Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:970

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
AK_19 _ 1196
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel heeft geoordeeld dat de gemeente Borne terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor het vergroten van een erfverharding bij een varkenshouderij in Zenderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1196

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers 1] en [eisers 2] , wonende te [woonplaats 1] , eisers,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen: belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de uitloop/erfverharding op het perceel [adres 1] in Zenderen.

Bij besluit van 14 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, samen met het beroep met zaaknummer AWB 19/1195, op 21 januari 2021

ter zitting behandeld. Namens eisers is verschenen hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.T.T. Taken en mr. J. Keizer. Belanghebbende heeft via een beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak.

Overwegingen

1.1.

Belanghebbende is eigenaar van het perceel [adres 1] in Zenderen (hierna te noemen: [adres 1] ). Bij besluit van 24 januari 2018 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM) verleend voor het op biologische wijze houden van 500 vleesvarkens op [adres 1] . Bij besluit van 11 juli 2018 heeft verweerder het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 oktober 2019 heeft de rechtbank het hiertegen door eisers ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaaknummer AWB 18/1550). Tegen deze uitspraak hebben eisers hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020: 2625, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit hoger beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Eisers zijn eigenaren en bewoners van het perceel [adres 2] in Zenderen.

Zij houden op dat perceel paarden.

1.3.

Bij besluit van 16 mei 2018 heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van betonpuin en een betonverharding op [adres 1] , aan de west- en noordzijde van de varkensstal op dit perceel. Deze erfverharding dient voor de uitloop van de varkens.

1.4.

Tegen het besluit van 16 mei 2018 heeft [eisers 1] (hierna: eiser) bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 juli 2019 heeft de rechtbank het hiertegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaaknummer AWB 18/2246). Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld. Op dit hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan.

1.5.

Op 31 augustus 2018 heeft belanghebbende bij verweerder een omgevingsvergunning aangevraagd als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het uitbreiden van de bestaande uitloop/erfverharding op [adres 1] . Naar aanleiding hiervan heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Bij besluit van 14 mei 2019 heeft verweerder aan belanghebbende een tweede OBM verleend. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken verklaard dat deze OBM is verleend voor het uitbreiden van zijn varkenshouderij met 75 zeugen en dat met deze vergunning ook toestemming is verleend voor het houden van varkens op de vergrote uitloop, zoals die in het primaire besluit is vergund.

Eiser heeft ook bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 mei 2019. Bij besluit van

27 augustus 2019 heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingediend. Bij uitspraak van 25 mei 2020 heeft de rechtbank het hiertegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard (zaaknummer AWB 19/1849).

3. [adres 1] heeft volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Borne’ de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen’.

Artikel 3.7, aanhef en onder 3.7.3, van de bestemmingsplanregels bepaalt dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - hoogteverschillen’ af te graven, op te hogen of te egaliseren.

Artikel 3.7.8 van de bestemmingsplanregels bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden slechts kan worden verleend indien door het uitvoeren van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de specifieke gebiedskenmerken en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

Artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is.

4. Verweerder heeft geconcludeerd dat de gevraagde omgevingsvergunning voor het vergroten van de bestaande uitloop/erfverharding kan worden verleend, omdat de met deze uitbreiding gepaard gaande ophoging van [adres 1] geen onevenredige afbreuk doet aan de specifieke gebiedskenmerken. Hieraan heeft verweerder onder andere ten grondslag gelegd dat de aangevraagde activiteit ziet op een zeer geringe plaatselijke aanpassing van de hoogte, op een locatie waar geen directe bijzondere kwetsbaarheid van hoogteverschil in het gebied waarneembaar is.

5.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat eisers ter zitting hebben aangevoerd dat de stukken die verweerder op 18 januari 2021 in de onderhavige zaak bij de rechtbank heeft ingediend buiten beschouwing moeten worden gelaten.

5.2.

De rechtbank had verweerder echter gevraagd om, ter completering van het dossier, het verweerschrift op te sturen waarover in het advies van de Commissie advisering bezwaarschriften van de gemeente Borne van 29 april 2019 wordt gesproken. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de desbetreffende stukken opgestuurd. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder niet het verweerschrift (en de daarbij behorende bijlagen) heeft ingediend dat betrekking heeft op het bezwaar tegen het primaire besluit in de onderhavige zaak, maar op het bezwaar tegen de op 16 mei 2018 verleende omgevingsvergunning.

