Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2022:1131

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
26-04-2022
Zaaknummer
C/08/266362 / HA ZA 21-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor juridische kosten op grond van onrechtmatige daad wegens schending waarheidsplicht artikel 21 Rv. Aansprakelijkheid voor immateriële schade wegens faillissementsgijzeling

Gelegde beslagen zijn niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2022/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/266362 / HA ZA 21-227

Vonnis van 20 april 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser,

hierna genoemd: “[eiser]”,

advocaat: mr. R.J. de Boer,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna genoemd: “[gedaagde]”,

advocaat: mr. D.P. Kant.

1 Samenvatting

1.1.

De voorliggende zaak is een vervolg op een groot aantal eerdere procedures die partijen, voormalig echtelieden, na hun echtscheiding tegen elkaar hebben gevoerd. Bij één daarvan is in 2004 de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat [eiser] kinderalimentatie aan [gedaagde] is verschuldigd.

In deze procedure vordert [eiser] van [gedaagde] een schadevergoeding van € 532.424,88. Omdat [eiser] in Duitsland heeft gewerkt, is een aanspraak ontstaan op de uitkering door de Duitse overheid van een zogeheten Differenzbetrag (het verschil tussen de Nederlandse kinderbijslag en het hogere Duitse Kindergeld). In 2014 hebben partijen een overeenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] zich ertoe heeft verplicht om het Differenzbetrag af te dragen aan [eiser] in het eventuele geval dat zij dat zou ontvangen.

[eiser] maakt [gedaagde] met name drie verwijten:

1. [gedaagde] heeft in september 2015 een Differenzbetrag ter hoogte van € 7.534,14 ontvangen, maar zij heeft dat niet aan [eiser] gemeld en het bedrag niet aan hem afgedragen;

2. [gedaagde] heeft in 2015 verschillende beslagen laten leggen ten laste van [eiser] om achterstallige kinderalimentatie te innen en

3. In verband met het onderzoek van de curator naar het vermogen van [eiser] , heeft [gedaagde] bij de curator een verklaring afgelegd over welke goederen uit de ontbonden huwelijksgemeenschap aan [eiser] zijn toebedeeld. De curator heeft naar aanleiding van deze informatie [eiser] vijftien dagen in faillissementsgijzeling laten nemen.

1.2.

De rechtbank weegt deze drie verwijten als volgt.

1. [gedaagde] moet de juridische kosten van [eiser] vergoeden, omdat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de ontvangst van het Differenzbetrag te verzwijgen;

2. Het overgrote deel van de gestelde schade vloeit volgens [eiser] voort uit de beslagen die [gedaagde] heeft laten leggen. De rechtbank zal dit deel van de vordering afwijzen, omdat de beslagen niet onrechtmatig zijn en

3. [gedaagde] moet schadevergoeding aan [eiser] betalen wegens het verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de curator, wat onrechtmatig is tegenover [eiser] .

1.3.

Hierna (onder 5.) wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot haar beslissing is gekomen. Eerst zal de rechtbank het verloop van de procedure weergeven (onder 2.), de feiten die tussen partijen niet ter discussie staan nader uiteenzetten (onder 3.), en de vorderingen en het verweer daartegen nader omschrijven (onder 4.).

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 mei 2021 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek met productie,

  • -

    de akte uitlating productie van [eiser] met roldatum van 10 november 2021,

  • -

    de akte overlegging producties van [eiser] , ter griffie ontvangen op 24 februari 2022,

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 maart 2022,

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiser] .

3 De vaststaande feiten

3.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn in 1989 gehuwd. Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren, die inmiddels allen meerderjarig zijn. Bij beschikking van 18 februari 2004 is het huwelijk ontbonden. In die beschikking is bepaald dat [eiser] maandelijks kinderalimentatie aan [gedaagde] is verschuldigd van € 486,00 per kind.

3.2.

