Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1180

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-05-2022
Datum publicatie
02-05-2022
Zaaknummer
08/302433-21; 99/000303-35 (herr. VI) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 21-jarige jongen tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor een poging doodslag. De man schoot het slachtoffer met een vuurwapen in zijn bovenbeen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/302433-21; 99/000303-35 (herr. VI) (P)

Datum vonnis: 2 mei 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 februari 2022 en 19 april 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.P. Dronkers en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R. van Veen, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 november 2021 in Enschede samen met een ander of alleen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar te mishandelen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een vuurwapen (Glock), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het (boven)been, althans in het lichaam heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 november 2021 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met een vuurwapen (Glock), althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het (boven)been, althans in het lichaam heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij, kort gezegd, primair aangevoerd dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opzettelijk in het been van [slachtoffer] heeft geschoten. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet van verdachte in ieder geval niet gericht is geweest op de dood van [slachtoffer] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt, op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen op de terechtzitting is besproken, de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op vrijdagavond 5 november 2021 zitten [naam 1] , [slachtoffer] en [naam 2] in de woonkamer van de woning gelegen aan de [adres 1] . Rond middernacht komt de zoon van [naam 1] , [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ), thuis en loopt via de hal de woonkamer binnen. [medeverdachte] is onder invloed van alcohol en cannabis en wordt boos als hij [slachtoffer] ziet. [medeverdachte] zegt tegen [slachtoffer] dat hij een ‘kankerjunkie’ is en dat hij weg moet gaan. Vervolgens gaat [medeverdachte] naar zijn slaapkamer, belt zijn vriend [verdachte] (verder: [verdachte] ), en vraagt aan [verdachte] of hij hem komt ophalen. [verdachte] heeft in zijn kamer een vuurwapen van het merk Glock liggen en besluit dit vuurwapen mee te nemen. [verdachte] stopt het vuurwapen achter zijn broeksband, stapt op zijn scooter en rijdt naar voornoemde woning.

Inmiddels is [medeverdachte] naar beneden gelopen en in de hal zegt [naam 1] tegen [medeverdachte] dat hij de woning moet verlaten. [medeverdachte] doet de voordeur open en blijft in de deuropening staan. [slachtoffer] duwt [medeverdachte] aan de kant om er langs te komen. Er ontstaat een worsteling tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] [medeverdachte] in zijn gezicht slaat. Op dat moment komt [verdachte] eraan gereden met de scooter, hij parkeert de scooter en loopt richting [medeverdachte] en [slachtoffer] en mengt zich in de worsteling. [verdachte] pakt vervolgens met zijn rechterhand het vuurwapen van achter zijn broeksband en laadt deze door. [slachtoffer] doet een greep naar het vuurwapen en pakt deze bij de loop vast. Vervolgens haalt [verdachte] de trekker over waardoor een kogel wordt afgevuurd. De kogel treft [slachtoffer] in het linker bovenbeen, er is een inschot plek op het linker bovenbeen en een uitschot plek op de achterzijde van het bovenbeen.

De forensisch arts stelt vast dat [slachtoffer] een schotverwonding heeft opgelopen aan de linkerzijde van het dijbeen. Uit nader onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] geen schade aan het bot of bloedvaten heeft opgelopen en dat de kogel niet meer in het lichaam zit. Afgezien van twee littekens, zijn er geen aanwijzingen dat er restletsel wordt verwacht.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden staat vast dat verdachte het vuurwapen ter hand heeft genomen en dat [slachtoffer] is getroffen door een kogel uit dat vuurwapen. Verdachte heeft het vuurwapen van achter zijn broeksband gehaald en dit ter plekke doorgeladen. [slachtoffer] grijpt vervolgens naar het vuurwapen. Vervolgens heeft verdachte met zijn vinger de trekker overgehaald, terwijl het vuurwapen ter hoogte van de heup op aangever was gericht. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte bewust op [slachtoffer] heeft geschoten en daarbij kennelijk heeft gericht op het lichaam van [slachtoffer] .