De stukken die verweerder op 18 januari 2021 bij de rechtbank heeft ingediend hebben derhalve geen betrekking op de onderhavige procedure. De rechtbank laat die stukken daarom verder buiten beschouwing.

6. Daarnaast hebben eisers ter zitting aangevoerd dat de besluitvorming van verweerder in strijd is met het Verdrag van Aarhus en dat zij feitelijk geen toegang tot de bestuursrechter hebben. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Eisers hebben bezwaar kunnen maken tegen het primaire besluit en zijn in de bezwaarfase ook in de gelegenheid gesteld om daarover te worden gehoord door de Commissie advisering bezwaarschriften van de gemeente Borne. Eiser heeft, mede namens [eisers 2] , van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep kunnen instellen, dat nu inhoudelijk door deze rechtbank wordt beoordeeld. Dat de inhoudelijke argumenten van eisers in beroep mogelijk geen doel treffen, betekent niet dat daarmee de toegang tot de rechter is beperkt.

De rechtbank ziet dan ook niet in waarom eisers geen toegang tot de bestuursrechter zouden hebben. Daarnaast acht de rechtbank het niet in strijd met het Verdrag van Aarhus dat voorafgaande aan het primaire besluit geen inspraakprocedure, maar een bezwaarschriftprocedure heeft plaatsgevonden. Eisers hebben ook niet onderbouwd waarom een inspraakprocedure gevolgd had moeten worden in plaats van de gevolgde bezwaarschriftprocedure.

7. De rechtbank stelt vast dat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd tegen verweerders conclusie dat de met de uitbreiding van de uitloop/erfverharding gepaard gaande ophoging van [adres 1] geen onevenredige afbreuk doet aan de specifieke gebiedskenmerken. Er bestaat daarom geen reden om te oordelen dat deze conclusie onjuist is.

8.1.

Eisers hebben aangevoerd dat hun woning ten onrechte niet is aangemerkt als een geurgevoelig object en dat nu ten onrechte vergunning is verleend voor het vergroten van de uitloop voor varkens die op minder dan 50 meter van hun woning aanwezig zijn en daar luchtvervuiling en stank veroorzaken. Volgens eisers moet een minimale afstand van 50 meter worden aangehouden, omdat anders hun woon- en leefklimaat te veel wordt aangetast door de toename van stank, fijnstof en stikstofuitstoot.

8.2.

Deze milieuaspecten spelen echter geen rol bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het vergroten van de bestaande uitloop/erfverharding. Gelet op het toetsingskader zoals dat is neergelegd in de artikelen 2.11 van de Wabo en 3.7.8 van de bestemmingsplanregels is voor de vraag of de omgevingsvergunning voor het vergroten van de erfverharding kon worden verleend alleen bepalend of hierdoor onevenredige afbreuk aan de specifieke gebiedskenmerken wordt gedaan. De door eisers genoemde milieuaspecten zijn onderdeel van het toetsingskader voor de beoordeling van de niet onlosmakelijk verbonden besluitvorming over de OBM, laatstelijk bij besluit van 14 mei 2019.

9.1.

Eisers hebben in deze zaak verder gewezen op de Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. Volgens eisers volgt uit deze richtlijn dat, ondanks dat hun woning in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Borne’ is aangewezen als plattelandswoning, dit wel een te beschermen woning is en een beoordeling van de luchtkwaliteit had moeten plaatsvinden.

9.2.

Ook voor deze beroepsgrond geldt echter dat dit geen onderdeel is van het toetsingskader voor de aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de bestaande uitloop/erfverharding. De beoordeling van de luchtkwaliteit is aan de orde gekomen bij de verlening van de (tweede) OBM, zoals verleend bij besluit van 14 mei 2019.

10. Hetzelfde geldt voor de stelling van eisers dat verweerder de behandeling van de aanvraag van 31 augustus 2018 had moeten aanhouden, omdat geen passende beoordeling is gemaakt als bedoeld in artikel 6 van de Habitatrichtlijn. De onderhavige zaak gaat alleen over het uitbreiden van de uitloop/erfverharding op [adres 1] , niet over het houden van varkens op die uitloop. De tweede OBM zoals verleend op 14 mei 2019 ziet op het houden van varkens. De rechtbank ziet niet in waarom voor het uitbreiden van de erfverharding een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming of artikel 6 van de Habitatrichtlijn had moeten worden gemaakt. Eisers hebben dit ook niet onderbouwd.

11. Wat eisers in beroep hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en

mr. drs. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier, op

De beslissing wordt op de eerstvolgende donderdag na deze datum openbaar uitgesproken

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.