Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:848

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-02-2021
Datum publicatie
25-02-2021
Zaaknummer
08-994519-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een luchtfilterfabriek uit Emmen en twee leidinggevenden zijn veroordeeld omdat zij hun medewerkers willens en wetens onbeschermd en onwetend lieten werken met de kankerverwekkende stof formaldehyde. De rechtbank Overijssel legt het bedrijf een geldboete op van 200.000 euro. De twee leidinggeven krijgen een voorwaardelijke celstraf van 6 en 9 maanden. Ook moeten ze beiden een taakstraf uitvoeren van 240 uur. De medewerkers blijven de rest van hun leven in onzekerheid of zij ooit ziek zullen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-994519-18 (P)

Datum vonnis: 25 februari 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,

wonende [adres 1] ,

verder te noemen: verdachte.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 november 2019, 23 januari 2020, 3 september 2020, 14 januari 2021 en 11 februari 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na, wijziging van de tenlastelegging van 14 januari 2021, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende een periode van bijna vijf jaar feitelijke leiding heeft gegeven aan een door [medeverdacht bedrijf] B.V. gepleegd strafbaar feit, te weten het op de glasafdeling (“ [glasafdeling] ”) filterdoek laten vervaardigen door werknemers, bij welk arbeidsproces formaldehyde werd toegepast, waarbij niet werd voldaan aan veiligheidsvoorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, waardoor ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten was.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

[medeverdacht bedrijf] B.V. één of meerdere malen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017, in de gemeente Emmen, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft [medeverdacht bedrijf] B.V. in nader te noemen periode(s) op de "Glasafdeling" (" [glasafdeling] ") van het bedrijf van [medeverdacht bedrijf] B.V. aan [adres 2] aldaar, zijnde

een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door een of meer werknemers in de zin van genoemde wet, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of andere werknemers arbeid doen of laten verrichten, bestaande die arbeid uit het - zakelijk weergegeven - vervaardigen van filterdoek en bij welk proces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was/werd

voldaan aan

artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever niet gezorgd voor de veiligheid en/of de gezondheid van genoemde werknemers en/of andere werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten met betrekking tot de toepassing van formaldehyde (bevattende lijm) bij - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek op genoemde afdeling en/of daartoe geen beleid gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en/of die arbeid op die

afdeling niet zodanig had georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid van die werknemers en/of

artikel 13, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever ten aanzien van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet met betrekking tot - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek bij welk proces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast nagelaten zich te laten bijstaan door een of meer deskundige werknemers en/of

artikel 13, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, immers beschikten werknemers één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 niet over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting en/of waren niet zodanig in aantal en/of waren niet gedurende zo veel tijd beschikbaar en/of zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand (bedoeld in artikel 13, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet) naar behoren konden verlenen en/of

artikel 4.1b, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever in gevallen waarin genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm) nagelaten te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en/of veiligheid van die werknemers en/of

artikel 4.1c, eerste lid aanhef en onder b en/of onder e van hetArbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm),

in het kader van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, nagelaten dat blootstelling van die werknemers aan die gevaarlijke stof werd voorkomen of geminimaliseerd door

gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen (b) en/of

de mate en/of de duur van blootstelling te minimaliseren (e) en/of

artikel 4.4 eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers was één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017, terwijl uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, bleek dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van genoemde werknemers en/of andere werknemers bestond, nagelaten doeltreffende maatregelen te nemen om te voorkomen dat genoemde werknemers en/of andere werknemers bij hun arbeid, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm), in zodanige mate, dat hun veiligheid in gevaar kon worden gebracht of dat schade kon worden toegebracht aan hun gezondheid en/of

artikel 4.10d, eerste lid aanhef en onder a en/of onder d van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm), nagelaten dat in overeenstemming met artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet voorlichting en/of onderricht werd gegeven, waarbij ten minste aandacht werd besteed aan

de mogelijke gevaren voor de veiligheid en de gezondheid die waren verbonden aan het werken met formaldehyde (bevattende lijm) op grond van de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (a) en/of

de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogeljik niveau (d) en/of

artikel 4.13 aanhef en onder b en/of onder c en/of onder d en/of onder f van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in de periode van januari 2016 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen of aan mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht), nagelaten dat met betrekking tot deze stoffen of processen in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en in aanvulling op art. 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de volgende gegevens, althans een of meer van de volgende gegevens werden opgenomen

de hoeveelheid van die kankerverwekkende of mutagene stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met de opslag respectievelijk de frequentie waarmee een proces per jaar pleegt te worden toegepast (b) en/of

de soort arbeid die met die kankerverwekkende of mutagene stof pleegt te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces pleegt te worden toegepast (c) en/of

het aantal werknemers dat aan een/die kankerverwekkende of mutagene stof of een kankerverwekkend proces pleegt te worden blootgesteld of kan worden blootgesteld (d) en/of

de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij die arbeid waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan die kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen (f) en/of

artikel 4.16 derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd één of meermalen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met september 2017 bij overschrijding(en) van de grenswaarden met betrekking tot in de Arbeidsomstandighedenregeling aangewezen kankerverwekkende stoffen of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, te weten formaldehyde (bevatte lijm of lucht), met inachtneming van de artikelen 4.17 en 4.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde,

terwijl daardoor, naar [medeverdacht bedrijf] B.V. wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of andere werknemers onstond of te verwachten was,

zulks terwijl verdachte tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3 De voorvragen

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding partieel nietig is. Daartoe is aangevoerd dat het onderdeel ‘andere werknemers’ in de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is om adequaat verweer tegen te kunnen voeren.

De rechtbank constateert dat in de tenlastelegging vijf werknemers bij naam zijn genoemd en dat daaraan is toegevoegd ‘en/of andere werknemers’.

Het verwijt luidt, kort gezegd, dat de gezondheid van die werknemers in gevaar is gebracht.

[medeverdacht bedrijf] B.V. is in de tenlastelegging aangeduid als werkgever en de ‘werknemers’ als werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit artikel bepaalt in het eerste lid dat de werkgever is:

“sub a:

1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°

En de werknemer:

“sub b: werknemer: de ander, bedoeld onder a.

Waar de arbeid wordt verricht wordt gespecificeerd in de tenlastelegging, namelijk op de “Glasafdeling” (“ [glasafdeling] ”) van het bedrijf van [medeverdacht bedrijf] B.V. aan [adres 2] .

Ook is gespecificeerd welke arbeid wordt bedoeld, namelijk het “vervaardigen van filterdoek”. Dit betreft een omkaderd werkproces.

Aangezien uit het dossier blijkt welke groep werknemers bij dat deel van het arbeidsproces betrokken is, is de rechtbank van oordeel dat voldoende concreet is aangegeven welke werknemers bedoeld worden.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank stelt voorts vast dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De Inspectie SZW ontving op 23 mei 2017 een melding van een werkneemster van [medeverdacht bedrijf] B.V. waarin zij aangaf dat zij tijdens haar werk was blootgesteld aan een groene kleurstof. Door Arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW is deze melding onderzocht.

Op dinsdag 18 juli 2017 is bij [medeverdacht bedrijf] B.V. een inspectie uitgevoerd met betrekking tot blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Uit deze inspectie kwam naar voren dat werknemers op de productieafdelingen van [medeverdacht bedrijf] B.V. werden blootgesteld aan diverse gevaarlijke stoffen, waaronder chromatint green en formaldehyde.

Op 25 september 2017 is een vervolginspectie uitgevoerd. Door een SHEQ (Safety, health, environment en quality) medewerker werd een meetrapport getoond van oktober 2010 met betrekking tot blootstelling aan formaldehyde. In oktober 2017 zijn vervolgens meerdere meetrapporten overgelegd uit de periode 2008 tot en met 2017 met betrekking tot blootstelling aan formaldehyde.

Formaldehyde staat sinds 1 januari 2016 als kankerverwekkend geregistreerd. Daarvoor was de stof als verdacht kankerverwekkend geregistreerd.

Vanwege het onvoldoende nemen van maatregelen zijn op 18 oktober 2017 de werkzaamheden op de glasafdeling van [medeverdacht bedrijf] B.V. door de Inspectie SZW stilgelegd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Het tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient vrijgesproken te worden van het tenlastegelegde.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Op de glasafdeling, “ [glasafdeling] ” van [medeverdacht bedrijf] B.V. werd filterdoek vervaardigd. Bij het vervaardigingsproces werd lijm met formaldehyde toegepast.

