Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:923

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
ak_20 _ 1665 en ak_20_1666
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling projectplan droogzetvoorziening stuw Junne; Stichting Omgevingsrecht geen belanghebbende in zin van de Awb; beroep overigens ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 20/1665 en 20/1666

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats 1] , [eiser 3] wonende te [woonplaats 2] en Stichting Leefbaar Buitengebied, gevestigd te Geerdijk, en Stichting Omgevingsrecht gevestigd te Almelo, eisers ,

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2020, bekendgemaakt in het Waterschapsblad van 9 juli 2020, heeft verweerder het projectplan droogzetvoorziening stuw Junne vastgesteld.

Eisers hebben bij separate, gelijkluidende beroepschriften tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers 20/1665 (beroep van [eiser 1] en Stichting Leefbaar Buitengebied) en 20/1666 (beroep van [eiser 3] , [eiser 2] en Stichting Omgevingsrecht).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 november 2020 hebben eisers gereageerd op het verweerschrift.

De zaken zijn gelijktijdig ter zitting behandeld op 3 december 2020.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn verschenen [eiser 3] en [eiser 2] . Namens verweerder zijn verschenen M. Guijs, ing. H. Schipper en ing. R.B.G. Stroot.

Overwegingen

Achtergrond

1. Bij besluit van 7 juli 2020 heeft verweerder het projectplan droogzetvoorziening stuw Junne vastgesteld.

In het projectplan staat dat de stuw 100 jaar geleden is gebouwd en uit een metselwerkconstructie bestaat met een houten paalfundering en stalen kleppen. In de jaren 80 van de vorige eeuw is de houten verkeersbrug vervangen door een stalen brug. De brug is sinds voorjaar 2017 afgesloten voor zwaar verkeer omdat de effecten van de belasting met zware voertuigen op de constructieve toestand niet bekend waren. De gemeente Ommen is van plan om een nieuwe brug te bouwen naast en parallel aan de bestaande stuw.

De effecten van de zware verkeersbelasting op de stuw zijn niet bekend. Op basis van onderzoek naar de staat van het metselwerk van de stuw en de houten fundering zal worden bepaald of de stuw nog te renoveren is of wellicht vervangen moet worden.

Verweerder acht het vanwege het goed kunnen uitvoeren van onderzoek noodzakelijk de stuw grotendeels droog te zetten middels een droogzetvoorziening. De droogzetvoorziening voorziet in een permanente constructie in de bodem van de Vecht, bovenstrooms van de bestaande stuw, waarin schotten worden geplaatst om de Vecht tijdelijk droog te kunnen zetten. De droogzetvoorziening kan in de toekomst ingezet worden voor onderhoud, bij calamiteiten en eventueel als noodstuw. Het is een constructie die de veiligheid van de bewoners in het droog te zetten benedenstroomse deel (tussen droogzetvoorziening en stuw) waarborgt.

In het projectplan wordt ingegaan op de aanleiding voor het projectplan, de wijze van uitvoering, de effecten voor bodem, water, verkeer en natuur en de te treffen voorzieningen voor beperking van de negatieve gevolgen. Daarbij is getoetst aan de Waterwet, het beleid van het waterschap, meer in het bijzonder het waterbeheerplan 2016-2021, het provinciale beleid Ruimte voor de Vecht, de Grensoverschrijdende Vechtvisie, het Masterplan Ruimte voor de Vecht, de Beleidslijn winterbed Overijsselse Vecht, en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), aldus verweerder.

Eisers belanghebbenden?

2.1

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Voordat de rechtbank het geschil inhoudelijk kan behandelen, moet ambtshalve worden beoordeeld of eisers belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang

te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Het vereiste van een persoonlijk of individueel belang houdt in dat er een belang aanwezig is dat zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van een ieder. Een persoon van wie eventueel gezegd kan worden dat hij enig belang heeft maar zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, kan niet worden aangemerkt als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang.

Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1066, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, zij het dat er wel sprake dient te zijn van ‘gevolgen van enige betekenis’ welke ontbreken indien de gevolgen van de activiteit wel zijn vast te stellen, maar voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

[eiser 1] [eiser 2]

2.2

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel aan de [adres 1] te Ommen, waar [eiser 1] en [eiser 2] woonachtig zijn, is gelegen op een afstand van 625 meter van het projectgebied en dat het perceel, zoals door verweerder onweersproken is gesteld, ten gevolge van het project geen waterstaatkundig risico loopt.

