Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:75

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
08-710024-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 72-jarige vrouw is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 137 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Uit het dossier in de onderhavige strafzaak is naar voren gekomen dat sprake is van jarenlange overlast door verdachte in de buurt waar zij woont. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan laster jegens haar buurtgenoten, waarbij zij de slachtoffers in brieven heeft beschuldigd van allerlei feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-710024-19 (P)

Datum vonnis: 12 januari 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door de raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [naam 1] , burgemeester van de gemeente Hof van Twente, heeft belaagd door haar vele berichten en brieven te sturen;

feit 2 primair en subsidiair: zich schuldig heeft gemaakt aan smaad door brieven te versturen waarin zij [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en/of [naam 7] beschuldigt van feiten (terwijl zij wist dat die in strijd waren met de waarheid);

feit 2 meer subsidiair: deze personen in verschillende brieven heeft beledigd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij in of omstreeks van 1 december 2018 tot en met 30 juni 2019 te Delden, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , burgemeester van Hof van Twente, door voornoemde van [naam 1] op haar persoonlijk e-mailadres van de gemeente Hof van Twente en/of naar het mailadres van de gemeente Hof van Twente, vele berichten toe te sturen of toe te zenden en/of aan die Van Moordel één of meer brieven te sturen met het oogmerk die Van [naam 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 september 2018 tot 15 november 2018 te Delden, gemeente Hof van Twente de eer en/of de goede naam van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en/of [naam 7] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door aan buren, althans aan andere bewoners van de Nieuwstraat brieven te bezorgen of te sturen en/of brieven en/of een mail te sturen naar het Commissariaat voor de media en RTV Oost, waarin zij die bovengenoemde personen beschuldigd van het doen van valse aangiften, opruiing, vernielingen van ruiten, buitenverlichting en/of auto's, terwijl verdachte wist dat de ten laste gelegde feiten in strijd met de waarheid was;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 september 2018 tot 15 november 2018 te Delden, gemeente Hof van Twente de eer en/of de goede naam van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en/of [naam 7] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door aan buren, althans aan andere bewoners van de Nieuwstraat brieven te bezorgen of te sturen en/of brieven en/of een mail te sturen naar het Commissariaat voor de media en RTV Oost, waarin zij die bovengenoemde personen beschuldigd van het doen van valse aangiften, opruiing, vernielingen van ruiten, buitenverlichting en/of auto's;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 september 2018 tot 15 november 2018 te Delden, gemeente Hof van Twente opzettelijk:

- [naam 2] bij geschrift en/of door een toegezonden of aangeboden geschrift heeft beledigd door haar op of omstreeks 12 september 2018 en/of 11 november 2018 een brief of brieven te bezorgen met de woorden en/of teksten: “dat zij een satanist, een vervloekte is”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- [naam 3] op of omstreeks 12 september 2018 en/of 05 november 2018 en/of 9 november 2018 een brief of brieven te bezorgen met de woorden en/of teksten: “doodslasteraars, geen IQ, psychisch gestoorde”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- [naam 4] op of omstreeks 12 september 2018 en/of 11 november 2018 een brief of brieven te bezorgen met de woorden en/of teksten: “ [naam 4] moordenaars, leugenaars, belastingontduiker, godslasteraars en/of bezetene”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- [naam 5] op of omstreeks 12 september 2018 een brief te bezorgen met de woorden en/of teksten: “de roodharig van nummer 10, inbreker, valse aangever, leugenaar, afvallige, schizofreen en/of bezeten”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- [naam 6] op of omstreeks 12 september 2018 een brief te bezorgen met de woorden en/of teksten: “de satanisten, de vervloekten ene [naam 6] nummer 9” en/of “ [naam 6] , nummer 09, een psychisch gestoord ziek wijf, ging zich te buiten aan godslasteringen en/of de man er van ligt onder de groene zoden en is nu in de hel”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- [naam 7] op of omstreeks 11 oktober 2018 een brief te bezorgen met de woorden en/of teksten: “de criminelen, allen lid van de vrijmetselarij zijn: [naam 7] nummer 25”.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie is dat het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van feit 1 volgt dat uit de hoeveelheid van de door verdachte verstuurde e-mailberichten en de impact die deze hadden op het slachtoffer. Ten aanzien van feit 2 volgt dat uit de inhoud van de brieven en uit het feit dat deze zijn geadresseerd aan verschillende buurtbewoners en ook aan de media. Verdachte wist bovendien, in ieder geval op bepaalde momenten, dat hetgeen zij in de brieven schreef in strijd was met de waarheid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman was geen sprake van belaging van aangeefster. Zij heeft weliswaar een aantal e-mails van verdachte ontvangen, maar zij had deze eenvoudig kunnen weren door deze e-mails in haar spamfolder terecht te laten komen, zodat zij het contact niet hoefde te aanvaarden. Bovendien betreft het e-mailverkeer met betrekking tot bestuursrechtelijke procedures en is van dwingen te doen of te dulden geen sprake. Daaruit volgt dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Tegen de onder 2 genoemde feiten heeft de raadsman geen verweer gevoerd, anders dan dat deze gebaseerd zijn op een ordinaire burenruzie waarvan ook verdachte het slachtoffer is geweest.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank constateert dat verdachte ontstellend veel brieven en e-mails - waarvan van een deel kan worden vastgesteld dat de toonzetting als vervelend en hinderlijk kan worden gekwalificeerd - heeft verstuurd, zowel aan het algemene adres van de gemeente Hof van Twente als aan het persoonlijke e-mailadres van aangeefster, in haar functie van burgemeester van de gemeente Hof van Twente. Dit betekent echter niet zonder meer dat ook sprake is geweest van belaging van de persoon van aangeefster. Daarvoor moet immers sprake zijn van een wederrechtelijke stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met het oogmerk het slachtoffer te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Hoewel het erop lijkt dat verdachte meer e-mails dan nodig aan het gemeentelijk e-mailadres van de burgemeester heeft gezonden, is de rechtbank op basis van de inhoud van de e-mails van oordeel dat geen sprake is van e-mails die het oogmerk hebben de burgemeester te dwingen om iets te doen, niet te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 285b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Gezien het voorgaande, acht de rechtbank niet bewezen wat aan verdachte met betrekking tot feit 1 is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank acht op basis van de verklaringen van aangevers en de in het strafdossier aanwezige, van verdachte afkomstige, brieven bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode brieven heeft verstuurd waarin zij betrokkenen heeft beschuldigd van meerdere feiten, waaronder opruiing, vernielingen en het doen van valse aangiften. Daardoor werden de geadresseerden in hun eer en goede naam aangetast. Deze brieven werden niet alleen bij de aangevers bezorgd; afschriften van de brieven werden door verdachte bij straatgenoten bezorgd en verdachte stuurde die brieven ook naar het Commissariaat voor de media en RTV Oost. Dat heeft verdachte gedaan met het kennelijke doel om deze ter kennis van een bredere kring van derden te brengen, zodat er sprake was van “ruchtbaarheid geven”, als bedoeld in artikel 261 Sr. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat verdachte zich ervan heeft vergewist of de beschuldigingen in haar brieven enig fundament hadden. Gelet op de inhoud daarvan houdt de rechtbank het ervoor dat ieder weldenkend mens, verdachte niet uitgesloten, de wetenschap heeft dat de teksten niet anders kunnen worden beschouwd dan als ongefundeerde, ernstige en evident valselijke aantijgingen richting de slachtoffers die niet voor waar kunnen worden aangenomen.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

zij op één of meer tijdstippen in de periode van 01 september 2018 tot 15 november 2018 te Delden, gemeente Hof van Twente de eer en/of de goede naam van [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en/of [naam 7] heeft aangerand door tenlastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door aan buren, althans aan andere bewoners van de Nieuwstraat brieven te bezorgen of te sturen en/of brieven en/of een mail te sturen naar het Commissariaat voor de media en RTV Oost, waarin zij die bovengenoemde personen beschuldigt van het doen van valse aangiften, opruiing, vernielingen van ruiten, buitenverlichting en/of auto's, terwijl verdachte wist dat de ten laste gelegde feiten in strijd met de waarheid waren.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 262 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2 primair

het misdrijf:

laster, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd – uitgaande van een bewezenverklaring van feit 1 en feit 2 primair – dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Uit het dossier in de onderhavige strafzaak is naar voren gekomen dat sprake is van jarenlange overlast door verdachte in de buurt waar zij woont. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan laster jegens haar buurtgenoten, waarbij zij de slachtoffers in brieven heeft beschuldigd van allerlei feiten. Zo heeft zij haar buurtgenoten verweten dat zij vernielingen hebben gepleegd, valse aangiften hebben gedaan en zich schuldig hebben gemaakt aan opruiing. Uit de brieven blijkt verder dat verdachte hen heeft uitgemaakt voor psychopaat, gestoorde, moordenaar, schizofreen en meer van dergelijke kwalificaties. Zij is er ook niet voor teruggeschrokken om over de overleden echtgenoot van een van de slachtoffers te schrijven dat hij zich in de hel bevindt. Aldus heeft verdachte de slachtoffers veel verdriet en angst bezorgd, wat ook blijkt uit de verklaringen die zich bij de hierna te melden vorderingen van de benadeelde partijen bevinden.