Getuige [getuige 1] heeft over het werkproces het volgende verklaard:

Op deze afdeling werden brokken glas gesmolten in een oven en liep vervolgens vloeibaar glas door een plaat met gaten, net als bij een douchekop. Vervolgens werden de glasdraden om een trommel gewikkeld met toevoeging van lijm. Deze lijm, ureum met formaldehyde, werd kant en klaar aangeleverd door de leverancier en opgeslagen in vaten. [medeverdacht bedrijf] B.V. kocht 20.000 liter lijm per 2 weken en deze lijm werd opgeslagen in tanks. We hadden 4 tanks. Ik weet niet hoe groot de opslagcapaciteit bedroeg. De ureum met Formaldehyde werd met een spuitkop over de trommel op de glasdraden gespoten en in hetzelfde proces was een spuitkop actief die de kleurstof chromatint green op de glasdraden spoot. Tijdens dat proces verdampt de Formaldehyde in de lucht op de arbeidsplaats spinning. De glasdraden werden vervolgens net als garen om een klosje op de trommel gewikkeld. Daarna werden de glasdraden door de lijm aan elkaar verlijmd. Op een gegeven moment zat een mat, met aan elkaar verlijmde glasdraden, om de trommel heen gewikkeld en werd deze horizontaal in breedte doorgesneden. Dat was het proces van de spinning en het product wat daaruit ontstond, was een mat van glasdraden. Deze matten gingen naar het processtap 'pulling', waar de matten uit elkaar werden getrokken. Op het moment dat de matten uit elkaar werden getrokken, namen de matten toe in volume met als resultaat een deken van glas(vezel). De glasdeken werd machinaal door een oven gevoerd en vervolgens op rollen van ongeveer 100 meter opgerold. Tijdens het proces pulling kwam Formaldehyde vrij op de arbeidsplaats gedurende het verwarmen in de oven maar ook tijdens het proces pullen, dus trekken.1

De stof formaldehyde betreft een organische verbinding die wordt gevormd tijdens natuurlijke processen. Deze stof wordt veel in water opgelost en daarna in allerlei producten in een brede toepassing gebruikt. De belangrijkste eigenschap van formaldehyde is het polymeriseren. Dit is het proces waarbij moleculen met elkaar worden verbonden tot lange, sterke ketens. Het wordt toegepast om materiaal te versterken. Formaldehyde is een vloeistof die onder verdamping verandert in een gas.

De rechtbank stelt in het algemeen vast dat formaldehyde een gevaarlijke stof is. De stof is onder de Europese regelgeving aanvankelijk gekwalificeerd als een Zeer Zorgwekkende Stof. Dit betekent dat het gebruik van de stof in alle gevallen als een groot risico wordt aangemerkt voor de gebruiker en de omgeving. Per 1 januari 2016 is de nieuwe classificatie van formaldehyde als carcinogeen (kankerverwekkend) officieel van kracht.2

Op 29 juli 2010 heeft [bedrijf 1] een rapport uitgebracht met betrekking tot formaldehydemetingen op de werkplekken van [medeverdacht bedrijf] B.V. Bij dit rapport is als bijlage 3 de Chemiekaart Formaldehyde gevoegd. Uit de afbeeldingen en de tekst op deze Chemiekaart kan worden afgeleid dat formaldehyde een gevaarlijke, giftige stof is. De rechtbank stelt vast dat deze Chemiekaart derhalve reeds voorafgaand aan de ten laste gelegde periode aan [medeverdacht bedrijf] B.V. is verstrekt.3

Verdachte wordt verweten dat hij als feitelijk leidinggevende werknemers op de betreffende afdeling van [medeverdacht bedrijf] B.V. arbeid heeft laten verrichten, bij welk arbeidsproces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was voldaan aan negen bepalingen uit de Arbeidsomstandighedenwet respectievelijk het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl daardoor, naar [medeverdacht bedrijf] B.V. wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was.

De vraag is of de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard en of vastgesteld kan worden dat in strijd met artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is gehandeld.

De rechtbank zal eerst de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging beoordelen en vervolgens beoordelen of artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet is overtreden.

Het voeren van beleid, gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.

In de tenlastelegging wordt in het eerste onderdeel het verwijt gemaakt dat in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 op de genoemde afdeling geen beleid is gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden inzake alle met de arbeid verbonden aspecten met betrekking tot de toepassing van formaldehyde (bevattende lijm) bij het vervaardigen van filterdoek op de genoemde afdeling, zodat daarbij geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en gezondheid van de werknemers.

Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Arbeidsomstandighedenwet. Dit artikel vormt een leidraad om de algemene zorgplicht van de werkgever te concretiseren in beleid en maatregelen. Bij de uitwerking hiervan dient afstemming plaats te vinden met de werknemers. In ieder geval moeten die maatregelen worden getroffen die door vakdeskundigen in brede kring worden aanvaard als toepasbaar in de praktijk.

De verdediging heeft bepleit dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard, onder meer omdat [medeverdacht bedrijf] B.V. in de tenlastegelegde periode arbobeleid had in de vorm van ISO en OHSAS certificering.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdacht bedrijf] B.V. een groot, professioneel, internationaal opererend bedrijf betreft. Van een dergelijk bedrijf mag worden verwacht, wanneer gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen, dat specifiek beleid wordt gevoerd, gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten voor het werken met die stof.

Uit het dossier blijkt dat onderzoek is verricht naar de Risico Inventarisatie en - Evaluatie (RIE) bij [medeverdacht bedrijf] B.V.4 Er zijn meerdere RIE’s onderzocht en bij die onderzoeken zijn bevindingen gerapporteerd rond het voeren van beleid gericht op het werken met gevaarlijke stoffen.

In de RIE van november 2014 is daaromtrent het volgende genoteerd:

In november 2014 is bij [medeverdacht bedrijf] te Emmen een actualisering van de RIE uitgevoerd. Het arbobeleid is besproken en de werkplekken zijn bezocht. Uit de inventarisatie komt naar voren dat een uitgebreid arbobeleid wordt gevoerd. Toch valt in de praktijk op dat er een aantal knelpunten zijn die op veel werkplekken spelen onder andere de omgang met gevaarlijke stoffen wordt onvoldoende beheerst.

Algemeen kan worden vastgesteld dat er nader onderzoek is vereist: een actiever beleid gevaarlijke stoffen. Hierbij dient tevens rekening te worden gehouden met de toekomstige REACH-regelgeving en GHS-etikettering. Een praktisch schema voor periodiek meten van blootstellingen wordt gegeven in de NEN-EN 689, Werkplekatmosfeer-Leidraad voor de beoordeling van de blootstelling bij inademing van chemische stoffen voor de vergelijking met de grenswaarden en de meetstrategie. Het is de taak van de werkgever om op basis van de RIE een plan van aanpak op te stellen.

Bij de beoordeling zijn de volgende punten vastgesteld:

Een beleid gevaarlijke stoffen is aanwezig. Het systeem REACH is bekend, echter nog niet

ontwikkeld binnen de organisatie. Een beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is nog niet uitgevoerd. De organisatie behoort voor elk product waarmee wordt gewerkt een grenswaarde te hebben vastgesteld. Dit beleid is beoordeeld met een score 1 wat betekent dat het beleid in opzet aanwezig is. Er wordt geadviseerd om het beleid gevaarlijke stoffen verder uit te werken om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Dit houdt in: het opstellen van een register gevaarlijke stoffen, beoordelen of gevaarlijke stoffen kunnen worden vervangen door minder gevaarlijke, voor ieder product een grenswaarde vaststellen en voor ieder product per verwerkingsplaats een inschatting van de mogelijke blootstelling maken en dit te beoordelen ten opzichte van de grenswaarde.5

In de RIE van september 2017 is vervolgens het volgende genoteerd:

In september 2017 is bij [medeverdacht bedrijf] te Emmen een actualisering van de RIE uitgevoerd. Het arbobeleid is besproken en de werkplekken zijn bezocht. Ten opzichte van de RIE uit 2014 zijn meerdere aandachtspunten opgepakt en opgelost. Dit is in de praktijk duidelijk zichtbaar doordat meerdere knelpunten zijn opgelost. Er resten nog een beperkt aantal knelpunten en er zijn verbetermogelijkheden.

Het belangrijkste punt is het verbeteren van het gevaarlijke stoffen beleid.

Geadviseerd wordt om te voldoen aan het 4-stappen beleid gevaarlijke stoffen van l-SZW. Het is de taak van de werkgever om op basis van de RIE een plan van aanpak op te stellen. Bij de beoordeling zijn de volgende punten vastgesteld:

Een beleid gevaarlijke stoffen is aanwezig. Het systeem REACH is bekend, echter nog niet

ontwikkeld binnen de organisatie. Een beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is nog niet uitgevoerd. De organisatie behoort voor elk product waarmee wordt gewerkt een grenswaarde te hebben vastgesteld. Dit beleid is beoordeeld met een score 1 wat betekent dat het beleid in opzet aanwezig is. Er wordt geadviseerd om het beleid gevaarlijke stoffen verder uit te werken om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Dit houdt in: het opstellen van een register gevaarlijke stoffen, beoordelen of gevaarlijke stoffen kunnen worden vervangen door minder gevaarlijke, voor ieder product een grenswaarde vaststellen en voor ieder product per verwerkingsplaats een inschatting van de mogelijke blootstelling maken en dit te beoordelen ten opzichte van de grenswaarde.6

Dat over het beleid ten aanzien van het werken met die gevaarlijke stof geen afstemming is geweest met de werknemers leidt de rechtbank onder meer af uit de verklaring van getuige [slachtoffer 2] . Hij heeft verklaard:

Over formaldehyde weet ik sinds 1997, want dit zit in de ureum. Maar dit was altijd in toegestane waarden, dat zeiden ze. (…) Ik heb vaker gevraagd of de lijmdampen niet schadelijk waren. Ik kreeg steevast het antwoord dat het geen kwaad kon. Ik heb ook in algemene vergaderingen deze vraag gesteld. Hier waren [medeverdachte] en [verdachte] bij aanwezig. Hier werd wederom niets mee gedaan. Ook [medeverdachte] en [verdachte] vertelden dat het niet schadelijk was.7

De rechtbank is op basis van deze bewijsmiddelen van oordeel dat het beleid ten aanzien van het werken met de gevaarlijke stof formaldehyde niet is uitgewerkt. Er is geen grenswaarde vastgesteld en de mogelijke blootstelling is niet ingeschat.

