Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:73

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
8341523 CV EXPL 20-763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter oordeelt dat twee betalingen van een failliete B.V. aan het moederbedrijf paulianeuze rechtshandelingen zijn. Het moederbedrijf moet de in totaal 19.000 euro terugbetalen aan de curator van het failliete bedrijf, samen met de rente en de proceskosten. Kanton. Faillissementspauliana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats: Zwolle

zaaknummer : 8341523 CV EXPL 20-763

datum : 12 januari 2021

Vonnis in de zaak van:

MR. M. SAMSEN q.q., curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CLICKCONCEPTS B.V. h.o.d.n. KEUKENSPECIALIST ZWOLLE,

kantoorhoudende te Deventer,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Loef te Deventer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CLICKGROUP HOLDING B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Olst,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W.A. van Overbeek-de Meyer te Deventer.

Partijen zullen hierna de curator en CG Holding genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het (tussen)vonnis van 8 september 2020

- de akte indienen producties van de curator

- de mondelinge behandeling op 7 december 2020 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij gemeld vonnis van 8 september 2020 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen, meer in het bijzonder ten aanzien van de onderwerpen die in de zittingsagenda zijn opgenomen (zie r.o. 4.6 sub III. van dat vonnis), en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij heeft de kantonrechter partijen verzocht hun stellingen zoveel mogelijk te onderbouwen met bewijsstukken. Ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft de curator bij akte productie 15 t/m 18 in het geding gebracht.

2.2.

Primair betoogt de curator dat de door ClickConcepts B.V. h.o.d.n. KeukenSpecialist Zwolle (hierna: de failliet) op 25 december 2019 en 7 januari 2020 verrichte betalingen van

€ 4.000,00 respectievelijk € 15.000,00 aan CG Holding onverplichte rechtshandelingen als bedoeld in artikel 42 lid 1 Fw – en daarmee paulianeus – zijn. Daartoe voert de curator aan dat van een opeisbare lening dan wel andere overeenkomst op grond waarvan de failliet verplicht was deze betalingen te doen niets is gebleken. Voorts betoogt de curator dat aan beide zijden sprake is van wetenschap van benadeling van schuldeisers, omdat de rechtshandelingen zijn verricht met CG Holding (als moeder) waarmee de failliet (als dochter) een nauwe band heeft. In dit verband beroept de curator zich op het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 43 lid 1 sub 6 Fw. Voor zover aangenomen moet worden dat gemelde betalingen van de failliet aan CG Holding als voldoening van een opeisbare schuld moeten worden aangemerkt, stelt de curator zich subsidiair op het standpunt dat – vanwege de wetenschap van CG Holding van de faillissementsaanvraag van de failliet en de samenspanning tussen de failliet en CG Holding – deze verplichte rechtshandelingen dan op de voet van artikel 47 Fw vernietigbaar zijn.
CG Holding heeft verweer gevoerd en zich onder meer op het standpunt gesteld dat tussen de failliet en CG Holding een rekening-courant verhouding bestond uit hoofde waarvan de gewraakte betalingen van € 4.000,00 en € 15.000,00 zijn verricht, dat deze betalingen direct opeisbaar waren en dat dus geen sprake was van onverplichte rechtshandelingen.

2.3.

Beoordeeld dient te worden of de betalingen aan CG Holding als paulianueze rechtshandelingen hebben te gelden en of de curator deze rechtshandelingen terecht op grond van artikel 42 Fw heeft vernietigd. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt.

2.4.

