Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:776

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-02-2021
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
ak_20_1513
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boete op grond van de Meststoffenwet in verband met het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de stikstof-gebruiksnorm; wijze waarop de gehalten aan fosfaat en stikstof in de voorraden dierlijke mest van mestcode 10 en 14 zijn bepaald; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/1513

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1] te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. D. Pool,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Meststoffenwet (hierna: de Msw) een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 12.845,70 voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de stikstof-gebruiksnorm.

Bij besluit van 7 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (verder: het CBb). Op 4 augustus 2020 heeft het CBb het beroepschrift voor verdere behandeling aan de rechtbank doorgezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van eiseres een door ir. A.H.J. van der Putten (verder: Van der Putten), werkzaam bij Optimus Mineraal, opgestelde notitie aan de rechtbank toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021.

Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [naam 1] [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden J.H. Eleveld en B. Raven.

Overwegingen

1. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: de NVWA) heeft op het bedrijf van eiseres over het jaar 2017 een controle uitgevoerd in verband met onder meer de derogatie- en gebruiksnormen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat eiseres de verhoog-de gebruiksnorm en de stikstofgebruiksnorm heeft overschreden waardoor de derogatie is komen te vervallen.

2. Bij brief van 16 juli 2019 heeft verweerder eiseres bericht over het voornemen haar een bestuurlijke boete op te leggen. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres op

22 augustus 2019 een zienswijze ingediend.

Vervolgens is bij besluit van 17 september 2019 eiseres een gematigde boete opgelegd van

€ 12.845,70 voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 2.028 kg stikstof en de stikstofgebruiksnorm met 22 kg stikstof in het jaar 2017.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

3. Eiseres heeft – samengevat – aangevoerd dat niet zonder meer kan worden gesteld dat

de gehalten in de eindvoorraad dierlijke mest gewaardeerd dienen te worden op basis van de

gemiddelde gehalten in de afgevoerde mest, omdat in de beginvoorraad deze gehalten niet

zouden kwalificeren als best beschikbare gehalten. Volgens eiseres dient aansluiting te

worden gezocht bij de forfaitaire gehalten als best beschikbare gehalten. Eiseres heeft zich

verder geschaard achter de conclusie van Van der Putten dat de gehalten die volgen uit de

drijfmest die in 2016 van het bedrijf van eiseres is afgevoerd, niet gekwalificeerd kunnen

worden als de best beschikbare gegevens van de gehalten in de eindvoorraad dierlijke mest.

In de optiek van Van der Putten wordt - als alternatief - door uit te gaan van de waardering

van de voorraden tegen de gehalten van de in het betreffende kalenderjaar geproduceerde

mest, een controleerbare, verifieerbare, invulling gegeven aan het begrip best beschikbare

gegevens. Eiseres vraagt zich verder af waarom het fenomeen “stikstofgat” zich niet bij

graasdieren zou kunnen voordoen. Eiseres vindt dat de door haar gehanteerde BEX-

berekening vergelijkbaar is met de bij de staldieren toegepaste stalbalans.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het fosfaat- en het stikstofgehalte van de in een op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van de best beschikbare gegevens. De best beschikbare gegevens worden verkregen door de gehele voorraad mest te bemonsteren en te analyseren op dezelfde manier als bij de aan- en afvoer van de mest. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gebruik gemaakt worden van de berekening van de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten die eerder bepaald zijn aan de hand van de bemonstering en analyse van de in het desbetreffende jaar van het bedrijf afgeleverde hoeveelheden dierlijke meststoffen. Verweerder heeft tenslotte gesteld dat in een BEX-berekening al een correctie is opgenomen voor stikstofvervluchtiging, zodat voor een afzonderlijke berekening van gasvormige stikstofverliezen geen plaats is. In dit verband heeft verweerder verwezen naar een tweetal uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en de (voormalige) rechtbank Zwolle-Lelystad,

5. Voor een overzicht van de relevante wet- en regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan het bestreden besluit is toegevoegd.

