Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1172

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-03-2022
Datum publicatie
02-05-2022
Zaaknummer
84-196649-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een bouwbedrijf tot een geldboete van 75.000 euro, waarvan 25.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor dood door schuld en het overtreden van de Arbowet. Ook moet het bedrijf een schadevergoeding betalen aan de nabestaanden van 60.000 euro.

Op 8 december werd bij een nieuw appartementencomplex een keuken afgeleverd op de vierde verdieping van dat complex. Dat gebeurde met een hoogwerker met een daaraan bevestigde werkbak. De werknemers van verdachte kregen hulp van de kraanmachinist bij het uitladen van de keuken. Tijdens de deze werkzaamheden is één van de werknemers van 13 meter hoogte tussen de werkbak en de gevel van het appartementencomplex naar beneden gevallen, waarna hij overleed.

De rechtbank overweegt dat uit getuigenverklaringen blijkt dat het slachtoffer en zijn collega gedurende die werkzaamheden niet waren aangelijnd, en dat ook de kraanmachinist in de werkbak stond zonder aangelijnd te zijn. Daarnaast is door de verbalisanten geconstateerd dat de losse randbeveiligingshekken niet op de werkbak waren geplaatst, maar nog op de grond stonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2022/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84-196649-21 (P)

Datum vonnis: 7 maart 2022

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.,

gevestigd aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 februari 2022 en 21 februari 2022.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Lambregts en van wat door verdachte en haar raadsman mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht. Als vertegenwoordiger van verdachte is aanwezig haar (middellijk) zelfstandig bevoegd bestuurder de heer [naam 1] .

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat verdachte als werkgever niet heeft voldaan aan voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, waardoor levensgevaar of gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemer [slachtoffer 1] is ontstaan of te verwachten was (feit 1) en dat verdachte schuld heeft aan een ongeval waarbij [slachtoffer 2] om het leven is gekomen (feit 2).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op of omstreeks 8 december 2020 te Zutphen, in ieder geval in Nederland, als werkgever al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij verdachte op een locatie waar nieuwbouw (een appartementencomplex), was opgeleverd, gelegen aan de Bolwerksweg aldaar,

zijnde een arbeidsplaats,

door een werknemer [slachtoffer 1] arbeid doen of laten verrichten en/of deze arbeidsplaats doen en/of laten betreden, terwijl zij verdachte,

- in strijd met artikel 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk heeft vastgelegd welke risico’s het werken met een hoogwerker en (aangepaste) werkbak voor de werknemers met zich meebracht en deze risico-inventarisatie en evaluatie bevatte tevens niet een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers en/of

- in strijd met artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor heeft gezorgd dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de risico's die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden met een hoogwerker en een (aangepaste) werkbak en de daaraan verbonden risico's en/of maatregelen die erop gericht waren deze risico's te beperken of te voorkomen, en/of

- in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid genoemde risico’s voor het werken met een hoogwerker en (aangepaste) werkbak en/of het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, en/of

- in strijd met artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit, bij het (doen) verrichten van arbeid, te weten het werken met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met een werkbak (VHS special products type AB-35) waaraan twee extra vloerplaten waren bevestigd, waarbij het gevaar bestond om 2,5 meter of meer naar beneden te vallen, dat valgevaar niet heeft tegengegaan door het laten aanbrengen van een of meerdere doelmatige hekwerken, leuningen en/of andere dergelijke voorzieningen, immers waren een of meerdere van verdachtes werknemers bij het verrichten van arbeid in die werkbak op een hoogte van ongeveer 13 meter niet aangelijnd (met een harnasgordel) en/of waren op die werkbak geen (extra) leuningen (randbeveiligingshekken) aangebracht, en/of

- in strijd met artikel 7.4 lid 2 van het arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel, te weten een werkbak (VHS special products type AB-35) niet van een deugdelijke constructie heeft laten zijn, immers heeft zij, verdachte in strijd met de Gebruikershandleiding Hoogwerker (merk VHS Type AB35) die werkbak aangepast door op de 2e vloerplaat een of meerdere extra vloerpla(a)t(en) aan te brengen die, indien geen leuningen op die 2e vloerplaat aanwezig waren, naar beneden konden scharnieren als daarop druk werd uitgeoefend,