Omdat [eiser] in Duitsland heeft gewerkt, is een aanspraak ontstaan op uitkering van een zogeheten Differenzbetrag door de Duitse instantie Familienkasse. Het Differenz-betrag vormt een aanvulling op de in Nederland ontvangen kinderbijslag tot de hoogte van het Duitse Kindergeld. Op 6 augustus 2014 hebben partijen hierover een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarvan artikel 2 het volgende bepaalt:

“Mocht(en) de Duitse instantie(s) overgaan tot het rechtstreeks uitkeren van het Differenzbetrag dan wel toekomstige Differenzbeträge aan de moeder, dan verplicht de moeder zich dit bedrag dan wel deze bedragen telkens onverwijld en zonder gebruik te maken van een voorbehoud binnen twee werkdagen aan de vader uit te betalen dan wel over te maken. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat er ter compensatie van het tijdvak vanaf mei 2010 een behoorlijk bedrag ineens uitgekeerd gaat worden en daarna de/een maandelijkse verrekening plaats zal vinden”. 1

3.3.

[gedaagde] heeft in september 2015 een Differenzbetrag ter hoogte van € 7.534,14 ontvangen. [gedaagde] heeft daarvan geen mededeling aan [eiser] gedaan en het bedrag niet aan hem afgedragen.

3.4.

Er zijn achterstanden ontstaan bij de betaling van de kinderalimentatie door [eiser] . Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Alkmaar van 3 november 2015 is [eiser] veroordeeld om achterstallige kinderalimentatie aan [gedaagde] te voldoen. Ook is het daarbij aan [eiser] verboden om de kinderalimentatie te verrekenen met vorderingen die hij heeft op [gedaagde] .

3.5.

[gedaagde] heeft in 2015 ter inning van achterstallige kinderalimentatie, ten laste van [eiser] (derden)beslagen gelegd op een hem toekomende arbeidsongeschiktheidsuitkering en op door hem aangehouden bankrekeningen. Daarnaast heeft één van de kinderen van partijen, genaamd [A] , in 2015 beslag gelegd op de aandelen die [eiser] hield in [X] B.V. (hierna: “ [X] B.V.”), waarvan [eiser] ook bestuurder was. [X] B.V. is op 16 februari 2016 gefailleerd.

3.6.

[eiser] heeft in kort geding gevorderd om de door [gedaagde] gelegde beslagen op te heffen. De voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel heeft de vordering bij vonnis van 4 december 2015 afgewezen.

3.7.

De door [eiser] verschuldigde kinderalimentatie is op zijn verzoek verlaagd bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 mei 2016. Bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 25 april 2017 is [gedaagde] veroordeeld om aan [eiser] € 1.399,70 aan teveel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen.

3.8.

[eiser] is een procedure tegen [gedaagde] begonnen waarin hij onder meer vorderde om, kort gezegd, [gedaagde] te veroordelen om inzage te bieden in stukken waaruit kon blijken of zij een Differenzbetrag had ontvangen. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en ontkend dat een Differenzbetrag aan haar was uitgekeerd. De rechtbank Overijssel heeft de vordering bij vonnis van 14 juni 2017 afgewezen. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In hoger beroep is het vonnis bekrachtigd.

3.9.

In eerste instantie weigerde de Familienkasse vanuit privacyoverwegingen om [eiser] te informeren over de vraag of [gedaagde] een Differenzbetrag had ontvangen. [eiser] is uiteindelijk hierover toch door de Familienkasse ingelicht.

[eiser] heeft [gedaagde] in een procedure betrokken waarin hij onder meer betaling vorderde van het aan haar uitgekeerde Differenzbetrag van € 7.534,14. Hoewel [gedaagde] in eerste instantie (opnieuw) ontkende een Differenzbetrag te hebben ontvangen, heeft zij de ontvangst van het aan haar uitgekeerde bedrag alsnog erkend tijdens de mondelinge behandeling in juli 2019. De rechtbank Overijssel heeft de vordering bij vonnis van 13 augustus 2019 toegewezen.

De toegewezen vordering is geïnd door de curator in het privéfaillissement van [eiser] (zie hierna).