De curator heeft ter zitting het standpunt van CG Holding weersproken door te verwijzen naar de grootboekkaarten 0805 R/C Aandeelhouder en 0900 Langlopende leningen 2017 t/m 2020 uit de digitale administratie van de failliet (zie productie 15 t/m 18 van de curator). Met de curator stelt de kantonrechter vast dat deze stukken andere informatie bevatten dan de eerder door CG Holding overgelegde grootboekkaarten. Waar in de producties van CG Holding sprake is van aanzienlijke mutaties in de grootboekrekening 0805 R/C aandeelhouder 2018, volgt uit het overzicht van de curator dat deze mutaties juist zijn opgenomen in de grootboekrekening 0900 Langlopende leningen. Op het grootboek 0805 grootboekkaart R/C overgelegd door de curator, hebben zich nauwelijks mutaties voorgedaan. CG Holding heeft de overzichten van de curator niet betwist zodat de kantonrechter deze tot uitgangspunt zal nemen.
Hoewel uit de overzichten kan worden afgeleid dat CG Holding in het verleden diverse malen onder de noemer ‘werkkapitaal’ betalingen aan de failliet heeft gedaan, maakt dat niet dat een terugbetaling van deze bedragen als verplichte rechtshandeling moet worden aangemerkt. Van een contractuele verplichting tot terugbetaling is immers gesteld noch gebleken, laat staan dat door CG Holding is gesteld dat afspraken zijn gemaakt over de opeisbaarheid van de gestelde lening/rekening courant. Voor de stelling dat sprake is van een rekening-courant bestaan onvoldoende aanwijzingen. Naast de omstandigheid dat de betalingen in de grootboek Langlopende Leningen zijn geboekt, geldt dat de failliet alleen op 26 en 31 januari 2018 een bedrag van € 2.000,00 respectievelijk € 50,00 aan CG Holding heeft terugbetaald, waarna de failliet eerst weer vanaf 26 september 2019 tot haar faillissement (fors) op deze lening heeft afgelost. Dit duidt niet op een gebruik of afspraak van over en weer boeken van bedragen en/of terugbetaling. Nu van een afspraak tot terugbetaling aldus onvoldoende is gebleken kan evenmin sprake zijn van onmiddellijke opeisbaarheid zoals door CG Holding is betoogd. CG Holding heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval sprake is van bijkomende omstandigheden die rechtvaardigen dat sprake was van opeisbare bedragen uit 'rekening-courant' en er uit dien hoofde een betalingsverplichting aan CG Holding bestond. Dit leidt ertoe dat in deze situatie van een verplichte rechtshandeling geen sprake was: er bestond niet een op de wet of overeenkomst berustende verplichting van de failliet tot betaling van gemelde bedragen van € 4.000,00 en € 15.000,00 aan CG Holding.

2.5.

Nu de rechtshandelingen van de failliet waardoor de schuldeisers zijn benadeeld, zijn verricht met CG Holding als moedermaatschappij binnen een jaar vóór de faillietverklaring van de failliet en waartoe de failliet zich niet al voordien had verplicht, wordt ingevolge artikel 42 lid 1 jo. artikel 43 lid 1 sub 6 Fw de wetenschap van benadeling van schuldeisers vermoed aan beide zijden te bestaan. CG Holding heeft dit wettelijke vermoeden onvoldoende met tegenbewijs ontkracht. De enkele blote ontkenning van CG Holding dat zij ten tijde van de betalingen bekend was met de faillissementsaanvraag van de failliet is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de failliet op 22 december 2019 nog een huurbetaling heeft gedaan. De curator heeft terecht aangevoerd dat daaruit niet kan worden afgeleid dat er bij de failliet geen wetenschap van de faillissementsaanvraag was. Bovendien is het een feit dat deze aanvraag door of namens de failliet op 20 december 2019 in ontvangst is genomen, derhalve twee dagen vóór bedoelde huurbetaling.

2.6.

Het voorgaande betekent dat de curator bij brief van 17 januari 2020 de op 25 december 2019 en 7 januari 2020 verrichte rechtshandelingen van de failliet op (de primaire) grond van artikel 42 Fw terecht (buitengerechtelijk) heeft vernietigd en de betalingen van € 4.000,00 en € 15.000,00 ten behoeve van de boedel heeft teruggevorderd.

2.7.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat de gevorderde verklaringen voor recht en betaling van de hoofdsom van € 19.000,00 toewijsbaar zijn.

2.8.

Tegen de (ingangsdatum en hoogte van de) gevorderde wettelijke rente ad € 12,46 heeft CG Holding geen separaat verweer gevoerd, zodat deze rente zal worden toegewezen.

2.9.

De curator vordert CG Holding te veroordelen tot betaling van de beslagkosten en heeft daartoe als productie 13 bij de dagvaarding de beslagstukken overgelegd. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 245,35 voor verschotten en € 360,00 voor salaris advocaat (1 x tarief € 360,00), totaal € 605,35.

2.10.

De curator maakt voorts aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat de curator voldoende onderbouwd heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten is conform het in het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen: € 875,00 + 1% over (€ 19.000,00 - € 10.000,00) = € 965,00.

2.11.

CG Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 87,99

- griffierecht € 195,00

- salaris gemachtigde € 1.080,00 (3 punten x tarief € 360,00)

- beslagkosten € 605,35

- nakosten € 120,00

Totaal € 2.088,34

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat de betalingen van ClickConcepts B.V. aan CG Holding van € 4.000,00 op 25 december 2019 en € 15.000,00 op 7 januari 2020 paulianeuze rechtshandelingen zijn,

3.2.

verklaart voor recht dat de curator de paulianeuze rechtshandelingen buitengerechtelijk heeft vernietigd,

3.3.

veroordeelt CG Holding om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen het bedrag van € 19.977,46 (€ 19.000,00 + € 12,46 + € 965,00), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 19.000,00 vanaf 12 februari 2020 tot de dag van de algehele voldoening,

3.4.

veroordeelt CG Holding in de kosten van de procedure, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 2.088,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening,

3.5.

verklaart dit vonnis – met uitzondering van 3.1 en 3.2 – uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.(PS)