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemer [slachtoffer 1] ontstond of te verwachten was;

2.

zij op of omstreeks 8 december 2020 in Zutphen, in elk geval in Nederland, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door

- werkzaamheden te laten verrichten met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met werkbak (VHS special products type AB-35) terwijl in strijd met de Gebruikshandleiding Hoogwerker (merk VHS, Type AB35) aan de 2e vloerplaat van die die werkbak een extra 3e en 4e vloerplaat waren gemonteerd, en/of

- werkzaamheden te laten verrichten met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met (aangepaste) werkbak (VHS special products type AB-35) terwijl geen leuning of hekwerk was bevestigd aan of op de 2e vloerplaat, waardoor de (extra aangebrachte) 3e en 4e vloerplaat konden inklappen als daar druk op werd uitgeoefend, en/of

- aan haar werknemer [slachtoffer 1] geen, in elk geval onvoldoende, instructie te geven inhoudende dat bij het verrichten van werkzaamheden in een (aangepaste) werkbak (VHS special products type AB-35) een lijn/tuigje/harnasgordel gebruikt moet worden, en/of op de 2e vloerplaat van die (aangepaste) werkbak een hekwerk (randbeveiliginghek) moet worden aangebracht, en/of

- door onvoldoende toe te zien dat bij het gebruik van de hoogwerker (merk VHS, Type AB35) en de (aangepaste) werkbak (VHS special products type AB-35) persoonlijke beschermingsmiddelen werden gebruikt en/of het hekwerk (randbeveiligingshek) op de 2e vloerplaat werd bevestiging,

waardoor [slachtoffer 2] op ongeveer 13 meter hoogte, zonder te zijn aangelijnd, met die aangepaste werkbak loswerkzaamheden heeft verricht op de vierde etage van een appartementencomplex, waarbij die [slachtoffer 2] op die extra aangebrachte (4e) vloerplaat van die aangepaste werkbak is gaan staan, met als gevolg dat de 3e en 4e vloerplaat naar beneden zijn gescharnierd, waardoor die [slachtoffer 2] tussen de werkbak en de gevel van het appartement naar beneden is gevallen,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is dat [slachtoffer 2] is komen te overlijden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Op 8 december 2020 heeft bij een net opgeleverd appartementencomplex, gelegen aan de Bolwerksweg in Zutphen, een arbeidsongeval plaatsgevonden met een hoogwerker met een daaraan bevestigde werkbak. Ter plaatse moesten [slachtoffer 2] (het slachtoffer) en zijn collega een keuken afleveren bij een appartement op de vierde verdieping. Ze kregen daarbij assistentie van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), machinist van de hoogwerker.2 Tijdens de genoemde werkzaamheden is het slachtoffer van 13 meter hoogte tussen de werkbak en de gevel van het appartementencomplex naar beneden gevallen. Ten gevolge daarvan is het slachtoffer ter plaatse overleden.3

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] op 1 december 2019 in dienst is getreden bij [verdacht bedrijf] B.V.4 Die arbeidsverhouding brengt met zich dat verdachte dient te worden aangemerkt als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en dat [slachtoffer 1] als werknemer dient te worden aangemerkt in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Ten tijde van het ongeval was [slachtoffer 1] in die hoedanigheid werkzaam als machinist van een hoogwerker van het merk ‘Manitou’.5

Met betrekking tot de verplichtingen die door de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn opgelegd, wordt verdachte verweten die te hebben geschonden. Die ten laste gelegde verwijten zijn in meerdere gedachtestrepen in de tenlastelegging opgenomen en zullen hierna worden besproken.

Daarnaast wordt verdachte verweten dat de dood van het slachtoffer aan haar schuld is te wijten, hetgeen ook hierna zal worden besproken.

Geen vastlegging risico in RI&E

De rechtbank overweegt dat in de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) van verdachte en het bijbehorende plan van aanpak6 de risico’s van de werkzaamheden met hoogwerkers, werkbakken en asbestbakken niet waren geïnventariseerd.7

Door verdachte is aldus, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd met artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet gehandeld.