Ook is niet aannemelijk gemaakt dat op genoemde afstand eisers feitelijke gevolgen ondervinden van het projectplan.

Anders dan eisers stellen is niet waarschijnlijk dat sprake zal zijn van een toename van verkeer over de op ongeveer 10 meter van eisers woning gelegen Junnerweg (zuidwestelijk deel). Volgens het projectplan zal om overlast te voorkomen de aanvoer van het meeste materiaal over water plaatsvinden. Het over de weg aan te voeren materieel en beton zal gebruik maken van de route Junnerweg via Stegeren (noordoostelijk deel), omdat de bestaande brug over de stuw vanwege de belastbaarheid daarvoor niet kan worden benut.

De aanvoer van materiaal en materieel ten behoeve van de droogzetvoorziening zal derhalve niet over de weg langs de woning van eisers plaatsvinden.

Dat, zoals eisers stellen, na realisering van de droogzetvoorziening in de toekomst mogelijk een nieuwe brug zal worden gerealiseerd met als gevolg meer en/of zwaarder verkeer over het zuidwestelijk deel van de Junnerweg maakt niet dat eisers ten aanzien van onderhavige besluit een concreet en actueel belang hebben.

Voor wat betreft de door eisers gestelde negatieve effecten op Natura 2000-gebied geldt dat negatieve effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied, gelegen ten noordoosten van de droogzetvoorziening, vanwege de afstand van ruim 500 meter van het projectgebied niet worden verwacht. Bovendien is eisers’ perceel gelegen aan de andere zijde van de droogzetvoorziening, op meer dan 1 kilometer afstand van het betreffende Natura 2000-gebied.

2.3

Hieruit volgt dat [eiser 1] en [eiser 2] geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb met betrekking tot de vaststelling van het bestreden projectplan en dat hun beroep niet-ontvankelijk is.

[eiser 3]

2.4

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel aan de [adres 2] te Stegeren, waar [eiser 3] woonachtig is, is gelegen op enkele tientallen meters van het projectgebied en dat er sprake is van zicht daarop.

2.5

Hieruit volgt dat [eiser 3] belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb met betrekking tot de vaststelling van het bestreden projectplan.

Stichting Omgevingsrecht

2.6

Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten, stelt de stichting zich ten doel:

a. het bevorderen van, het streven naar het opheffen van met de wet strijdige situaties, het toezien op en de handhaving van de naleving van de regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening (Wet op de Ruimtelijke Ordening, Woningwet, Tracéwet, bestemmingsplannen, bouwvergunningen, aanlegvergunningen, etcetera), natuurwetgeving (Flora- en faunawet, etcetera) en milieuwetgeving (Wet geluidhinder, Wet milieubeheer, Kernenergiewet, etcetera).

b. de bescherming en het verbeteren van natuur, landschap, ruimtelijke ordening en milieu en het streven naar stilte (het streven naar lawaai-arme situaties) en veiligheid in Nederland en de overige landen van de Europese Unie, het behoud van cultureel erfgoed, het bevorderen van openbaar vervoer, het streven naar een duurzame samenleving, het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn; alles in de ruimste zin des woords.

c. het verrichten van alle handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

Ingevolge het tweede lid omvat het werkterrein van de stichting in elk geval de provincie Overijssel waaronder de gemeenten Dinkelland, Hengelo, Borne, Hof van Twente, Wierden, Tubbergen, Almelo, etc.

Ingevolge het derde lid tracht de stichting haar doel onder meer te verwezenlijken door:

a. het inzetten van rechtsmiddelen, in casu het verzoeken om, voor zover thans van belang, handhaving wegens het handelen in strijd met een bestemmingsplan;

b. het geven van publiciteit aan haar activiteiten;

c. het geven van voorlichting en adviezen zowel aan overheid, rechtspersonen en natuurlijke personen;

d. het stimuleren en laten doen van onderzoekingen;

e. het kritisch volgen van al die ontwikkelingen in de samenleving die effect hebben op het gebied van natuur, milieu, landschap, ruimtelijke ordening, duurzaamheid, duurzame samenleving, het beïnvloeden van de besluitvorming daarover door gebruikmaking van alle daartoe geëigende middelen, in de meest ruime zin;

f. het zorg dragen voor naleving van de in de doelomschrijving genoemde wetgeving;

g. alle andere wettige en geoorloofde middelen, welke dienstbaar kunnen zijn aan haar doel.