Er is daarmee onvoldoende specifiek beleid gevoerd, gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten voor het werken met formaldehyde. De ISO en OHSAS certificering nemen dit gebrek niet weg.

Dit onderdeel van de tenlastelegging kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Bijstand door deskundige werknemers.

In het tweede en derde onderdeel van de tenlastelegging worden de verwijten gemaakt dat [medeverdacht bedrijf] B.V. heeft nagelaten in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 bij het vervaardigen van filterdoek, waarbij formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast, zich te laten bijstaan door deskundige werknemers, alsmede dat de werknemers over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting beschikten en zodanig in aantal aanwezig waren dat zij die bijstand naar behoren konden verlenen.

Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 13, eerste en vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals die van toepassing waren in het grootste gedeelte van de ten laste gelegde periode.

De deskundige werknemers uit deze bepaling worden ook wel ‘preventiemedewerkers’ genoemd. Als de werkgever binnen het bedrijf onvoldoende mogelijkheden heeft om de bijstand op arboterrein helemaal door eigen personeel te laten uitvoeren, dan mag hij daarnaast ook deskundige personen van buiten inhuren. Hierdoor ontstaat alsdan een combinatie van deskundige werknemers en deskundige personen van buiten het bedrijf. Alleen als het voor de werkgever onmogelijk is om de bijstand door eigen personeel, dus door deskundige werknemers, te laten uitvoeren, mag hij de deskundige bijstand volledig laten verrichten door deskundige personen van buiten het bedrijf in te huren. Dit kunnen al dan niet gecertificeerde externe adviseurs zijn. Er mag van worden uitgegaan dat alleen in zeer bijzondere situaties - louter - een beroep op externe deskundige personen kan worden gedaan. Bijvoorbeeld als het gaat om werkzaamheden die alleen incidenteel in een bedrijf plaatsvinden of aan het doorvoeren van wijzigingen in de technische organisatie. De vraag of er mogelijkheden zijn om de bijstand intern te organiseren en dus of er deskundige werknemers kunnen worden aangewezen, hangt - mede - af van de deskundigheid die van de aan te wijzen werknemers wordt verlangd.

De deskundige werknemers en deskundige personen moeten in ieder geval de volgende taken uitvoeren:

  1. het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie;

  2. het uitvoeren van arbeidsbeschermende maatregelen of daaraan medewerking verlenen.

Het vierde lid van artikel 13 van de Arbeidsomstandighedenwet is open geformuleerd, omdat de deskundigheid, ervaring, uitrusting en dergelijke, die nodig zijn om de taken goed te kunnen uitvoeren nu eenmaal van bedrijf tot bedrijf verschillen. Zo is voor een bedrijf met een eenduidig en eenvoudig arbeidsproces waarbij de arboproblematiek tot slechts enkele zaken beperkt blijft, de zorg voor de arbeidsomstandigheden van een geheel andere orde dan voor een bedrijf in de chemische procesindustrie waarin de arboproblematiek zeer divers en complex is. Voor ieder bedrijf moet de juiste deskundigheid, ervaring, uitrusting en dergelijke beschikbaar zijn. Hierbij gaat het om het zogenoemde zorg-op-maatprincipe.

De verdediging heeft ten aanzien van deze onderdelen van de tenlastelegging aangevoerd dat SHEQ managers waren aangesteld en dat uit het dossier niet blijkt dat zij onvoldoende deskundig of ervaren waren.

Uit het dossier blijkt dat uit de onderzoeken van de Inspectie SZW van medio 2017 en de contacten daarbij met de vertegenwoordigers van [medeverdacht bedrijf] B.V., waaronder de SHEQ Manager, is gebleken dat de kennis met betrekking tot het gebruik en de blootstelling van gevaarlijke stoffen minimaal was. Het ontbrak aan inzicht dat er werd gewerkt met een gevaarlijke stof. De bestaande regelgeving vanuit de Arbeidsomstandighedenwet was zo goed als niet bekend.8

Vorenstaande wordt bevestigd in de verklaringen van de SHEQ managers die als getuige zijn gehoord.

Getuige [getuige 2] heeft het volgende verklaard:

Ik was vanaf 1 september 2013 tot en met 31 oktober 2016 werkzaam bij [medeverdacht bedrijf] . Als SHEQ manager en als preventiemedewerker, allebei vanaf 1 september 2013.

Ik deed als KAM adviseur al werkzaamheden namens [bedrijf 2] bij [medeverdacht bedrijf] . Ik hielp bij certificeringen. Dat was voor 1 september 2013.

Ik wist niet dat Formaldehyde een carcinogene- / kankerverwekkende stof was en dat de blootstelling boven de grenswaarde van deze stof kankerverwekkend is.

Ik heb geen plan van aanpak gemaakt met betrekking tot formaldehyde of Chromatint Green.

Ik ken de rapporten van de metingen niet.”9

En getuige [getuige 3] heeft het volgende verklaard:

Ik ben op 1 december 2016 begonnen in de functie SHEQ manager. De functie houdt in dat ik mij bezig houd met veiligheid, arbo, milieu en kwaliteit.

De term ureum dampen ben ik voor het eerst tegengekomen in het RI&E rapport van 2014. Ik was bekend met het feit dat er ureum dampen waren, maar ik was niet bekend met de hoogte van de blootstelling. Ik heb destijds aan [verdachte] gevraagd wat er in grote lijnen speelde aan issue waaronder de ureum dampen. Wij hebben het toen wel over de formaldehyde gehad. Ik kreeg de indruk dat we binnen de normen zaten.

Wat mij in het begin opviel was dat er weinig beheer was over de acties die ondernomen moesten worden. Ik ben toen bezig gegaan met het structuren van de acties. Ik heb in december 2016 een sessie gepland om het RI&E rapport van 2014 door te lopen. Het MT kwam tot de conclusie dat een nieuwe RI&E moest worden opgemaakt in het nieuwe jaar. De acties van het rapport 2014 heb ik niet volledig overgenomen mede ook omdat we een nieuw rapport lieten opmaken. Het nieuwe rapport is in september 2017 opgemaakt. Naar aanleiding van het bezoek van de Arbeidsinspectie ben ik op zoek gegaan naar informatie voor de Arbeidsinspectie. Ik vond toen een meetrapport van formaldehyde uit 2010 van Emmtec. In dit rapport bleek ook de formaldehyde te hoog te zijn. In de kast in het kantoor van [verdachte] lagen ook de RI&E van 1999 en andere rapporten.

De rapporten van [bedrijf 2] van 2017 heb ik ontvangen. Ik ben degene geweest die de opdracht aan [bedrijf 2] heeft gegeven. Ik was ook de contactpersoon tussen [medeverdacht bedrijf] en [bedrijf 2] . Ik weet vanaf 2017 dat het kankerverwekkend is.10

Na sluiting door de inspectie van de glasafdeling is, in opdracht van [medeverdacht bedrijf] B.V., onderzoek gedaan door [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ). In het rapport van [bedrijf 3] wordt onder meer het volgende aangegeven:

Een VGM(K)-manager was officieel verantwoordelijk voor veiligheid in de periode waarop dit onderzoek is gericht. Bij [medeverdacht bedrijf] is 1 FTE gereserveerd voor een functie die taken uitvoert met betrekking tot kwaliteit, gezondheid, veiligheid en milieu. In de praktijk blijkt dit 0,1 - 0,2 FTE te zijn en is dit sterk afhankelijk van de prioriteit die andere taken hebben ten opzichte van veiligheid. Bovendien waren er geen VGM-competentievereisten voor de VGMK-taak. In de praktijk werd de taak van de VGM(K)- manager uitgevoerd door personen die geen enkele officiële competentie hadden.

Het personeel werd niet bewust gemaakt van de gevaarlijke eigenschappen van formaldehyde.11

Ook in dit geval speelt bij de beoordeling een rol dat [medeverdacht bedrijf] B.V. een groot, professioneel, internationaal opererend bedrijf betreft. Van een dergelijk bedrijf mag, zoals hiervoor uiteengezet, worden verwacht dat deskundige werknemers binnen het bedrijf worden aangesteld en dat zij voldoende in aantal en ervaring aanwezig zijn tijdens het arbeidsproces.

De rechtbank stelt op basis van de genoemde bewijsmiddelen vast dat de SHEQ-medewerkers onvoldoende deskundig waren. Ze hadden onvoldoende kennis van de gevaarlijke stof formaldehyde, alleen al doordat zij zich er niet van bewust waren dat er met deze stof werd gewerkt, laat staan welke risico’s dat met zich mee kon brengen.

