Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:3892

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-10-2021
Datum publicatie
19-10-2021
Zaaknummer
08/191509-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor het hebben van een hennepkwekerij in een woning in Deventer is een 32-jarige man veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de man meerdere keren heeft geoogst en daar ruim 188.000 euro illegaal mee heeft verdiend. Dat moet hij afstaan aan de Staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/191509-20 (P)

Datum vonnis: 19 oktober 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,

wonende aan het [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 oktober 2021.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. van Haaren-Paulus en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen of alleen hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of aanwezig heeft gehad, dan wel daaraan medeplichtig is geweest;

feit 2: samen met anderen of alleen elektriciteit heeft gestolen door middel van braak of verbreking, dan wel daaraan medeplichtig is geweest.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 17 oktober 2019 te Deventer tezamen en in vereniging met een

of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 247, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 7 juli 2018 tot en met 17 oktober 2019 te Deventer met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een groot aantal hennepplanten (tenminste 247 hennepplanten) en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2

hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2018 tot en met 17 oktober 2019 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Enexis Netbeheer BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak en/of verbreking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 17 oktober 2019 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een grote hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Enexis Netbeheer BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand en/of de daarin aanwezige elektrische installatie voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsmotivering

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft bepleit dat de ten laste gelegde periode slechts bewezen kan worden vanaf zomer 2019. Daar verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de hennepkwekerij heeft opgezet als katvanger in opdracht van iemand anders, kan ook het medeplegen wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

Ten aanzien van feit 1 primair

  1. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met daarin de bekennende verklaring van verdachte, van 31 oktober 2019, pagina’s 45 tot en met 51;

  2. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 21 november 2019, pagina’s 56 tot en met 59;

Ten aanzien van feit 2 primair

3. Een proces-verbaal van aangifte van Enexis Netbeheer met bijlage, pagina’s 104 tot en met 132;

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 21 november 2019, pagina’s 32 tot en met 34;

5. Een geschrift zijnde een huurcontract, pagina’s 100 en 101;

6. Een geschrift zijnde een rapport berekening wederrechtelijk voordeel van 10 januari 2020, pagina’s 68 en 69.

Ten aanzien van het medeplegen (de feiten 1 en 2 onder primair)

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de kwekerij niet voor zichzelf heeft aangelegd, maar functioneerde als katvanger in opdracht van iemand anders. Verdachte wil de naam van deze persoon niet noemen, omdat hij bang is dat hij daar problemen mee krijgt. De verklaring van verdachte over een opdrachtgever is niet nader onderbouwd en evenmin verifieerbaar nu hij geen naam wil noemen. Verdachte had hierover niet eerder verklaard. In het dossier bevindt zich geen ondersteunend bewijs voor het in vereniging plegen van de feiten. De rechtbank acht dan ook onvoldoende bewijs aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen en zal verdachte dan ook vrijspreken van het medeplegen.

Ten aanzien van de periode (feit 2)
Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij de kwekerij heeft opgezet in de zomer van 2019 (mei/juni) en de daaruit volgende diefstal van de stroom heeft gepleegd vanaf de zomer van 2019. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een huurcontract bevindt waaruit blijkt dat verdachte de woonruimte aan de [adres] te Deventer heeft gehuurd met ingang van 7 juli 2018.2 De verhuurder, [medeverdachte] , heeft op 21 november 2019 bij de politie verklaard dat verdachte de sleutel van appartement heeft gekregen toen hij het huurcontract tekende, op 7 juli 2018.3 Uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt na het uitlezen van de slimme energiemeter door Enexis dat de elektriciteit op 13 augustus 2018 om 11:58 uur is uitgeschakeld en vervolgens op 13 augustus 2018 om 12:20 uur weer is ingeschakeld. Volgens Enexis was er op dat moment geen sprake van een storing, zodat het zeer aannemelijk is dat op dat tijdstip de elektrische installatie voor de hennepkwekerij is aangelegd.4 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de periode waarin verdachte elektriciteit heeft gestolen ten behoeve van de hennepkwekerij is aangevangen op 13 augustus 2018. De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 2 wettig en overtuigend bewezen in de periode van 13 augustus 2018 tot en met 17 oktober 2019.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 17 oktober 2019 te Deventer opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, (in een pand gelegen aan de [adres] aldaar) een hoeveelheid van 247hennepplanten en delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2 primair

hij in de periode van 13 augustus 2018 tot en met 17 oktober 2019 te Deventer, een grote hoeveelheid elektriciteit, toebehorend aan Enexis Netbeheer BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 primair

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 180 uren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de strafeis van de officier van justitie te matigen tot een taakstraf van op zijn hoogst 120 uren.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen, bewerken, verwerken en bereiden van een grote hoeveelheid hennepplanten in een woning. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van stroom.

Verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan het op de markt brengen van softdrugs. Het gebruik van hennep vormt een bedreiging voor de volksgezondheid en een aanmerkelijk deel van de criminaliteit vindt direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van drugs. Daar komt bij dat hennepteelt in woningen dikwijls overlast en (brand)gevaarlijke situaties in die woningen en daarmee in woonwijken veroorzaakt. Verdachte heeft zich kennelijk om deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2021, waaruit blijkt dat verdachte is gedagvaard voor twee overtredingen van de Opiumwet met als pleegdatum 1 januari 2020.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor het kweken van 100 tot en met 500 hennepplanten geldt als oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Hennepteelt gaat vaak gepaard met diefstal stroom. Voor dat delict bestaat geen afzonderlijk oriëntatiepunt.

Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten van de LOVS. De rechtbank acht derhalve een taakstraf van 120 uren passend en geboden.

Daarnaast zal de rechtbank, om verdachte er van te weerhouden dat hij zich opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig maakt, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand opleggen en hieraan een proeftijd van twee jaren verbinden.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2 primair

het misdrijf: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

- De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. D.E. Schaap en mr. J. Faber, rechters, in tegenwoordigheid van A.de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam IJsselland-Zuid met nummer PL0600-2020199364. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Een geschrift zijnde een huurcontract, pagina 101.

3 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 21 november 2019, pagina 33.

4 Een geschrift zijnde een rapport berekening wederrechtelijk voordeel van 10 januari 2020, pagina’s 68 en 69.