2.7

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 15 oktober 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BF8953) heeft overwogen is het statutaire doel van de stichting zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de stichting rechtstreeks is betrokken bij het onderwerp van geschil. Het statutaire doel is sedert de Afdelingsuitspraak niet gewijzigd.

2.8

Verder is gebleken dat de stichting geen werkzaamheden verricht die kunnen worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij dat besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt.

2.9

Blijkens de statuten, bestaan de werkzaamheden van de stichting in hoofdzaak uit het initiëren van en participeren in bestuursrechtelijke procedures op basis van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Woningwet en de Wet milieubeheer door het naar voren brengen van zienswijzen tegen ontwerpbesluiten of het maken van bezwaar tegen besluiten, eventueel gevolgd door het instellen van beroep en hoger beroep, betreffende vermeend met voormelde wetten strijdige situaties zowel binnen als buiten het in de statuten weergegeven werkterrein van de stichting.

2.10

Het louter in rechte opkomen tegen besluiten kan als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Een andere uitleg zou betekenen dat voor de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep van een rechtspersoon, in een geval als hier aan de orde, in zoverre voldoende is dat hij dergelijke rechtsmiddelen pleegt aan te wenden. De uitleg van de criteria van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zou er dan op neer komen dat het beroepsrecht in feite voor een ieder open zou staan (actio popularis).

2.11

Het indienen van verzoeken tot handhavend optreden en het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten kunnen evenmin gelden als feitelijke werkzaamheden als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, nu beide dienen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten.

2.12

Het laten doen van onderzoek ten behoeve van eventuele bestuursrechtelijke procedures, alsmede het mondeling en schriftelijk informeren van derden over aanhangige en afgeronde procedures, kan niet los worden gezien van deze procedures of de voorbereiding daarvan. Het verstrekken van tips en informatie op de website van de stichting met betrekking tot het ondernemen van juridische stappen tegen bepaalde vormen van (milieu)overlast, kunnen evenmin los worden gezien van een bestuursrechtelijke procedure. Van andere werkzaamheden is niet gebleken.

2.13

Voorts wordt in aanmerking genomen dat is gebleken dat de stichting door het optreden in rechte in dit geval geen bundeling van rechtstreeks bij het besluit op bezwaar betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het besluit op bezwaar rechtstreeks in hun belangen worden getroffen

2.14

Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat de stichting het rechtstreeks bij het besluit op bezwaar betrokken belang krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.

2.15

Hieruit volgt dat de Stichting Omgevingsrecht niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb en dat het beroep van de stichting niet-ontvankelijk is.

Stichting Leefbaar Buitengebied (hierna: SLB)

2.16

Naar het oordeel van de rechtbank is het doel van SLB, zoals ook de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2327, gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Voorts behoren belangen betrokken bij vaststelling van het projectplan naar het oordeel van de rechtbank tot de belangen die SLB blijkens haar statutaire doelstelling behartigt. Verder is gebleken dat SLB feitelijke werkzaamheden verrichtte met het oog op de door haar behartigde belangen, wat impliceert dat zij deze belangen in het bijzonder behartigt.

2.17

Hieruit volgt dat SLB belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb met betrekking tot de vaststelling van het projectplan.

2.18

Nu Bruinink en SLB belanghebbende zijn bij het bestreden besluit kan worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Wettelijk kader

3. Artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet bepaalt dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan geschiedt. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

Het tweede lid bepaalt dat het plan ten minste een beschrijving bevat van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Voor in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bevat het plan een inventarisatie van maatschappelijke functies en ambities en mogelijke innovaties waarmee de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk gecombineerd zou kunnen worden, inclusief de mogelijkheden om het desbetreffende werk middels een concessie voor werken of andere vorm van publiek-private samenwerking te realiseren.

Inhoudelijk: wijze van toetsing

4.1

De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder bij het wel of niet vaststellen van een projectplan beleidsruimte toekomt. Daarbij is het aan het bevoegd gezag om alle verschillende bij het projectplan betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechtbank dient zich bij de toetsing van het besluit van verweerder aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beperken tot de vraag of het bevoegd gezag in redelijkheid tot het vaststellen van het projectplan heeft kunnen komen.

