Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:72

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
08-952156-18 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2022:7375, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 32-jarige man uit Deventer is schuldig aan de dood van een 8 maanden oude baby en krijgt daarvoor een celstraf van 7 maanden. Het kindje overleed doordat het te hard door elkaar was geschud. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de man het niet opzettelijk deed. Hij schudde zijn stiefkind uit paniek, nadat hij het jongetje onwel in zijn bedje vond. Omdat er geen sprake is van opzet, valt de straf veel lager uit dan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2021, afl. 2, p. 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-952156-18 (P)

Datum vonnis: 12 januari 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 en 8 december 2020 en 12 januari 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mr. E.M. ter Braak en mr. E.A. Postma en van wat door verdachte en zijn advocaten mr. W.J. Morra en mr. A.H.T. De Haas, advocaten te respectievelijk Amsterdam en Harderwijk, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging op 7 december 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn acht maanden oude stiefzoontje [slachtoffer] zo hevig heeft geschud of zodanig geweld heeft gebruikt dat [slachtoffer] kort daarop is overleden.

Dit wordt verdachte op verschillende juridische manieren verweten. Primair is dit ten laste gelegd als doodslag, subsidiair als zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, meer subsidiair als mishandeling de dood ten gevolge hebbend en nog meer subsidiair als dood door schuld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 09 februari 2018, te Deventer, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2017) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door opzettelijk

- het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] hevig heen en weer te schudden (acceleratie-deceleratie-impact trauma) en/of

- (een) stomp botsende gewelds inwerking(en) op het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen of te veroorzaken en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] met kracht tegen een voorwerp of oppervlakte te slaan en/of te gooien en/of

- (een) andere geweldshandeling(en) uit te oefenen op het hoofd van die [slachtoffer] ,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (kort daarop) is overleden;

ALTHANS, voor zover het vorenstaande onder 1 geen verooderling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 09 februari 2018 te Deventer aan [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2017) , zijnde een kind dat aan zijn, verdachtes zorg was toevertrouwd opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten zwaar hersenletsel) heeft toegebracht, door opzettelijk

- het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] hevig heen en weer te schudden (acceleratie-deceleratie-impact trauma) en/of - (een) stomp botsende gewelds inwerking(en) op het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen of te veroorzaken en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] met kracht tegen een voorwerp of oppervlakte te slaan en/of te gooien en/of

- (een) andere geweldshandeling(en) uit te oefenen op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl het feit (kort daarop) de dood ten gevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of ozu kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 09 februari 2018 te Deventer [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2017), zijnde een kind dat aan zijn, verdachtes zorg was toevertrouwd heeft mishandeld door opzettelijk

- het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] hevig heen en weer te schudden (acceleratie-deceleratie-impact trauma) en/of

- (een) stomp botsende gewelds inwerking(en) op het hoofd van die [slachtoffer] uit te oefenen of te veroorzaken en/of - het hoofd van die [slachtoffer] met kracht tegen een voorwerp of oppervlakte te slaan en/of te gooien en/of

- (een) andere geweldshandeling(en) uit te oefenen op het hoofd van die [slachtoffer] ,

terwijl het feit (kort daarop) de dood voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of ozu kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 09 februari 2018 te Deventer grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

- het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] hevig heen en weer heeft geschud (acceleratie-deceleratie-impact trauma) en/of

- (een) stomp botsende gewelds inwerking(en) op het hoofd van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend en/of heeft veroorzaakt en/of - het hoofd van die [slachtoffer] met kracht tegen een voorwerp of oppervlakte heeft geslagen en/of gegooid en/of

- (een) andere geweldshandeling(en) heeft uitgeoefend op het hoofd van die [slachtoffer] , waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] (kort daarop) is overleden;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1

Op 9 februari 2018 om 19:25 uur is een melding bij de meldkamer van 112 binnengekomen. Verdachte, de stiefvader van de toen 8,5 maanden oude [slachtoffer] , meldde (deels huilend): “hij haalt helemaal geen adem meer. Hij lag op zijn buik in zijn bedje en er komt geen geluid uit, niks meer. Hij is helemaal, helemaal slap (…) maar maak haast hij is helemaal slap en ik weet niet wat ik moet”.2

De lijn bleef open staan en te horen is dat verdachte vervolgens tegen [moeder] , de moeder van [slachtoffer] die op dat moment binnen kwam lopen, zei: “Hij lag op de buik en ik loop naar de kamer, ik was [zoon] aan het afdrogen alleen en in die tussentijd…want ik heb de fles, alles staat boven, want ik wou hem net de fles gaan geven”. 3

[moeder] heeft [slachtoffer] direct van verdachte overgenomen en is [slachtoffer] gaan reanimeren. Later heeft de [buurvrouw] dit van [moeder] overgenomen.4 Toen de politie ter plaatse kwam heeft een politieman de reanimatie van de buurvrouw overgenomen. De AED is aangesloten maar een schok was niet nodig. 5

Nadat twee ambulances ter plaatse waren gekomen heeft het ambulancepersoneel de behandeling overgenomen en [slachtoffer] beademd. Een ambulanceverpleegkundige constateerde dat [slachtoffer] er grauw en levenloos uit zag, dat hij een ademshalingsfrequentie van 6 tot 8 keer per minuut had met een zeer diepe buikintrekking, wat op een zeer ernstig zuurstofprobleem wees.6 Een ambulanceverpleegkundige vond dat [slachtoffer] er goed verzorgd uitzag en zag dat [slachtoffer] sudo-creme in zijn liesjes had.7

Gelet op zijn slechte klinische toestand is [slachtoffer] met spoed per ambulance naar het Deventer ziekenhuis vervoerd.8

Na een vergeefse reanimatiepoging9 aldaar is [slachtoffer] op 9 februari 2018 om 21:15 uur overleden.

Vervolgens is conform de NODOK-procedure (Nader Onderzoek naar de DoodsOorzaak bij Kinderen) gehandeld. Toen een bloederige ruggenmergvloeistof werd aangetroffen is deze procedure omgezet in een niet natuurlijke dood procedure en is een gerechtelijke sectie gelast.10

De verklaring van verdachte:

Verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard. Op de bewuste dag heeft hij [slachtoffer] om 12:30 uur bij zijn [schoonmoeder] opgehaald. [slachtoffer] was toen vrolijk.11

Om 13:00 uur had hij een afspraak met zijn financieel adviseur, [naam 1] .12 Tijdens het gesprek met [naam 1] heeft hij [slachtoffer] in zijn bedje gelegd en tussen 13:00 uur en 13:30 uur is [slachtoffer] in slaap gevallen.

