waren, dat het toepassen van het door hem bereide uierinfuus noodzakelijk was.

Blijkens het formularium zijn er in Nederland evenwel diergeneesmiddelen geregistreerd voor mastitis, in de categorie ‘klinisch ernstig’, veroorzaakt door de e. coli bacterie.10 Blijkens het formularium kunnen de daarin genoemde middelen toegepast worden bij “(ernstig) zieke koeien”.

Verdachte heeft op de hiervoor aangehaalde visiteformulieren onder meer vermeld: “koe 9571 e coli masitis” (visitebrief van 1 juli 2019), “koe ernstige e.coli mastitis” (visitebrief van 28 augustus 2019), “koe e coli mastitis” (visitebrief 18 september 2019), “koe 139 ernstige coli mastitis” (visitebrief van 30 september 2019), “koe 24 plat door acute uierontsteking met Coli” (visitebrief van 7 oktober 2019). Op de overige visiteformulieren heeft verdachte soortgelijk omschrijvingen genoteerd.

Uit deze formulieren en de verklaring van verdachte ter zitting leidt de rechtbank af dat de betreffende dieren vallen binnen de hiervoor genoemde omschrijving van het formularium en dat de daarin genoemde diergeneesmiddelen geschikt zijn en hadden kunnen worden toegepast. Er was dus sprake van een geschikt geregistreerd alternatief.

Verdachte heeft tijdens de strafprocedure een brief van een deskundige, dhr. [naam] , overgelegd ter toelichting op de toepassing van uierinfusen. Deze deskundige heeft zich evenwel niet uitgelaten over uierinfusen waarin specifiek de door verdachte gemengde diergeneesmiddelen zijn toegepast. De in de brief van Scholten opgenomen verklaring is dus niet relevant voor de vraag of verdachte strafbaar is.

Nu de verklaring van verdachte ook niet op een andere manier wordt ondersteund, kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen beroep doen op de cascaderegeling.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook overigens niet is gebleken, en ook geen begin van aannemelijkheid bestaat, dat het belang van behandeling van de betreffende koeien met het door hem toegepaste uierinfuus telkens zwaarder diende te wegen dan naleving van de vergunningvoorschriften bij de diergeneesmiddelen Dexamedium en Ampi-Dry. Verdachte heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij de belangenafweging, gelet op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, telkens de juiste keuze heeft gemaakt. Het beroep op overmacht-noodtoestand wordt dan ook verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een geldboete van € 15.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft er in het kader van de strafmaat op gewezen dat de strafrechtelijke vervolging grote impact heeft gehad en nog steeds heeft op verdachte en dat hij zijn wapenverlof, dat vanwege de strafprocedure is geweigerd, nodig heeft voor de uitoefening van zijn vak.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft in de uitoefening van zijn beroep als dierenarts gedurende een aantal maanden in het jaar 2019 uierinfusen toegepast bij melkkoeien met een ernstige uierontsteking door vermenging van de diergeneesmiddelen Dexamedium, Ampi-Dry en Genta-ject 10%. Deze vermenging is in strijd met de vergunningvoorschriften van de diergeneesmiddelen Dexamedium en Ampi-Dry.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij zich niet aan de vergunningvoorschriften van de diergeneesmiddelen heeft gehouden en telkens heeft gekozen voor vermenging van de middelen, omdat dat in zijn visie effectiever was, terwijl in het formularium andere middelen worden genoemd die kunnen worden toegepast bij de betreffende aandoening, welke middelen om die reden hadden moeten worden toegepast.

Daarnaast heeft verdachte de toepassing van die diergeneesmiddelen niet op de juiste wijze aangetekend in de administratie van de veehouders, waarbij onder meer de in acht te nemen wachttermijnen voor de melk en het vlees niet, of niet correct, werden vermeld.

Aangezien het om productiedieren gaat heeft deze onzorgvuldige wijze van administreren onaanvaardbare risico’s met zich gebracht voor de volksgezondheid. Consumenten mogen erop vertrouwen dat door het voeren van een correcte administratie geen antibiotica in productiedieren aanwezig is, die ten gevolge daarvan in de melk of het vlees terecht kan komen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de zaak en dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat door het veterinair tuchtcollege aan verdachte een geldboete van € 2.000,- is opgelegd en een voorwaardelijke schorsing diergeneeskunde uit te oefenen voor de duur van drie maanden. De rechtbank houdt er daarbij ook rekening mee dat het tuchtcollege, terwijl het veterinair tuchtrecht enkel ten doel heeft de kwaliteit van de veterinaire gezondheidszorg te waarborgen en de goede en zorgvuldige beroepsuitoefening te bevorderen, reeds de risico’s voor dier- en volksgezondheid heeft meegewogen in zijn beslissing.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een lagere geldboete opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal daarnaast een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen, om verdachte te stimuleren tot een betere regelconforme toediening van geneesmiddelen..

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.8 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.8 van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte groot € 5.000,- (vijfduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2022.

Buiten staat

Mr. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met nummer 156117/120541/3002078/3 van 7 april 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Het proces-verbaal van 7 april 2020, pag. 5 en bijlage 2.

2 Het proces-verbaal van 7 april 2020, pag. 5 en bijlage 3.

3 Het proces-verbaal van 7 april 2020, pag. 8 en bijlage 10.

4 Het proces-verbaal van 7 april 2020, pag. 10 en bijlage 12.

5 Het proces-verbaal van 7 april 2020, pag. 16.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting op 11 april 2022.

7 Het proces-verbaal van 7 april 2020, bijlagen 4, 5, 10, 12, 14, 16, 17, 19, 21, 22, 23 en 24.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting op 11 april 2022.

9 Het proces-verbaal van 7 april 2020, bijlagen 6 en 7.

10 Het aanvullend proces-verbaal d.d. 26 mei 2021, pag. 2 en 3 en bijlage 3.