3.10.

[eiser] is op 10 januari 2018 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. A.C. Blankestijn tot curator. Inmiddels is het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten. De curator heeft onderzoek gedaan naar het tot de boedel behorende vermogen van [eiser] . [gedaagde] heeft hierover op 22 maart 2018 een verklaring bij de curator afgelegd, waarbij zij een lijst aan de curator heeft overhandigd.

De verklaring is door de curator op schrift gesteld en vervolgens door [gedaagde] ondertekend. De verklaring heeft onder meer de volgende inhoud:

“In de loop van 2004 zijn wij feitelijk uit elkaar gegaan. Failliet heeft toen een lijst opgesteld met betrekking tot de verdeling van een flink aantal waardevolle (inboedel) goederen. Ik heb met de verdeling zoals die op de lijst staat ingestemd. Een afschrift van deze lijst wordt gehecht aan deze verklaring inclusief een foto overzicht van veel van deze goederen. Op deze lijst heeft failliet ook de waardes genoteerd van deze goederen (de destijds ingeschatte waardes). (…)

Belangrijk onderdeel van deze lijst betrof de verdeling van de verzameling schilderijen en het overige waardevolle antiek (…).

Destijds zijn o.m. de volgende waardevolle zaken aan failliet toebedeeld (zie ook de lijst):

  • -

    Schilderijen: 6 x Corneille, 4 x Te Wierik, 3 x Flint, 1 x Etienne, 6 x Molenveld, 1 x vd Burg, 4 x A.C. van Noort, 1 x Heyboer

  • -

    Overige waardevol antiek: (…)

Nadat de echtscheiding en bijbehorende boedelscheiding rond was is de verdeling geschiedt, zoals ook staat vermeld op de lijst. (…)

In de loop der jaren ben ik vervolgens diverse keren bij failliet thuis geweest (…). De hele benedenverdieping van het huis hing altijd helemaal vol met schilderijen waaronder de schilderijen die aan failliet destijds bij de verdeling waren toebedeeld. (…) Ook stond de rest van het aan failliet toebedeelde antiek in de woning. (…)

De laatste keer dat ik heb gezien dat het huis nog vol hing met de hiervoor genoemde schilderijen was medio november 2017. (…) Ik kon goed zien dat er heel veel van de schilderijen zoals vermeld hingen. (…)”

3.11.

De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] waardevolle zaken verborgen hield die tot zijn vermogen behoorden. [eiser] heeft vervolgens vijftien dagen in faillissementsgijzeling gezeten als bedoeld in artikel 87 Faillissementswet.

4 De vordering en het verweer

De vordering van [eiser]

4.1.

vordert (verkort weergegeven) dat [gedaagde] wordt veroordeeld om hem een bedrag van € 533.999,88 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag.

[gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover hem gehandeld door de ontvangst van het Differenzbetrag te verzwijgen en door de beslagen te leggen. [eiser] heeft hierdoor schade geleden ten bedrage van € 532.424,88, bestaande uit de volgende onderdelen: (1) de bank heeft zijn woning openbaar verkocht omdat hij vanwege de beslagen niet kon voldoen aan zijn hypothecaire verplichtingen, met een restschuld van € 192.047,80 tot gevolg; (2) hij kan een vordering op [X] B.V. ten bedrage van € 234.416,87 niet meer innen doordat de vennootschap als gevolg van de beslagen is gefailleerd; (3) hij is als borg aangesproken voor een bedrag van € 81.466,76 op grond van een aan [X] B.V. verstrekte lening; en (4) hij heeft advocaatkosten en deurwaarderskosten moeten maken van in totaal € 24.493,45.

Daarnaast heeft [gedaagde] onrechtmatig tegenover hem gehandeld door een valse verklaring bij de curator af te leggen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als gevolg waarvan hij ten onrechte vijftien dagen in gijzeling heeft gezeten.

[gedaagde] is hem daarvoor een schadevergoeding van € 1.575,00 verschuldigd.

Het verweer van [gedaagde]

4.3.