Omstreeks 14:15 uur, nadat [naam 1] was vertrokken, is de moeder van verdachte, [moeder verdachte] , langs gekomen om [zoon] , het vijfjarige zoontje van verdachte, te brengen.13 Verdachte heeft toen een bakje koffie met zijn moeder gedronken, en [moeder] heeft toen ook nog gebeld.14 Omstreeks 15:30 uur is [slachtoffer] wakker geworden.15 Verdachte heeft toen geprobeerd om hem de fles te geven maar [slachtoffer] wilde de fles niet.16

Hij heeft [slachtoffer] vervolgens in de box gelegd en hem later in de kinderstoel voor de televisie gezet. Hij heeft hem toen nog een keer de fles voorgehouden maar [slachtoffer] wilde de fles nog steeds niet. Omstreeks 16:00 uur heeft verdachte [slachtoffer] weer naar bed gebracht en [slachtoffer] is vrijwel meteen in slaap gevallen.17 Omstreeks 17:00 uur heeft verdachte patatjes voor [zoon] en hemzelf gebakken18 en omstreeks 18:45 uur heeft verdachte [zoon] naar boven gebracht en hem onder de douche gezet.19 Verdachte hoorde op dat moment dat [slachtoffer] wakker was. Verdachte deed de deur van de babykamer van [slachtoffer] open en rook meteen een poeplucht. [slachtoffer] lachte.20 Verdachte heeft [slachtoffer] uit zijn bedje gepakt en hem op de commode gelegd. Toen hij [slachtoffer] aan het verschonen was zag hij dat [slachtoffer] onder de poep zat. Daarom wilde hij [slachtoffer] bij [zoon] onder de douche zetten en hem afspoelen.21

Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens tussen de benen van [zoon] onder de douche gezet. [zoon] deed de armen vervolgens om [slachtoffer] heen en hield [slachtoffer] onder zijn oksels door vast. Verdachte is op zijn knieën-hurken voor de douche gaan zitten.22 [slachtoffer] en [zoon] vonden het geweldig. Ze gierden het uit van het lachen.23 Na twee á drie minuten24 heeft verdachte [slachtoffer] onder de douche vandaan gehaald. Hij heeft [slachtoffer] vervolgens op de commode gelegd en afgedroogd.25 Na het aankleden heeft verdachte [slachtoffer] op zijn rug, bovenop de dekens, in zijn bedje gelegd.26 Er was op dat moment niets met [slachtoffer] aan de hand. Hij huilde niet en oogde ook tevreden.27 Hierna is verdachte naar [zoon] , die nog onder de douche stond, terug gelopen. Verdachte heeft [zoon] vervolgens in diens kamer afgedroogd en hem zijn sokken en ondergoed aan gedaan. [zoon] moest zich verder zelf aankleden.28 Hierna is verdachte naar de badkamer gelopen om de fles voor [slachtoffer] klaar te maken. Toen de fles klaar was is verdachte met de fles naar de kamer van [slachtoffer] gelopen. Dit was ongeveer vijf á zes minuten nadat hij [slachtoffer] in bed had gelegd. Toen verdachte de babykamerdeur open deed zag hij dat [slachtoffer] op zijn buik in zijn bed lag, met zijn gezicht naar beneden in het matras.29 Verdachte had op dat moment met zijn linkerhand de fles vast. Hij heeft toen met zijn rechterhand [slachtoffer] bij zijn rechterhand gepakt en hem omgegooid. Verdachte voelde echter dat [slachtoffer] slap was.30 Verdachte zag dat [slachtoffer] buiten kennis was.31 Verdachte heeft de fles laten vallen en heeft [slachtoffer] uit zijn bed gepakt. Verdachte heeft [slachtoffer] onder zijn oksels vastgepakt en heeft hem een aantal keren met luide stem bij zijn naam geroepen, maar verdachte hoorde geen geluid.32 Verdachte heeft een aantal schuddende bewegingen met zijn armen gemaakt,33 [slachtoffer] met zijn borst tegen zijn eigen borst gedrukt, met zijn rechterhand op de rug van [slachtoffer] gewreven en met zijn vlakke hand een aantal keren geklopt. Verdachte kreeg echter geen reactie van [slachtoffer] . 34 Verdachte raakte in paniek. Hij is met [slachtoffer] in zijn armen naar beneden gerend en heeft hem ondertussen op zijn rug gewreven en op zijn borst geklopt.35 Beneden heeft verdachte de telefoon gepakt. Hij is vervolgens met [slachtoffer] in zijn armen naar boven gerend.36 Daar heeft hij [slachtoffer] op de commode gelegd en hem op zijn borst gewreven. In paniek heeft hij [moeder] gebeld. Hij zei tegen haar: “Hij doet het niet meer, hij doet raar”. [moeder] zei dat verdachte 112 moest bellen.37 Nadat hij [moeder] had gebeld hoorde verdachte een hoge toon (een eng piepend geluid) alsof [slachtoffer] hard inademde. Verdachte dacht toen dat [slachtoffer] het weer deed.38 [slachtoffer] haalde daarna echter geen adem meer en bleef slap. Hierdoor raakte verdachte nog meer in paniek en hij wist niet meer wat hij moest doen. Hij pakte [slachtoffer] toen onder zijn oksels vast, tilde hem op en schudde hem toen een keer of drie of vier stevig heen en weer en riep daarbij “ [slachtoffer] word wakker”.39

Over dit moment heeft verdachte verklaard: “Ik deed het vrij snel omdat ik volledig in paniek was (…) Zijn lichaam was helemaal slap en ik zag dat alles heen en weer bewoog. Zijn benen en zijn armen en hoofd gingen mee met de bewegingen, dit omdat [slachtoffer] slap was (…) Ik duwde met kracht [slachtoffer] van mij af, en dan ongeveer mijn armlengte, en dan met kracht weer richting mijn borst, En dat dan een keer of drie vier”. 40

“Het hoofd van [slachtoffer] was slap (…) Het ging helemaal van voren naar achteren. Ik denk dat de kin van [slachtoffer] net niet de borst aanraakte. De achterwaartse beweging van het hoofd was volgens mij maximaal naar achteren. Het voor- en achter overgaan van het hoofd van [slachtoffer] kwam omdat ik [slachtoffer] schudde om maar enig teken van leven in hem te vinden”. 41

Hierna heeft verdachte geprobeerd om 112 te bellen. In paniek heeft hij eerst het telefoonnummer van zijn [oom] gebeld. Hierna heeft hij gelijk 112 gebeld.42

Ter terechtzitting van 7 december 2020 heeft verdachte voormelde verklaring in de kern bevestigd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke weergave van het requisitoir, op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het OM komt tot de conclusie dat volgens de deskundigen Soerdjbalie-Maikoe, Karst, Banaschak en Grabherr de doodsoorzaak een ernstig en recent hoofdtrauma geweest moet zijn, zoals hevig schudden van het hoofd dan wel mechanisch uitwendig geweld. Omdat verdachte alleen met de kinderen in de woning was moet het verdachte geweest zijn die hard en hevig heeft geschud op een wijze die de dood tot gevolg zou kunnen hebben. Andere doodsoorzaken zijn niet gebleken of aannemelijk geworden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Op basis van de deskundigenberichten, meer in het bijzonder die van dr. Van Sonderen, kan de doodsoorzaak niet met zekerheid worden vastgesteld. Daarnaast is een diagnose c.q. doodsoorzaak nog niet voldoende om te kunnen concluderen tot daderschap van verdachte.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal zich eerst buigen over de vraag wat de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest. Daarna komt de rechtbank toe aan de beantwoording van de vraag of en zo ja in welke mate, sprake is van betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van [slachtoffer] .