4.2

De rechtbank bespreekt hieronder de beroepsgronden zoals neergelegd in beroep en nader toegelicht in de brief van eisers van 21 november 2020.

Chw

5.1

Eisers stellen dat de Crisis- en herstelwet (verder: Chw) ten onrechte op deze zaak van toepassing is geacht, wat in strijd is met internationale verdragen.

5.2

De rechtbank overweegt dat op het besluit de Chw van toepassing is. Het project behelst de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet en is daarom ingevolge Bijlage I, categorie 7.3, een in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw genoemd ruimtelijk en infrastructureel project.

5.3

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

5.4

De rechtbank overweegt dat de Afdeling meermaals (onder meer in de uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672) heeft overwogen dat artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aantast. Het doel van artikel 1.6a van de Chw is om vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, wat een rechtmatig doel is. Voor zover eisers in dit kader wijzen op de complexiteit van milieubesluiten en het feit dat de beroepstermijn in de vakantieperiode viel, overweegt de rechtbank dat de termijn voor het indienen van beroepsgronden weliswaar beperkt is tot de beroepstermijn, maar dat de relevante stukken reeds vanaf het moment waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd door eisers konden worden ingezien. Bovendien laat artikel 1.6a van de Chw onverlet dat de binnen de beroepstermijn ingediende beroepsgronden buiten de beroepstermijn nog konden worden aangevuld met nieuwe argumenten, zoals eisers hebben gedaan bij brief van 21 november 2020.

In deze brief worden geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd, maar wordt in reactie op het verweerschrift een nadere onderbouwing van al aangevoerde beroepsgronden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 1.6a van de Chw hieraan niet in de weg. Verweerder bestrijdt dat ook niet.

5.5

Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkte termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden zoals opgenomen in artikel 1.6a van de Chw zich niet verdraagt met artikel 6 van het EVRM, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 1.6a van de Chw vanwege strijd met artikel 6 van het EVRM buiten toepassing moet blijven.

Verweer te laat?

5.6

Het door eisers gestelde dat het verweerschrift van 2 november 2020 veel te laat is ontvangen volgt de rechtbank niet. Het verweerschrift is op 2 november 2020 door de rechtbank ontvangen waarmee aan de tiendagentermijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb is voldaan. De rechtbank heeft het verweerschrift bij brief van 3 november 2020 aan eisers doorgezonden. Bij brief van 21 november 2020 hebben eisers op het verweerschrift gereageerd. Van een situatie dat er te weinig dagen overbleven om een passende en goed onderbouwde reactie te geven is niet gebleken.

Indienen van zienswijzen als vereiste

6.1

Eisers stellen dat verweerder in de ontwerpfase van het projectplan ten onrechte heeft meegedeeld dat niemand in beroep naar de rechter mag gaan als niet eerst zienswijzen tegen het ontwerpprojectplan zijn ingediend. Volgens eisers is dit een onterechte belemmering om naar de rechter te gaan en zijn de Nederlandse wet en het bestreden besluit op dit punt strijdig met het Verdrag van Aarhus en het EVRM.

6.2

De rechtbank overweegt dat het projectplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb, zoals bepaald bij de Inspraak- en participatieverordening waterschap Vechtstromen.

Ingevolge artikel 6:13 Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

6.3

Niet in geschil is dat eisers zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerp-projectplan. Artikel 6:13 van de Awb wordt hen dan ook niet tegengeworpen.

6.4

Eisers beroepsgrond is daarmee uitsluitend principieel van karakter. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen belang hebben bij de beoordeling daarvan.

Bevoegdheid verweerder

7.1

Eisers stellen dat verweerder niet bevoegd was het projectplan vast te stellen. In dat verband stellen eisers dat ten onrechte geen aanvraag voor het bestreden besluit is ingediend en dat de in verband met strijd met het bestemmingsplan vereiste verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad, dan wel gedeputeerde staten ontbreekt.

Ook hebben provinciale staten geen legger, verordening of waterplan vastgesteld als bedoeld in de artikelen 4.4 en 4.5 Waterwet.

7.2

De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit ziet op de vaststelling van een projectplan in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet. Bevoegd is ingevolge dat artikellid de beheerder.