Inmiddels is verdachte verhuisd naar Duitsland en heeft zij haar woning in Delden verkocht. Mogelijk zal dit de angst van buurtgenoten dat verdachte zich met betrekking tot hen opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten, doen afnemen.

Uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 november 2020 van 15 pagina’s blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten, zoals bedreiging en belediging. De rechtbank constateert dat er sprake is van hardnekkige recidive op het gebied van het veroorzaken van overlast, waarmee in de strafmaat rekening moet worden gehouden.

Gelet op die documentatie zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat op de voet van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht, rekening houden met een eerdere veroordeling van verdachte, te weten een door het Centrale Verwerking Openbaar Ministerie op 15 maart 2019 aan verdachte opgelegde strafbeschikking, inhoudende een boete van

€ 350,00.

Over verdachte is op 6 mei 2020 door dr. L.E.E. Ligthart, klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog, een psychologisch rapport uitgebracht. De psycholoog constateert dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis met wanen op godsdienstig gebied. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en schizotypische trekken.

Dit was ook het geval ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en de ziekelijke stoornis van de geestvermogens beïnvloedde de gedragingen van verdachte op dat moment. De psycholoog adviseert daarom om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

Dit oordeel neemt de rechtbank over en maakt dit tot het hare.

Aangezien verdachte niet heeft gereageerd op uitnodigingsbrieven van de reclassering is er geen advies uitgebracht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd, te weten een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijk deel met een proeftijd van drie jaren om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[naam 2] (feit 2 primair) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen wegens immateriële schade tot een totaalbedrag van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

[naam 6] (feit 2 primair) heeft zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen wegens immateriële schade tot een totaalbedrag van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de beide vorderingen goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, inclusief de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de gevorderde schadevergoedingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde immateriële schadeposten zijn niet betwist en deels voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de immateriële schade vast te stellen naar billijkheid. De rechtbank zal de vorderingen toewijzen tot een bedrag van € 250,00 per benadeelde partij, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en zal de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen en de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2 primair het misdrijf: laster, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 137 (honderdzevenendertig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoedingen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2] (feit 2 primair): van een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 2] , voor een deel van € 950,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 6] (feit 2 primair): van een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 6] , voor een deel van € 950,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

Buiten staat

Mrs. Wentink en Eshuis zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Indien hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier PL0600-2019381883 van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Midden van 4 september 2019. Er wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij hieronder anders wordt vermeld.

Feit 2 primair

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 4 oktober 2018, pagina 40 t/m 42, inclusief de bijlage op pagina 46 t/m 53, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik word al jaren stelselmatig lastig gevallen door mijn buurvrouw [verdachte] , woonachtig aan de [adres 2] te Delden. (…). Op de brieven die ze bij mijn woning in de brievenbus heeft gegooid, staan diverse beledigende en vreselijke teksten over mij. Onderaan de brief staat de datum 22-08-2018. Dit is kennelijk de datum dat mevrouw [verdachte] de brief heeft opgemaakt. De brief is gericht aan RTV Oost. TV Oost heeft op deze brief gereageerd en richten de brief aan mr. [naam 8] . Ik kan u vertellen dat dit een valse naam en titel is die door mevrouw [verdachte] wordt gebruikt. Op 15 juli 2018 heeft ze een mail gestuurd naar RTV Oost. (…). Op de volgende bladzijde staat: leugenaar bij uitstek, het doen van talloze valse aangiftes, het ophitsen van Deldenaren en alle scholen, ruiten worden ingetrapt. De Satanisten, vrijmetselaars, vervloekten zijn: 1. [naam 9] , [adres 3] (…)”. De brieven zijn bij de genoemde buren in de bus gegooid en zijn dus aan meerdere mensen kenbaar gemaakt. Ik wil u nog verklaren dat ik door mevrouw [verdachte] in de brieven “ [naam 9] ” ben genoemd, maar dit is de naam van mijn overleden man. Mijn meisjesnaam is: “ [naam 2] ”.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 6 december 2018, pagina’s 66 en 67, inclusief de bijlage op pagina’s 69 en 70, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik ben woonachtig aan de [adres 3] . Op zondag 11 november 2018 vond ik op de deurmat in de gang van mijn woning een brief. In deze brief stonden wederom beledigende teksten over mij. Ik zag dat het een afschrift was van een aangifte gedaan via www.politie.nl. Hierin stond dat ze aangifte wilde doen tegen de buren, maar ook ik werd hierin genoemd: “nr. 12 [naam 9] idem, vrijmetselaar en satanist”. Verder stonden de volgende teksten nog in de brief: “4. Ze maken zich schuldig aan: vernielingen, in de tuin, ingooien van de ruiten, vernielen buitenverlichting, vernielen autoruiten, hitsen vandalen op, gooien stenen tegen de ruiten”.