Inhuur van externe deskundigen lag niet voor de hand, gelet op de grootte van het bedrijf en de intensiteit waarmee met de gevaarlijke stof werd gewerkt. De afdeling draaide non-stop gedurende de ten laste gelegde periode, waardoor ervoor had moeten worden zorggedragen dat continu deskundige medewerkers aanwezig waren die de risico’s konden analyseren en arbeidsbeschermende maatregelen konden nemen.

Dit is nagelaten, zodat deze onderdelen van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Voorkoming of minimalisering van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen en bescherming van werknemers bij (eventuele) blootstelling.

In het vierde onderdeel van de tenlastelegging, welk onderdeel gebaseerd is op artikel 4.1b, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is ten laste gelegd dat in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in de gevallen dat werknemers blootgesteld werden of konden worden aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm), is nagelaten te zorgen voor doeltreffende bescherming.

De rechtbank stelt vast dat in het eerste lid van artikel 4.1b van het Arbeidsomstandighedenbesluit de norm is neergelegd dat de werkgever de zorgplicht heeft om de gezondheid en veiligheid van de werknemers doeltreffend te beschermen bij blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

Aan deze norm wordt in ieder geval voldaan door de maatregelen te nemen zoals omschreven in het tweede lid, maar ook anderszins kan aan deze zorgplicht worden voldaan.

Ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging heeft de verdediging aangevoerd dat de RIE van 2014 geen onderdeel uitmaakt van het dossier en dat de RIE van 2017 niet als bewijsmiddel kan wordt gebezigd.

Daarnaast is in het vijfde onderdeel van de tenlastelegging het verwijt gemaakt dat in diezelfde periode is nagelaten dat bij het vervaardigen van filterdoek blootstelling aan de gevaarlijke stof formaldehyde (bevattende lijm) werd voorkomen of geminimaliseerd door gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen en de mate en duur van blootstelling te minimaliseren.

Ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging heeft de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat sprake is van een contradictie en anders dient verdachte vrijgesproken te worden.

De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de dagvaarding geldig is. Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op art. 4.1c eerste lid, aanhef en onder b en e van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Deze bepaling is als volgt geformuleerd:

In alle gevallen waarin arbeid wordt verricht waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, wordt, in het kader van artikel 3 van de wet, de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen voorkomen of geminimaliseerd door:

b. gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen;

e. de mate en duur van de blootstelling te minimaliseren.

Bedoeld is in ieder geval ten laste te leggen dat nagelaten is gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen en de mate en duur van (eventuele) blootstelling te minimaliseren. Het was de verdediging voldoende duidelijk dat verdachte zich daartegen kon verweren, nu dat verweer ook daadwerkelijk is gevoerd.

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld werd er in het arbeidsproces gewerkt met een gevaarlijke stof en de werknemers konden dus bij het arbeidsproces blootgesteld worden aan deze gevaarlijke stof.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdacht bedrijf] B.V. als werkgever de zorgplicht had om de gezondheid en veiligheid van de werknemers doeltreffend te beschermen bij blootstelling aan deze gevaarlijke stof en dat die blootstelling geminimaliseerd had moeten worden.

Dat dat is nagelaten leidt de rechtbank af uit de volgende bewijsmiddelen:

In het rapport van [bedrijf 3] is onder meer het volgende vermeld:

Gedurende de hele periode 1999 - 2017 vertoonde [medeverdacht bedrijf] geen enkele activiteit die er speciaal op gericht was de blootstelling aan formaldehyde van het personeel te

verminderen.12

Verschillende medewerkers hebben verklaard dat nauwelijks persoonlijke beschermingsmiddelen werden gedragen.

Zo heeft getuige [slachtoffer 2] het volgende verklaard:

Ik droeg een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Ik droeg bij het spinnen geen handschoenen en geen adembescherming.13

Getuige [slachtoffer 5] heeft verklaard:

Ik ben bij [medeverdacht bedrijf] werkzaam sinds 1986 in de functie hoofdspinner op de glasafdeling. In oktober 2017 zijn we door [getuige 1] geïnformeerd dat er formaldehyde vrij kwam op de glasafdeling. Daarvoor wist ik dat niet. Ik heb nooit persoonlijke beschermingsmiddelen gedragen. Dat was ook niet verplicht.14

De rechtbank acht deze onderdelen van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen.

In het zesde onderdeel van de tenlastelegging is het verwijt gemaakt dat in diezelfde periode, terwijl uit de resultaten van de beoordeling bleek dat er gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers bestond, is nagelaten doeltreffende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de werknemers konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm).

Dit onderdeel is gebaseerd op artikel 4.4, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit waarin is bepaald dat voor zover uit de resultaten van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2, blijkt dat er gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers bestaat, doeltreffende maatregelen moeten worden genomen.

In artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is omschreven dat in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, indien werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, de aard, de mate en de duur van die blootstelling moet worden beoordeeld teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen.

Om de gezondheid van de werknemers op adequate wijze te kunnen beschermen tegen de gevaren die aan stoffen zijn verbonden, is het noodzakelijk relevante gegevens beschikbaar te hebben. Zonder inzicht in de factoren die de gezondheid van de werknemers bedreigen, kan door de werkgever geen daarop toegesneden arbeidsbeschermend beleid worden gevoerd.

Uit het dossier kan evenwel, zoals hiervoor ook al vastgesteld, niet worden afgeleid dat dergelijk onderzoek naar de gevaarlijke stof formaldehyde is verricht door [medeverdacht bedrijf] B.V. Er heeft derhalve geen beoordeling zoals bedoeld in artikel 4.2 plaatsgevonden.

Nu de maatregelen die hadden moeten worden genomen bij blootstelling aan de gevaarlijke stof hadden moeten worden afgestemd op de resultaten van een beoordeling die niet heeft plaatsgevonden, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Voorlichting en onderricht.

In het zevende onderdeel van de tenlastelegging is ten laste gelegd dat in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 bij het vervaardigen van filterdoek, waarbij de werknemers blootgesteld konden worden aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm), is nagelaten voorlichting en onderricht te geven, waarbij ten minste aandacht werd besteed aan de mogelijke gevaren voor de veiligheid en de gezondheid die waren verbonden aan het werken met formaldehyde en de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogelijk niveau.

Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 4.10d, eerste lid aanhef en onder a en d van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De verdediging heeft aangegeven dat de SHEQ manager de aangewezen persoon was om voorlichting te geven.

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en de hierna te noemen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de werknemers niet hebben geweten dat zij werden blootgesteld aan de gevaarlijke stof formaldehyde en dat zij hierover dan ook geen voorlichting hebben gehad. De werknemers zijn er niet van op de hoogte gebracht dat ze met formaldehyde werkten, wat de effecten daarvan zouden kunnen zijn en hoe zij zichzelf konden beschermen hiertegen.

De hiervoor genoemde getuigen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] hebben hierover verklaard en daarnaast heeft getuige [getuige 4] het volgende verklaard:

Ik ben sinds 18-10-2017 logistiek medewerker, daarvoor operator / teamleider glasafdeling.

In lichte mate wist ik dat er formaldehyde vrij kwam. Ik wist dat van de laatste twee jaar. Ik of anderen medewerkers zijn niet door [medeverdacht bedrijf] op de hoogte gesteld van het vrijkomen van de formaldehyde tijdens het productieproces. Ik heb me er zelf in verdiept wat etiketten betekenden en wat formaldehyde was. Ik weet pas recent dat formaldehyde kankerverwekkend was. Er is nooit over gecommuniceerd binnen het bedrijf.

Er is mij niks verteld over de gezondheidseffecten van formaldehyde. 15

Daarnaast heeft getuige [getuige 5] het volgende verklaard:

lk ben in 1993 als aflijmer begonnen bij [medeverdacht bedrijf] . Daarna heb ik bij de testafdeling gewerkt, daarna operator gasket foam, daarna als meewerkend leidinggevende. Dat doe ik tot heden. Ik ben vanaf 2010 voorzitter van de ondernemingsraad.

Over het onderwerp formaldehyde is in 2017 voor het eerst gesproken binnen de Europese Ondernemingsraad. Vanaf 2010 tot 2017 ben ik aanwezig geweest bij de twee jaarlijkse

overleggen van de EOR. Er is voor 2017 nooit over formaldehyde gesproken.16

Op grond van de genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het onderdeel dat gebaseerd is op sub a van deze bepaling, omdat ook in dit geval de beoordeling als bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft plaatsgevonden.

Opnemen gegevens kankerverwekkende stoffen in de risico-inventarisatie en -evaluatie.

In het achtste onderdeel van de tenlastelegging wordt het verwijt gemaakt dat in de periode van januari 2016 tot en met 18 oktober 2017 is nagelaten de volgende gegevens in de risico-inventarisatie en -evaluatie op te nemen, terwijl bij het vervaardigen van filterdoek werknemers werden of konden worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht):

  • -

    de hoeveelheid van die kankerverwekkende stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt;

  • -

    de soort arbeid die met die kankerverwekkende stof pleegt te worden verricht;

  • -

    het aantal werknemers dat aan die kankerverwekkende stof pleegt te worden blootgesteld;

  • -

    de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij die arbeid waarbij werknemers blootgesteld kunnen worden aan die kankerverwekkende stof.