Het waterschap Vechtstromen is een bij provinciaal reglement ingestelde waterbeheerder. Het onderhavige projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van het waterschap. Het waterschap is de bevoegde waterbeheerder en is op grond van de Waterwet zelfstandig bevoegd een projectplan als het onderhavige vast te stellen.

7.3

Het bestemmingsplan is daarbij geen toetsingskader. Voorts is er geen rechtsregel die voorschrijft dat een projectplan op basis van artikel 5.4, eerste lid van de Waterwet uitsluitend op aanvraag kan worden vastgesteld.

Evenmin is voor de vaststelling van een projectplan een legger, verordening of regionaal waterplan van provinciale staten vereist.

7.4

Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1

Eisers stellen dat de voor het project door het college van burgemeester en wethouders van Ommen verleende omgevingsvergunning en onderhavig besluit tot vaststelling van het projectplan in strijd met artikel 5.8 van de Waterwet niet gecoördineerd zijn behandeld, maar ten onrechte met verschillende procedures tot stand zijn gekomen. Verder is het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 2.8, 5.5, 5.6, 5.7 en 5.8 van de Waterwet en zijn er meerdere omgevingsvergunningen voor het project benodigd, die nog niet zijn aangevraagd.

8.2

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 5.8 van de Waterwet op onderhavig projectplan de projectprocedure voor waterstaatswerken (hoofdstuk 5, paragraaf 2, artikelen 5.5 tot en met 5.14) niet van toepassing is omdat geen sprake is van een primaire waterkering of een geval bij of krachtens provinciale verordening bepaald.

8.3

Zoals verweerder aangeeft, heeft het projectplan geen invloed op de normering zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Waterwet. Het vaste deel van de droogzetvoorziening heeft geen invloed op de doorstroomcapaciteit omdat deze zich geheel onder de waterbodem en in de oevers bevindt. Als de droogzetvoorziening in gebruik is en er sprake is van een hoogwatersituatie dan zullen de schotten tijdig worden verwijderd, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.

8.4.

Dat, naar eisers stellen, naast het projectplan omgevingsvergunningen benodigd zijn is voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet relevant. Eisers hebben dit standpunt overigens niet onderbouwd. Mochten er voor de uitvoering van het project omgevingsvergunningen benodigd maar niet verleend zijn, terwijl het project al wordt uitgevoerd, dan is dat een kwestie van handhaving voor het daartoe bevoegde gezag.

8.5

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Flora en fauna

9.1

Eisers stellen dat het bestreden besluit onvoldoende inzicht geeft in de negatieve gevolgen van het projectplan voor flora en fauna.

9.2

De rechtbank overweegt dat verweerder aan het bestreden besluit onder meer het adviesrapport van Ecogroen van 11 februari 2020 ten grondslag heeft gelegd, dat in opdracht van verweerder een natuurtoets heeft uitgevoerd.

9.3

Voor wat betreft soortenbescherming blijkt uit het adviesrapport dat mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn voor de grote gele kwikstaart, overige broedvogels, vissen en vleermuizen. Met het nemen van mitigerende maatregelen neergelegd in het ecologisch werkprotocol (hierna EWP) worden negatieve effecten op beschermde diersoorten voorkomen of tot een minimum beperkt en is het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

9.4

Voor wat betreft gebiedsbescherming blijkt uit het adviesrapport dat het project buiten Natura 2000-gebied ligt. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Vecht en Beneden-Reggebied dat op een afstand van ruim 500 meter van het projectgebied ligt. Vanwege die afstand worden er geen directe of indirecte effecten op Natura 2000-gebied verwacht.

9.5

Niet in geschil is dat Ecogroen een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is. Een bestuursorgaan mag van een advies van een door hem ingeschakelde deskundige uitgaan, maar heeft daarbij een vergewisplicht. Verweerder moet nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht volgt (voor andere adviseurs dan wettelijke adviseurs) uit artikel 3:2 van de Awb. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

9.6

Eisers stellen dat het adviesrapport van Ecogroen onvoldoende toereikend is. De rechtbank stelt vast dat door eisers geen tegenrapport is overgelegd om dit standpunt te onderbouwen.

9.7

De rechtbank is van oordeel dat wat eisers naar voren hebben gebracht geen concrete aanknopingspunten geeft om te twijfelen aan de rapporten van Ecogroen en dat verweerder deze rapporten daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank zal dit uitleggen.