4.4.1

Wat is de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] ?

Op 26 juni 2018 heeft dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog/kinderpathaloog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) een rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ uitgebracht waarin het volgende wordt geconcludeerd:

“1. Er waren radiologisch, bij sectie en neuropathologisch onderzoek (…) bevindingen van bij leven doorgemaakt ernstig recent hoofdtrauma. Er was een recent voor overlijden opgetreden bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (subduraal), onder de zachte hersenvliezen (subarachnoidaal) en bloed in de hersenkamer (4de ventrikel).

Tevens werden tekenen van hersenschade gezien: er was beschadiging aan de uitlopers van zenuwcellen (traumatische axonale schade) en vochtophoping in de hersenen (oedeem).

In de oogbollen en oogzenuwen (…) waren eveneens tekenen van recent doorgemaakt ernstig hoofdtrauma. De uitgebreidheid van de bevindingen in de oogbollen en de oogzenuwen in combinatie met overige sectiebevindingen zoals uitgebreide subdurale bloeduitstortingen en beiderzijds traumatische axonale schade m de hersenen, zijn vrijwel bewijzend voor recent doorgemaakt ernstig hoofdtrauma.

Dit recent voor overlijden opgelopen letsel is ontstaan net voorafgaand aan het reanimatiebehoeftig worden en heeft dus geleid tot de reanimatiebehoeftige toestand en uiteindelijk overlijden. Het letsel kan (mede gezien de traumatische axonale schade), niet worden verklaard op grond van ziekelijke afwijkingen zoals stollingsstoornissen.

Als een kind dergelijk letsel heeft opgelopen is normaal functioneren niet meer

mogelijk.

Er waren bij sectie en neuropathologisch onderzoek eveneens bevindingen van doorgemaakt ernstig hoofdtrauma in het recente verleden voorafgaande aan het overlijden ontstaan. Er was een één tot meerdere weken oude bloeduitstorting onder het harde hersenvlies (een oud subduraal hematoom). Deze bloeduitstorting is ontstaan als gevolg van één tot meerdere weken voorafgaande aan het overlijden doorgemaakte trauma aan het hoofd (…) Dit letsel heeft geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood. Het kan wel hebben geleid tot afwijkend functioneren van het kind. (…)

Er zijn bij maroscopisch en lichtmicroscopisch en bij metabool onderzoek geen ziekelijke afwijkingen die het intreden van de dood kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

Conclusie:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , 8,5 maanden oud geworden, wordt het intreden van de dood verklaard door recent voor overlijden opgetreden ernstig hooftrauma dat heeft geleid tot hersenfunctiestoornissen, reanimatiebehoeftige toestand, noodzaak tot opname in het ziekenhuis en uren later uiteindelijk overlijden.

Onder ernstig hoofdtrauma wordt verstaan: hevig heen en weer schudden van het hoofd (acceleratie-deceleratie trauma, niet-accidenteel ofwel toegebracht letsel), hevige uitwendige mechanische stomp, botsende geweldsinwerking op het hoofd (niet accidenteel of accidenteel letsel, zoals door slaan of vallen van een hoogte) of een combinatie daarvan (acceleratie-deceleratie-impact trauma).” 43

In opdracht van de rechter-commissaris heeft dr. W.A. Karst, forensisch arts KNMG, eveneens verbonden aan het NFI, een medisch forensisch onderzoek verricht. In het deskundigenrapport ‘Medisch-forensisch onderzoek naar aanleiding van het overlijden van een minderjarige’ van 13 september 2018 schrijft Karst onder meer dat uit (neuro)pathologisch onderzoek is gebleken dat de onwelwording van [slachtoffer] op 9 februari 2018 het gevolg is geweest van ernstig hersenletsel.

Neuropathologisch werden in de hersenen zelf tekenen van recente, diffuse schade door zuurstofgebrek, schade van de zenuwuitlopers (axonale schade) in diverse locaties van de grote en kleine hersenen en vochtophoping (oedeem) aangetoond.

De schade aan de zenuwuitlopers op verschillende locaties in de hersenen wijst erop dat er forse krachten moeten hebben plaatsgehad op de hersenen (traumatische schade) waarbij die forse krachten een logische oorzaak zijn van het hersenlestel.

Karst concludeert dat het geconstateerde hersenletsel met schade aan de zenuwuitlopers veel waarschijnlijker is bij accidentele of niet accidentele substantiële krachtsinwerkingen, dan bij een medische oorzaak.

Neuropathologisch onderzoek toonde verder bloeduitstortingen onder de hersenvliezen aan die recent voor het overlijden waren ontstaan en dat er daarnaast onder het harde hersenvlies sprake was van een oudere component van de bloeduitstorting waarvan de ouderdom door de neuropatholoog geschat werd op één tot meerdere weken.

Karst schrijft dat er weliswaar een aantal medische oorzaken mogelijk is van een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies als geïsoleerde bevinding, zoals stollingsstoornissen en bepaalde stofwisselingsziekten, maar dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn voor stollingsproblemen, dat er bij radiologisch onderzoek geen aanlegstoornissen zichtbaar waren, en dat er bij de uitslag van de hielprik geen sprake bleek van een stofwisselingsziekte.

De bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies zijn, afzonderlijk beschouwd, veel waarschijnlijker bij een forse geweldsinwerking dan bij gebruikelijke huis-, tuin- en keukenongevallen, bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen, bij de geboorte en/of bij een medische aandoening.

Oogpathologisch onderzoek toonde aan dat in alle netvlieslagen van beide netvliezen bloeduitstortingen aanwezig waren, die meer dan 95% van het oppervlak bedekten. Fysieke krachten die door acceleratie (versnelling) en deceleratie (vertraging) ontstaan, zoals door een heftig schudincident of door forse impact op of tegen het hoofd, leiden geregeld tot netvliesbloedingen. Een toenemende uitgebreidheid (in meerdere netvlieslagen en verspreid over het gehele netvlies) is daarbij in toenemende mate gecorreleerd met een niet accidentele oorzaak. De specificiteit van netvliesbloedingen die zeer groot in aantal zijn, in meerdere lagen en tot aan de periferie aanwezig zijn (zoals bij [slachtoffer] ) is zeer groot voor toegebracht hersenletsel. De uitgebreidheid die de oogpatholoog beschreef, met oppervlakte van meer dan 95%, is uitzonderlijk groot en in de persoonlijke ervaring van dr. Karst nooit eerder voorgekomen.