[gedaagde] concludeert dat de vordering moet worden afgewezen. Zij betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor de gestelde schade heeft geleden.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank zal ten eerste beoordelen of [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door de ontvangst van het Differenzbetrag te verzwijgen. Vervolgens zal worden beoordeeld of de beslagen die [gedaagde] heeft laten leggen onrechtmatig zijn. Daarna zal worden besproken of [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld wegens de verklaring die zij bij de curator heeft afgelegd. Tot slot zal de rechtbank beoordelen in hoeverre [gedaagde] aansprakelijk is voor de verschillende schadeposten die [eiser] heeft aangevoerd.

De ontkenning door [gedaagde] van de ontvangst van het Differenzbetrag is onrechtmatig

5.2.

Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de eventuele ontvangst van een Differenz-betrag binnen twee werkdagen zou afdragen aan [eiser] . Maar hoewel in september 2015 een Differenzbetrag van € 7.534,14 aan [gedaagde] is uitgekeerd, heeft zij die uitkering jarenlang verzwegen. Pas in juli 2019 heeft [gedaagde] de ontvangst van het Differenzbetrag alsnog erkend, nadat die al aan het licht was gekomen door informatie die [eiser] had achterhaald via de Familienkasse. [gedaagde] heeft de ontvangst van het Differenzbetrag zelfs nadrukkelijk ontkend in meerdere procedures waarin de vraag of zij een Differenzbetrag had ontvangen centraal stond (namelijk de procedures die hiervoor zijn genoemd in de overwegingen 3.9 en 3.10). Daarmee heeft [gedaagde] in ernstige mate in strijd gehandeld met de wettelijke plicht uit artikel 21 Rv, inhoudende dat partijen in een procedure de feiten die voor de beslissing van de rechter van belang zijn volledig en naar waarheid moeten aanvoeren. Zodoende heeft [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld.

De door [gedaagde] gelegde beslagen zijn niet onrechtmatig

5.3.

De rechtbank oordeelt dat daarentegen niet is komen vast te staan dat de beslagen die [gedaagde] heeft laten leggen onrechtmatig zijn. Dat oordeel wordt als volgt gemotiveerd.

5.3.1.

De beslagen zijn namens [gedaagde] gelegd voor haar vordering op [eiser] tot betaling van achterstallige kinderalimentatie. [eiser] heeft het bestaan van deze vordering niet bestreden. Daaruit volgt dat [gedaagde] in beginsel bevoegd was beslagen te leggen ter inning van haar vordering. Het is aan [eiser] om omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de door [gedaagde] gelegde beslagen toch onrechtmatig zijn (artikel 150 Rv).

5.3.2.

[eiser] voert aan dat zijn vordering op [gedaagde] tot afdracht van het Differenzbetrag hoger was dan de achterstallige kinderalimentatie. De rechtbank overweegt dat [eiser] daarbij kennelijk veronderstelt dat hij bevoegd was om de kinderalimentatie te verrekenen met zijn tegenvordering, al beroept hij zich niet met zoveel woorden op verrekening. In het algemeen wordt verrekening van/met een kinderalimentatieschuld echter onaanvaardbaar geacht, omdat dit ten koste dreigt te gaan van het levensonderhoud van de kinderen.

In dit geval is bij vonnis van 3 november 2015 zelfs expliciet een verbod aan [eiser] opgelegd om de kinderalimentatie te verrekenen.2[eiser] was dus gehouden om de verschuldigde kinderalimentatie aan [gedaagde] te voldoen, ondanks zijn tegenvordering op [gedaagde] tot afdracht van het Differenzbetrag.

[eiser] heeft nog geopperd dat als [gedaagde] de ontvangst van het Differenzbetrag aan hem zou hebben gemeld, zij hadden kunnen afspreken dat hij de kinderalimentatie wél mocht verrekenen met zijn vordering tot afdracht van het Differenzbetrag. De rechtbank gaat daaraan voorbij. Het ligt namelijk bepaald niet voor de hand dat [eiser] [gedaagde] bereid had kunnen vinden om die verrekening vrijwillig toe te staan, gelet op het verrekeningsverbod dat op haar verzoek aan [eiser] is opgelegd.