Geen doeltreffende voorlichting

De rechtbank overweegt dat verdachte weliswaar instructies en voorlichting heeft gegeven, maar dat die instructies en voorlichting kennelijk niet doeltreffend zijn geweest. In de RI&E is reeds in 2017 opgemerkt dat onvoldoende aandacht aan dit onderwerp wordt besteed, waardoor de werknemers risicovol gedrag vertonen uit onwetendheid dan wel vanwege het niet volstaan van de gegeven informatie.8

Daar komt bij dat verdachte in het geheel geen instructies en voorlichting heeft gegeven die specifiek zien op het werken met de aangepaste werkbak9, terwijl het plaatsen van de losse hekken/leuningen op deze aangepaste werkbak cruciaal is gebleken om te voorkomen dat de extra vloerplaten naar beneden kunnen scharnieren.10

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte niet alleen meer aandacht moeten besteden aan het geven van instructies en voorlichting in het algemeen, maar ook meer specifiek met betrekking tot de aangepaste werkbak, nu verdachte de werkbak heeft aangepast en door haar werknemers met enige regelmaat over een langere periode heeft laten gebruiken.11

Door verdachte is aldus, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet gehandeld.

Onvoldoende toezicht

De rechtbank overweegt dat uit getuigenverklaringen blijkt dat door (personen namens) verdachte als werkgever niet (op basis van een vaste werkwijze of procedure, al dan niet steekproefsgewijs) een bezoek aan de bouwplaats werd gebracht om te kijken hoe haar werknemers daar aan het werk zijn en of de veiligheidsvoorschriften worden nageleefd.12 De werknemers kunnen ook geen antwoord geven op de vraag wie op hun veiligheid let.13 Dat het houden van toezicht een punt van aandacht betrof, is ook in die RI&E opgemerkt.14

Door verdachte is aldus, naar het oordeel van de rechtbank, in strijd met artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet gehandeld.

Niet bestrijden valgevaar

De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden op de plaats delict zijn uitgevoerd met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met daaraan een werkbak (VHS special products, type: AB35) die was aangepast door het bevestigen van twee extra vloerplaten. De werkbak bestond uit een vloer (eerste vloerplaat) en een opklapbare plaat die, indien omhoog geklapt, als leuning fungeert (tweede vloerplaat). De tweede vloerplaat was omlaag geklapt en fungeerde derhalve niet als leuning, maar als werkplateau. Aan deze tweede plaat was met scharnieren een derde metalen vloerplaat bevestigd, waarop nog een kleine vierde metalen vloerplaat was bevestigd. De derde en vierde vloerplaat weken qua vorm en materiaal af van de rest van de bak.15

De rechtbank overweegt dat uit getuigenverklaringen blijkt dat het slachtoffer en zijn collega gedurende die werkzaamheden niet waren aangelijnd, en dat ook [slachtoffer 1] in de werkbak stond zonder aangelijnd te zijn.16 Daarnaast is door de verbalisanten geconstateerd dat de losse randbeveiligingshekken niet op de werkbak waren geplaatst, maar nog op de grond stonden. De verbalisanten hebben overigens ook geen harnasgordels of andere voorwerpen waarmee men zich kan aanlijnen, gezien.17 De verbalisanten hebben de werkbak getest aan de hand van vier scenario’s, waarbij de twee onderste kokers zijn uitgetrokken en vergrendeld, en zijn op basis daarvan tot de volgende conclusies gekomen18:

Scenario 1: werkbak zonder een hekwerk op de zijkant van de tweede vloerplaat; de verbalisant heeft gezien en gevoeld dat toen hij met zeer geringe kracht het kleine vierde plateau helemaal vooraan de werkbak naar beneden drukte, dat de scharnierpunten tussen de tweede en derde plaat omhoog kwamen en dat hij het derde en vierde plateau eenvoudig naar beneden kon drukken, waarbij het derde en vierde plateau naar beneden klapten.


