Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:895

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
08/952628-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De raadkamer van de rechtbank Overijssel wijst het verzoek om de strafzaak tegen verzoekster te beëindigen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/952628-18

Verzoekschriftnummer: 20/536

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

te dezer zake domicilie kiezende aan het Willemsplein 2 in 6811 KA Arnhem, ten kantore van haar raadsvrouw mr. A. van den Berg,

verder te noemen: verzoekster.

1 Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 26 november 2020, is op 30 november 2020 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het verzoekschrift is ingediend namens [verzoekster] door

mr. A. van den Berg.

Het verzoekschrift is behandeld op de niet openbare zitting van de raadkamer van

24 februari 2021.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. L. Grooters, verzoekster en haar raadsvrouw gehoord.

Als belanghebbende is [belanghebbende] behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen. De raadsvrouw heeft verklaard dat belanghebbende op de hoogte is van de behandeling van het verzoekschrift en geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek om de strafzaak tegen verzoekster te beëindigen.

De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen verzoekster en de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie.

2 De standpunten van verzoekster, de raadsvrouw en de officier van justitie

Standpunt verzoekster en haar raadsvrouw

Verzocht wordt om beëindiging van de strafzaak tegen verzoekster. De raadsvrouw voert aan dat het Openbaar Ministerie (OM) voldoende tijd heeft gehad om de vervolging tegen verzoekster af te ronden. Er is begrip voor het feit dat het onderzoek Hera een grootschalig onderzoek betreft. Echter, de verdenking van witwassen tegen verzoekster is naar de mening van de raadsvrouw goed af te bakenen van de zaken die lopen tegen de hoofdverdachten. Indien het OM verzoekster hiervoor wil vervolgen, had zulks volgens de raadsvrouw reeds afgerond kunnen en moeten zijn. Verzoekster ervaart de dreiging van verdere vervolging als een zware belasting. De raadsvrouw stelt zich primair dan ook op het standpunt dat de strafzaak tegen verzoekster als beëindigd moet worden aangemerkt. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om een (laatste) termijn van drie maanden aan het OM te gunnen voor het afronden van de vervolging. Dit omdat het dossier zo goed als definitief is en de verdediging niet nog met onderzoekswensen zal komen. Bovendien heeft verzoekster zich steeds welwillend opgesteld en zijn er door de verdediging meerdere stukken aan het OM verstrekt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat het OM er om proceseconomische redenen voor heeft gekozen om de zaken tegen de andere verdachten, waaronder verzoekster, niet gelijktijdig aan te brengen met de strafzaken tegen de hoofdverdachten. De prioriteit is, vanwege de capaciteit van het rechercheteam in het onderzoek Hera, uitgegaan naar de lopende strafzaken tegen de hoofdverdachten, waaronder de echtgenoot van verzoekster. De officier van justitie merkt op dat dit ook kenbaar is gemaakt aan de raadsvrouw van verzoekster. Het OM heeft bovendien op 16 juli 2020 aan verzoekster een aanbod gedaan tot een buitengerechtelijke afdoening van de strafzaak, inhoudend dat verzoekster verdere vervolging kon voorkomen door afstand te doen van het onder haar inbeslaggenomen geld (een bedrag van in totaal € 100.656,65). Verzoekster heeft hiermee niet ingestemd blijkens een mededeling van de raadsvrouw aan de officier van justitie. Gelet op het voorgaande, is de officier van justitie voornemens om verzoekster ter zake van de verdenking van witwassen bij de strafrechter te dagvaarden nu er volgens de officier van justitie voldoende bewijsmateriaal tegen verzoekster ligt om tot een veroordeling te kunnen komen. Het verzoek tot beëindiging van de strafzaak moet daarom worden afgewezen.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw, inhoudende dat er door de raadkamer een termijn van drie maanden moet worden gesteld voor de afronding van de vervolging door het OM, voert de officier van justitie aan dat die termijn naar verwachting niet haalbaar is vanwege de beschikbare zittingscapaciteit bij de rechtbank. De officier van justitie deelt mee wel bereid te zijn om met de medewerkers van de verkeerstoren contact op te nemen over het plannen van de zaak in bijvoorbeeld het najaar, omdat het dossier zo goed als definitief is en er kennelijk door de verdediging geen onderzoekswensen zullen worden ingediend.

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De raadkamer van de rechtbank Overijssel is bevoegd van het verzoekschrift kennis te nemen, nu verzoekster op 20 september 2018 is aangehouden en in verzekering gesteld is ter zake van de verdenking van witwassen. Daarmee is naar hedendaagse rechtsopvatting de vervolging ex art. 29 Sv aangevangen nu zij hieraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar door het OM strafvervolging zal worden ingesteld. Vanaf dat moment kan een verdachte belang hebben bij het inroepen van het oordeel van een rechter omtrent geëindigd zijn van zaak.