6. Eiseres is van mening dat zij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de wijze waarop de gehalten aan fosfaat en stikstof in de voorraden dierlijke mest van mestcode 10 (vaste mest) en mestcode 14 (drijfmest) per ultimo 2016 en 2017 zijn bepaald.

Niet in geschil is dat de gehalten van de aanwezige mestvoorraad van mestcode 10 (vaste mest) dienen te worden gewaardeerd tegen de forfaitaire gehalten van de betreffende mestcode. Het geschil beperkt zich daarmee tot de gehalten die dienen te worden toegekend aan de mest in voorraad van mestcode 14 (rundveedrijfmest).

7. Op grond van artikel 7 van de Msw is het verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen. In artikel 8 van de Msw is bepaald dat het in artikel 7 gestelde verbod niet geldt indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveel-heid meststoffen in het desbetreffende jaar de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen of de stikstof- of fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen niet wordt overschreden.


Ingevolge artikel 51 van de Msw kan verweerder een bestuurlijke boete opleggen bij een overtreding van artikel 7 van de Msw.

8. De rechtbank dient te beoordelen of eiseres het verbod van artikel 7 van de Msw om meststoffen op of in de bodem te brengen heeft overtreden. Volgens vaste rechtspraak van het CBb ligt de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen volgens het systeem van de Msw primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de opheffing van het verbod om meststoffen in de bodem te brengen, zal eiseres aannemelijk moeten maken dat de gebruiksnormen niet door haar zijn overschreden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van het CBb van 7 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:355.

9. De wijze van berekenen van de voorraden meststoffen is geregeld in artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Msw (verder: de Regeling). Op grond van het tweede lid van dit artikel worden het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte bepaald op basis van de best beschikbare gegevens. Uit het vierde lid van dit artikel volgt dat de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk is aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.

10. Verweerder is bij de berekening van de gemiddelde gehalten - in het spoor van de NVWA - bij de post “beginvoorraad” uitgegaan van het gemiddelde fosfaat-/stikstofgehalte in de afgevoerde drijfmest behalve van vleeskalveren (mestcode 14) over 2015 en 2016.

Bij de berekening van de gemiddelde gehalten bij de post “eindvoorraad” is verweerder uitgegaan van het gemiddelde fosfaat-/stikstofgehalte in de afgevoerde drijfmest behalve van vleeskalveren (mestcode 14) over 2017.

11. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder als reactie op het rapport van Van der Putten toegelicht dat in de Regeling een berekeningsmethode is opgenomen en dat niet alleen mag worden uitgegaan van de gegevens van de geproduceerde mest, omdat – samengevat – het resultaat van geproduceerde mest niet één op één geldt voor de mest die van het bedrijf is afgevoerd. Voor het bepalen van de voorraad is de afgevoerde mest alleen niet representatief, aldus de gemachtigde van verweerder.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de berekening met gemiddelde gehalten in dit geval de best beschikbare gegevens oplevert, zoals bedoeld in artikel 94, tweede lid, van de Regeling. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank gevraagd hem in de gelegenheid te stellen de reactie van verweerder nog voor te leggen aan Van der Putten.

De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende aanleiding nu de gemachtigde van eiseres de gelegenheid heeft gehad Van der Putten als deskundige mee te nemen naar de zitting en hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat eiseres aan de hand van alternatieve gegevens over de geproduceerde mest onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gebruiks-normen niet zijn overschreden.

11. Voor wat betreft het stikstofgat heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht dat de mestproductie van graasdieren op het bedrijf van eiseres bepaald is aan de hand van de BEX-berekening. In deze berekening is al een correctie opgenomen voor stikstofvervluchtiging. Daarmee is naar de mening van verweerder voor een afzonderlijke berekening van gasvormige stikstofverliezen geen plaats. Gelet op de door verweerder in het verweerschrift aangehaalde jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres op dit punt niet slagen.

12. Nu tegen de hoogte van de opgelegde boete als zodanig geen beroepsgronden zijn aangevoerd, komt de rechtbank tot het eindoordeel dat het beroep ongegrond is.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. J.W.M. Bunt, en

mr. A. de Boer, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.