Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:593

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2455
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB-verzoek verslagen Uitvoeringscommissie en Verkavelingscommissie; verweerder hoefde namen van andere belanghebbenden en betrokken ambtenaren niet bekend te maken; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2455

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller,

en

Gedeputeerde Staten van Overijssel, de Uitvoeringscommissie Inrichting Landelijk gebied Staphorst, verweerder,

gemachtigden: mr. C.M.J. Ribbers en mr. N.M.M. den Hertog-Christen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) beslist.

Bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, de beslissing van 22 mei 2019 herzien en besloten meer informatie openbaar te maken.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben de rechtbank toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Eisers zijn verschenen in de personen van [eiser 1] , [eiser 2] [eiser 3] en [eiser 4] bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens zijn verschenen, daartoe meegebracht door verweerder, [naam 1] en [naam 2] , respectievelijk voorzitter en secretaris van de Uitvoeringscommissie Staphorst.

Overwegingen

1. Eisers zijn betrokken in de ruilverkaveling Staphorst. Ze liggen met hun grond in de wettelijke herverkaveling waarop de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) van toepassing is. Eisers zijn niet tevreden met hun toedeling.

Op 22 februari 2019 hebben eisers verweerder met een beroep op de Wob verzocht om “afschriften van alle verslagen van Commissie en toedelingscommissievergaderingen”. Daarbij is vermeld dat het eisers gaat om de besluitvorming in de Commissie ten aanzien van toedelingen waarbij de in het verzoek genoemde partijen betrokken zijn.

Besluitvorming

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder op het Wob-verzoek beslist. Daarbij heeft verweerder de verzochte documenten, met een beroep op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, en artikel 11 van de Wob, deels verstrekt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en het primaire besluit herzien. Verweerder heeft besloten om méér informatie openbaar te maken, te weten alle verslagen van de vergaderingen van de Uitvoeringscommissie en de Verkavelingscommissie, behoudens bepaalde persoonsgegevens. De volgende gegevens zijn niet openbaar gemaakt:

- De namen van andere belanghebbenden dan eisers;

- De namen van betrokken ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden;

- De namen van de leden van de Verkavelingscommissie.

Wettelijk kader

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wob behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Ingevolge het tweede lid kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

Standpunten van partijen

4. Eisers voeren in beroep aan dat zij om openbaarmaking van de vergaderstukken hebben gevraagd om inzage te krijgen in de wijze waarop de commissie is gekomen tot de toedeling voor de bedrijven van eisers. Eisers menen dat sprake is van een onrechtmatige toedeling en zij bezien of zij op basis van de openbaar te maken stukken een verzoek tot herziening kunnen indienen. Volgens eisers hebben zij, met de stukken die nu openbaar zijn gemaakt, nog altijd geen volledige inzage in de wijze waarop de besluitvorming is ontstaan. Daarbij merken eisers op dat veel van de zwartgelakte namen niet privacygevoelig zijn en ook geen mening verwoorden, maar enkel worden gebruikt als aanduiding van locatie of percelen. [eiser 3] wenst dat alsnog stukken openbaar worden gemaakt waaruit volgt hoe de commissie de besluitvorming omtrent zijn buurman [naam 3] heeft vormgegeven. Hij vraagt zich af of alle verslagen wel zijn overgelegd. Voor [eiser 2] en [eiser 4] geldt dat zij van mening zijn dat alle passages die nu nog niet openbaar zijn gemaakt ter zake hun toedelingen alsnog openbaar moeten worden gemaakt.

5. Verweerder stelt dat alle verslagen van de vergaderingen van beide commissies openbaar zijn gemaakt, met uitzondering van de namen van andere betrokkenen in de ruilverkaveling Staphorst, namen van leden van de Verkavelingscommissie en namen van ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Dat de verslagen niet het inzicht bieden waarnaar eisers op zoek zijn, maakt volgens verweerder niet dat onvolledig of onjuist op het Wob-verzoek is beslist.

Met betrekking tot het openbaar maken van de namen voert verweerder aan dat een afweging is gemaakt tussen volledige transparantie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Verweerder merkt daarbij op dat het openbaar maken van de namen niet noodzakelijk is om te achterhalen welke afwegingen zijn gemaakt met betrekking tot de toedelingen van eisers. Daarbij komt dat eisers weten wie belanghebbende(n) zijn bij hun toedeling, omdat zij bekend zijn met de processtukken (in het kader van de verzoekschriftprocedure tegen het ruilplan van de Uitvoeringscommissie). Voor een goed begrip is het derhalve niet nodig om de namen openbaar te maken, aldus verweerder. Daar staat tegenover dat het openbaar maken van de namen wel een schending oplevert van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Staphorst is een kleine gemeenschap waarin iedereen elkaar kent. Dit geldt ook voor de namen van de leden van de Verkavelingscommissie. Ook dit zijn bekenden in de gemeenschap Staphorst, omdat zij daar wonen en werken. Voor de betrokken ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden geldt dat het vermelden van de namen geen meerwaarde heeft, maar wel een aantasting van de privacy betekent. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarmaking (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob).