Er zijn geen medische oorzaken gevonden voor de oogheelkundige bevindingen. De netvliesbloedingen zijn passend bij een zeer heftig schudincident, zeer forse impact op of tegen het hoofd, of een combinatie van beide.

Karst concludeert dat de zeer uitgebreide netvliesbloedingen, in combinatie met de plooien in het netvlies en de bloeduitstortingen in de oogzenuwen zeer veel waarschijnlijker zijn bij een contacttrauma, bij schudden (acceleratie-deceleratietrauma) of bij een combinatie van beide, dan bij een accidenteel trauma of bij een medische aandoening.

Karst concludeert dat de combinatie van bevindingen, te weten de bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, de netvliesbloedingen, de plooi in het netvlies, de traumatische schades van de zenuwuitlopers in de hersenen, en de bloeduitstortingen rondom beide oogzenuwen afzonderlijk en zeker in combinatie een zeer sterke aanwijzing vormen voor een forse krachtsinwerking als oorzaak.

Er zijn geen medische aandoeningen geconstateerd die de combinatie van bevindingen kunnen verklaren.

Karst concludeert dat de combinatie van bevindingen zeer veel waarschijnlijker is bij een zeer heftig schudincident en/of forse impact tegen het hoofd dan bij een eenvoudige val of een andere accidentele krachtsinwerking, bij een medische aandoeningen, bij gebruikelijke verzorgingshandelingen en/of bij de geboorte.44

Soerdjbalie-Maikoe en Karst hebben als (forensisch) medisch deskundigen uitgebreid, gedetailleerd en volledig onderzoek gedaan naar mogelijke alternatieve verklaringen voor de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels, en hebben daarbij rekening gehouden met de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] . Zij hebben echter geen medische oorzaken aangetroffen voor de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels. Hun bevindingen worden bovendien volledig ondersteund door de op verzoek van de verdediging in het kader van een contra-expertise ingeschakelde deskundigen prof. dr. S. Grabherr en dr. S. Banaschak.

Op grond van voorgaande NFI deskundigenrapporten van Soerdjbalie-Maikoe en Karst van het NFI en de door hun daarop ter terechtzitting van 7 december 2020 als getuigen-deskundigen gegeven toelichtingen, die hieronder in het kader van de bespreking van de door de verdediging genoemde andere mogelijke doodsoorzaak zal worden weergegeven, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van een recent voor overlijden opgetreden ernstig hooftrauma.

Door de verdediging genoemde andere mogelijke doodsoorzaak

De verdediging heeft voormelde conclusies van het NFI, en ook de conclusies van Grabherr en Banaschak bestreden en heeft daartoe gewezen op rapportages van Van Sonderen. Ter zitting heeft de verdediging uitdrukkelijk geen beroep (meer) gedaan op de bevindingen van dr. Koetsier. Mede op grond van de rapportage van Van Sonderen heeft de verdediging een andere mogelijke doodsoorzaak genoemd.

Ten aanzien van Koetsier merkt de rechtbank op dat hij in dit geval niet als deskundige kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft hierbij aansluiting gezocht bij de criteria genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1998, NJ 1998, 404.

Dragend voor het oordeel dat Koetsier niet als deskundige op het hier aan de orde zijnde specifieke terrein kan worden aangemerkt is dat niet is gebleken dat zijn expertise als gepensioneerd huisarts zich uitstrekt tot het voorwerp van onderzoek in deze zaak, Abusive Head Trauma. Dat hij zich in de diagnostiek en literatuur ten aanzien van Abusive Head Trauma heeft verdiept, is daartoe onvoldoende. De rechtbank komt op basis van wat Koetsier in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 2 oktober 2018 naar voren heeft gebracht niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal de conclusies van Koetsier daarom buiten beschouwing laten.

Ten aanzien van Van Sonderen merkt de rechtbank op dat haar kennis en ervaring als (inmiddels gepensioneerd) neonatoloog / kinderarts, wellicht aanwezig is, maar dat zij

geen forensisch deskundige is. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat zij in haar rapportage uit gaat van de door verdachte gegeven verklaring, waarbij zij –binnen dat scenario- een verklaring zoekt voor de doodsoorzaak. Dit klemt te meer nu zij de bij [slachtoffer] geconstateerde axonale schade niet in haar rapportage heeft betrokken, wat als belangrijke omissie kan worden gezien nu dit letsel volgens de overige deskundigen tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. De rechtbank zal daarom de conclusies van Van Sonderen met terughoudendheid benaderen.

- Hygroom/herbloeding

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] is overleden aan de herbloeding van een eerdere bloeding (binnen een hygroom), veroorzaakt door relatief beperkte krachten.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit scenario ontkracht door de bevindingen en conclusies van de deskundigen Karst, Soerdjbalie-Maikoe, Banaschak en Grabherr.

Karst concludeert in zijn rapport van 13 september 2018 weliswaar dat er ook sprake is van een oudere bloeduitstorting onder het harde hersenvlies, en dat niet kan worden uitgesloten dat er na het ontstaan van deze oude bloeduitstorting een restruimte is ontstaan (een hygroom) waarin met relatief beperkte krachten een nieuwe bloeduitstorting onder het harde hersenvlies kan zij ontstaan, maar hij merkt daarbij ook nadrukkelijk op dat als daarvan sprake is geweest, in de literatuur nog nooit een casus is beschreven waarin een zogenaamde herbloeding tot ernstige klinische verschijnselen heeft geleid, aangezien een dergelijke bloeding op zichzelf geen symptomen of hersenschade geeft, omdat er geen sprake is van een ruimte-innemend proces.45

Soerdjbalie-Maikoe heeft ter zitting van 7 december 2020 verklaard dat er bij neuropathologisch onderzoek weliswaar een oud subduraal hematoom van één of meerdere weken oud is aangetoond maar dat dit niets met de dood van [slachtoffer] te maken heeft.

Grabherr heeft zijn rapport van 14 september 2020 geschreven dat de “verse bloeding” los staat van wat er in het verleden met [slachtoffer] is gebeurd. Hij schrijft: “Het verschijnen en de lokalisatie van alle verse intracraniale bloedingen (…) in verband met de andere waarnemingen (cerebrale kneuzing van de rechter pariëtale kwab, traumatische axonale schade) bevestigen dat ze van traumatische oorsprong zijn”.4647

Banaschak concludeert in haar rapport van 30 oktober 2019 dat er weliswaar aanwijzingen zijn voor een verse en een oude bloeding en dat dit er voor spreekt dat het reeds voorafgaand aan het voorval van 9 februari 2018 tot een splinterbloeding is gekomen, maar dat een dergelijke nieuwe splinterbloeding volgens literatuur niet met de typische symptomen van een acuut trauma is geassocieerd.48 In haar rapport van 30 september 2020 schrijft Banaschak verder dat [slachtoffer] weliswaar bloedingen had die op twee tijdstippen zijn opgetreden, en dat er ook twee traumata zijn geweest, maar dat het niet plausibel is dat het tweede trauma door het eerste trauma relatief gemakkelijker is ontstaan. Banaschak schrijft: “Ook de aanwezigheid van bloedingen op het netvlies en de oogzenuwen zou niet worden verklaard door een dergelijke nieuwe bloeding onder het harde hersenvlies. Met name de bloedingen aan de oogzenuwen en het netvlies tonen aan dat hier een acuut heftig gebruik van geweld vooraf moet zijn gegaan aan het overlijden”.49

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat uitgesloten is dat [slachtoffer] aan een herbloeding van een eerdere bloeding is overleden.

