Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:4953

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
01-02-2022
Zaaknummer
8654636 CV EXPL 20-3038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease-zaak. Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Kanton- en Handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaakgegevens 8654636 CV EXPL 20-3038


Vonnis van de kantonrechter

inzake

[eiser 1] en [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

Partijen worden hierna Afnemer en Dexia genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 juli 2020,

- de conclusie van antwoord, repliek en dupliek.

2 De feiten

2.1.

Afnemer heeft de volgende effectenlease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia (hierna: de overeenkomsten):

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

21780354

30-11-1999

Overwaarde Effect

240 mnd

€ 21.864

II.

39405743

30-11-1999

Allround Sparen

240 mnd

€ 3.267,22

III.

39405736

30-11-1999

Allround Sparen

240 mnd

€ 2.178,15

IV.

39405746

30-11-1999

Allround Sparen

240 mnd

€ 5.558,80

2.2.

Tussen Dexia en Afnemer is daarnaast in juni 2000 nog een vijfde effectenlease-overeenkomst tot stand gekomen met de naam Profit Effect Maandbetaling en contractnummer 56083855.

2.3.

De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft bij brief van 23 februari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van strijdigheid met de wet, misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

2.4.

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten per 1 december 2004 eindafrekeningen opgesteld, waaruit blijkt dat de overeenkomsten met een resultaat geëindigd zijn, van - € 10.150,85 (overeenkomst I), - € 1.799,04 (overeenkomst II),
- € 1.199,36 (overeenkomst III) en - € 2.998,40 (overeenkomst IV).

2.5.

Afnemer heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.6.

Namens Afnemer zijn (stuitings)brieven aan Dexia gezonden in 2006, 2009, 2012, 2015, 2016, 2018 en 2020.

3
3. De vordering en het verweer

3.1.

Afnemer vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
2. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

3. voor recht zal verklaren dat Dexia aansprakelijk is voor de door Afnemer geleden hypotheekschade, bestaande uit de afsluitkosten, de notariskosten, de taxatiekosten en de betaalde hypotheekrente voor het gedeelte van de hypotheek dat gebruikt is om de inleg in de overeenkomsten te betalen, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente,
4. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
5. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder Afnemer.

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

Ontvankelijkheid m.b.t. overeenkomst II, III en IV
4.4. Dexia stelt bij antwoord dat Afnemer door aanvaarding van het ‘Dexia Aanbod’ kwijting m.b.t. overeenkomst II, III en IV heeft verleend aan Dexia en daarom in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de vordering om die reden dient te worden afgewezen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Dexia (bij dupliek) een aanmeldformulier Dexia Aanbod overlegd, voorzien van de persoonsgegevens en handtekening van Afnemer. Afnemer stelt bij repliek dat het Dexia Aanbod enkel betrekking heeft op niet in het geding zijnde overeenkomst V. Dexia heeft haar stelling onvoldoende onderbouwd, nu uit het aanmeldformulier niet blijkt welke met Afnemer aangegane effectenlease-overeenkomsten onder het Dexia Aanbod zouden vallen.


verjaring
4.5. Dexia voert ook aan dat de vordering van Afnemer is verjaard. Daartoe merkt Dexia op dat Afnemer pas een beroep op de beweerde schending van artikel 41 NR 1999 heeft gedaan ruimschoots na verloop van vijf jaar nadat Afnemer bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl de verjaring niet is gestuit. In de eerdere brieven, en in het bijzonder in de brief van februari 2006 wordt de beweerde schending niet genoemd. Ook de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending van zorgplichten is volgens Dexia met deze brief niet gestuit, nu uit deze brief niet blijkt welke verwijten Dexia worden gemaakt, geen schending van zorgplichten wordt genoemd en geen aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding.

4.6.

Het beroep op verjaring wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). Met de brief van februari 2006 waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft Afnemer de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.


tussenpersoon
4.7. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden, handelt zij in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.8.

Afnemer heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Partijen zijn het erover eens dat van advisering sprake is indien een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon hem in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afnemer.

4.9.