Scenario 2: werkbak zonder een hekwerk op de zijkant van de tweede vloerplaat en met een persoon (circa 100kg) op de tweede vloerplaat; de verbalisanten zagen dat met weinig kracht, maar minder eenvoudig dan in scenario 1, de voorzijde van de werkbak naar beneden kon worden gedrukt, waarbij de scharnieren tussen de tweede en derde plaat omhoog kwamen en waarbij het derde en vierde plateau naar beneden klapten. Toen de verbalisant met volle gewicht bijna boven op de scharnieren tussen de tweede en derde plaat stond, kon de andere verbalisant (van 140kg) nog makkelijk en zonder zijn volle gewicht te gebruiken het derde en vierde plateau naar beneden laten klappen. De verbalisanten zagen dat zodra er een kracht wordt uitgeoefend op de derde plaat van de werkbak voorbij de kettingen waaraan deze is opgehangen, dat naarmate deze kracht verder van de kettingen af wordt uitgeoefend (dus hoe meer kracht richting de vierde plaat) het scharnierpunt tussen het tweede en derde plateau makkelijker omhoog bewoog, waarbij het derde en vierde plateau naar beneden klappen.


Scenario 3: werkbak zonder hekwerk op de zijkant van de tweede vloerplaat en met gemonteerde asbestkoker; de verbalisant kon eenvoudig en met weinig kracht de voorzijde van de werkbak naar beneden drukken, waarbij de scharnierpunten tussen de tweede en derde plaat omhoog kwamen en waarbij het derde en vierde plateau naar beneden klapten.


Scenario 4: werkbak met hekwerk op de zijkant van de tweede vloerplaat; de verbalisant kon met veel kracht op de voorzijde van de werkbalk drukken en leunen, maar de scharnierpunten tussen de tweede en derde plaat kwamen (met het hekwerk bevestigd) niet omhoog, waardoor de derde en vierde plaat niet naar beneden klapten.

De rechtbank overweegt dat uit het (simulatie-)onderzoek van de verbalisanten volgt dat, door de hekwerken/leuningen niet te plaatsen op de zijkanten van de vloerplaten, de scharnierpunten tussen de derde en de vierde vloerplaat omhoog konden komen waardoor diezelfde platen naar beneden klappen. Door de werkers vervolgens evenmin aan te lijnen, ontstond valgevaar. Door de vertegenwoordiger van verdachte is overigens ter zitting van

14 februari 2022 ook erkend dat haar machinist enorm tekort is geschoten door het hekwerk niet te plaatsen en te werken zonder ervoor zorg te dragen dat de personen in de werkbak waren aangelijnd. Volgens de verdediging valt dit verdachte echter niet te verwijten. Zij had immers haar werknemer dienovereenkomstig geïnstrueerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verantwoordelijkheid van verdachte als werkgever meeromvattend dan enkel het juist en volledig instrueren van haar werknemers. Van verdachte als werkgever mag ook worden verwacht dat zij haar werknemers beschermt tegen eigen fouten en onvoorzichtigheden.19 Gedacht kan worden aan technische maatregelen, waardoor bijvoorbeeld zonder dat de hekken zijn geplaatst de hoogwerker niet functioneert. Een modificatie die inmiddels, zo begreep de rechtbank ter terechtzitting, is aangebracht.

Door verdachte is aldus, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens in strijd met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gehandeld.

Ondeugdelijk arbeidsmiddel

De rechtbank overweegt dat verdachte, zoals hiervoor al uitgebreider is overwogen, de werkbak heeft aangepast door daarop twee extra vloerplaten aan te brengen.20 Uit het eveneens hiervoor weergegeven onderzoek is gebleken dat het plaatsen van de losse randbeveiligingshekken cruciaal is om te voorkomen dat die extra vloerplaten naar beneden scharnieren als daar druk op wordt uitgeoefend.21

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte dus een potentieel levensgevaarlijk – en daarmee ondeugdelijk – arbeidsmiddel gecreëerd door extra vloerplaten aan de werkbak te bevestigen.

