Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:4935

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
19-01-2022
Zaaknummer
8296127 CV EXPL 20-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Dexia.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaakgegevens: 8296127 CV EXPL 20-414

Grosse aan: mr. G. van Dijk

Afschrift aan: mr. J.R. van Staveren

Verzonden d.d.

vonnis van de kantonrechter d.d. 9 maart 2021

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

mede handelend ten behoeve van de gemeenschap, in hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [A] , (hierna: Afneemster),

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij,
gemachtigde mr. J.R. van Staveren.

Partijen worden hierna [eiseres] en Dexia genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 januari 2020,

- de conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Afneemster heeft de volgende effectenlease-overeenkomsten ondertekend waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia (hierna: de overeenkomsten):

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I

22501168

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 8.240,40

II

22501167

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 8.240,40

III

22501166

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 8.240,40

IV

22501164

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 8.240,40

V

22501163

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 20.361,60

VI

22501162

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 20.361,60

VII

22501161

14-03-2001

Capital Effect (180)

180 mnd

€ 20.361,60

2.2.

De overeenkomsten zijn geëindigd op 9 februari 2005. Daarbij is een restschuld ontstaan die door Afneemster is voldaan. Dexia heeft in 2012 een gedeelte van de restschuld aan Afneemster terugbetaald.

2.3.

Afneemster heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.4.

De gemachtigde van Afneemster/ [eiseres] , Leaseproces, heeft bij brief van

6 februari 2008 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

2.5.

Namens Afneemster en [eiseres] zijn (stuitings)brieven aan Dexia gezonden in 2009, 2012, 2015, 2016, 2017 en 2018.

2.6.

Afneemster is op 4 maart 2015 overleden. [eiseres] is haar enig erfgenaam.

3
3. De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afneemster en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
2. Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiseres] van al datgene dat Afneemster aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

3. Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten,
4. Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder Afneemster.

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. Afneemster heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

volmacht
4.4. Dexia betwist allereerst - bij gebreke van een recente volmacht - dat Leaseproces gevolmachtigd is om namens [eiseres] deze procedure op te starten. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om Leaseproces te gelasten een recente volmacht te overleggen waaruit de wil blijkt van [eiseres] om Dexia nog immer in rechte te betrekken.

Dit verweer slaagt niet. Door Dexia is niet betwist dat Leaseproces door [eiseres] gevolmachtigd is. [eiseres] heeft een volmacht van 19 september 2016 overgelegd. Dexia wil bewijs dat dit niet veranderd is. Hiervoor is geen grond. Deze volmacht is van ruim 3 jaar voor dagvaarding. Dexia heeft haar stelling dat het voorgekomen is dat Leaseproces namens een overleden cliënt procedeert niet onderbouwd. Evenmin heeft Dexia onderbouwd dat er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat juist [eiseres] haar redelijke recente machtiging heeft ingetrokken.

Verjaring
4.5. Dexia voert aan dat de vordering van Afneemster/ [eiseres] is verjaard. Daartoe merkt Dexia op dat Afneemster pas een beroep op de beweerde schending van artikel 41 NR 1999 heeft gedaan ruimschoots na verloop van vijf jaar nadat Afneemster bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, terwijl de verjaring niet is gestuit. In de eerdere brieven, en in het bijzonder in de brief van 2008 wordt de beweerde schending niet genoemd. Ook de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending van zorgplichten is volgens Dexia met deze brief niet gestuit, nu uit deze brief niet blijkt welke verwijten Dexia worden gemaakt, geen schending van zorgplichten wordt genoemd en geen aanspraak wordt gemaakt op schadevergoeding.

4.6.

Het beroep op verjaring wordt eveneens verworpen. De vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart vijf jaar na het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW). Met de brief van 2008 waarin onder meer de onrechtmatige daad wordt genoemd en de daarop volgende brieven heeft Afneemster/ [eiseres] de verjaring van deze vordering op Dexia gestuit.


causaal verband

4.7.

Dexia betwist dat in dit geval sprake is van voldoende causaal verband tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia. Deze betwisting wordt niet gevolgd. In de jurisprudentie, met name in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, is geoordeeld dat het causaal verband tussen het verzuim van de waarschuwingsplicht en het sluiten van de overeenkomst aanwezig is. Slechts indien Dexia feiten of omstandigheden aanvoert (en zo nodig bewijst) waaruit blijkt dat de afnemer welbewust het risico op een restschuld heeft aanvaard kan dat anders zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om iemand waarvan vaststaat dat hij een specialistische financiële opleiding heeft gehad of heel veel ervaring heeft met beleggen. Dergelijke omstandigheden zijn door Dexia niet gesteld. Volgens de jurisprudentie kunnen de inleg en aflossingen aangemerkt worden als schade ten gevolge van de schending van de zorgplicht, maar wordt bij de verdeling van die schade rekening gehouden met het aandeel eigen schuld van de afnemer.


tussenpersoon
4.8. In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015) heeft de Hoge Raad geoordeeld, kort weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden, handelt zij in strijd met artikel 41 NR 1999. Indien Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier tevens adviseerde, dan levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dit geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.9.