Afnemer stelt hierover het volgende:

Afnemer vertelde destijds aan de broer van [eiser 1] , de heer [eiser 1] (hierna te noemen: adviseur), over hun plannen om hun woning te verbouwen. Ze hadden eigen geld gespaard (mede uit de verkoop van het oude huis) en wilden dat voor de verbouwing gebruiken. De adviseur had echter een veel beter plan voor Afnemer. Er is een afspraak gemaakt voor een adviesgesprek. De adviseur is vervolgens bij Afnemer op huisbezoek geweest. Met de adviseur is gesproken over de financiële situatie van Afnemer en de wens om Afnemers woning te verbouwen. Tevens is de wens naar voren gekomen dat [eiser 2] graag eerder wilde stoppen met werken en dat Afnemer een voorziening wilde treffen voor de studie van de kinderen. [eiser 2] wilde graag eerder stoppen met werken, omdat zij vier jaar jonger was dan [eiser 1] en gelijktijdig met [eiser 1] wilde stoppen met werken. Volgens de adviseur was dit wel mogelijk. In plaats van het aanwenden van het gespaarde vermogen van Afnemer, adviseerde de adviseur om de overwaarde te benutten middels het afsluiten van een nieuwe hypothecaire lening van
ƒ 100.000,-. Dit was met name belastingtechnisch veel voordeliger dan het benutten van het eigen spaargeld. Het bedrag van ƒ 100.000,- diende te worden gestort op een beleggingsrekening en kon worden gebruikt voor de verbouwing van de woning. Daarnaast adviseerde de adviseur Afnemer een Overwaarde Effect contract en drie Allround Sparen overeenkomsten af te sluiten en de vooruitbetaling van deze contracten te voldoen met eigen spaargeld. Volgens de adviseur betrof het een veilige manier van vermogensopbouw, waarbij zou worden belegd in solide aandelenfondsen. Deze contracten zouden na vijf jaar aanzienlijk vermogen hebben opgebouwd. Met deze constructie waren de doelstellingen van Afnemer te realiseren. De adviseur zou het een en ander nog op papier zetten en een keer terugkomen. De adviseur heeft vervolgens een Persoonlijk Financieel Plan opgesteld en deze tijdens een tweede huisbezoek nader toegelicht. Uit het Persoonlijk Financieel Plan blijkt dat er is geadviseerd om een tweede hypotheek te nemen om de verbouwing te realiseren. De hypotheeklasten van ƒ 5.800,- per jaar zouden vallen onder de hypotheekrenteaftrek, wat volgens de adviseur erg voordelig was Afnemer. Tevens adviseerde de adviseur om een Overwaarde Effect af te sluiten. Hiervoor zou vanuit het spaargeld een bedrag van ƒ 48.000,- worden ingelegd. Dit product zou dividend uitkeren waarmee tezamen met de belastingteruggave de hypotheeklasten voor de verbouwing namelijk vrijwel geheel gecompenseerd zouden worden. Voor de andere wensen, het eerder stoppen met werken en de vermogensopbouw voor de kinderen adviseerde de adviseur drie ‘Allroundspaarplannen’. Hiervoor adviseerde de adviseur om in totaal ƒ 24.000,- vooruit te betalen. De adviseur adviseerde om het te splitsen over drie verschillende plannen, zodat Afnemer na vijf jaar één of meerdere van de plannen kon beëindigen om de opbrengst aan te wenden voor de studie van (één van) de kinderen. Hierdoor zouden de overige plannen verder vermogen kunnen opbouwen. Volgens het Persoonlijk Financieel Plan was het Overwaarde Effect tevens een ‘spaarvorm’ die zou dienen als generator voor de inleg van het Allroundsparen vanaf het zesde jaar. De adviseur heeft niet gewezen op de specifieke risico’s. Afnemer had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. De adviseur heeft voor Afnemer de aanvraag voor de aandelenleaseproducten en de hypotheek in orde gemaakt. Afnemer heeft de contracten bij een derde huisbezoek ondertekend.
4.10. Afnemer heeft zijn stellingen onderbouwd met onder meer de volgende stukken:
- een kopie van de overeenkomsten, waarop telkens de naam van Spaar Select als adviseur voorkomt;

- een stuk, voorzien van de voornamen van Afnemer en het logo van Spaar Select. In het stuk is beschreven de ‘Huidige situatie’ van Afnemer, zijn ‘Wensen’ (“Indien mogelijk op het eerder stoppen met werken, het liefst tussen 55 en 60 jarige leeftijd;

Het verbouwen van de keuken en kamer, tevens het realiseren van een werkkamertje voor [eiser 1] ;

Het treffen van een voorziening voor de studie van de kinderen”) en vervolgens een uitwerking van hoe deze doelstelling kan worden bereikt: “De verbouwing is te realiseren door het nemen van een tweede hypotheek, daardoor zullen deze hypotheeklasten ( 5.800,- per jaar) onder de hypotheekrente-aftrek vallen. Daarnaast is het mogelijk om het eerder stoppen met werken te realiseren, door gebruik te maken van een deel van het vrijgevallen vermogen, uit de verkoop van de woning aan het [adres] te [plaats] . Dit geniet de voorkeur boven het gebruiken van de overwaarde voor een lijfrentepolis omdat in dat geval de hypotheekrente niet als aftrekpost zou zijn op te voeren. Door eventueel het Allroundsparen op te splitsen in twee delen kan gekozen worden om een deel daarvan na vijf jaar te gebruiken voor de eventuele studie van [B] en/of [C] , al naar gelang de situatie dat tegen die nodig maakt. Of door te kiezen voor een extra Allroundspaarplan. De hypotheeklasten zullen bijna volledig worden gecompenseerd door de belastingteruggave én het uit te keren dividend van het Capital Effect. Deze laatste spaarvorm dient als generator voor de inleg van Allroundsparen vanaf het zesde jaar.”;

- een hypotheekofferte d.d. 19 november 1999, afkomstig van Postbank met Afnemer als geadresseerde;

- een afrekening d.d. 23 mei 2000, afkomstig van Duret, notaris met Afnemer als geadresseerde.