Dit onderdeel is gebaseerd op artikel 4.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In de ten laste gelegde periode waren in de RIE niet de gegevens opgenomen zoals hiervoor genoemd, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. In de RIE van 2014 is, naast hetgeen hiervoor is genoemd, ook vermeld:

Er wordt geadviseerd om het werken met gevaarlijke stoffen uit te voeren volgens de voorschriften. Een duidelijk register, alle verpakkingen voorzien van de juiste etiketten en per situatie een blootstelling beoordeling maken. Voor iedere werkplek de blootstellingsbeoordeling vergelijken met de grenswaarde voor het betreffende product.17

Sinds 1 januari 2016 is formaldehyde als kankerverwekkend geregistreerd. Uit niets blijkt evenwel dat in 2016 een RIE is uitgevoerd.

In de RIE van 2017 is vermeld, zoals hiervoor overwogen, dat een beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen nog niet was uitgevoerd. Het onderwerp kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen met bijbehorende aanvullende registratie gevaarlijke stoffen zijn niet vermeld als mogelijke gezondheidsrisico’s in de RIE.18

Ook over het aantal werknemers dat aan de kankerverwekkende stof kan worden blootgesteld en over de persoonlijke beschermingsmiddelen is niets terug te vinden in deze RIE.

Ondanks de actiepunten die dus al genoemd zijn in de RIE van 2014 en het als kankerverwekkend registreren van formaldehyde in 2016 is nagelaten in de ten laste gelegde periode in de RIE de gegevens op te nemen zoals omschreven in de tenlastelegging.

Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Het nemen van maatregelen bij overschrijding van de grenswaarden.

In het negende en laatste onderdeel van de tenlastelegging is ten laste gelegd dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met september 2017 bij overschrijding van de grenswaarde van de kankerverwekkende stof, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht), is nagelaten onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde.

Dit onderdeel van de tenlastelegging is gebaseerd op artikel 4.16 derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De verdediging heeft op dit punt aangevoerd dat in ieder geval maatregelen zijn getroffen.

De rechtbank stelt vast dat blootstelling aan formaldehyde in 2017 meerdere malen is gemeten.

In het rapport van de meting van 30 augustus 2017 is het volgende te lezen en zijn de volgende meetresultaten weergegeven:

Voor de beroepsmatige blootstelling aan formaldehyde wordt in Nederland een grenswaarde gehanteerd van 150 ug/ m3.

Meetresultaten:

[afbeelding]

De blootstelling aan formaldehyde is iets lager dan de meetresultaten van 1999. De gebruikte meetmethode is anders, actief in plaats van passief met badges, de productieomstandigheden kunnen iets anders zijn. Maar in principe komen de meetresultaten redelijk overeen. Het inzicht t.a.v. de gezondheidsrisico's van formaldehyde is echter gewijzigd sinds 2007. De grenswaarde is verlaagd van 1500 pg/ m3 naar 150 pg/ m3. In 1999 was formaldehyde ingedeeld als een verdacht carcinogene stof, nu is formaldehyde ingedeeld als carcinogene stof. De concentratie formaldehyde ligt boven de huidige grenswaarde.”19

In het rapport van 17 oktober 2017 is omtrent de meetresultaten het volgende vermeld:

[afbeelding]

De blootstelling aan formaldehyde was op 5 oktober lager dan op 30 september, maar ligt op 12 oktober weer beduidend hoger. Op alle gemeten dagen ligt de concentratie formaldehyde boven de grenswaarde.”20

Op basis van deze bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de grenswaarde van formaldehyde in de ten laste gelegde periode meermalen in hoge mate is overschreden.

Door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is verklaard dat er in de periode van 2010 tot 2013 proeven zijn gedaan met formaldehydevrije lijm, maar dat die proeven zijn stopgezet en er niet toe hebben geleid dat met die lijm gewerkt ging worden.2122

Uit het dossier blijkt niet dat in de ten laste gelegde periode, bijvoorbeeld, deze proeven weer zijn opgepakt of dat andere maatregelen zijn genomen.

De arbeidsinspecteurs hebben op 18 oktober 2017 de werkzaamheden op de glasafdeling stilgelegd, omdat op grond van de bevindingen uit de inspecties en na ontvangst van de meetrapporten vastgesteld was dat niet onverwijld maatregelen waren genomen om de concentratie van formaldehyde terug te brengen tot onder de grenswaarde. Er waren evenmin aanvullende maatregelen genomen om medewerkers te beschermen tegen te hoge concentraties.23

Dit onderdeel van de tenlastelegging acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Opzet

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of ten aanzien van de bewezenverklaarde onderdelen sprake was van opzet.

Zoals hiervoor vastgesteld was in ieder geval vanaf 2010 kenbaar, door de chemiekaart die bij het rapport van [bedrijf 1] gevoegd was en de daarna uitgevoerde RIE’s, dat op de glasafdeling werd gewerkt met een gevaarlijke stof, formaldehyde, die bij blootstelling schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid.

Uit het [bedrijf 3] rapport blijkt evenwel dat nooit enige actie is ondernomen om die blootstelling in kaart te brengen of te verminderen.

Op de verdeellijst van het rapport van [bedrijf 1] zijn de leidinggevenden van de glasafdeling, verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , vermeld.24

Beiden hebben verklaard het rapport niet te hebben ontvangen, dan wel niet gelezen te hebben en dat zij niet hebben geweten dat sprake was van blootstelling aan formaldehyde.

Bij de leidinggevenden lag, alleen al gezien de aard van de bedrijfsvoering en de omstandigheid dat intensief met lijm, bevattende een gevaarlijke stof, werd gewerkt, evenwel de taak actief te onderzoeken of de ureum uit de lijm die werd gebruikt, schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid en op zijn minst genomen na te gaan of enige bescherming voor de werknemers noodzakelijk was. Te meer, omdat werknemers hier ook naar vroegen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [slachtoffer 2] .

Getuige [getuige 3] heeft ook verklaard dat hij het betreffende rapport en de andere RIE rapporten heeft aangetroffen in de kast van verdachte.

Bovendien heeft verdachte verklaard dat voor de milieuvergunning meetrapporten moesten worden opgemaakt:

Toen ik in 2009 begonnen ben met de functie, toen kwam de milieuvergunning aanvraag. Daar moesten meetrapporten voor komen.

Afzuiging hebben we allemaal laten herstellen, dat is geweest naar aanleiding van een formaldehyde rapport.

Die formaldehyde was de emissie naar buiten, we konden niet aan de milieuvergunning voldoen. Voor de meting in november 2010 zijn we bezig gegaan om formaldehyde vrije of formaldehyde arme lijm te testen.”25

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat er altijd werd gesproken over ‘ureum’ en niet over ‘formaldehyde’. Hij heeft verklaard dat hij wist dat het team diverse acties had ondernomen voor die stof. Dat er gemeten werd voor de emissie. Hij werd door verdachte op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen rond de uitstoot.26

Hieruit leidt de rechtbank af dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben geweten dat er formaldehyde, dan wel een andere gevaarlijke stof in de lucht aanwezig was op de glasafdeling. Zij waren zich hierdoor, op zijn minst, bewust van de aanmerkelijke kans dat sprake was van blootstelling van de werknemers aan deze gevaarlijke stof. Deze kans hebben zij op de koop toegenomen. Hierdoor is sprake van opzettelijk handelen.

Levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid.

Om tot bewezenverklaring van artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet te kunnen komen dient bewezen te worden dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers is ontstaan of te verwachten was.

Dat werknemers daadwerkelijk schade aan de gezondheid hebben opgelopen, dan wel zijn overleden ten gevolge van de blootstelling aan formaldehyde kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.

Blijft over de vraag of ernstige schade aan de gezondheid te verwachten was.

De verdediging heeft aangevoerd dat, gelet op hetgeen de deskundige heeft verklaard, de enkele eventuele overschrijding van een grenswaarde onvoldoende is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring op dit punt.

De rechter-commissaris van deze rechtbank heeft in aanvulling op het deskundigenrapport van 3 augustus 2020 aanvullende vragen gesteld aan de deskundige, dr. ir. P.T.J. Scheepers.

De deskundige heeft onder meer het volgende verklaard:

In Nederland gelden voor de stof formaldehyde twee normen:

1. Blootstelling aan 0.150 milligram (mg) per kubieke meter lucht (m3) als tijdgewogen gemiddelde over een periode van 8 uur;

2. Blootstelling aan 0.500 mg/m3 lucht als tijdgewogen gemiddelde over een periode

van 15 minuten.

Je moet eigenlijk aan beide normen toetsen. Het ene sluit het andere niet uit. Deze normen

gaan uit van tijdgewogen gemiddelde waarden. Dit betekent dat de concentratie tijdelijk

boven deze normen mag uitkomen zolang er maar in voldoende mate compensatie optreedt

met periodes dat de concentratie onder deze norm blijft.