3.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 19 november 2018, pagina’s 71 en 72, inclusief de bijlage op pagina’s 76 en 77, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Op maandag 5 november 2018 zit ik in de voorkamer als ik [verdachte] de voordeur zie openen en de straat zie oversteken naar mijn voordeur. Ik hoor een zachte tik van de brievenbus en zie dat [verdachte] weer terug loopt naar haar huis en weer naar binnen gaat. Ik kijk in de gang en zie dat [verdachte] weer papieren door de bus heeft gegooid. Ik zie dat het een print van een aangifte (4-11-2018) is tegen verschillende buren, waaronder ik zelf. Zij beschuldigd ons van: valse aangiftes, ophitsen van hele scholen en vandalen. Ze beschuldigd ons van ingooien van de ruiten, vernielen autoruiten, vernielen van buitenverlichting, hitsen vandalen op. Zondag 11 november hoor ik het hek en de auto van [verdachte] . (…). Ter hoogte van [naam 4] stopt ze. Kort daarna hoor ik hard bonzen op een deur of raam. Dan hoor ik de autodeur dichtslaan. [verdachte] keert terug naar de auto en ter hoogte van [naam 9] stopt ze en ik zie dat ze uitstapte en met papieren naar de voordeur van [naam 9] loopt. Daarna steekt ze de straat over en loopt, gezien de richting, naar het huis van [naam 6] . Aangezien ik die zondagochtend geen brieven van [verdachte] heb gekregen, krijg ik het vermoeden dat diegene die wel post hebben gekregen, dezelfde brief hebben ontvangen die ik maandag al heb gehad. Bij navraag later die ochtend bij [naam 9] klopt dat ook.

4.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 4 oktober 2018, pagina’s 81 en 82, inclusief de bijlage op pagina’s 86 en 87, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

In de nacht van dinsdag 11 september 2018 op woensdag 12 september 2018 sliep ik erg slecht. Omstreeks 05.30 uur in de ochtend hoorde ik het hek bij [verdachte] open gaan. Ongeveer een uur later hoorde ik dat het hek weer dichtgemaakt werd. Ik was erg benieuwd wat er gebeurde en ik heb toen vanuit het slaapkamerraam naar buiten gekeken. Ik zag toen dat [verdachte] met een papier in haar hand naar de voordeur van de woning van “ [naam 9] ” toe liep. [naam 9] woont op de [adres 3] . Ik kon zien dat [verdachte] bij de voordeur bukte en het leek erop alsof ze iets in de bus deed. Ik zag toen dat ze met een papier in haar hand naar mijn huis toe liep. Ik zag haar toen weer terug lopen naar haar auto toe. Ik zag toen dat ze geen papier meer in haar hand had. Ik zag toen dat ze in haar auto stapte. Ik ben toen snel naar beneden gelopen en ik zag toen ik beneden kwam dat er papieren op de deurmat lagen. Ik heb toen zachtjes de voordeur open gedaan en ik zag toen ik naar buiten keek dat de auto van [verdachte] ter hoogte van [naam 4] stil stond. [naam 4] is woonachtig op de [adres 4] . Ik ben toen naar binnen gegaan en heb de papieren gelezen die ik op mat vond. Ik zag toen dat het een mail was die gestuurd was naar het Commissariaat voor de media en RTV Oost. Ook is er een mail gericht aan verschillende personen en instanties waarin ik ook word genoemd en die ik persoonlijk zeer beledigend vind. Bij de volgende alinea nummer 3 staat: “De manier waarop deze componisten werken zijn velerlei: valse aangifte, valsheid in geschrifte, ophitsen jeugd en scholen ophitsen Deldenaren, vernielingen, beschadigen ruiten, halogeenlampen buiten”. Ik word in deze brief, die door mevrouw [verdachte] bij alle genoemde buren in de bus is gedaan en naar verschillende instanties toe is gemaild, met naam en toenaam genoemd en beledigd. Ik ben de volgende dag naar [naam 9] die op [adres 3] woont toe gegaan om navraag te doen. Ik hoorde toen van [naam 9] dat zij dergelijke brieven ook heeft gekregen.