Afneemster heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikt over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Partijen zijn het erover eens dat van advisering sprake is indien een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon haar in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had althans behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afneemster, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op Afneemster.

4.10.

[eiseres] stelt hierover het volgende:
Afneemster heeft via via contact gekregen met Spaar Select. Zij was destijds recent gescheiden en wilde om deze reden haar financiële situatie bespreken met een financieel adviseur van Spaar Select. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van haar door te nemen. Zij heeft ingestemd met dit voorstel.

De financieel adviseur van Spaar Select is bij [eiseres] thuis geweest en heeft daar met Afneemster gesproken [eiseres] was daarbij. De adviseur heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van Afneemster. Met de adviseur is gesproken over het feit dat Afneemster onlangs gescheiden was en dat zij van deze scheiding een groot vermogen op haar spaarrekening had staan. Er is gesproken over de wens van Afneemster om haar vermogen verder uit te bereiden ter aanvulling van haar eigen inkomen. De adviseur gaf aan dat zij haar eigen vermogen kon aanvullen door een Capital Effect product af te nemen. De adviseur heeft vervolgens een financieel plan opgesteld, waarin specifiek het Capital Effect van Bank Labrouchere werd geadviseerd. De adviseur heeft in een tweede gesprek het persoonlijk financieel plan, toegelicht aan Afneemster. In dit financiële plan wordt uiteengezet dat Afneemster als doelstelling had om vermogen op te bouwen om haar eigen inkomen aan te vullen. Op advies van de adviseur heeft Afneemster besloten om een bedrag van ruim NLG 55.200,- vooruit te betalen vanuit haar spaarrekening. Hoeveel vermogen Afneemster met dit product zou gaan opbouwen liet de adviseur zien aan de hand van een rekenvoorbeeld in het persoonlijk financieel plan. Uit het financiële plan blijkt dat het te verwachten rendement van Capital Effect overeenkomsten van Afneemster

NLG 95.600,- bedroeg. Dit rekenvoorbeeld hield geenszins rekening met tegenvallende koersontwikkelingen.

De adviseur heeft niet gewezen op de specifieke risico’s en de daadwerkelijke constructie van dit product. Afneemster had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. Tijdens het tweede huisbezoek zijn de overeenkomsten ondertekend.

4.11.

[eiseres] heeft haar stellingen onderbouwd met de volgende stukken:
- de overeenkomsten, waarop de naam van Spaar Select als adviseur voorkomt,

- het door [eiseres] als financieel plan bestempeld stuk. Het stuk is opgesteld ten behoeve van Afneemster en voorzien van het logo van Spaar Select. In het stuk is vastgelegd de ‘Doelen’ van Afneemster (“Mooi rendement op eigen geld, in combinatie met een beperkt eigen risico. Aanvulling op eigen inkomen van  16.500 per jaar.”), haar ‘Inkomen’, ‘Maandelijkse uitgaven’ en ‘Beschikbaar eigen geld’ (Beleggen voor 5 jaar 55.200). Vervolgens is vermeld:

Na vijf jaar keert de belegging f 95.600,- belastingvrij uit. De berekeningen m.b.t. de belegging is gebaseerd op een verwachte koersstijging van 12,5% en 2% dividendrendement over de koerswaarde. Hier kan dan weer een deel van belegd worden, één en ander is dan echter te bezien, dat hangt van de ontwikkelingen af, met name met betrekking tot het verhuurde huis”.

Ten slotte wordt geconcludeerd:

“Door nu een beperkt deel van uw eigen geld aan het werk te zetten, heeft u in de toekomst naar verwachting nog steeds een fors kapitaal over, waarmee u ook in de toekomst uw levensstijl kunt handhaven, en dat op dit moment ook gewoon kunt blijven doen”.

4.12.

Dexia heeft het betoog van Afneemster ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomsten bestreden. Zij wijst erop dat het financieel plan uit 2003 stamt, zodat het nooit als basis voor het aangaan van de overeenkomsten kan hebben gediend. Dat volgt volgens Dexia uit de datering van de brief die bij dezelfde productie is overgelegd. Voor zover wordt geoordeeld dat deze brief niet bij het financieel plan hoort, stelt zij dat het financieel plan zelf niet van een datering is voorzien, zodat niet kan worden vastgesteld of het document voorafgaand aan het afsluiten van de overeenkomsten is opgesteld. Daarnaast heeft het financieel plan geen enkele betrekking op enig effectenleaseproduct.