5.3.3.

Verder betoogt [eiser] dat het verschuldigde bedrag aan kinderalimentatie zou zijn verlaagd als [gedaagde] de ontvangst van het Differenzbetrag niet zou hebben verzwegen. De rechtbank neemt aan dat [eiser] bedoelt dat het alimentatiebedrag in dat geval meer of eerder zou zijn verlaagd dan bij de beschikking van 12 mei 2016.3

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [eiser] niet kan leiden tot de conclusie dat de door [gedaagde] gelegde beslagen onrechtmatig zijn. Gesteld noch gebleken is namelijk dat een (nadere) vermindering van de verschuldigde kinderalimentatie zou hebben voorkomen dat een betalingsachterstand ontstond. Daar komt bij dat de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet volgt waarom de uitkering van het Differenzbetrag aan [gedaagde] had moeten leiden tot vermindering van de verschuldigde kinderalimentatie. Daarbij moet worden bedacht dat [gedaagde] gehouden was om het Differenzbetrag aan [eiser] af te dragen, zodat dit bedrag hoe dan ook niet in aanmerking kon worden genomen bij de bepaling van haar draagkracht.

5.3.4.

Tot slot bepleit [eiser] het standpunt dat [gedaagde] de beslagen heeft gehandhaafd terwijl geen betalingsachterstand meer bestond.

De rechtbank gaat daaraan voorbij. [eiser] heeft ten eerste onvoldoende toegelicht vanaf wanneer volgens hem geen sprake meer was van een betalingsachterstand. Hij wijst er weliswaar op dat de kinderalimentatie op 12 mei 2016 is herzien, maar hieruit kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet zonder meer worden afgeleid dat vanaf dat moment geen betalingsachterstand meer resteerde. Verder heeft hij onvoldoende duidelijk gemaakt tot wanneer [gedaagde] de beslagen volgens hem onnodig heeft gehandhaafd. Tot slot heeft [eiser] niet inzichtelijk gemaakt welke schade hij wegens de beslagen heeft geleden gedurende de periode waarin deze al opgeheven hadden moeten zijn.

5.3.5.

Daar komt bij dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat het beslag op zijn aandelen in [X] B.V. niet is gelegd door [gedaagde] , maar (alleen) door zoon [A] . Dit beslag kan dan ook geen onrechtmatig handelen van [gedaagde] opleveren.

De verklaring van [gedaagde] bij de curator is onrechtmatig

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld vanwege de verklaring die zij bij de curator heeft afgelegd. Dat oordeel steunt op de volgende overwegingen.

5.4.1.

[eiser] betoogt dat [gedaagde] onjuiste inlichtingen aan de curator heeft verstrekt over de verdeling van het huwelijksvermogen. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] de schriftelijke verklaring van [gedaagde] ingebracht,4 waaraan een lijst is gehecht die [gedaagde] volgens [eiser] aan de curator heeft overhandigd toen zij haar verklaring aflegde. De lijst bevat een opsomming van zaken die tot de huwelijksgemeenschap behoorden, met name schilderijen, waarbij per zaak is vermeld of [eiser] die overneemt. [eiser] voert aan dat [gedaagde] in haar verklaring doet voorkomen alsof het huwelijksvermogen volgens deze lijst is verdeeld, terwijl deze lijst niet daadwerkelijk is gevolgd en dus een verkeerd beeld geeft van de werkelijke verdeling.

[gedaagde] heeft daartegenover wisselende en tegenstrijdige standpunten ingenomen. In eerste instantie heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de schriftelijke verklaring geen feitelijke onjuistheden bevat, waarbij zij opmerkte dat de curator haar verklaring op juiste wijze op schrift heeft gesteld.5 Echter, naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft [gedaagde] in tweede instantie ter zitting erkend dat zij de door [eiser] overgelegde lijst aan de curator heeft overhandigd, terwijl die lijst niet daadwerkelijk is gevolgd bij de verdeling. [gedaagde] voegde daaraan toe dat ze aan de curator heeft meegedeeld dat de verdeling niet volgens die lijst heeft plaatsgevonden, maar dat de curator haar verklaring niet goed op papier heeft gezet.