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [slachtoffer] door te handelen zoals hiervoor vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer] te doden. Er is dan ook geen sprake van ‘vol’ (onvoorwaardelijk) opzet. Dat neemt niet weg dat sprake kan zijn van zodanig levensgevaarlijk handelen dat de kans aanmerkelijk was dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Indien de verdachte zich daarvan bewust was en desondanks toch zo heeft gehandeld, daarmee de mogelijke dood van [slachtoffer] op de koop toe heeft genomen, is sprake van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in onderhavige casus: de dood) aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van zijn gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Aanmerkelijke kans

Uit voornoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte het vuurwapen ter hoogte van de heup op [slachtoffer] heeft gericht. Verdachte had zijn vinger om de trekker en op het moment dat [slachtoffer] aan zijn arm trok, heeft verdachte de trekker overgehaald. Onder deze omstandigheden had naar het oordeel van de rechtbank een geringe afwijking van de schootsbaan, dan wel een ongelukkige beweging van aangever, ertoe kunnen leiden dat de kogel op een heel andere plek in het lichaam van aangever terecht was gekomen dan in zijn bovenbeen en aangever het mogelijk niet zou hebben overleefd. Overigens had ook het raken van een slagader in het bovenbeen een dergelijke situatie al in het leven kunnen roepen. Naar het oordeel van de rechtbank was sprake van een reële, niet onwaarschijnlijke kans op de dood van [slachtoffer] , mede in aanmerking genomen dat het schieten tijdens een worsteling (het vastpakken van de arm van verdachte) is gedaan en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte bewust heeft gericht op het bovenbeen van [slachtoffer] terwijl hij schoot.

Naar het oordeel van de rechtbank is dus sprake van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] .

Aanvaarding door verdachte

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat verdachte tijdens de worsteling het vuurwapen van achter zijn broeksband heeft gehaald, het wapen vervolgens heeft doorgeladen en uiteindelijk met zijn vinger de trekker heeft overgehaald. Mede gezien de korte afstand tussen verdachte en aangever, alsmede het vrijwel direct afvuren na het grijpen van het vuurwapen door [slachtoffer] , kan worden uitgesloten dat verdachte – als ongeoefend schutter – zodanig precies heeft gericht dat hij ervan uit kon gaan dat hij aangever niet dodelijk zou treffen. Uit de handelswijze van verdachte kan aldus worden afgeleid dat hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.

De rechtbank acht de primair tenlastegelegde poging tot doodslag derhalve wettig en overtuigend bewezen. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte dit feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd, zodat de rechtbank verdachte voor het ten laste gelegde medeplegen vrijspreekt.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 november 2021 te Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal met een vuurwapen (Glock) in het bovenbeen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte zich heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] .

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een noodweersituatie zich niet heeft voorgedaan, zodat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In de eis dat de gedraging is geboden door de noodzakelijke verdediging, ligt besloten dat de verdedigingshandeling moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank overweegt dat gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer. Dit is slechts het geval onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie met het slachtoffer, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en daarmee een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.


Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat verdachte door [medeverdachte] is gebeld. [medeverdachte] heeft verdachte gevraagd of hij hem bij de woning van zijn moeder kon komen ophalen. Verdachte heeft vervolgens besloten het vuurwapen dat in zijn kast lag, te pakken en achter zijn broeksband te stoppen. Verdachte is vervolgens in een worsteling met [slachtoffer] terecht gekomen en heeft toen het vuurwapen gepakt, doorgeladen en vervolgens [slachtoffer] daarmee in het bovenbeen geschoten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de gevaarzettende situatie zelf veroorzaakt op het moment dat hij met een vuurwapen achter zijn broeksband op [slachtoffer] is afgestapt om hem te lijf te gaan en het vuurwapen te pakken en door te laden. Aldus is het verdachte geweest die de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht. Reeds om die reden kan een beroep op noodweer niet geslagen. Het verweer wordt verworpen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: poging tot doodslag.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen, het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de jonge leeftijd van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag door het slachtoffer [slachtoffer] met een vuurwapen in het bovenbeen te schieten. Het betreft een ernstig gewelddadig feit dat niet alleen een grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft opgeleverd, maar dat ook evengoed fataal had kunnen aflopen. Verdachte heeft zich daar kennelijk niet om bekommerd en heeft het leven van het slachtoffer in gevaar gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte van