De rechtbank overweegt voorts dat het bevestigen van de extra vloerplaten in strijd is met de Gebruikershandleiding Hoogwerker. Daarin staat immers beschreven dat het ten strengste is verboden om wijzigingen aan de machine aan te brengen en dat het ten strengste is verboden om het platform te vergroten.22

Door verdachte is aldus, naar het oordeel van de rechtbank, ook in strijd met artikel 7.4, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit gehandeld.

Toerekening rechtspersoon

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, als de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Er zal sprake kunnen zijn van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon, als zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.23

De rechtbank overweegt dat het verweten handelen en nalaten (on)verrichte gedragingen betreffen van personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon. Daarnaast past het binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon om met een hoogwerker met een werkbak te assisteren bij werkzaamheden op hoogte. Die gedraging is de rechtspersoon ook dienstig geweest, nu het een aangenomen opdracht betreft waar een vergoeding tegenover stond. Tot slot vermocht de rechtspersoon erover te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden, maar werden die gedragingen blijkens de feitelijke gang van zaken aanvaard. De rechtspersoon heeft immers onvoldoende de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op voorkoming daarvan.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen in de sfeer van de onderneming van [verdacht bedrijf] B.V. hebben plaatsgevonden.

Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan deze rechtspersoon worden toegerekend.

Opzet

De rechtbank stelt voorop dat de term opzet in het economisch strafrecht dient te worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet alleen gericht hoeft te zijn op de verweten gedraging – zijnde een handelen of nalaten – en niet op de wederrechtelijkheid daarvan.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, volgt dat verdachte heeft nagelaten de op haar rustende zorgplicht na te leven. Er zijn immers onvoldoende instructies en voorlichting gegeven en ook het toezicht houden op de naleving daarvan is niet gebeurd. Daarnaast heeft verdachte een arbeidsmiddel niet van een deugdelijke constructie laten zijn, omdat verdachte extra vloerplaten aan de werkbak heeft aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door dit handelen en nalaten minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ten laste gelegde overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet zou plaatsvinden.

Levensgevaar of ernstig gevaar aan de gezondheid

De rechtbank overweegt dat het werken op hoogte (boven de 2,5 meter) evident gevaar met zich brengt. Om die reden dienen maatregelen te worden getroffen ter waarborging van de veiligheid. Dat is in het onderhavige geval echter niet gebeurd, nu er geen gebruik is gemaakt van valharnassen en ook de (extra) hekken/leuningen niet op de werkbak zijn aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank maken de genoemde omstandigheden dat naar objectieve maatstaven levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer 1] ontstond of te verwachten was, en dat verdachte dit redelijkerwijs moest weten. Het gegeven dat [slachtoffer 1] in de hoek van de werkbak stond en zelf geen goederen aan het lossen was, doet daar – anders dan door de verdediging is betoogd – niet aan af. Zoals gezegd, brengt het werken op hoogte, in een werkbak, immers evident gevaar met zich mee. Of het gevaar zich al dan niet realiseert, doet voor die vaststelling niet ter zake.

Dood door schuld

De rechtbank stelt voorop dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of sprake is van zodanige mate van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden van het geval.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat de aangepaste werkbak is gebruikt zonder de losse randbeveiligingshekken daarop te plaatsen, terwijl die hekken er juist voor zorgen dat de extra aangebrachte vloerplaten niet kunnen inklappen wanneer daar druk op wordt uitgeoefend. Het belang van de randbeveiligingshekken is onvoldoende door verdachte kenbaar gemaakt aan haar werknemers en ook in het geven van overige instructies is zij tekort geschoten. Daar komt bij dat verdachte er niet op heeft toegezien of de hekken zijn geplaatst en of persoonlijke beschermingsmiddelen zijn gebruikt. Evenmin zijn andersoortige voorzieningen getroffen om te verhinderen dat de hoogwerker in deze onveilige toestand kan functioneren. Die omstandigheden tezamen hebben gemaakt dat het slachtoffer tussen de werkbak en de gevel naar beneden is gevallen en als gevolg daarvan is overleden.