5.4.2.

De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat [gedaagde] in strijd met de waarheid bij de curator heeft verklaard dat bepaalde waardevolle zaken uit de ontbonden huwelijksgemeenschap aan [eiser] zijn toebedeeld. [gedaagde] heeft erkend dat de lijst die zij aan de curator heeft overhandigd geen juist beeld geeft van de verdeling. Daaruit volgt dat haar verklaring bij de curator onjuist is, want daarin stelt zij juist herhaaldelijk dat het huwelijksvermogen wél volgens die lijst is verdeeld. Ook de verklaring zelf bevat een opsomming van zaken die aan [eiser] zouden zijn toebedeeld, welke opsomming overeenkomt met de lijst. De rechtbank passeert het (in tweede instantie) door [gedaagde] ingenomen standpunt dat de curator haar verklaring onjuist op papier heeft gezet, aangezien zij de schriftelijke weergave van haar verklaring heeft ondertekend. Bovendien stelde [gedaagde] als gezegd in eerste instantie juist dat haar verklaring correct op papier is gezet.

5.4.3.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde] moet hebben beseft dat haar verklaring onjuist is. Dat blijkt mede uit haar erkenning bij de mondelinge behandeling van deze zaak dat een aantal van de schilderijen die volgens haar verklaring aan [eiser] zijn toebedeeld, door haarzelf te koop zijn aangeboden (via Marktplaats.nl onder een pseudoniem). [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat zij zich heeft vergist bij het afleggen van haar verklaring.

5.4.4.

[gedaagde] heeft niet concreet bestreden dat de curator de door haar verstrekte inlichtingen voor waar heeft aangenomen, en die inlichtingen op zijn minst een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de overtuiging van de curator dat [eiser] vermogen achterhield dat tot de boedel behoorde. Dat belang aan de lijst werd toegekend door de curator, en in diens verlengde de rechter-commissaris, blijkt ook uit het feit dat [eiser] door de rechter-commissaris is gehoord over onder meer deze lijst.

[eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat de overtuiging van de curator dat [eiser] vermogen achterhield, er uiteindelijk toe heeft geleid dat [eiser] vijftien dagen in faillissementsgijzeling heeft gezeten.

5.4.5.

[gedaagde] moet zich redelijkerwijs hebben gerealiseerd dat de door haar bij de curator gewekte indruk dat [eiser] vermogen achterhield, er mogelijk toe zou kunnen leiden dat de curator ingrijpende maatregelen tegen [eiser] zou treffen. Blijkens de schriftelijke verklaring heeft de curator aan [gedaagde] toegelicht dat haar verklaring tot doel had om inzicht te verkrijgen in de vermogensbestanddelen van [eiser] . En uit het feit dat de curator haar verklaring op schrift heeft gesteld en door haar heeft laten ondertekenen, heeft zij moeten begrijpen dat de curator daaraan aanzienlijk gewicht toekende.

5.4.6.

Gezien het voorgaande heeft [gedaagde] maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW door de curator onjuist voor te lichten over het aan [eiser] toebedeelde vermogen. Dat geldt temeer omdat [gedaagde] geen enkel redelijk belang had bij de verstrekking van de onjuiste informatie.

Beoordeling van de vorderingen

Algemeen

5.5.

Uit artikel 6:162 lid 1 BW volgt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van haar onrechtmatige handelen, als dat onrechtmatige handelen aan haar kan worden toegerekend.