19 januari 2022, waaruit blijkt dat hij in het recente verleden voor meerdere misdrijven, waaronder een afpersing, is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 1 februari 2022, opgemaakt door G.G.M. Belshof. In het rapport is beschreven dat verdachte voor zijn leeftijd een fors strafblad heeft opgebouwd met veroordelingen voor ernstige delicten. Verdachte wordt omschreven als een verharde jongeman die doelbewust verkeerde keuzes maakt. De reclassering heeft veel zorgen over verdachte. Verdachte geeft weinig openheid van zaken en trekt vooral zijn eigen plan. Verdachte is in oktober 2020 klinisch onderzocht in het Forensisch centrum Teylingereind en is daar gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met onbehandelbare (statische) oorzaken en stoornissen in het gebruik van cannabis en alcohol, beide ernstig. Daarnaast is een beneden gemiddelde intelligentie vastgesteld. Het advies was om tijdens het VI-toezicht in te zetten op praktische hulpverlening. Tijdens dit toezicht is gebleken dat verdachte ongrijpbaar en weinig gemotiveerd is voor inmenging van hulpverlening in zijn leven. De reclassering heeft contact gezocht met het NIFP/IFZ om de mogelijkheden opnieuw te onderzoeken voor behandeling (al dan niet klinisch). Toen dit aan verdachte werd voorgelegd, heeft hij aangegeven dat hij niet wenst mee te werken aan behandeling. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Mocht verdachte tijdens de zitting toch aangeven mee te willen werken aan bijzondere voorwaarden dan zal dat volgens de reclassering niet vanuit een intrinsieke motivatie zijn. Gezien de langere strafverwachting kan er in die situatie, te zijner tijd, in het kader van een TR-advies of VI-advies nog gekeken worden wat er op dat moment geïndiceerd is.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank deelt de zorgen van de reclassering over verdachte. Verdachte is op 3 december 2020 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden wegens afpersing. Deze veroordeling heeft hem er niet van weerhouden wederom een ernstig strafbaar feit te plegen. Bovendien heeft verdachte door onderhavig feit te plegen zich niet gehouden aan de algemene voorwaarden die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden zijn. Tegelijkertijd heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de P.I. Grave waaruit blijkt dat verdachte zich recent in detentie positief ontwikkelt. Hij heeft geleerd te reflecteren op de keuzes die hij maakt en denkt na over zijn toekomst. Om verdachte hierbij te helpen, zal de rechtbank aan de gevangenisstraf van na te melden duur een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde verbinden. De reclassering kan verdachte ondersteunen en begeleiden bij het vasthouden van deze positieve ontwikkelingen na ommekomst van zijn detentie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, mee te willen werken met de reclassering.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering verbinden.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 6.800,00 (achtenzestighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kapotte onderbroek € 5,00;

- kapotte trainingsbroek € 45,00.

Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 6.750,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen en heeft daarbij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering voor zover deze ziet op immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze onvoldoende is onderbouwd en een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Immateriële schade

Het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen ontstaat, gelet op artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in zijn eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat met de door verdachte gepleegde poging tot doodslag de benadeelde partij schade heeft geleden op andere wijze. De rechtbank zal een lager bedrag toewijzen dan is gevorderd. De benadeelde partij heeft op het voegingsformulier vermeld dat de huisarts de diagnose van PTSS heeft gesteld, maar deze diagnose is onvoldoende onderbouwd.

Dat neemt niet weg dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreekse immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ingrijpende aard van het handelen van verdachte, de gevolgen voor de benadeelde partij zoals die blijken uit het voegingsformulier, alsook op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechtbanken is toegekend.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om het overige deel van de vordering nader te onderbouwen vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Als de schadevergoeding door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

9 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van verdachte toe te wijzen. Het betreft een periode van 38 dagen. Verdachte heeft de algemene voorwaarden verbonden aan de v.i. overtreden door zich binnen de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Overijssel van 3 december 2020 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij besluit voorwaardelijke invrijheidsstelling, zoals aan verdachte betekend op 14 december 2020, op 18 december 2020 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld (v.i.-zaaksnummer 99/000303-15). Het openbaar ministerie heeft daarbij als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 38 (achtendertig) dagen te herroepen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 36f Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: poging tot doodslag;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 1 (één) jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 2.050,00 (zegge: tweeduizendvijftig euro) (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2021);

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.050,00, (zegge: tweeduizendvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.-zaaknummer 99/000303-15)

- wijst toe de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling;

- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, niet ten uitvoer is gelegd, voor deze periode alsnog moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 38 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. H. Stam en mr. K.A. Schönbeck, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2022.