De rechtbank overweegt dat door de verdediging is aangevoerd dat de instructies ook op een afbeelding op de werkbak stonden weergegeven en dat het ongeval heeft plaatsgevonden door nalatigheid van [slachtoffer 1] . Daarmee wordt de verantwoordelijkheid van verdachte op haar werknemers afgeschoven, terwijl – zoals hiervoor met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde ook is overwogen – de zorgplicht van verdachte als werkgever ook inhoudt dat zij haar werknemers moet beschermen tegen eigen fouten en onvoorzichtigheden.24 Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de eventuele nonchalance van een werknemer. De rechtbank overweegt voorts dat verdachte de werkbak heeft aangepast en heeft ingezet, waardoor een potentieel levensgevaarlijk arbeidsmiddel is ontstaan en is gebruikt. Dientengevolge mocht van verdachte extra alertheid worden verwacht en reikte haar zorgplicht verder dan het voorzien van haar werknemer van instructies.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de beschreven verzuimen van dien aard en omvang dat verdachte door het schenden van de betreffende veiligheidsvoorschriften de op haar rustende zorgplicht in aanmerkelijk mate heeft geschonden. Daarmee is voor de rechtbank komen vast te staan dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, en dat de dood van [slachtoffer 2] aan haar schuld is te wijten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het een en ander in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden, waardoor ook het tweede ten laste gelegde feit redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank overweegt daartoe – onder verwijzing naar het met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde beschreven juridisch kader – dat het gaat om gedragingen van personen die werkzaam waren ten behoeve van de rechtspersoon. Die gedragingen passen bovendien in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. De rechtspersoon vermocht er voorts over te beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden, maar heeft dit gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken aanvaard. Door de rechtspersoon is immers niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op voorkoming daarvan.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank maakt het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, dat het onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 8 december 2020 te Zutphen als werkgever opzettelijk handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen,

immers heeft zij, verdachte, op een locatie waar nieuwbouw (een appartementencomplex), was opgeleverd, gelegen aan de Bolwerksweg aldaar,

zijnde een arbeidsplaats,

door een werknemer [slachtoffer 1] arbeid laten verrichten en deze arbeidsplaats laten betreden, terwijl zij, verdachte,

- in strijd met artikel 5 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk heeft vastgelegd welke risico’s het werken met een hoogwerker en aangepaste werkbak voor de werknemers met zich meebracht en deze risico-inventarisatie en evaluatie bevatte tevens niet een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico's voor bijzondere categorieën van werknemers, en

- in strijd met artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor heeft gezorgd dat de werknemers doeltreffend werden ingelicht over de risico's die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden met een hoogwerker en een aangepaste werkbak en de daaraan verbonden risico's en maatregelen die erop gericht waren deze risico's te beperken of te voorkomen, en

- in strijd met artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet niet heeft toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen en beperken van de in het artikel 8, eerste lid, genoemde risico’s voor het werken met een hoogwerker en aangepaste werkbak en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, en

- in strijd met artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit, bij het doen verrichten van arbeid, te weten het werken met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met een werkbak (VHS special products type AB-35) waaraan twee extra vloerplaten waren bevestigd, waarbij het gevaar bestond om 2,5 meter of meer naar beneden te vallen, dat valgevaar niet heeft tegengegaan door het laten aanbrengen van een of meerdere doelmatige hekwerken, leuningen en andere dergelijke voorzieningen, immers was een van verdachtes werknemers bij het verrichten van arbeid in die werkbak op een hoogte van ongeveer 13 meter niet aangelijnd (met een harnasgordel) en waren op die werkbak geen (extra) leuningen (randbeveiligingshekken) aangebracht, en

- in strijd met artikel 7.4 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsmiddel, te weten een werkbak (VHS special products type AB-35), niet van een deugdelijke constructie heeft laten zijn, immers heeft zij, verdachte, in strijd met de Gebruikershandleiding Hoogwerker (merk VHS Type AB35) die werkbak aangepast door op de 2e vloerplaat extra vloerplaten aan te brengen die, indien geen leuningen op die 2e vloerplaat aanwezig waren, naar beneden konden scharnieren als daarop druk werd uitgeoefend,

terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemer [slachtoffer 1] ontstond of te verwachten was;