5.6.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] niet gesteld dat sprake is van toerekenbaarheid, wat volgens haar aan toewijzing van zijn vordering in de weg staat.6De rechtbank overweegt dat [gedaagde] daardoor echter miskent dat in de aard van haar onrechtmatige gedragingen, namelijk het bewust verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de rechter in eerdere procedures en aan de curator, voorshands al ligt besloten dat die gedragingen aan haar toerekenbaar zijn op grond van schuld. Als er volgens [gedaagde] reden is om haar onrechtmatige handelen toch niet aan haar toe te rekenen, dan lag het op háár weg om dat (voldoende gemotiveerd) aan de orde te stellen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, zodat vast is komen te staan dat het onrechtmatige handelen van [gedaagde] aan haar kan worden toegerekend.

5.7.

Ook wat betreft het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 6:163 BW, dat [gedaagde] eveneens enkel in zijn algemeenheid aanhaalt,7 geldt dat het aan haar was om (gemotiveerd) te bestrijden dat daaraan is voldaan. Nu [gedaagde] dat niet heeft gedaan, kan dit vereiste niet aan haar aansprakelijkheid in de weg staan.

5.8.

De rechtbank zal hieronder per onderdeel van de door [eiser] gestelde schade beoordelen of [gedaagde] tot vergoeding daarvan is gehouden.

Juridische kosten

5.9.

[eiser] vordert vergoeding van advocaat- en deurwaarderskosten ten bedrage van € 24.493,45.

5.10.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de ontvangst van het Differenzbetrag ten onrechte te ontkennen, maar dat de door haar gelegde beslagen niet onrechtmatig zijn.8 Daaruit volgt dat [gedaagde] alleen aansprakelijk is voor kosten die [eiser] niet zou hebben gemaakt als zij de uitkering van het Differenzbetrag wel direct zou hebben gemeld. Voor zover de kosten van [eiser] zijn veroorzaakt door de gelegde beslagen is [gedaagde] niet aansprakelijk.

5.11.

Gezien het voorgaande is [gedaagde] aansprakelijk voor de kosten van [eiser] in verband met de procedure die [eiser] in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gevoerd om, kort gezegd, te achterhalen of [gedaagde] een Differenzbetrag had ontvangen.9 Deze kosten zou [eiser] immers niet hebben gemaakt als [gedaagde] niet zou hebben verzwegen dat het Differenzbetrag aan haar was uitgekeerd.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn juridische kosten een overzicht ingebracht van aan hem gedeclareerde kosten,10 maar hij heeft dat overzicht niet concreet toegelicht en de bewuste declaraties zelf niet overgelegd. De enige vermelde kosten die de rechtbank kan herleiden tot de voornoemde procedure zijn de twee door [eiser] betaalde eigen bijdrages van € 143,00. De rechtbank zal dus een vergoeding van € 286,00 toewijzen.

5.12.

Voor het overige komen de door [eiser] aangevoerde juridische kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

In de procedure waarin de vordering van [eiser] tot betaling van het Differenzbetrag is toegewezen,11 is [gedaagde] reeds veroordeeld om de proceskosten van [eiser] te vergoeden. [eiser] heeft niet gesteld dat hij voor deze procedure nadere kosten heeft gemaakt die aanvullend voor vergoeding in aanmerking komen.

De kosten die [eiser] heeft gemaakt voor de procedures tot opheffing van de beslagen en verlaging van de kinderalimentatie, zijn niet veroorzaakt doordat [gedaagde] de ontvangst van het Differenzbetrag heeft verzwegen.

Schade vanwege de beslagen

5.13.

De vorderingen van [eiser] tot vergoeding van schade die, naar hij stelt, voortvloeit uit de executieverkoop van zijn woning en het faillissement van [X] B.V., zijn gegrond op zijn stelling dat de door [gedaagde] gelegde beslagen onrechtmatig zijn. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslagen niet onrechtmatig zijn, zullen deze vorderingen worden afgewezen.

Schade wegens de faillissementsgijzeling

5.14.

[eiser] vordert een schadevergoeding van € 1.575,00 voor de vijftien dagen die hij in faillissementsgijzeling heeft verkeerd. De rechtbank gaat er vanuit dat de vordering strekt tot vergoeding van immateriële schade, nu het gevorderde bedrag gelet op de toelichting van [eiser] niet bestaat uit vermogensschade.