Buiten staat

Mr. E.J.M. Bos en mr. K.A. Schönbeck zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer Fretkat21 / ON2R021089. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 8 december 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 117 t/m 122):

V: [verdachte] vertelde dat hij naar jou toe ging om jou weg te halen uit die situatie. Wat was er aan de hand bij jou thuis?

A: Ik zag [slachtoffer] . Ik werd boos, ik mag hem niet. Ik zei: ‘ga weg kankerjunkie’. Hij wilde niet weggaan. Toen heb ik [verdachte] gebeld.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 166 t/m 168):

Vandaag op zaterdag 6 november 2021 omstreeks 00:10 uur waren wij verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , beiden werkzaam bij de politie, Eenheid Oost-Nederland, Basisteam Enschede, belast met de noodhulp in de gemeente Enschede. Omstreeks 00:15 uur die dag werden wij door het Operationeel Centrum te Hengelo gestuurd naar de [adres 1] . Ik, verbalisant, zag dat er op de eettafel een vuurwapen lag met de patroonhouder ernaast. Ik zag dat er bij het vuurwapen een lege huls lag. Ik herkende het vuurwapen als een scherp vuurwapen van het merk Glock. De bewoonster vertelde vervolgens dat [slachtoffer] in zijn been was geschoten. Dit zou gaan om [slachtoffer] (fonetisch). Tevens zou er geschoten zijn door een persoon genaamd ‘ [verdachte] ’.

3. Het proces-verbaal van bevindingen (inclusief fotoblad) van 6 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 169 t/m 172):

Op zaterdag 6 november 2021, omstreeks 00:20 uur, werden wij, verbalisanten Jongkees en Muller, belast met zogeheten noodhulp, rijdend in een opvallend dienstvoertuig, in uniform gekleed, door het Operationeel Centrum Hengelo, gestuurd naar de busbaan nabij de Themislaan te Glanerbrug, gemeente Enschede. Dit omdat er aan de Symfoniestraat een schietincident had plaatsgevonden. Op de busbaan ter hoogte van de Spalterven zagen wij het slachtoffer, naar wie later bleek te zijn [slachtoffer] , staan. Wij hoorden dat hij ruzie had gehad en dat hij in zijn been geschoten was. Wij zagen dat [slachtoffer] een inschot plek liet zien op zijn linker bovenbeen. Wij keken naar de achterzijde van zijn been en zagen daar ook een uitschot plek. Wij hoorden dat [slachtoffer] zei dat het gebeurd was voor de woning aan de Symfoniestraat. Wij hoorden dat hij zei dat [verdachte] de persoon was die [slachtoffer] in zijn been had geschoten.

4. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 11 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 178 t/m 182):

