Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:12

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
06-01-2022
Zaaknummer
RK 21/18252
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift voor zover het strekt tot teruggave van de paardentrailer, omdat hij niet als belanghebbende in dit klaagschrift kan ontvangen.

Het klaagschrift wordt voor zover het strekt tot teruggave van de mobiele kraan ongegrond verklaard. De economische raadkamer is van oordeel dat de mobiele kraan het doel heeft gehad om (gebruiksklaar) als zendmast te fungeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Klaagschriftnummer: RK 21/18252

Beschikking van de enkelvoudige economische raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

domicilie kiezende aan het kantooradres van zijn raadsvrouw mr. M.E. Kikkert,

kantoorhoudende aan de Brinkstraat 1 te (7512 EB) Enschede,

verder te noemen: klager.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift dateert van 25 november 2021 en is op diezelfde datum op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens klager door zijn raadsvrouw.

Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een mobiele kraanwagen en een paardentrailer, met kenteken [kenteken] . Klager stelt in zijn klaagschrift eigenaar te zijn van de voorwerpen. Het klaagschrift strekt tot teruggave van deze voorwerpen.

Het klaagschrift is behandeld op de openbare zitting van de economische raadkamer van 5 januari 2022. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. C.P. Dronkers, klager en de raadsvrouw gehoord. Als belanghebbenden zijn opgeroepen [naam 2] en [naam 1] , maar zij zijn niet ter zitting verschenen.

De economische raadkamer heeft kennis genomen van:

  • -

    het voormelde klaagschrift op grond van artikel 552a Sv met bijlagen;

  • -

    een schriftelijke conclusie van de officier van justitie met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag, evenals de relevante stukken uit het dossier waarin het beslag is gelegd;

  • -

    de door de officier van justitie, de klager en de raadsvrouw gegeven toelichting in raadkamer.

2 De standpunten

Standpunt klager

Het standpunt van klager is dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard, dat het beslag moet worden opgeheven en dat de in beslag genomen mobiele kraanwagen en paardentrailer aan hem moeten worden teruggeven. In raadkamer heeft klager de kanttekening gemaakt dat hij – anders dan in zijn klaagschrift staat vermeld – de paardentrailer heeft geleend van zijn nicht [naam 1] en dat zij de eigenaar is van die paardentrailer. Klager is van mening dat hij ontvankelijk is in zijn klaagschrift voor zover dit betrekking heeft op de mobiele kraan. Klager is het niet eens met het voornemen van het Openbaar Ministerie tot onttrekking aan het verkeer van de mobiele kraanwagen, omdat hem geen strafbaar feit wordt verweten. Dit is volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad echter wel vereist. In de visie van klager heeft hij niet in strijd gehandeld met artikel 10.15 van de Telecommunicatiewet, omdat het in verpakte toestand aanwezig hebben van een bouwkraan niet strafbaar is. De intentie van het gebruik kan niet worden vastgesteld. Het had op de weg van het Agentschap Telecom gelegen om te onderbouwen dat de mobiele kraan niet in een verpakte toestand verkeerde.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat het klaagschrift in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet kan worden vastgesteld dat klager de rechtmatige eigenaar is van de mobiele kraan en de paardentrailer. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt - overeenkomstig de schriftelijk genomen conclusie die als bijlage bij deze beschikking is gevoegd - dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.

4 De ontvankelijkheid

De economische raadkamer stelt vast dat een ander dan klager de rechthebbende is van de in beslag genomen paardentrailer, namelijk [naam 1] . Klager heeft ter zitting verklaard dat hij zijn paardentrailer van zijn nicht had geleend en dat zij de eigenaar is van deze trailer.

[naam 1] heeft dit in een door haar afgelegde getuigenverklaring bevestigd. Bovendien blijkt uit de stukken in het dossier dat het kenteken van de paardentrailer, [kenteken] , op naam staat van die [naam 1] . De raadkamer is daarom van oordeel dat klager in zijn klaagschrift in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij niet als belanghebbende in dit klaagschrift kan worden ontvangen.