5.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 4 oktober 2018, pagina 91, inclusief de bijlage op pagina 95 t/m 102, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op woensdag 12 september 2018 ontving ik op mijn woonadres een brief in de brievenbus. Ik woon aan de [adres 4] . Toen ik de brief opende wist ik direct dat het van mijn overbuurvrouw mevrouw [verdachte] was. In deze brief die ik thuis ontving, staan allerlei beledigende teksten over mij. In deze brief staat onder andere genoemd [naam 4] een ophitser is.

6.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 19 november 2018, pagina’s 103 en 104, inclusief de bijlage op pagina’s 108 en 109, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

Op zondag 11 november 2018 kwam mijn buurvrouw [naam 7] naar mij toe tijdens de kerkdienst. [naam 7] vroeg mij of ik ook een brief had gehad. [naam 7] vertelde dat ze een brief in haar brievenbus had gekregen afkomstig van mevrouw [verdachte] . Toen ik thuis kwam bleek er inderdaad ook bij mij thuis weer een brief in de brievenbus te liggen. In de brief staan wederom beledigende teksten over mij en over mijn buren. De brief is een kopie van een aangifte die mevrouw [verdachte] kennelijk via de site www.politie.nl heeft gedaan. Op dit kopie is met stift geschreven: “ [naam 4] ”. Ze noemt hier alle namen van de buren en ook weer mijn naam “ [naam 4] ”. Ze spreekt in de brief over valse aangiftes etc. Ik zou mij schuldig maken aan vernielingen in de tuin, vernielde autoruiten, ingooien van de ruiten, vernielen buitenverlichting, ophitsen vandalen.

7.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 5] van 4 oktober 2018, pagina’s 110 en 111, inclusief de bijlage op pagina 114 t/m 121, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Deze brieven zijn bij mij op woensdag 12 september 2018 en meerdere buren in de brievenbus gegooid en ook doorgestuurd naar instanties. In deze brieven staan beledigingen over mij. Op pagina nummer 8: “Punt 6. De roodharige nr. 110, valse aangever”.

8.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 6] van 4 oktober 2018, pagina 123, inclusief de bijlage op pagina 128 t/m 137, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Mevrouw [verdachte] heeft op woensdag 12 september 2018 bij verschillende buren van mij brieven in de bus gedaan. Ik heb via deze buren gehoord en zelf gelezen wat er allemaal in de brieven stond. Ik word in deze brief genoemd op de derde bladzijde: “2. Ene [naam 6] , nr. 09.” Tevens heeft ze via de site http://www.politie.nl een aangifte gedaan en hiervan een afschrift bij de brieven gedaan. In deze aangifte sta ik ook genoemd op de tweede pagina. In de brieven word ik door [verdachte] “ [naam 10] ” genoemd. Dit is de naam van mijn overleden man. Mijn meisjesnaam is: “ [verdachte] ”.

9.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 6] van 19 november 2018, pagina’s 138 en 139, inclusief de bijlage op pagina’s 142 en 143, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Op zondag 11 november 2018 hoorde ik gerammel beneden bij de voordeur van mijn woning. Ik woon op de [adres 5] . Ik heb toen vanuit het slaapkamer raam naar buiten gekeken en ik zag toen de auto van mijn buurvrouw [verdachte] bij haar voor het huis staan. Ik ben naar beneden gelopen en zag toen dat er een brief in de brievenbus lag die hier kennelijk door mijn buurvrouw [verdachte] in is gegooid. Ik voel me door alle teksten in deze brief erg beledigd. De brief is een kopie van een aangifte die door mevrouw [verdachte] via de site www.politie.nl is gedaan. Op de brief is met rode stift doorenbosjes gezet.

10.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] van 4 december 2018, pagina 145, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Op zondagmorgen 11 november hoorden we een auto verdacht langzaam rijden/stilstaan, daarom keken we uit het raam om te beoordelen wat hier aan de hand was. We herkenden de Mercedes, met draaiende motor, van [verdachte] , die stopte voor ons huis. Omdat het licht bij de voordeur aanging (via de sensor) zijn we direct naar beneden gegaan. We zagen [verdachte] de brief met stickers van “Radio Vatikan” bij ons door de brievenbus doen.

11.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] van 15 november 2018, pagina 154, inclusief bijlage op pagina 158 t/m 164, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Deze brief is bij mij op 11 oktober 2018 met de post gekomen en ook doorgestuurd naar instanties. Ik heb op mijn huisadres een brief ontvangen gericht aan [adres 6] . Op de achterzijde van deze enveloppe staat met zwarte stift geschreven: “Nr.: 25-23-17-13-12-09

- Ophitsers

- Valse aangevers

- Ophitsers van scholen.