Voor de leden van de Verkavelingscommissie geldt volgens verweerder aanvullend dat openbaarmaking van hun namen ook achterwege moet blijven vanwege persoonlijke beleidsopvattingen (artikel 11, tweede lid, van de Wob). Verweerder heeft besloten de persoonlijke beleidsopvattingen van de leden van de Verkavelingscommissie openbaar te maken, maar dan wel geanonimiseerd. De leden van de Verkavelingscommissie moeten vrijelijk kunnen beraadslagen zonder dat zij daarop later worden aangekeken. Om hun werk goed te kunnen doen, moet hetgeen in de Verkavelingscommissie is besproken anoniem blijven. Door de verslagen geanonimiseerd openbaar te maken wordt volgens verweerder optimaal tegemoet gekomen aan het verzoek om inzicht in het proces van de toedeling.

De beoordeling door de rechtbank

6.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat, voor zover eisers in beroep lijken te stellen dat hun Wob-verzoek op méér stukken betrekking heeft dan alleen de verslagen van de vergaderingen van de beide commissies, de gemachtigde van eisers ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat niet beoogd is om het verzoek uit te breiden. Wat eisers in beroep hebben aangevoerd met betrekking tot andere stukken dan de vergaderstukken van de beide commissies, zal de rechtbank dan ook buiten bespreking laten.

6.2

De rechtbank stelt verder vast dat een Wob-verzoek, zoals hier aan de orde, ingevolge het bepaalde in artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

6.3

Verweerder heeft de gevraagde verslagen openbaar gemaakt, maar daarbij met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob de namen van andere betrokkenen dan eisers, van de leden van de Verkavelingscommissie en van ambtenaren die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, niet openbaar gemaakt.

6.4

Het betreft hier een relatieve uitzonderingsgrond, waarbij verweerder het algemene abstracte belang van openbaarheid moet afwegen tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. De rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.

6.5

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen dan aan het belang van openbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot deze belangenafweging heeft kunnen komen. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat niet is gebleken van enig belang bij het openbaar maken van de namen van de leden van de Verkavelingscommissie dan wel van de betrokken ambtenaren die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden. Met betrekking tot de namen van andere betrokkenen dan eisers heeft te gelden dat een burger erop moet kunnen vertrouwen dat privacygevoelige informatie die bij de overheid berust niet zonder meer (voor een ieder) openbaar wordt gemaakt. Hoewel de stukken wellicht makkelijker en sneller te begrijpen zijn als de namen van alle betrokkenen wél openbaar worden gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit belang niet zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deze personen.

6.6

Voor zover de gemachtigde van eisers ter zitting onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 heeft gesteld dat ingeval de weigering tot openbaarmaking ziet op de namen van personen die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, het toch zo kan zijn dat de indiener van het Wob-verzoek aannemelijk kan maken dat het belang van de openbaarheid in het concrete geval zwaarder dient te wegen, is de rechtbank van oordeel dat dat in het onderhavige geval niet aannemelijk is gemaakt.

6.7

Voor zover eisers verder hebben gesteld dat zij zich afvragen of alle verslagen van de vergaderingen van de beide commissies openbaar zijn gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat dit niet het geval is. Daarbij geldt specifiek met betrekking tot [eiser 3] dat verweerder in het verweerschrift heeft uitgelegd dat en waarom slechts kort over diens zienswijze is gesproken.

6.8

De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat verweerder méér heeft weggelakt dan de hiervoor bedoelde namen. Zo heeft de rechtbank bijvoorbeeld geconstateerd dat in het met name door eisers ter zitting genoemde verslag van de vergadering van de Verkavelingscommissie van 13 januari 2016 slechts de namen van personen zijn weggelakt. Voor zover op de door eisers overgelegde kopie van dat stuk bovenaan een brede zwarte band zichtbaar is, stelt de rechtbank - aan de hand van de niet-geanonimiseerde stukken - vast dat dit niet een weggelakt stuk tekst betreft.

6.9

De rechtbank stelt ten slotte vast dat eisers met betrekking tot verweerders beroep op artikel 11, tweede lid, van de Wob geen beroepsgronden naar voren hebben gebracht.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman als griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

De griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.