- Wiegendood

De verdediging heeft verder aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van wiegendood. Van Sonderen heeft in dit kader in haar aanvullende rapportage van 28 september 2020 het volgende geschreven: “Een plausibele verklaring kan zijn dat [slachtoffer] in de neonatale periode een subduraal hematoom heeft opgelopen, die heeft geresulteerd in een chronische subdurale bloeding en dat er op 9 februari 2018 wiegendood is opgetreden met een diffuse intravasale stolling aanleiding gevend tot verse bloedingen intracranieel een ook retinale bloedingen. Diffuse intravasale stolling kan leiden tot ernstige bloedingen door consumptie (en daardoor een depletie) van bloedplaatjes en stollingsfactoren”.50

Ook dit scenario wordt naar het oordeel van de rechtbank ontkracht door de bevindingen en conclusies van de deskundigen Karst, Soerdjbalie-Maikoe, Banaschak en Grabherr.

Karst concludeert in zijn rapport van 13 september 2018 dat waar medische oorzaken op basis van het klinische beeld en de uitslagen van onderzoeken al onaannemelijk lijken, medische oorzaken bij [slachtoffer] feitelijk niet overwogen hoeven te worden omdat de schade in de hersenen na zijn overlijden neuropathologisch geduid kon worden als een gevolg van forse uitwendige krachten.51 Karst heeft ter zitting van 7 december 2020 verder verklaard dat er voor wat betreft een eventuele ziekelijke oorzaak moet worden gekeken naar de schade in de hersenen zelf, aangezien dat de doodsoorzaak is geweest. Naast veel schade door zuurstoftekort is in de hersenen axonale schade (schade van de zenuwuitlopers van de hersencellen) aangetroffen. Deze schade is op verschillende plaatsen gevonden en op sommige plekken was er sprake van dusdanig veel schade in de zenuwuitlopers, dat deze zijn samengevallen, en zogenaamde bulbs hebben gevormd. Deze bulbs kunnen onmogelijk door stollingsproblemen zijn ontstaan en deze zie je met name als gevolg van heftige krachtsinwerking. Deze axonale schade kan niet zijn veroorzaak door een chronische bloeding of een stollingsprobleem. Diffuse intravasale stolling is niet de oorzaak van het bij [slachtoffer] totale geconstateerde letsel in de hersenen. Ook de bevindingen aan de ogen duiden op forse krachten. De uitgebreidheid van de netvliesbloedingen past niet bij een medische oorzaak, dan wel wiegendood, en ook de netvliesloslating en de bloeduitstortingen in het vetweefsel aan de achterkant van de oogbollen zijn in de literatuur nooit beschreven bij stollingsstoornissen. Er is geen alternatieve verklaring gegeven voor het letsel in de hersenen zoals dat neurologisch is vastgesteld. Van zeer ernstige stollingsstoornissen, die zeer zeldzaam zijn, kun je niet uitsluiten dat er een relatie is met bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, maar uit de medische voorgeschiedenis van [slachtoffer] blijkt geen enkele aanwijzing dat er bij hem sprake is geweest van een dergelijke stoornis die een relatie heeft met bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies. Bovendien kunnen de netvliesbloedingen en de doodsoorzaak (de axonale schade in de hersenen) daarmee niet worden verklaard, zo heeft Karst ter zitting van 7 december 2020 verklaard.

Soerdjbalie-Maikoe heeft ter zitting van 7 december 2020 verklaard dat uit het medisch dossier geen aanwijzingen blijken voor stollingsstoornissen en dat er ook overigens geen aanleiding is om te denken aan een stollingsstoornis bij [slachtoffer] . De uitgebreide traumatische letsels in de hersenen vallen niet te rijmen met de diagnose wiegendood. Bij diffuse axonale schade mag je daar absoluut niet van spreken. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat [slachtoffer] op een andere manier dan door middel van trauma is overleden. Als sprake is van een eventuele diffuse intravasale stolling, zoals Van Sonderen suggereert, dan is dat in ieder geval niet de primaire oorzaak van de gevonden subdurale bloedingen, maar eventueel een verwikkeling van het trauma. Het beeld van schade in de ogen past niet bij een stollingsstoornis. De bloeduitstortingen waren namelijk ook in het periorbitale vet en in de oogzenuwen aanwezig, en dat zijn gebieden waar je door alleen stollingsstoornissen geen bloeduitstortingen mag verwachten. Wat er ook zij van mogelijke stollingsproblemen of een mogelijk chronisch subduraal hematoom, zoals Van Sonderen suggereert, dit is volgens Soerdjbalie-Maikoe niet de doodsoorzaak geweest.

In zijn rapport van 14 september 2020 heeft Grabherr geschreven dat er in de medische documenten en bij de postmortale onderzoeken geen reeds bestaande pathologie (ook geen metabole of stollingsstoornis) is gevonden die de bevindingen in de autopsie van [slachtoffer] kan verklaren, ook niet een aanleg voor een aandoening. Evenmin was er reeds bestaande pathologie of reden die een plotseling spontaan bewustzijnsverlies van [slachtoffer] zou kunnen verklaren”.52

Banaschak concludeert in haar rapport van 30 oktober 2019: “Uit de beschikbare documenten komen geen aanwijzingen naar voren dat [slachtoffer] een ziekte had, die het ontstaan van de vastgestelde subdurale hematomen en retinale splinterbloedingen zouden kunnen bevorderen. In het bijzonder waren er geen aanwijzingen voor stofwisselingsziektes (…) ”.53

Op de vraag of een mogelijke stollingsstoornis zou hebben kunnen bijdragen aan het overlijden heeft Banaschak in haar rapport van 30 september 2020 geantwoord: “In de ons toegezonden documenten was geen sprake van bevindingen van stollingsstoornissen. Daarom is de vraag of in onze optiek puur hypothetisch”.54

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat uitgesloten is dat [slachtoffer] aan wiegendood dan wel aan de gevolgen van een chronische subdurale bloeding (al dan niet in combinatie met een stollingsstoornis) is overleden.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het ontstaan van het letsel van [slachtoffer] vanuit lichamelijke/ziekelijke/medische oorzaak is uitgesloten en dat het letsel bij [slachtoffer] het gevolg moet zijn van een recent trauma (accidenteel of niet accidenteel).

4.4.2

Heeft verdachte het letsel toegebracht?