4 De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Maatstaf

Artikel 29f Sv strekt ertoe dat een verdachte zich kan beschermen tegen een onredelijk oponthoud en tegen de onzekerheid of aan zijn zaak (verder) gevolg zal worden gegeven. De te hanteren maatstaf bij het verzoek is of vervolging van verdachte, niet wordt ingesteld of voortgezet gelet op vermeende vertraging en/of inactiviteit in de opsporings- en/of vervolgingsprocedure. Het standpunt van het OM in dat verband is daarbij van groot belang, maar niet doorslaggevend. Immers, daar staat tegenover het belang van een verdachte dat bij een verklaring van het einde van de strafzaak een onzekere situatie wordt beëindigd.

De overschrijding van de redelijke termijn kan aanleiding geven tot strafvermindering, maar leidt niet tot niet-ontvankelijk van het OM in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Dat staat tevens eraan in de weg dat de rechter op de voet van artikel 29f Sv verklaart dat de zaak is geëindigd op de grond dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden. Dat is niet anders indien aan een verzoek als bedoeld in artikel 29f Sv (mede) ten grondslag is gelegd dat de overschrijding van de redelijke termijn tevens een inbreuk op andere verdedigingsrechten tot gevolg heeft, bijvoorbeeld waar het de mogelijkheid betreft van het bieden van een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging. Het is aan de zittingsrechter en niet aan de rechter die oordeelt over het verzoek als bedoeld in artikel 29f Sv, te bepalen of van zo’n inbreuk sprake is en zo ja, of dat in de concrete omstandigheden van het geval ook betekent dat zich een schending van artikel 6 EVRM voordoet waaraan bij de berechting van de zaak gevolgen dienen te worden verbonden (vgl. HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059).

Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het OM tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten, in het bijzonder door jegens de verdachte een strafbeschikking uit te vaardigen of hem te dagvaarden, zonder dat het OM daaromtrent zelf al duidelijkheid heeft verschaft aan de verdachte in de vorm van een (sepot)beslissing als bedoeld in artikel 167 of 242 Sv dan wel anderszins. Mede vanwege het door artikel 255, eerste lid, Sv aan de verklaring dat de zaak is geëindigd verbonden rechtsgevolg, betreft het hier een tot terughoudendheid nopende maatstaf (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472).

Feiten en omstandigheden

Verzoekster is op 20 september 2018 aangehouden en later op dezelfde dag in verzekering gesteld in verband met een verdenking van – kort gezegd – witwassen. Een dag later is verzoekster heengezonden. Deze verdenking houdt verband met het strafonderzoek Hera (grootschalige hennepteelt). In het kader van dat onderzoek zijn de hoofdverdachten, waaronder de echtgenoot van verzoekster, de heer [belanghebbende] , op 16 juni 2020 veroordeeld door de rechtbank tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Op 15 november 2019 heeft het OM aan de raadsvrouw van verzoekster kenbaar gemaakt dat de prioriteit op dat moment uitging naar de lopende strafzaken tegen de hoofdverdachten in het onderzoek Hera. Het OM heeft vervolgens op 15 januari 2020 het persoonsdossier van verzoekster aan de raadsvrouw toegezonden. Op 16 juli 2020 heeft het OM het relaasproces-verbaal aan de raadsvrouw toegezonden. Ook heeft het OM toen een aanbod gedaan tot een buitengerechtelijke afdoening van de strafzaak. Hiermee heeft verzoekster niet ingestemd. Hiervan is het OM door de raadsvrouw van verzoekster per e-mail van 9 oktober 2021 op de hoogte gesteld.

Beoordeling

De raadkamer is van oordeel dat gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden en in het bijzonder ook de mededeling van de officier van justitie dat verzoekster als verdachte van witwassen zal worden gedagvaard, zich in de onderhavige zaak niet de situatie voordoet waarin redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het OM tegen verzoekster geen strafvervolging zal instellen.

Aangezien de officier van justitie heeft medegedeeld dat het proces-verbaal in de strafzaak tegen verzoekster zo goed als definitief is en het niet in het voornemen van de raadsvrouw ligt om onderzoekswensen in te dienen, terwijl het bovendien een overzichtelijk en op zichzelf staand strafdossier betreft, bepaalt de raadkamer dat de strafzaak tegen verzoekster vóór 1 oktober 2021 op de terechtzitting moet zijn aangebracht.

4 De beslissing

De raadkamer wijst het verzoek af.

De raadkamer bepaalt dat de strafzaak tegen verzoekster vóór 1 oktober 2021 op de terechtzitting moet worden aangebracht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.R. Kuiper, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en uitgesproken op

24 februari 2021.