Hierin wordt Dexia niet gevolgd. Uit niets blijkt dat de hiervoor genoemde brief bij het plan hoort. De brief is gestuurd ter aankondiging van organisatorische wijzigingen binnen Spaar Select en bevat geen enkele verwijzing naar het financieel plan. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiseres] dat de brief abusievelijk aan het procesdossier is toegevoegd. Uit het financieel plan blijkt dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van Afneemster gericht financieel advies van de adviseur van Spaar Select. Aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van Afneemster heeft Spaar Select geadviseerd om een beleggingsconstructie met een looptijd van vijf jaar aan te gaan, waarbij Afneemster een bedrag van  55.200,- “aan het werk moest zetten”, hetgeen Afneemster uiteindelijk gedaan heeft door onderhavige overeenkomsten aan te gaan. De omstandigheid dat een verwijzing naar een specifiek effectenleaseproduct van Dexia ontbreekt, doet aan het voorgaande niet af. Uit de omstandigheid dat in het plan een inleg van  55.200,- is genoemd en juist dat bedrag ook in de overeenkomsten is ingelegd, wordt afgeleid dat het plan is gevolgd door de overeenkomsten.

4.13.

[eiseres] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten, dat Spaar Select een op de persoon van Afneemster toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit. In diverse uitspraken van verschillende rechtbank is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures (waaronder deze) overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. De rechtbank betrekt hierbij ook het oordeel van het Gerechtshof Den Haag, neergelegd in het arrest van

12 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2530, waarin is geoordeeld over de wetenschap destijds van Dexia, haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van Dexia van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van Spaar Select en het belang van Spaar Select als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in de huidige procedure omtrent deze stukken een ander oordeel te geven.

4.14.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan Afneemster en [eiseres] , komt uit deze stukken wel naar voren dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van leaseovereenkomsten, zoals in dit geval de overeenkomsten met Afneemster, navraag te doen bij Spaar Select of de desbetreffende klant de overeenkomsten is aangegaan op advies van Spaar Select, teneinde te kunnen beoordelen of zij de overeenkomsten met Afneemster kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat Afneemster door Spaar Select is geadviseerd.

aansprakelijkheid
4.15. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Afneemster de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afneemster onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Afneemster omstandigheden toerekenbaar die tot haar schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7). Deze lijn is nadien bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

4.16.

De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afneemster heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomsten met Afneemster aan te gaan, terwijl Afneemster als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn.

4.17.

De als gevolg daarvan door Afneemster/ [eiseres] geleden schade, bestaande uit de door Afneemster betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de betaalde restschuld dient Dexia te vergoeden. De gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt, zijnde de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte van de schade. [eiseres] heeft geen concreet bedrag ter zake van de schade gesteld. Dit moet echter inmiddels door partijen te begroten zijn.
Ook moet rekening gehouden worden met het fiscale voordeel dat door Afneemster is genoten. Dexia heeft onweersproken gesteld dat het voordeel € 1.109,70 bedraagt.
Dit deel van de vordering zal derhalve worden toegewezen als na te melden.


buitengerechtelijke kosten
4.18. [eiseres] heeft vergoeding gevorderd van buitengerechtelijke kosten. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, over deze kwestie uitgesproken. In het arrest is geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen.
In de procedure van partijen zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die, welke in het arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van de belegger en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van de belegger te kunnen bepalen, zodat ook in dit geval geen aanspraak bestaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

uitvoerbaar bij voorraad
4.19. [eiseres] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert verweer hiertegen en verzoekt een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarbij wijst Dexia er op dat deze vordering onderdeel is van het grote aantal procedures. De financieel nadelige gevolgen voor Dexia bij een (massale) uitvoerbaar bij voorraad verklaring van betalingsveroordelingen staan niet in verhouding tot het relatieve ongemak van [eiseres] om wat langer te moeten wachten op betalingen, te meer omdat Afneemster/ [eiseres] zelf al vele jaren gewacht heeft voordat de procedure is begonnen. Ook is er een restitutierisico, aldus Dexia. [eiseres] betwist dat sprake is van een restitutierisico.

4.20.

Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden, dat degene, die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft (HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden (HR 17 juni 1994, NJ 1994/591). Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993/468). Dexia heeft niet onderbouwd dat en waarom uitvoerbaar bij voorraadverklaring voor haar zal leiden tot financieel nadelige gevolgen. Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van [eiseres] . Het belang van Dexia weegt niet zwaarder dan het belang van [eiseres] , zodat de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegewezen zal worden.

proceskosten

4.21.

Nu Dexia grotendeels in het ongelijk gesteld wordt zal zij worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen, zoals gevorderd, worden vastgesteld op € 100,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afneemster heeft gehandeld door haar als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat Spaar Select Afneemster niet alleen als klant aanbracht maar haar tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Select geen vergunning daarvoor bezat,

5.2.

veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen de door Afneemster/ [eiseres] geleden schade met betrekking tot de overeenkomsten met nummers 22501168, 22501167, 22501166, 22501164, 22501163, 22501162 en 22501161, bestaande uit de door haar betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen en het fiscale voordeel ad € 1.109,70) en het niet vergoede gedeelte van de betaalde restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de betaling daadwerkelijk is voldaan tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden vastgesteld op:

a. kosten dagvaarding € 100,89

b. griffierecht € 83,00

c. salaris gemachtigde € 500,00

5.4.

veroordeelt Dexia in de nakosten ten bedrage van € 100,00,

5.5.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

SL