Formaldehyde kan als reactie sensorische irritatie geven. De gevoelssensoren in de neus en

de bijholten zorgen voor een onplezierige sensatie die als eerste wordt waargenomen als de

blootstelling stijgt vanaf 0 mg/m3. De Gezondheidsraad is van mening dat werknemers

daartegen beschermd moeten worden. De Gezondheidsraad heeft derhalve besloten dit als

uitgangspunt te kiezen van een gezondheidskundige advieswaarde die is voorgelegd aan de

Minister van SZW die dit advies vervolgens heeft overgenomen en vastgesteld als wettelijke

grenswaarde.

De Gezondheidsraad stelt dat een blootstelling aan formaldehyde die onder de

eerdergenoemde normen blijft, een werknemer een arbeidsleven lang beschermt tegen het

optreden van sensorische irritatie en daarmee ook tegen het ontwikkelen van kanker.

Dit is niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd, maar de beraadgroep van de Europese

Commissie, de SCOEL (deze taken zijn inmiddels overgenomen door het Risk Assessment

Committee, RAC) heeft dit standpunt overgenomen, zij het met een bijstelling van de eerste

norm: in plaats van 0,150 mg/m3 hanteert de EC en norm van 0,369 mg/m3. Dit betreft een

advieswaarde. De lidstaten mogen daarvan naar beneden afwijken.27

Zoals hiervoor bewezenverklaard op basis van de metingen van de heer [naam] bij het negende onderdeel van de tenlastelegging was sprake van overschrijding van de grenswaarde van formaldehyde. Daarover zegt de getuige-deskundige het volgende:

U vraagt mij of uit de rapportages van [naam] is af te leiden dat de concentraties

formaldehyde in de ademzones en huidzones van de betreffende werknemers te hoog was.

Ja, dat is daar uit af te leiden. Ik kan niet vaststellen dat de waarden door

onnauwkeurigheden in de meting te hoog zouden zijn uitgevallen.

U vraagt mij hoe mijn twijfel over de kwaliteit van het rapport van [naam] zich verhoudt tot

mijn stelligheid over de juistheid van de uitkomst.

De door [naam] toegepaste methode is valide.

Ten aanzien van de nauwkeurigheid heb ik geen twijfel. De kruisgevoeligheid speelt bij deze

methode geen rol. De overschrijding van de waarden is zodanig duidelijk dat ik geen twijfels

heb over conclusie van [naam] .

Ik heb wel mijn twijfels over de wijze van rapporteren en over het ontbreken van het lab

rapport.28

De vraag die nu beantwoord moet worden is of overschrijding van deze normstelling, die de Gezondheidsraad ter bescherming van werknemers heeft afgegeven, samen met de andere bewezenverklaarde onderdelen, die samenvattend opleveren dat de zorgplicht ten aanzien van blootstelling aan deze gevaarlijke, kankerverwekkende stof, is geschonden en de werknemers op geen enkele wijze zijn beschermd tegen blootstelling, leidt tot de vaststelling dat ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten is.

Er is onderzoek gedaan naar meerdere ziektes die zouden kunnen optreden na blootstelling aan formaldehyde. Over neuskanker heeft de deskundige het volgende verklaard:

Het meeste bewijs voor kanker als gevolg van blootstelling aan formaldehyde bestaat er voor

neuskanker. Voor neuskanker is zowel de probabiliteit als de causaliteit onderzocht. De

WHO heeft geconcludeerd dat formaldehyde een risicofactor is voor neuskanker.

Neuskanker ontstaat door directe inwerking van formaldehyde in de cellen. Als gevolg

daarvan ontstaan laesies, beschadigingen van de oppervlakkige de cellen.

De klachten uiten zich vaak bij oudere werknemers die vele jaren aan de stof zijn

blootgesteld. Neuskanker is een zeldzame ziekte, ze komt in Nederland voor bij 1 op de

100.000 personen. Wereldwijd is er consensus over dat deze vorm van kanker zich nog na 20-40 jaar na blootstelling kan openbaren. Daar is dus geen twijfel over. De relatie neuskanker —

formaldehyde is evident.

Stel dat de risicoblootstelling exact de grenswaarde is, dan zou men de risico’s kunnen gaan

berekenen. Geïnterpreteerd naar deze casus:

Neuskanker komt voorbij 1:100.000 personen.

Stel een werknemer van [medeverdacht bedrijf] heeft 10 jaar gewerkt en is blootgesteld aan precies de

grenswaarde van 0,150 mg/m3. Zijn kans op neuskanker is gedurende 10 jaar 10 keer zo

groot. Dan kom je uit op een risico van 1:1000 de ziekte op te lopen. Dat is 100 keer meer

dan het risico op neuskanker in de algemene bevolking. Dat is wel iets om met je

werknemers te bespreken.

Er zit echter wel een addertje onder het gras in die zin dat de Gezondheidsraad alleen

uitspraken doet over risico’s op groepsniveau. Ze kunnen niet zo maar worden gebruikt voor

individuele gevallen.29

De rechtbank is van oordeel dat, naast hetgeen de deskundige heeft verklaard over het risico op deze ziekte bij blootstelling, het een feit van algemene bekendheid is dat neuskanker een ziekte is die ernstige schade aan de gezondheid teweeg kan brengen.

Nu de wetgever om deze reden aanvankelijk de norm verdacht van het veroorzaken van kanker en uiteindelijk vanaf 1 januari 2016 de norm kankerverwekkend heeft gesteld en [medeverdacht bedrijf] B.V., die gezien de aard van haar bedrijfsvoering geacht mag worden zich nauwgezet op de hoogte te houden van de gevaren waaraan zij haar werknemers blootstelt, zoals hiervoor bewezenverklaard, in weerwil daarvan opzettelijk jarenlang haar productieproces blindelings heeft voortgezet en daarmee de norm heeft overschreden en geen enkele adequate actie heeft ondernomen om de blootstelling van de werknemers ook maar op enige wijze te verminderen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdacht bedrijf] B.V. op zijn minst naar voortschrijdend inzicht redelijkerwijs moest weten dat ernstige schade aan de gezondheid van de werknemers te verwachten was.

Toerekening aan [medeverdacht bedrijf] B.V. als rechtspersoon en feitelijke leidinggeven door verdachte.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan door [medeverdacht bedrijf] B.V. als rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.30

In het Drijfmest-arrest31 stelt de Hoge Raad vast dat de wet geen maatstaven bevat voor de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon en dat uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 51 Wetboek van Strafrecht (Sr.) kan worden afgeleid dat het aan de rechter is overgelaten om invulling te geven aan de eisen waaraan moet zijn voldaan teneinde een rechtspersoon te kunnen aanmerken als dader van een strafbaar feit. Uit de wetsgeschiedenis blijkt volgens de Hoge Raad verder dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.

De Hoge Raad heeft een aantal criteria geformuleerd voor aansprakelijkheid. Het hoofdcriterium is dat van de redelijke toerekening. Voor het antwoord op de vraag wanneer toerekening redelijk is, zijn volgens de Hoge Raad geen algemene regels te geven; het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan sprake zijn, indien zich een of meer van de volgende omstandigheden aandient of aandienen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Daarbij verdient volgens de Hoge Raad opmerking dat laatstbedoelde criteria, die plegen te worden aangeduid als "ijzerdraadcriteria"32, weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijk persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon. Het uit het IJzerdraad-arrest afkomstige aanvaardingscriterium is in het Drijfmest-arrest verruimd doordat dit nu ook omvat het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd ter voorkoming van de gedraging (punt 4).

De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde, gelet op de hiervoor genoemde criteria, redelijkerwijs kan worden toegerekend aan [medeverdacht bedrijf] B.V. De blootstelling aan de gevaarlijke stof formaldehyde heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Die blootstelling heeft immers plaatsgevonden doordat binnen het normale arbeidsproces op de glasafdeling de grenswaarde is overschreden en er geen maatregelen zijn genomen om de blootstelling te voorkomen of te verminderen. Bovendien is dit nalaten dienstig geweest aan de rechtspersoon, omdat er geen kosten gemaakt hoefden te worden voor beschermende maatregelen, bijvoorbeeld doordat de ureumhoudende lijm niet is vervangen door de alternatieve formaldehydevrije lijm, die veel duurder was.

Nu bewezen is dat de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan, komt de vraag aan bod of verdachte als feitelijk leidinggevende kan worden aangemerkt.

De Hoge Raad heeft bepaald dat feitelijke leidinggeven vaak zal bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich niet bewust was van de aanmerkelijke kans dat werknemers aan een risicovolle situatie werden blootgesteld, gelet op zijn enorme zware belasting binnen [medeverdacht bedrijf] B.V., de onderkwalificatie voor de functie en privéomstandigheden. Hij heeft die kans ook niet aanvaard, nu zijn vrouw en hijzelf ook op de betreffende afdeling werkten in dezelfde omstandigheden als de andere werknemers.