2.

zij op 8 december 2020 in Zutphen aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld door

- werkzaamheden te laten verrichten met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met werkbak (VHS special products type AB-35) terwijl in strijd met de Gebruikshandleiding Hoogwerker (merk VHS, Type AB35) aan de 2e vloerplaat van die werkbak een extra 3e en 4e vloerplaat waren gemonteerd, en

- werkzaamheden te laten verrichten met een hoogwerker (Manitou MRT 2150+) met aangepaste werkbak (VHS special products type AB-35) terwijl geen leuning of hekwerk was bevestigd aan of op de 2e vloerplaat, waardoor de extra aangebrachte 3e en 4e vloerplaat konden inklappen als daar druk op werd uitgeoefend, en

- aan haar werknemer [slachtoffer 1] onvoldoende instructie te geven inhoudende dat bij het verrichten van werkzaamheden in een (aangepaste) werkbak (VHS special products type AB-35) een harnasgordel gebruikt moet worden, en op de 2e vloerplaat van die (aangepaste) werkbak een hekwerk (randbeveiligingshek) moet worden aangebracht, en

- door onvoldoende toe te zien dat bij het gebruik van de hoogwerker (merk VHS, Type AB35) en de aangepaste werkbak (VHS special products type AB-35) persoonlijke beschermingsmiddelen werden gebruikt en het hekwerk (randbeveiligingshek) op de 2e vloerplaat werd bevestiging,

waardoor [slachtoffer 2] op ongeveer 13 meter hoogte, zonder te zijn aangelijnd, met die aangepaste werkbak loswerkzaamheden heeft verricht op de vierde etage van een appartementencomplex, waarbij die [slachtoffer 2] op die extra aangebrachte (4e) vloerplaat van die aangepaste werkbak is gaan staan, met als gevolg dat de 3e en 4e vloerplaat naar beneden zijn gescharnierd, waardoor die [slachtoffer 2] tussen de werkbak en de gevel van het appartement naar beneden is gevallen,

waardoor het aan haar, verdachtes, schuld te wijten is dat [slachtoffer 2] is komen te overlijden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 307 Sr en artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

feit 2

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig een door hem overgelegd schriftelijk requisitoir gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een geldboete van € 75.000,--, waarvan € 25.000,-- voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig een door hem overgelegde pleitnota verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met het gegeven dat verdachte na het ongeluk het onderwerp veiligheid nog nadrukkelijker op haar agenda heeft gezet en dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbaar handelen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting van 14 februari 2022 naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Op 8 december 2020 heeft een werknemer van verdachte met een hoogwerker met werkbak geassisteerd bij werkzaamheden die door werknemers van een ander bedrijf zijn uitgevoerd, waarbij één van die werknemers, [slachtoffer 2] , dodelijk is verongelukt. Dit ongeval is aan de schuld van verdachte te wijten. Daarnaast heeft verdachte ten aanzien van haar eigen werknemer op meerdere manieren artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet overtreden. Het aandeel van verdachte bestaat uit het aanpassen van een werkbak en het inzetten van die aangepaste werkbak, het onvoldoende geven van instructies en voorlichting over het werken met die aangepaste werkbak, en het onvoldoende toezicht houden op het naleven van de veiligheidsvoorschriften door haar werknemer.

Door het arbeidsongeval heeft het slachtoffer zijn leven verloren en zullen zijn partner en kinderen het gemis voor altijd meedragen. Uit de ter zitting van 14 februari 2022 afgelegde slachtofferverklaring blijkt hoe groot en schrijnend het verdriet voor de nabestaanden is en wat het ongeval verder voor gevolgen voor hen heeft (gehad).