Karst concludeert in zijn rapport van 13 september 2018 dat het met de geconstateerde hersenschade niet mogelijk is om normaal te functioneren. Volgens hem is het niet mogelijk dat [slachtoffer] na het optreden van deze schade nog adequaat op zijn omgeving kon reageren, kon brabbelen, gericht kon kijken en een normale hoeveelheid kon drinken.55

Karst heeft ter zitting van 7 december 2020 verder verklaard dat het niet mogelijk is dat [slachtoffer] zich na het ontstaan van de axonale schade heeft kunnen omdraaien.

Grabherr schrijft in zijn rapport van 21 februari 2020: “Bij de meeste patiënten doen de verschijnselen zich zeer snel na het trauma voor. Uit een onderzoek (…) bleek dat vrijwel elk kind direct na het trauma klinische verschijnselen vertoonde. Volgens Harry F. Krous vertonen kinderen die te maken hebben met levensbedreigend toegebracht letsel, zeer snel, zo niet onmiddellijk, na craniocerebraal trauma neurologische achteruitgang en verlies van bewustzijn”.56

Gelet hierop moet eerst worden vastgesteld wat het laatste moment is geweest waarop [slachtoffer] nog normaal functioneerde. Getuige [schoonmoeder] , de schoonmoeder van verdachte, heeft in dit verband bij de politie verklaard dat [slachtoffer] helemaal vrolijk was en met zijn handjes zwaaide op het moment dat verdachte hem op 9 februari 2018 rond 12:45 uur kwam ophalen.57

[naam 1] , die op 9 februari 2018 om 13:00 uur bij verdachte thuis was, heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer] boven op bed legde en de babyfoon aanzette, maar dat hem verder niets is opgevallen. Hij heeft geen huilend kind gehoord en kan zich geen babygeluiden herinneren.58

Getuige [moeder verdachte] , de moeder van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat zij op 9 februari 2018 omstreeks 14:25 uur nog bij verdachte thuis is geweest om [zoon] te brengen. [slachtoffer] lag toen in bed. Op het beeldscherm van de babyfoon heeft zij toen gezien dat [slachtoffer] eerst sliep. Toen zij na ongeveer een uur wegging hoorde zij via de babyfoon dat [slachtoffer] begon te brabbelen en geluidjes te maken. Verder zag zij dat [slachtoffer] een aapjes-knuffel wilde pakken.59

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het laatste moment dat anderen hebben gezien dat [slachtoffer] normaal functioneerde op 9 februari 2018 omstreeks 15:25 uur was.

Hierna, tot aan het moment dat verdachte om 19:25 uur 112 belde, is verdachte samen met zijn vijfjarige zoontje [zoon] , alleen met [slachtoffer] thuis is geweest. Gedurende deze tijdspanne moet het fatale incident hebben plaatsgevonden. Nu [zoon] kan worden uitgesloten van enige betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] , is verdachte (aldus) de enige persoon die het door het NFI vastgestelde letsel moet hebben toegebracht.

Het verweer van de verdediging dat verdachte de dader niet kan zijn geweest, omdat uit de deskundigenrapportage van Banaschak van 30 september 2020 zou blijken dat het trauma tenminste drie dagen voor het overlijden van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, berust op een onjuiste lezing van dit rapport. De aanwezigheid van sidrofagen is door Banaschak namelijk besproken in het kader van de oude bloeding, en die heeft zoals hiervoor besproken niet tot het dodelijk letsel bij [slachtoffer] geleid.

4.4.3

Welke gedragingen acht de rechtbank bewezen?

Zoals hiervoor is weergegeven heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] onwel op zijn buik in bed heeft aangetroffen, dat hij vervolgens in paniek is geraakt en dat hij [slachtoffer] heeft geschud om hem bij bewustzijn te brengen.

De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte aannemelijk. Verdachte heeft op essentiële onderdelen consistent verklaard over wat er is gebeurd. Ook in afgeluisterde telefoongesprekken,60 en in gesprekken met familieleden in de PI, die zijn opgenomen met behulp van een Opname Vertrouwelijke Communicatie (OVC),61 is verdachte consistent blijven verklaren dat hij volledig in paniek was en dat hij “alles heeft gedaan om het leven in het jongetje weer terug te vinden”.

Zijn verklaring vindt ook steun in het dossier. Zo is uit een analyse van het energieverbruik gebleken dat er tussen 19.00 en 19.25 uur inderdaad sprake was van een piek in het gasverbruik. Dit past bij de verklaring van verdachte dat [zoon] en [slachtoffer] kort voorafgaand aan het ontstaan van de klinische noodsituatie samen hebben gedoucht.62

Verder zag verbalisant [verbalisant] een vochtplek en een klaargemaakte fles in het bed van [slachtoffer]63 en zag een ambulanceverpleegkundige dat [slachtoffer] sudo-creme in zijn liesjes had.64 Verder is op de telefoon van verdachte een foto aangetroffen waarop te zien is dat de kinderstoel voor de televisie staat, zoals verdachte heeft verklaard.65

Dat verdachte [slachtoffer] op zijn buik in bed heeft aangetroffen is aannemelijk door de door verbalisant [verbalisant] aangetroffen vochtplek in het bedje. Ook vindt het bevestiging in de weergave van het telefoontje naar de meldkamer, vrijwel direct na het incident.

Hoewel de verklaring van verdachte over de intensiteit van het schudden niet strookt met de conclusies van de deskundigen, betekent dat niet dat zijn verklaringen zonder meer terzijde kunnen worden geschoven.

Bij de juridische beoordeling gaat de rechtbank weliswaar uit van de door verdachte afgelegde verklaring, maar gaat de rechtbank er wel vanuit dat verdachte langer en heftiger heeft geschud dan hij heeft verklaard en dat hij zijn rol in die zin kleiner heeft gemaakt dan daadwerkelijk het geval was. Blijkens het dossier houdt verdachte zelf ook rekening met die mogelijkheid. Zo heeft hij bij de politie verklaard niet te weten hoeveel kracht hij heeft gebruikt, maar wel van zichzelf te weten dat hij veel kracht heeft. Verdachte heeft in de PI tegen zijn moeder gezegd ‘Maar, kijk, ik heb, toen ik hem vond, ja, toen heb ik gewreven. Ik heb met ‘m op z’n ruggetje geklopt. Ja. Ik heb, ik heb wel...ja, en ik heb ook met hem geschud. Snap je? Ja, om een teken van leven te krijgen in dat jongetje. Maar ja, dat blijkt dus, door, ja, vanuit dat schudden, dat er dus een of andere bloeding in de, in de hersenen is ontstaan. (…) Maar weet je? Jij weet zelf; ik ben niet breed, ik ben niet groot of zo. Maar ik ben wel focking lomp sterk. En dat is gewoon mijn nadeel ook.’66 Verdachte zegt dat hij op het werk wel met betonwanden werkt en zijn eigen krachten niet kent.