9.8

Het beroepschrift bevat een uitgebreide beschrijving van de natuurwaarden van het gebied door de jaren heen en de algemene stellingen dat een passende beoordeling als bedoeld in de Wet Natuurbescherming en in artikel 6 van de Habitatrichtlijn ontbreekt en dat in het adviesrapport de visfauna (vrijwel) niet wordt genoemd terwijl de Vecht een bijzondere betekenis heeft voor de visfauna.

9.9

Eisers dienen naar het oordeel van de rechtbank concreet te maken wat er volgens hen dan onjuist is aan het deskundigenadvies van Ecogroen.

9.10

Concrete kritiek op het adviesrapport van Ecogroen is allereerst beperkt tot de stelling dat de door eisers genoemde beschermde diersoorten niet in het rapport aan bod komen, terwijl dat volgens eisers wel had gemoeten.

9.11

Het enkel geven van de eigen opvatting is echter onvoldoende om de benodigde twijfel te zaaien.

9.12

Verder stellen eisers dat het projectplan uitgaat van droogzetting in augustus/ september 2020 en zijn de werkzaamheden nu uitgesteld tot april 2021, het broedseizoen. Blijkens mailwisseling van verweerder met een medewerker van de provincie Overijssel is voor het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen van de grote gele kwikstaart ontheffing/vergunning benodigd vanwege het wegvallen van de foerageerfunctie van het snelstromend water bij de stuw door stagnering van de watertoevoer.

Bovendien gaat het projectplan uit van een andere periode waarbinnen gewerkt wordt dan de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapporten waarmee de negatieve gevolgen voor de flora en fauna en de Natura 2000- gebieden niet inzichtelijk zijn gemaakt.

9.13

De rechtbank overweegt dat het projectplan geen concrete planning bevat voor de aanleg en ingebruikneming van de droogzetvoorziening.

Dat in het projectplan vermeld staat dat vanwege het hoogwaterseizoen, waarbuiten de werkzaamheden dienen plaats te vinden, de planning er op is gericht om in augustus 2020 te starten met het realiseren van de hoofdconstructie, doet hieraan niet af.

9.14

Het EWP, dat onderdeel uitmaakt van het projectplan, gaat er van uit dat de werkzaamheden bestaande uit de inspectie van de stuw plaatsvinden in het broedseizoen.

Ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt geconcludeerd dat verstoring van het op de stuwpijler aanwezige nest tot een minimum beperkt blijft als de in het EWP genoemde mitigerende maatregelen worden genomen.

9.15

Mocht het zo zijn, zoals door eisers gesteld en onderbouwd middels een in het beroepschrift onvolledig weergegeven mailwisseling met een medewerker van de provincie, dat voor uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen een provinciale ontheffing benodigd is vanwege verstoring van de foerageerfunctie van de grote gele kwikstaart, dan dient verweerder te zijner tijd daarvoor ontheffing aan te vragen.

9.16

Eisers stellen voorts dat ten onrechte geen aanvullend onderzoek is gedaan om de aan- en afwezigheid aan te tonen van mogelijke vleermuissoorten.

9.17

De rechtbank stelt vast dat in het adviesrapport rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van diverse vleermuissoorten, met name de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis, waarbij de stuw als mogelijke verblijfplaats fungeert en de Vecht als belangrijke vliegroute en als foerageergebied.

9.18

Om het ongeschikt raken van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied te voorkomen bevat het EWP mitigerende maatregelen.

9.19

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder dit deel van het rapport in redelijkheid niet zondermeer aan zijn besluit had kunnen leggen vanwege onvolledigheid of onzorgvuldigheid.

9.20

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit eveneens voor wat ten aanzien van de otter in het adviesrapport wordt overwogen. In het adviesrapport is vermeld dat het projectgebied naar verwachting alleen als foerageergebied wordt gebruikt door de otter en niet als verblijfplaats en dat de verstoringsgevoeligheid van de otter laag wordt geacht en om die reden vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde zijn.

9.21

Eisers stellen, onder verwijzing naar de website www. zoogdierenvereniging.nl, dat de otter bekend staat als een schuw dier. Om die reden had er in verband met de voorgenomen heiwerkzaamheden aanvullend onderzoek gedaan moeten worden volgens eisers.