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

20 januari 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde het opleggen van een forse geldboete rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de hoogte van deze geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de omvang van het bedrijf en de omzet van verdachte, alsmede acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De rechtbank overweegt dat verdachte kennelijk lering heeft getrokken uit het noodlottige ongeval en meteen maatregelen heeft getroffen, waaronder het investeren in werkbakken met een technisch veiligheidsmechanisme en het inschakelen van een externe deskundige (om het bedrijf op het gebied van veiligheid door te lichten en daarin te adviseren, en steekproefsgewijze controles uit te voeren om erop toe te zien dat werknemers de veiligheidsvoorschriften in acht nemen). De rechtbank ziet hierin aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend, acht de rechtbank passend en geboden de oplegging van een geldboete van

€ 75.000,--, waarvan € 25.000,-- voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

8 De schade van benadeelde

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich – ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde – als benadeelde partij, mede namens haar beide minderjarige kinderen, gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 60.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde schade betreft affectieschade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat [benadeelde] – partner van het slachtoffer [slachtoffer 2] – en haar twee minderjarige kinderen op grond van artikel 6:108 BW vallen binnen de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de genoemde nabestaanden als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden in de vorm van affectieschade. De omvang van de opgevoerde schadepost is niet betwist en naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank stelt vast dat het gevorderde schadebedrag overeenkomt met het bedrag dat volgens het Besluit vergoeding affectieschade in aanmerking komt voor de partner en de kinderen van het slachtoffer.

De rechtbank zal het gevorderde – te weten € 60.000,-- – daarom toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf de datum waarop het strafbare feit (2) is gepleegd.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met haar mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit (2) is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 36f, 51 en 57 Sr en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: het misdrijf: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

feit 2: het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door

een rechtspersoon;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt de verdachte tot betaling van een geldboete van € 75.000,-- (vijfenzeventigduizend euro);

- beveelt dat van deze geldboete een gedeelte van € 25.000,-- (vijfentwintigduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe tot een bedrag van

€ 60.000,-- (bestaande uit affectieschade);

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde]: van een bedrag van € 60.000,-- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2020), met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 60.000,-- (zestigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 december 2020 ten behoeve van de benadeelde partij (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.B. Cakir, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2022.

Mr. J. Wentink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit (de doorgenummerde) pagina’s uit het
dossier van onderzoek Quartianus van Inspectie SZW van 29 juni 2021. Er wordt steeds verwezen naar
bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal,
tenzij hieronder anders wordt vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 2 februari 2021, AMB-01-01, pagina 234.

3 Een deskundigenverslag, inhoudende een schouwverslag, opgesteld door [naam 2] , forensisch arts, van 8 december 2020, DOC-11-01, pagina 402.

4 Een schriftelijk bescheid, inhoudende een arbeidsovereenkomst, DOC-12-01, pagina 405.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer 1] van 8 maart 2021, pagina 119.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten RI&E van [verdacht bedrijf] B.V., DOC-13-01, pagina’s 411 t/m 446.

7 Het relaas proces-verbaal, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , van 29 juni 2021, pagina 56.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten RI&E van [verdacht bedrijf] B.V., DOC-13-01, pagina’s 441 en 442.

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 15 februari 2021, pagina 211 en Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 april 2021, pagina 227.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 22 december 2020, AMB-06-01, pagina’s 245 en 246.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 15 februari 2021, pagina 215.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 15 februari 2021, pagina 212.

13 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 28 april 2021, pagina 228.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten RI&E van [verdacht bedrijf] B.V., DOC-13-01, pagina 441.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 2 februari 2021, AMB-01-01, pagina’s 234 en 235.

16 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 9 december 2020, pagina 182 en Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [slachtoffer 1] van 8 maart 2021, pagina 164.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 2 februari 2021, AMB-01-01, pagina 235.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 22 december 2020, AMB-06-01, pagina’s 245 en 246.

19 ECLI:NL:RBOBR:2021:56.

20 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 15 februari 2021, pagina 215.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , van 22 december 2020, AMB-06-01, pagina’s 245 en 246.

22 Een schriftelijk bescheid, inhoudende Gebruikershandleiding Hoogwerker (Merk: VHS, Type: AB35), DOC-03-01, pagina’s 312 en 313.

23 ECLI:NL:HR:2003:AF7938.

24 ECLI:NL:RBOBR:2021:56.