In dit kader overweegt de rechtbank dat verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 17 februari 2018 heeft voorgedaan hoe hij [slachtoffer] heeft geschud.67 Dit is audiovisueel geregistreerd en de beelden hiervan zijn ter beoordeling naar Karst gezonden. Karst heeft de beelden bekeken en hij schrijft in zijn rapport van 13 september 2018 dat er een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa 2-5 bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa 5 seconden) is vereist als schudden (zonder impact) de oorzaak van ernstig hersenletsel is. De door hem bekeken schudhandelingen van verdachte hebben volgens hem weliswaar kenmerken die deels passen bij deze voorwaarden (zoals de beschreven volledige heen- en weergang van het hoofd), maar de beschreven en getoonde duur en frequentie lijken volgens hem echter korter en lager dan noodzakelijk om de bij sectie aangetroffen letsels te kunnen verklaren.68

Ook ter zitting van 7 december 2020 heeft Karst verklaard dat de krachten die nodig zijn voor de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels, de krachten die zichtbaar waren op de door hem bekeken beelden duidelijk overstijgen.

Dat gewelddadig is geschud blijkt ook uit het rapport van Banaschak. Banaschak concludeert in haar rapport van 30 oktober 2019 dat de letselcombinatie zo karakteristiek is, dat sprake is van een zogenoemd schudtrauma, dat wil zeggen een verwonding zonder botsing van het hoofd, alleen door gewelddadig schudden.69

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, te weten dat verdachte het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] hevig heen en weer heeft geschud (acceleratie-deceleratie-impact trauma) ten gevolge waarvan [slachtoffer] kort daarna aan hersenletsel is overleden.

4.4.3

Is sprake van (voorwaardelijk) opzet?

Om tot een bewezenverklaring van de doodslag te komen moet de rechtbank vaststellen dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van [slachtoffer] was gericht.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat zij de verklaring van verdachte, dat hij [slachtoffer] onwel op zijn buik in bed heeft aangetroffen, aannemelijk acht. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] vervolgens probeerde bij bewustzijn te brengen door krachtig te schudden.

Naar algemene ervaringsregels is de kans dat een acht maanden oude baby als gevolg van krachtig schudden komt te overlijden groot, in ieder geval aanmerkelijk. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat baby’s van acht maanden oud kwetsbaar zijn. De enkele omstandigheid dat verdachte wetenschap heeft van die kans betekent niet zonder meer dat hij die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Hoewel het krachtig schudden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm weliswaar kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op voornoemd gevolg, is de rechtbank van oordeel dat niet overtuigend is bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] ook bewust heeft aanvaard. Uit het dossier komen geen omstandigheden naar voren waaruit blijkt dat er een andere aanleiding was voor het schudden dan dat verdachte heeft verklaard. Het door de officieren van justitie in dit verband geschetste scenario dat [slachtoffer] om de fles moet hebben geschreeuwd, terwijl [zoon] gelijktijdig onder de douche ook om aandacht schreeuwde, is niet gebaseerd op enige bevinding uit het dossier noch overigens aannemelijk geworden.

In de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] heeft geschud met de bedoeling om [slachtoffer] bij bewustzijn te brengen, ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het bewijs dat verdachte door het krachtig schudden van [slachtoffer] bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] het leven zou verliezen.

De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Aangezien de rechtbank op grond van het voorgaande evenmin de overtuiging heeft bekomen dat verdachte de aanmerkelijke kans op (zwaar lichamelijk) letsel van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard, zal zij verdachte ook van het subsidiair, en meer subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

4.4.4

Is sprake van dood door schuld?

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door [slachtoffer] meermalen zo hard te schudden, dat hij daardoor is overleden. De rechtbank neemt in overweging dat verdachte, ondanks de panieksituatie waarin hij verkeerde, moet hebben geweten dat voorzichtig met een jonge baby moet worden omgegaan. [slachtoffer] was bovendien een kwetsbare baby. In zijn paniek heeft hij [slachtoffer] toch hard heen en weer geschud. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de dood van [slachtoffer] , als het gevolg van dat schudden, aan zijn schuld te wijten is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het nog meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het nog meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 februari 2018 te Deventer aanmerkelijk onvoorzichtig, het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] hevig heen en weer heeft geschud (acceleratie-deceleratie-impact trauma) waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] (kort daarop) is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren wordt opgelegd, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van verdachte hebben verzocht om de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen. Voorts hebben zij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Gelet op bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende straf is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden acht de rechtbank niet aanwezig. Wel acht de rechtbank, naast het feit dat de rechtbank opzet op de dood van [slachtoffer] niet bewezen acht, omstandigheden aanwezig die er toe leiden dat de gevangenisstraf veel lager uitvalt dan de door de officieren van justitie gevorderde gevangenisstraf.

Het spreekt daarbij voor zich dat het overlijden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet (heeft) veroorzaakt bij de nabestaanden, en, daarvan heeft de rechtbank zich doen overtuigen, ook bij verdachte zelf. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Het onmetelijk verdriet en gemis is ook voelbaar verwoord in de verklaringen van [moeder] , moeder van [slachtoffer] , en mevrouw [schoonmoeder] en [naam 2] , oma en tante van [slachtoffer] . De strafzaak heeft bij de familie, naaste omgeving en de maatschappij veel gevoelens van verdriet, verontwaardiging en onrust teweeg gebracht.

In een zaak als deze, waarbij door schuld een dodelijk slachtoffer valt te betreuren, zal een op te leggen straf nooit tot volledige genoegdoening voor de nabestaanden leiden.

Daarvoor is het verlies te groot.

Gelet op de ernst van het feit zou uit het oogpunt van vergelding een langere gevangenisstraf op zijn plaats zijn. In dit geval acht de rechtbank dat echter niet opportuun. Niet alleen is verdachte niet eerder met justitie in aanraking geweest, maar ook volgt uit het dossier het algemene beeld dat verdachte een zorgzame vader is die betrokken is bij zijn gezin en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij gewelddadig is.

Ook laat de rechtbank meewegen dat verdachte verder zal moeten leven met de wetenschap dat hij zijn stiefzoon heeft verloren als gevolg van zijn handelen. Wat dit betreft kent deze strafzaak alleen maar verliezers.

Ook houdt de rechtbank rekening met het aanmerkelijke tijdverloop in deze zaak. In dat kader houdt de rechtbank er rekening mee dat de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 9 oktober 2018 is geschorst onder strenge vrijheidsbeperkende voorwaarden. Hoewel hij zijn leven redelijk op orde lijkt te hebben, is – mede als gevolg van de voorwaarden waaronder de schorsing van de voorlopige hechtenis is bevolen – gedurende de afgelopen jaren een normale gezinssituatie met zijn partner, de moeder van de overleden [slachtoffer] , en zijn zoon [zoon] vrijwel onmogelijk gebleken.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank verder acht geslagen op de verschillende rapportages die in het kader van deze strafzaak over verdachte zijn opgemaakt. Gelet op het advies van de deskundigen om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren en de inschatting van de deskundigen dat het risico op herhaling laag is, zijn interventies ter voorkoming van recidive niet geadviseerd. Gelet op de inhoud van de rapportages acht de rechtbank het niet nodig om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een zodanige gevangenisstraf op te leggen, dat hij opnieuw naar de gevangenis moet. De rechtbank acht het in dit geval passend om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden op te leggen, zodat de op te leggen gevangenisstraf de duur van de reeds ondergane hechtenis niet overstijgt.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De officieren van justitie en de verdediging stellen zich op het standpunt dat het standpunt dat het beslag kan worden teruggegeven aan de beslagene.