5.15.

De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door de inlichtingen die zij in strijd met de waarheid aan de curator heeft verstrekt, en dat [gedaagde] daardoor een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de beslissing om [eiser] in faillissementsgijzeling te nemen.12 Daaruit volgt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor schade die [eiser] wegens de faillissementsgijzeling heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] recht heeft op vergoeding van immateriële schade, omdat de vrijheidsontneming die inherent is aan de faillissementsgijzeling kan worden aangemerkt als persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Bij de begroting van de billijke vergoeding waarop [eiser] recht heeft, zoekt de rechtbank conform het betoog van [eiser] aansluiting bij het normbedrag van € 105,00 per dag van onterecht ondergane vrijheidsbeneming dat is afgesproken door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.

De door [eiser] gevorderde schadevergoeding van € 1.575,00 zal dus worden toegewezen.

Conclusie

5.16.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in totaal een hoofdsom van € 1.861,00 zal toewijzen (€ 286,00 + € 1.575,00).

Wettelijke rente

5.17.

[eiser] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 1 december 2020. [gedaagde] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen. Uit artikel 6:83 sub c BW volgt dat [gedaagde] van rechtswege in verzuim is geraakt doordat zij niet direct aan haar verplichting tot schadevergoeding heeft voldaan. Haar schadevergoedingsplicht is vóór 1 december 2020 ontstaan, namelijk toen [eiser] de betreffende schade leed; de schade bestaat uit het betalen van de voornoemde eigen bijdragen en uit zijn vrijheidsbeneming wegens de faillissementsgijzeling.

Proceskostenveroordeling

5.18.

Hoewel het overgrote deel van de vorderingen van [eiser] wordt afgewezen, is het [gedaagde] die in de kosten van deze procedure zal worden veroordeeld. De rechtbank overweegt daartoe dat voor zover de vordering van [eiser] tot vergoeding van juridische kosten zal worden toegewezen, de reden daarvoor is dat [gedaagde] in eerdere procedures de waarheidsplicht van artikel 21 Rv in ernstige mate heeft geschonden. Ook in deze zaak heeft [gedaagde] , wat betreft de verklaring die zij bij de curator heeft afgelegd, onware stellingen ingenomen waarop zij pas naar aanleiding van vragen van de rechtbank is teruggekomen. De rechtbank rekent het [gedaagde] zwaar aan dat zij de relevante feiten bij herhaling onjuist aan de betrokken rechters heeft gepresenteerd. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

  • -

    € 106,00 aan betekeningskosten,

  • -

    € 85,00 aan griffierecht,

  • -

    € 1.434,00 aan salaris gemachtigde (tarief I, 3 punten),13

in totaal € 1.625,00.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 1.861,00 te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 december 2020 tot aan de dag volledige betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 1.625,00;

6.3.

verklaart onderdeel 6.1 en 6.2 van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis, mr. T.M. Blankestijn en mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2022. (HJB)

1 Met ‘de moeder’ is [gedaagde] bedoeld, en met ‘de vader’ is [eiser] bedoeld.

2 Zie de voorgaande overweging 3.4

3 Zie de voorgaande overweging 3.7.

4 Zie de voorgaande overweging 3.10

5 Zie onder andere randnummer 3.16 van de conclusie van antwoord.

6 Bij de randnummers 4.2 en 4.3 in de conclusie van antwoord.

7 Idem.

8 Zie de voorgaande overwegingen 5.2 en 5.3.

9 welke procedure hiervoor is omschreven in overweging 3.8

10 Productie 7 bij dagvaarding.

11 Zie de voorgaande overweging 3.9.

12 Zie de voorgaande overweging 5.4.

13 3 punten voor de dagvaarding, de conclusie van repliek en de mondelinge behandeling. Voor de overige akten worden wegens hun aard en beperkte omvang geen punten toegekend.