De economische raadkamer stelt vast dat klager eigenaar stelt te zijn van de in beslag genomen mobiele kraanwagen. Dit maakt – volgens vaste jurisprudentie – dat klager in zoverre in zijn klaagschrift moet worden ontvangen, omdat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de economische raadkamer het volgende vast.

Feiten en omstandigheden

Op 2 november 2021 heeft het Agentschap Telecom voorwerpen in beslag genomen, waaronder een mobiele kraanwagen en een paardentrailer met apparatuur, die in samenhang met elkaar bezien een overtreding vormen van artikel 10.15 lid 1 van de Telecommunicatiewet. Het ging – kort gezegd – om het geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van een illegale zender. Uit het proces-verbaal van het Agentschap Telecom blijkt van meerdere eerder geconstateerde overtredingen met dezelfde zendapparatuur.

Maatstaf

Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in de aan te leggen toetsingsmaatstaf.

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager, of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1 onder 4° Sr in verbinding met art 552f Sv.

Overwegingen

Klager stelt eigenaar te zijn van de mobiele kraanwagen en hij wenst deze terug te krijgen. De economische raadkamer zal hier echter niet toe overgaan.

De economische raadkamer stelt op basis van het proces-verbaal van het Agentschap Telecom en de daarbij gevoegde foto’s in het dossier het volgende vast. Op de foto’s is een grote mobiele kraan te zien. Deze stond op het moment van inbeslagname op uitgeschoven stempels. Op het topstuk van de kraan zijn acht antennes te zien. Op de kraan zijn diverse ringen ter geleiding van een kabel aangetroffen. Er loopt een kabel van de antenne via het kopstuk van de mobiele kraan naar de paardentrailer en container. In die paardentrailer en container is blijkens de stukken zendapparatuur en een aggregaat aangetroffen.

De economische raadkamer is op basis van bovenstaande constateringen van oordeel dat de mobiele kraan het doel heeft gehad om (gebruiksklaar) als zendmast te fungeren. De mobiele kraan vormt een onlosmakelijk geheel van deze illegale zendinstallatie. Er is dus sprake geweest van het een geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig hebben van een radioapparaat, terwijl daartoe geen vergunning is verleend. Dit is in strijd met het voorschrift zoals bepaald in artikel 10.15 lid 1 van de Telecommunicatiewet. Dit betreft een economisch delict, strafbaar gesteld in artikel 1 onder 1° van de Wet op de economische delicten. Het Agentschap Telecom is belast met de handhaving van die regelgeving. Zij heeft de mobiele kraan op 2 november 2021 op een rechtmatige wijze in beslag genomen. De verklaring van klager dat hij de mobiele kraan voor andere doeleinden gebruikt, is niet aannemelijk.

Hoewel klager niet strafrechtelijk als verdachte wordt vervolgd, zal wel bestuursrechtelijk worden opgetreden. De officier van justitie houdt hiermee de mogelijkheid om een afzonderlijke vordering in te dienen zoals bedoeld in artikel 36b lid 1 onder 4° Sr in verbinding met art 552f Sv. Om die reden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de mobiele kraan. Gelet op de door de officier van justitie genoemde feiten en omstandigheden, deelt de raadkamer dit standpunt.

De economische raadkamer is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend over de door de officier van justitie aangekondigde vordering tot onttrekking aan het verkeer op grond van art. 552f Sv in verbinding met art. 36b lid 1 onder 4° Sr, de onttrekking aan het verkeer van de mobiele kraan zal bevelen. Het beslag dient daarom te worden gehandhaafd wegens het voortduren van strafvorderlijk belang.

Conclusie

De economische raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift voor zover het strekt tot teruggave van de mobiele kraan ongegrond moet worden verklaard.

6 De beslissing

De economische raadkamer:

  • -

    verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk voor zover het strekt tot teruggave van de paardentrailer;

  • -

    verklaart het klaagschrift ongegrond voor zover het strekt tot teruggave van de mobiele kraan.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.M.W. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van N. Klunder als griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2022.