9.22

Het enkel geven van de eigen opvatting op basis van een algemene karakterisering van de otter in verband met de voorgenomen werkzaamheden is echter onvoldoende om de benodigde twijfel te zaaien over het adviesrapport.

Stikstof

10.1

Eisers stellen dat verweerder ten onrechte stelt dat het project geen stikstoftoename veroorzaakt. Eisers achten dit onwaarschijnlijk, omdat de aanleg en bouw van de droogzetvoorziening gepaard gaat met veel rijdend en gemotoriseerd materiaal en materieel.

10.2

Verweerder stelt zich in het projectplan, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt dat de stikstofemissie niet nul is maar de berekende depositie ten gevolge

daarvan in Natura 2000-gebied wel nul is, wat betekent dat negatieve effecten uitgesloten zijn en dat het project niet vergunningplicht is voor het aspect stikstofdepositie.

10.3

Verweerder baseert zich hierbij op de memo AERIUS calculatie droogzetvoorziening stuw Junne van 2 maart 2019, met bijbehorende berekeningen, die als bijlage onderdeel uitmaakt van het projectplan.

10.4

Niet gebleken is dat verweerder de AERIUS calculatie niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

10.5

De enkele stelling van eisers dat niet alle aan- en afvoerbewegingen in de berekening zijn meegenomen is hiervoor onvoldoende.

10.6

Daarbij wordt opgemerkt dat de berekening van stikstofemissie beperkt dient te blijven tot de aanleg van onderhavige stuw. De door eiser genoemde overige werkzaamheden in de omgeving (werkzaamheden in Karshoek-Stegeren, bouw nieuwe brug, werkzaamheden op Landgoed Junne, bevaarbaar maken van de Vecht) zijn derhalve terecht niet in de berekening meegenomen.

Waterafvoer nevengeul

11.1

Eisers stellen dat bij gebruik van de droogzetvoorziening de volledige waterafvoer gaat via de ten noorden van de Vecht gelegen natuurlijk meestromende nevengeul, wat strijdig is met de ingevolge het vigerende bestemmingplan geldende bestemming “Natuur”.

11.2

De rechtbank overweegt dat, zoals reeds onder 7.3 is overwogen, het bestemmingsplan geen toetsingskader is voor het onderhavige besluit.

Schade

12.1

Eisers worden niet gevolgd in hun standpunt dat verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende ingaat op de mogelijk nadelige gevolgen van aanleg en gebruik van de droogzetvoorziening in de vorm van kwelvorming, trillingsschade, verzakkingsgevaar en scheurvorming.

12.2

Om na te gaan in hoeverre schadevorming aan omliggende gebouwen en objecten door werkzaamheden als gevolg van de bouw van de droogzetconstructie optreedt, heeft verweerder berekeningen laten uitvoeren.

Uit deze berekeningen volgt dat de risico’s van het inheien van de damwanden aanvaardbaar klein zijn en dat negatieve effecten van verlaging van het peil in de Vecht niet worden verwacht.

12.3

Toch zullen de werkzaamheden worden gemonitord en zullen er trillingsreducerende maatregelen worden getroffen ten behoeve van omliggende objecten.

Met de eigenaren van de omliggende woonhuizen, waaronder [eiser 3] zal een handelingsprotocol worden afgesproken waarvan het in beeld brengen van de nulsituatie onderdeel is.

12.4

Bouwwerkzaamheden zijn onvermijdelijk bij de realisering van een project als hier aan de orde. De gevolgen van werkzaamheden van de uitvoering van het project dienen te worden betrokken bij de belangenafweging omtrent de vaststelling van het besluit, maar betreffen voor het overige details over die uitvoering.

13. Gelet op het hiervoor overwogene, de nadere toelichting in het verweer en op de zitting, heeft verweerder afdoende beschreven welke nadelige gevolgen er kunnen optreden en welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen. Gezien de niet nader geadstrueerde vrees van eisers ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat die gevolgen, ondanks de te treffen maatregelen, dusdanig zullen zijn dat verweerder in redelijkheid had moeten afzien van het besluit. Het projectplan is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het tweede lid van artikel 5.4 van de Waterwet.

Verweerder heeft het projectplan dan ook in redelijkheid kunnen vaststellen,

14. Het beroep van [eiser 3] en SLB is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [eiser 1] / [eiser 2] en van Stichting Omgevingsrecht niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [eiser 3] en SLB ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier de voorzitter is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.