Verdachte heeft verklaard dat hij in 1995 is begonnen bij [medeverdacht bedrijf] B.V. en dat hij in de periode van 2013 tot en met 2017 de functie van plantmanager vervulde. Tot 2015 was hij nog meer productiemanager, daarna lag het zwaartepunt meer bij zijn functie als plantmanager. Medeverdachte [medeverdachte] was zijn direct leidinggevende.33

Verdachte heeft verklaard dat hij vanaf 2010 bezig is geweest met het verbeteren van de afzuiging binnen de afdeling en dat proeven zijn gedaan met andere lijm.34 Zoals hiervoor reeds vastgesteld hebben meerdere medewerkers vragen gesteld aan verdachte over formaldehyde en zijn de formaldehyderapporten aangetroffen in de kast van verdachte.

Binnen de leidinggevende functie die hij bekleedde in het bedrijf was (onder meer) verdachte de aangewezen persoon die kennis had kunnen en moeten nemen van de gevaarlijke stof die vrijkwam bij het arbeidsproces. Hij had vanuit zijn functie de mogelijkheid maatregelen te nemen tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen en de andere leidinggevenden hiervan in kennis kunnen en moeten stellen. Hij was zich bewust van de aanmerkelijke kans dat er een gevaarlijke stof in de lucht op de glasafdeling was en heeft door zijn nalaten het gevolg daarvan op de koop toegenomen.

In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [medeverdacht bedrijf] B.V. gepleegde strafbare feit.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdacht bedrijf] B.V. in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017, in de gemeente Emmen, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk, handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft [medeverdacht bedrijf] B.V. in nader te noemen periode(s) op de "Glasafdeling" (" [glasafdeling] ") van het bedrijf van [medeverdacht bedrijf] B.V. aan [adres 2] aldaar, zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van genoemde wet, door werknemers in de zin van genoemde wet, arbeid laten verrichten, bestaande die arbeid uit het - zakelijk weergegeven - vervaardigen van filterdoek en bij welk proces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast, terwijl niet was/werd voldaan aan

artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever niet gezorgd voor de veiligheid en/of de gezondheid van genoemde werknemers en/of andere werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten met betrekking tot de toepassing van formaldehyde (bevattende lijm) bij - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek op genoemde afdeling en/of daartoe geen beleid gevoerd dat was gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden en/of die arbeid op die

afdeling niet zodanig had georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid van die werknemers en

artikel 13, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever ten aanzien van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet met betrekking tot - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek bij welk proces formaldehyde (bevattende lijm) werd toegepast nagelaten zich te laten bijstaan door deskundige werknemers en

artikel 13, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet, immers beschikten werknemers in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 niet over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting en/of waren niet zodanig in aantal en/of waren niet gedurende zo veel tijd beschikbaar en/of zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand (bedoeld in artikel 13, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet) naar behoren konden verlenen en

artikel 4.1b, eerste lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers had [medeverdacht bedrijf] B.V. in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 als werkgever in gevallen waarin genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm) nagelaten te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en/of veiligheid van die werknemers en

artikel 4.1c, eerste lid aanhef en onder b en/of onder e van hetArbeidsomstandighedenbesluit, immers werd in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm),

in het kader van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, nagelaten dat blootstelling van die werknemers aan die gevaarlijke stof werd voorkomen of geminimaliseerd door

gebruik te maken van adequate arbeidsmiddelen en

de mate en/of de duur van blootstelling te minimaliseren en/of

artikel 4.10d, eerste lid aanhef en onder a en/of onder d van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd in de periode van januari 2013 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten formaldehyde (bevattende lijm), nagelaten dat in overeenstemming met artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet voorlichting en/of onderricht werd gegeven, waarbij ten minste aandacht werd besteed aan

de te treffen voorzorgsmaatregelen om blootstelling te voorkomen of te beperken tot een zo laag mogeljik niveau en

artikel 4.13 aanhef en onder b en/of onder c en/of onder d en/of onder f van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd in de periode van januari 2016 tot en met 18 oktober 2017 in gevallen waarbij arbeid werd verricht, te weten - zakelijk weergegeven - het vervaardigen van filterdoek, waarbij genoemde werknemers en/of andere werknemers werden of konden worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen of aan mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen, te weten formaldehyde (bevattende lijm of lucht), nagelaten dat met betrekking tot deze stoffen of processen in de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet en in aanvulling op art. 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de volgende gegevens, althans een of meer van de volgende gegevens werden opgenomen

de hoeveelheid van die kankerverwekkende of mutagene stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met de opslag respectievelijk de frequentie waarmee een proces per jaar pleegt te worden toegepast en

de soort arbeid die met die kankerverwekkende of mutagene stof pleegt te worden verricht of waarbij het kankerverwekkende proces pleegt te worden toegepast en

het aantal werknemers dat aan een/die kankerverwekkende of mutagene stof of een kankerverwekkend proces pleegt te worden blootgesteld of kan worden blootgesteld en

de persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt bij die arbeid waarbij werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan die kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen en

artikel 4.16 derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers werd in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met september 2017 bij overschrijding(en) van de grenswaarden met betrekking tot in de Arbeidsomstandighedenregeling aangewezen kankerverwekkende stoffen of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, te weten formaldehyde (bevatte lijm of lucht), met inachtneming van de artikelen 4.17 en 4.18 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, nagelaten onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen om de concentratie terug te brengen tot beneden die waarde,

terwijl daardoor, naar [medeverdacht bedrijf] B.V. redelijkerwijs moest weten ernstige schade aan de gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of andere werknemers te verwachten was,

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

Aan verdachte dient een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, opgelegd te worden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke geldboete of werkstraf, met een proeftijd van 1 jaar.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

[medeverdacht bedrijf] B.V., het bedrijf waar verdachte als leidinggevende werkte, heeft jarenlang vele werknemers op de glasafdeling laten werken, terwijl zij werden blootgesteld aan formaldehyde. Deze gevaarlijke stof is per 1 januari 2016 als kankerverwekkend aangemerkt. Daarvoor was de stof al als Zeer Zorgwekkende Stof geclassificeerd.

Ondanks waarschuwingen op bijvoorbeeld een chemiekaart en rapporten over de emissie van deze stof ten behoeve van de milieuvergunning is binnen het bedrijf geen actie ondernomen om de blootstelling in kaart te brengen en maatregelen te nemen om de blootstelling te verminderen.

Hierdoor zijn de werknemers jarenlang onnodig bij het arbeidsproces blootgesteld aan deze gevaarlijke stof. Er zijn geen persoonlijke beschermingsmiddelen ingezet om de werknemers te beschermen en ook is hen geen voorlichting gegeven over het werken met deze gevaarlijke stof. Sterker nog, de meeste werknemers wisten niet dat deze stof vrij kwam bij het arbeidsproces en de werknemers die het wel wisten werd verteld dat het geen kwaad kon. Pas in oktober 2017, na sluiting van de afdeling door de Arbeidsinspectie, zijn de werknemers hierover ingelicht.

Door een arts die als deskundige een rapport heeft geschreven over blootstelling aan deze stof en die daarover aanvullende vragen heeft beantwoord bij de rechter-commissaris is verklaard dat blootstelling aan formaldehyde in ieder geval kan leiden tot neuskanker. Het kan jaren duren voordat deze ziekte zich openbaart.

Of de betreffende werknemers ziek worden ten gevolge van blootstelling is nu niet duidelijk, maar de werknemers verkeren inmiddels al een aantal jaren in onzekerheid hierover en deze onzekerheid zal blijven. Voor werknemers die ten gevolge van de blootstelling daadwerkelijk ziek worden is dat bijzonder schrijnend.

Het lag in de sfeer van de bedrijfsvoering van [medeverdacht bedrijf] B.V. en in de leidinggevende functie van verdachte blootstelling te voorkomen en de rechtbank rekent het verdachte aan dat daar geen actie op is ondernomen.

De rechtbank houdt er anderzijds rekening mee dat inmiddels wel actie is ondernomen binnen het bedrijf. De fabriek is inmiddels gesloten en de werknemers is een aanbod gedaan om in ieder geval een bedrag uitgekeerd te krijgen om de angstschade te compenseren. Daarnaast zijn documenten gedeponeerd bij een notaris die eventueel van belang kunnen zijn bij nog te voeren letselschadeprocedures, zodat die beschikbaar blijven voor de werknemers.

Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet degene is geweest die er bewust voor heeft gekozen de gezondheid van de werknemers op het spel te zetten boven de economische belangen van het bedrijf. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank de situatie onderschat en daardoor nagelaten wat hij had moeten doen, te weten maatregelen nemen.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit en de strafprocedure heeft een lang tijdsverloop gekend. Daar houdt de rechtbank ook rekening mee, alsmede met de straffen die bij vonnissen van heden worden opgelegd aan de medeverdachte rechtspersoon en de medeverdachte leidinggevende, aan wie verdachte ondergeschikt was.