De rechtbank zal de teruggave aan de beslagene gelasten van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 3] , vader van [slachtoffer] , vertegenwoordigd door mr. M.J. Ellenbroek, advocaat te Deventer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 30.436,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- reiskosten € 144,82;

- kosten opvragen medische informatie € 291,45.

Wegens immateriële schade, in de vorm van shockschade wordt een bedrag van € 30.000,-- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat de materiële schade wordt toegewezen, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor wat betreft de gevorderde shockschade dient de benadeelde partij volgens de officier van justitie in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat niet is gebleken dat wordt voldaan aan de in de jurisprudentie geformuleerde criteria voor toewijzing daarvan.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt primair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat verdachte van het ten laste gelegde integraal moet worden vrijgesproken.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat de verstrekte gegevens niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid. Het overgelegde medisch advies van dr. Niewold van 3 december 2020 is hiervoor niet voldoende aangezien hieruit blijkt dat nog adequate diagnostiek nodig is. Gelet hierop levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels (voor wat betreft de materiële schade) toewijzen tot een bedrag van € 436,27, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, te weten 3 december 2020.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583). Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

[naam 3] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij in het ziekenhuis is geconfronteerd met de gevolgen van het misdrijf. Hij heeft daar gezien dat zijn zoon levenloos in de traumakamer lag en dat medisch personeel met hem bezig was maar dat de behandeling uiteindelijk werd gestaakt. Deze waarneming en het overlijden van [slachtoffer] nadien zullen ongetwijfeld een hevige schok en veel verdriet teweeg hebben gebracht, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen dat (1) sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit en (2) de vader van [slachtoffer] geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank zal om die reden de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering ter zake van immateriële schade en bepalen dat dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikel 36f Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het nog meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

nog meer subsidiair: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder nog meer subsidiair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3] van een bedrag van

€ 436,27 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2020);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 436,27, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2020ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 8 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 3] voor een deel van € 30.000,-- niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 9 aan de beslagene;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. K. Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen en C. van Dam MSc, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2021.

C. van Dam MSc is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, regio Oost-Nederland, onderzoek TGO JAMAICA met nummer ONRAB18002, dossiernummer 2018062486. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pag. 177

3 Pag. 178 en pag. 65

4 Pag. 425 en 426

5 Pag. 190

6 Pag. 652

7 Pag. 653

8 Pag. 204

9 Pag. 665

10 Pag.202

11 Pagina’s 256.

12 Pagina’s 61.

13 Pagina’s 100.

14 Pagina’s 100.

15 Pagina’s 256.

16 Pagina’s 256.

17 Pagina’s 61 en 256. .

18 Pagina’s 61 .

19 Pagina’s 100 .

20 Pagina’s 62

21 Pagina’s 62

22 Pagina’s 62

23 Pagina’s 256

24 Pagina’s 256

25 Pagina’s 63

26 Pagina’s 63

27 Pagina’s 257

28 Pagina’s 63

29 Pagina’s 63 en 64

30 Pagina’s 64

31 Pagina’s 257

32 Pagina’s 64

33 Pagina’s 64 “Verbalisanten zien dat verdachte een aantal schuddende bewegingen maakt met zijn armen”. Pagina 75 “Wij zagen dat [verdachte] met zijn handen “schuddende en wrijvende” bewegingen maakte”.

34 Pagina’s 64

35 Pagina’s 64

36 Pagina’s 64

37 Pagina’s 77 en 106

38 Pagina’s 64

39 Pagina’s 65

40 Pagina’s 65

41 Pagina’s 106

42 Pagina’s 65

43 Pagina’s 225 tot en met 227

44 Pagina’s 14, 16, 19 en 22, van het deskundigenrapport ‘medisch-forensisch onderzoek naar aanleiding van het overlijden van een minderjarige’, d.d. 13 september 2018, opgemaakt door dr. W.A. Karst, forensisch arts KNMG, verbonden aan het NFI.

45 Pagina’s 15 en 16 van het deskundigenrapport van dr. W.A. Karst van 13 september 2018

46 Pagina 5 van het deskundigenrapport van prof. dr. S. Grabherr, forensisch patholoog en directeur van het Centre universitaire romand de médicine légale te Lausanne (Zwitserland) van 14 september 2020.

47 Pagina 5 van het deskundigenrapport van 14 september 2020 van dr. Grabherr.

48 Pagina 20 van het deskundigenrapport van dr. S. Banaschak, leidend hoofdarts aan de Uniklinik Köln, instituut voor forensische geneeskunde te Köln (Duitsland) van 20 oktober 2019.

49 Pagina’s 7 en 8 van het deskundigenrapport van 30 september 2020, opgemaakt door dr. Banaschak.

50 Pagina 4 van het deskundigenrapport van 28 september 2020, opgemaakt door dr. Van Sonderen.

51 Pagina 13 van het deskundigenrapport van 13 september 2018, opgemaakt door dr. W.A. Karst.

52 Pagina 3 van het deskundigenrapport van 14 september 2020, opgemaakt door dr. Grabherr van 14 september 2020.

53 Pagina 19 van het deskundigenrapport van 30 oktober 2019, opgemaakt door dr. S. Banaschak.

54 Pagina 7 van het deskundigenrapport van 30 september 2020, opgemaakt door dr. S. Banaschak.

55 Pagina 14 uit het deskundigenrapport van 13 september 2018, opgemaakt door dr. W.A. Karst.

56 Pagina 37 van het deskundigenrapport van 21 februari 2020, opgemaakt door dr. Grabherr.

57 Pagina’s 271.

58 Pagina’s 591.

59 Pagina’s 517

60 Pagina’s 992 tot en met 1026, en pagina’s 1032 tot en met 1066

61 Pagina’s 1073 tot en met 1084, 1089 tot en met 1106

62 Pag. 259 tot en met 261.

63 Pag. 180.

64 Pag. 653

65 Pag. 104 (de foto is genomen op 9 februari 2018 om 17:28 uur)

66 Pagina’s 107, 1064, 1065

67 Pagina’s 77 en 78

68 Pagina’s 19 en 22, van het deskundigenrapport van 13 september 2018, opgemaakt door dr. W.A. Karst.

69 Pagina 8, van het deskundigenrapport van 20 oktober 2019, opgemaakt door dr. S. Banaschak.