Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:397

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
244658 FT RK 20/185
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omschrijving: Afwijzing verzoek dwangakkoord. Eén schuldeiser. Tijdens aanhangig zijn verzoek dwangakkoord moest inschrijving echtscheidingsbeschikking in registers burgerlijke stand worden afgewacht. In die periode heeft verzoekster fulltime betaalde arbeid verworven en kon niet meer worden geoordeeld dat het maximaal haalbare aan de enige schuldeiser is aangeboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 244658 FT RK 20/185

datum vonnis: 5 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekster,

verder te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: gemeente Zwolle, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inkomensondersteuning,

tegen

de naamloze vennootschap ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: ING,

gemachtigde: Vesting Finance te Amersfoort,

verweerster,

Ten aanzien van de goederen van [verzoekster] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Beschermingsbewind Centraal Nederland B.V. tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) en heeft tegelijkertijd verzocht een dwangakkoord (verzoek ex artikel 287a Faillissementswet) vast te stellen.

Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord (verzoek dwangakkoord) is behandeld ter terechtzitting van 7 september 2020. Naar aanleiding van die behandeling ter zitting is op 21 september 2020 een tussenvonnis gewezen.

Het eindvonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De feiten

Het tussenvonnis van 21 september 2020 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. In het tussenvonnis is [verzoekster] opgedragen uiterlijk 9 november 2020 een bewijs van de inschrijving van haar echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan te leveren of, indien die inschrijving op 9 november 2020 nog niet had plaatsgevonden, een schriftelijk bericht waarom dit niet het geval was.

De schuldenlast van [verzoekster] bestaat uit één schuld. Het betreft een schuld aan ING van 53.753,32. [verzoekster] heeft een prognosevoorstel aan ING van 6,63 % gedaan, inhoudende dat op een termijn van drie jaar 6,63 % van de vordering van ING wordt betaald tegen verlening van finale kwijting door ING. Het aanbod is gebaseerd op de minimale afloscapaciteit van de NVVK-tabel plus een reeds gespaard saldo. ING heeft het aanbod geweigerd. ING heeft als tegenvoorstel een betalingsregeling van € 50,-- per maand voor onbepaalde tijd gedaan.

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling die is aangeboden.

Ten tijde van de indiening van het verzoek dwangakkoord en de behandeling van het verzoek dwangakkoord ter zitting ontving [verzoekster] een WW-uitkering. Hierop was het aanbod in het minnelijk traject gebaseerd. Halverwege september 2020 is [verzoekster] in dienst getreden van [bedrijfsnaam] . Het nettoloon van [verzoekster] bedraagt € 1.604,38 per maand.

Op 7 december 2020 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank concludeert dat recent aan de ontvankelijkheidseis voor inhoudelijke behandeling van de verzoeken dwangakkoord en schuldsanering wat betreft de burgerlijke staat van [verzoekster] is voldaan. [verzoekster] heeft door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, de medewerking van haar ex-partner niet meer nodig.

De rechtbank concludeert echter ook dat de financiële situatie van [verzoekster] zodanig is verbeterd dat, ervan uitgaande dat [verzoekster] haar baan behoudt, er een (aanzienlijk) hoger aanbod aan ING kan worden gedaan. De rechtbank is van oordeel dat hoewel er sprake is van een prognosevoorstel, er doordat er een substantieel hoger aanbod kan worden gedaan, niet meer kan worden geconcludeerd dat het maximaal haalbare aan ING is aangeboden.

Op grond van vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van [verzoekster] om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek ex artikel 287a Faillissementswet af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant ter openbare terechtzitting van

5 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 […] .