Hoewel de ernst van het feit oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank, in het licht van het vorenstaande, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

Een groot aantal werknemers heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces, te weten:

1. [benadeelde]

2. [benadeelde]

3. [benadeelde]

4. [benadeelde]

5. [benadeelde]

6. [benadeelde]

7. [benadeelde]

8. [benadeelde]

9. [benadeelde]

10. [benadeelde]

11. [benadeelde]

12. [benadeelde]

13. [benadeelde]

14. [benadeelde]

15. [benadeelde]

16. [benadeelde]

17. [benadeelde]

18. [benadeelde]

19. [benadeelde]

20. [benadeelde]

21. [benadeelde]

22. [benadeelde]

23. [benadeelde]

24. [benadeelde]

25. [benadeelde]

26. [benadeelde]

27. [benadeelde]

28. [benadeelde]

29. [benadeelde]

30. [benadeelde]

31. [slachtoffer 3]

32. [slachtoffer 4]

33. [benadeelde]

34. [benadeelde]

35. [benadeelde]

36. [benadeelde]

37. [benadeelde]

38. [benadeelde]

39. [benadeelde]

40. [benadeelde]

41. [benadeelde]

42. [benadeelde]

43. [benadeelde]

44. [benadeelde]

45. [benadeelde]

46. [benadeelde]

47. [benadeelde]

48. [benadeelde]

49. [benadeelde]

50. [benadeelde]

51. [benadeelde]

52. [benadeelde]

53. [benadeelde]

54. [benadeelde]

55. [benadeelde]

56. [benadeelde]

57. [benadeelde]

58. [benadeelde]

59. [benadeelde]

60. [benadeelde]

61. [benadeelde]

62. [slachtoffer 5]

63. [benadeelde]

64. [benadeelde]

65. [benadeelde]

66. [benadeelde]

67. [benadeelde]

68. [benadeelde]

69. [benadeelde]

70. [benadeelde]

71. [benadeelde]

72. [benadeelde]

73. [benadeelde]

74. [benadeelde]

75. [benadeelde]

76. [benadeelde]

77. [benadeelde]

78. [benadeelde]

79. [slachtoffer 1]

80. [benadeelde]

81. [benadeelde]

82. [benadeelde]

83. [getuige 5]

84. [benadeelde]

85. [benadeelde]

86. [benadeelde]

87. [benadeelde]

88. [benadeelde]

89. [benadeelde]

90. [benadeelde]

91. [benadeelde]

92. [benadeelde]

93. [benadeelde]

94. [benadeelde]

95. [benadeelde]

96. [benadeelde]

97. [benadeelde]

98. [benadeelde]

99. [benadeelde]

100. [benadeelde]

101. [benadeelde]

102. [slachtoffer 2]

103. [benadeelde]

104. [benadeelde]

De benadeelde partijen vorderen verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen vanwege geleden materiële schade, maar veelal vanwege immateriële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

Met een groot deel van de benadeelde partijen is inmiddels een vaststellingsovereenkomst gesloten. Die benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering. Ook de overige benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de vorderingen veelal of te weinig concreet of niet onderbouwd zijn.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat door de benadeelde partijen uiteenlopende bedragen zijn gevorderd en ook dat veel benadeelde partijen geen concreet bedrag hebben genoemd.

Bij sommige benadeelde partijen is sprake van lichamelijke klachten, maar de meeste benadeelde partijen geven te kennen dat sprake is van angst voor het ontwikkelen van lichamelijke klachten. Die angst brengt (veel) stress met zich mee.

Sommige benadeelde partijen hebben jarenlang fulltime op de glasafdeling gewerkt, zonder te weten dat zij aan een gevaarlijke stof werden blootgesteld. Andere benadeelde partijen hebben een korte periode op de afdeling gewerkt. Hoe dan ook, alle benadeelde partijen zijn enorm geschrokken van de kennisgeving dat zij zijn blootgesteld aan een kankerverwekkende stof en dat zij dus het risico lopen ernstig ziek te worden.

Hoewel onzeker is of, dan wel welke benadeelde partijen ziek zullen worden, welke lichamelijke klachten zij zullen ontwikkelen en op welke termijn, wilde verdachte in ieder geval een gebaar maken richting de getroffenen. Met een aantal benadeelde partijen is dan ook ondertussen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij hebben inmiddels een bedrag uitgekeerd gekregen ter compensatie van de angstschade.

Om de vorderingen toe te kunnen wijzen moeten vele vragen door de rechtbank worden beantwoord, waaronder:

  • -

    heeft de benadeelde partij in de ten laste gelegde periode op de betreffende afdeling gewerkt?

  • -

    zo ja, hoe lang en hoe vaak?

  • -

    is er een concreet bedrag gevorderd en hoe is dit bedrag berekend?

  • -

    is er een vaststellingsovereenkomst met de benadeelde partij gesloten?

Het beantwoorden van deze en andere vragen en het in de gelegenheid stellen van benadeelde partijen om de vorderingen alsnog te concretiseren, dan wel nader te onderbouwen, leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, temeer omdat namens verdachte de vorderingen gemotiveerd zijn betwist. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom die gelegenheid niet bieden.

De rechtbank ziet evenwel het belang van de benadeelde partijen bij het voeren een (letselschade)procedure bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal om die reden de vorderingen niet afwijzen, maar niet-ontvankelijk verklaren. Hierdoor houden de benadeelde partijen de mogelijkheid de vorderingen voor te leggen aan de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 1, 2, en 6 van de Wet op de Economische Delicten, alsmede op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 51 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feiten oplevert:

het misdrijf: feitelijke leiding geven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen zoals bij naam genoemd onder 8.1 in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. H. Meijer , voorzitter, mr. J. Wentink en mr. D ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Offerein-Hulshoff, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2021.

Buiten staat

Mr. D. ten Boer is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inspectie SZW, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van het onderzoek genaamd Lancaster met nummer 6640-2017-1730 d.d. 3 oktober 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 19 maart 2018, pagina 321.

2 Het proces-verbaal van verdenking d.d. 13 februari 2018, pagina 14.

3 Het rapport van [bedrijf 1] ‘Formaldehydemetingen op de werkplek van [medeverdacht bedrijf] oktober 2010’d.d. 7 oktober 2020, bijlage 4 Chemiekaart Formaldehyde, pagina 764.

4 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico Inventarisatie en - Evaluaties (RI&E's ) d.d. 22 mei 2018, pagina 546.

5 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico Inventarisatie en - Evaluaties (RI&E's ) d.d. 22 mei 2018, pagina 554.

6 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico Inventarisatie en - Evaluaties (RI&E's ) d.d. 22 mei 2018, pagina 555.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 5 april 2018, pagina 391.

8 Het proces-verbaal deskundigheid Arbeidsomstandighedenwet medewerkers [medeverdacht bedrijf] B.V. d.d. 1 augustus 2018, pagina 560.

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 11 juli 2018, pag. 394 - 396.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 19 juli 2018, pagina 409 - 410.

11 Rapport [bedrijf 3] d.d. 3 maart 2018, pagina 15, 16/50, proces-verbaal pagina 891, 892.

12 Rapport [bedrijf 3] d.d. 3 maart 2018, pagina 13/50, proces-verbaal pagina 889.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] d.d. 5 april 2018, pagina 391.

14 Proces-verbaal bevindingen verhoor werknemers [medeverdacht bedrijf] d.d. 15 maart 2018, pagina 625.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 4 april 2018, pagina 369 en 371.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 31 mei 2018, pagina 417

17 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico Inventarisatie en - Evaluaties (RI&E's ) d.d. 22 mei 2018, pagina 554.

18 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Risico Inventarisatie en - Evaluaties (RI&E's ) d.d. 22 mei 2018, pagina 556.

19 Meetrapport Formaldehyde en kleurstof [medeverdacht bedrijf] te Emmen, afdeling [glasafdeling] , van [naam] van [bedrijf 2] d.d. 29 september 2017, pagina 775 – 779.

20 Meetrapport Formaldehyde en kleurstof [medeverdacht bedrijf] te Emmen, afdeling [glasafdeling] , van [naam] van [bedrijf 2] d.d. 17 oktober 2017, pagina 783 en 785.

21 Proces-verbaal van (2e) verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 49.

22 Proces-verbaal van (2e) verhoor verdachte [verdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 85.

23 Proces-verbaal van verdenking d.d. 14 februari 2018, pagina 14.

24 Het rapport van [bedrijf 1] ‘Formaldehydemetingen op de werkplek van [medeverdacht bedrijf] oktober 2010’d.d. 7 oktober 2020, pagina 753.

25 Proces-verbaal van (2e) verhoor verdachte [verdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 82 en 85.

26 Het proces-verbaal van (1e) verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 41.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige dr. Ir. Paulus Theodorus Johannes Scheepers, afgenomen door de rechter-commissaris op 9 december 2020, pagina 3.

28 Het proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige dr. Ir. Paulus Theodorus Johannes Scheepers, afgenomen door de rechter-commissaris op 9 december 2020, pagina 7.

29 Het proces-verbaal van verhoor getuige-deskundige dr. Ir. Paulus Theodorus Johannes Scheepers, afgenomen door de rechter-commissaris op 9 december 2020, pagina 8, 9 en 10.

30 HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733

31 HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938

32 HR 23 februari 1954

33 Het process-verbaal van (1e) verhoor verdachte [verdachte] d.d. 26 juni 2018, pagina 74, 76 en 78.

34 De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte d.d. 14 januari 2021.