4.11.

Uit de hiervoor gedeeltelijk aangehaalde stukken blijkt dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van Afnemer gericht financieel advies van de adviseur van Spaar Select om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. Aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van Afnemer heeft Spaar Select geadviseerd het product aan te schaffen. Spaar Select heeft zich niet beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten.
4.12. Afnemer stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat Spaar Select een op zijn persoon toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit.
In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures (waaronder deze) overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. De rechtbank betrekt hierbij ook het oordeel van het Gerechtshof Den Haag, neergelegd in het arrest van 12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2530, waarin is geoordeeld over de wetenschap destijds van Dexia, haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van Dexia van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van Spaar Select en het belang van Spaar Select als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure omtrent deze stukken een ander oordeel te geven.

4.13.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan Afnemer, komt uit deze stukken wel naar voren dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van leaseovereenkomsten, zoals in dit geval de overeenkomsten met Afnemer, navraag te doen bij Spaar Select of de desbetreffende klant de overeenkomst(en) is aangegaan op advies van Spaar Select, teneinde te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met Afnemer kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat Afnemer door Spaar Select is geadviseerd.

aansprakelijkheid
4.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afnemer de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens hem onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afnemer omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

4.15.

De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomsten met Afnemer aan te gaan, terwijl Afnemer als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

4.16.

De als gevolg daarvan door Afnemer geleden schade, bestaande uit de door Afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen) en betaalde restschuld dient Dexia te vergoeden. De gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt, zijnde de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte van de schade. Afnemer heeft geen concreet bedrag ter zake van de schade gesteld. Dit moet echter inmiddels door partijen te begroten zijn. Ook moet rekening gehouden worden met het fiscale voordeel dat door Afnemer is genoten. Partijen zijn het er over eens, althans Afnemer heeft onvoldoende betwist, dat dit voordeel € 4.473,90 bedraagt.

hypotheekschade

4.17.

De door Afnemer gevorderde kosten van de hypotheek komen niet voor vergoeding in aanmerking. De schade staat namelijk niet in zodanig verband met de schending door Dexia van artikel 41 NR 1999, dat zij als gevolg daarvan aan Dexia kan worden toegerekend. Daarvoor is redengevend dat Dexia en haar rechtsvoorgangster niet zelf betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening en het ook voor Afnemer duidelijk moet zijn geweest dat het om een lening ging en dus geld kostte.


buitengerechtelijke kosten
4.18. Afnemer heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

uitvoerbaar bij voorraad
4.19. Afnemer vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert verweer hiertegen en verzoekt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij wijst Dexia er op dat deze vordering onderdeel is van het grote aantal procedures. De financieel nadelige gevolgen voor Dexia bij een (massale) uitvoerbaar bij voorraad verklaring van betalingsveroordelingen staan niet in verhouding tot het relatieve ongemak van Afnemer om wat langer te moeten wachten op betalingen, te meer omdat Afnemer zelf al vele jaren gewacht heeft voordat de procedure is begonnen. Ook is er een restitutierisico, aldus Dexia.
Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden, dat degene, die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468). Dexia heeft niet onderbouwd dat en waarom uitvoerbaar bij voorraadverklaring voor haar zal leiden tot financieel nadelige gevolgen. Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van Afnemer. Het belang van Dexia weegt niet zwaarder dan het belang van Afnemer, zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegewezen zal worden.

proceskosten

4.20.

Nu Dexia grotendeels in het ongelijk gesteld wordt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen, zoals gevorderd, worden vastgesteld op € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat,

5.2.

veroordeelt Dexia om aan Afnemer te betalen de door hem geleden schade, bestaande uit de door hem betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus dividenduitkeringen en het fiscale voordeel ad € 4.473,90) en de betaalde restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de betaling daadwerkelijk is voldaan tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Afnemer tot op heden vastgesteld op:

a. kosten dagvaarding € 100,89

b. griffierecht € 83,00

c. salaris gemachtigde € 480,00

5.4.

veroordeelt Dexia in de nakosten ten bedrage van € 100,00,

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op

6 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

cs