Ik wilde nog een biertje drinken bij [naam 1] . Ik heb [naam 1] gebeld en haar gevraagd of ik nog een biertje kon komen drinken. [naam 1] woont aan de [adres 1] . Ik ben daar naartoe gelopen en kwam daar op vrijdag 5 november 2021 rond 23:45 uur aan. Toen ik binnen kwam, zat [naam 2] daar al. Toen wij daar zaten kwam [medeverdachte] vanuit de hal de woonkamer binnen. [medeverdachte] kwam meteen dreigend op mij over. Ik zei tegen [naam 1] dat ik weg zou gaan omdat ik er geen zin in had. [naam 1] was het er niet mee eens en zei dat ik me niet door een snotneus weg moest laten sturen. [medeverdachte] ging naar boven en ik ben dus niet weg gegaan. Ik ben toen weer gaan zitten. Kort hierna kwam [medeverdachte] weer binnen en hij wilde zijn bril. [medeverdachte] is de kamer weer uit gegaan. Ik dacht dat hij ging bellen met [verdachte] , dat was gewoon een gedachte van mij. Ik hoorde [medeverdachte] bij de voordeur. Dit hoorde [naam 1] ook. [naam 1] is naar de hal gelopen en sprak [medeverdachte] aan. Ik hoorde dat [medeverdachte] zei dat hij op ‘the real one’ wachtte. Ik wist toen wel hoe laat het was. Ik ben naar de hal gelopen. De voordeur stond open. Ik wilde weg en duwde [medeverdachte] aan de kant om naar buiten te komen. Ik heb [medeverdachte] stevig aan de kant geduwd om er langs te komen. Meteen buiten zag ik [verdachte] staan. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen had. Ik zag dat het wapen zwart van kleur was. Ik heb meteen een greep naar het vuurwapen gedaan. Ik zag dat [verdachte] het wapen op mij gericht had, op heuphoogte. Tegelijkertijd hoorde ik een knal en zag een lichtflits. In de beweging heb ik [verdachte] met beide handen vastgepakt en heb hem hard aan de kant gegooid. Ik heb het daarna op een lopen gezet. Ik wilde zo snel mogelijk weg om mijn leven te redden. Op een gegeven moment kwam ik bij de busbaan uit daar in de buurt. Ik voelde toch ineens een vochtige plek op mijn broek, op mijn linkerheup. Ik voelde met mijn hand en toen zat mijn hand onder het bloed. Ik heb mijn broek naar beneden gedaan en zag een kogelgat in mijn bovenbeen.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een geneeskundige verklaring van G. Reijnen (forensisch arts) van 19 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 186):

2) Beenletsel

Betrokkene heeft een schotverwonding opgelopen aan de linkerzijde van zijn dijbeen. De twee wonden in het been zullen uiteraard wel littekens achterlaten.

6. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel van 30 maart 2022, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [naam 2] :

[slachtoffer] wilde weggaan omdat het escaleerde. [medeverdachte] was boven. Ik ben naar de wc gegaan. In de tussentijd kwam [medeverdachte] weer beneden. De worsteling, het gevecht verplaatste zich naar buiten. Wat ik als eerste zag was een gevecht op de parkeerplaats voor. Ik zag [verdachte] verschijnen en die mengde zich ook in het gevecht. Het gevecht was tussen [verdachte] en [slachtoffer] en verplaatste zich naar nummer 12. Toen heeft [verdachte] [slachtoffer] in het been geschoten.

7. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel van 30 maart 2022, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [slachtoffer] :

[medeverdachte] was bij de voordeur. Ik heb hem beet gepakt en weggeduwd. Toen zag ik op enig moment [verdachte] . Ik heb de loop van wat hij in de hand had vastgepakt. Toen hoorde en zag ik een flits.

8. Het proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pag. 223 t/m 227):

Op dinsdag 9 november 2021 bekeek ik op verzoek van de tactisch coördinator van onderzoeksteam Fretkat21, de camerabeelden van een woning gelegen aan de [adres 2] , welke na vordering ex art. 126nda ter beschikking van het onderzoek waren gesteld.

Om 00:12:49 uur is te horen dat er in de verte een gemotoriseerd voertuig aan komt rijden, wat lijkt op een bromfiets of een snorfiets.

Om 00:13:25 uur is een geluid te horen wat te vergelijken valt met het doorladen van een vuurwapen.

Om 00:13:26 uur is een harde knal te horen wat mij doet vermoeden dat er daadwerkelijk is geschoten met een vuurwapen.

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 april 2022, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik werd gebeld door [medeverdachte] . Hij was in paniek en hij vertelde mij dat rare junks hem thuis lastig vielen. Ik dacht ik haal hem op zodat hij bij mij kan slapen. Ik had thuis een wapen liggen. Dat wapen lag in mijn kast. U vraagt mij of ik wist dat het een scherp vuurwapen betrof. Ik zag dat het een pistool was. Ik heb de munitie er niet uit gehaald, maar ik kon wel zien dat het geen balletjespistool was. Het wapen heb ik achter mijn broeksband gestopt. Ik ben op mijn scooter naar [medeverdachte] gereden. Ik heb het wapen uit mijn broeksband gehaald en doorgeladen, terwijl [slachtoffer] mij sloeg. [slachtoffer] zag het wapen en greep er naar. Ik had mijn vinger op de trekker en toen hij aan het wapen trok, ging het af.