Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2021:386

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-01-2021
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
C/08/259178 / KG ZA 20-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ex-echtelieden zijn 2011 gescheiden en de voormalige gezamenlijke woning is nog steeds niet verdeeld. De vrouw is reeds in 2019 d.m.v. een beschikking opgedragen medewerking te verlenen aan de verdeling van de woning maar daar is nog weinig van terecht gekomen. De vrouw wordt nu middels onderhavig kort geding veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/259178 / KG ZA 20-300

Vonnis in kort geding van 26 januari 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer te Almelo.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 december 2020 met producties,

  • -

    de aanvullende producties bij dagvaarding,

  • -

    de eis in reconventie van 11 januari 2021 met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling via CMS op 12 januari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Op 2 februari 2011 is de echtscheiding uitgesproken welke op 15 juli 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna ook: de woning). Op de woning is een recht van hypotheek ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V. gevestigd. Ten aanzien van de betaling van rente en aflossing op de hypothecaire geldlening zijn partijen hoofdelijk aansprakelijk. [eiser] heeft de woning in 2007 verlaten. [gedaagde] is samen met de drie dochters van partijen in de woning blijven wonen. Zij betaalt de hypotheek- en woonlasten. De woning is niet verdeeld.

2.3.

Bij verzoekschrift van 27 mei 2019 heeft [eiser] de rechtbank verzocht om hem te machtigen tot het te gelde maken van de woning om een gewichtige reden, als bedoeld in artikel 3:174 Burgerlijk Wetboek (BW). Tijdens de mondelinge behandeling is tussen partijen overeenstemming bereikt, welke overeenstemming is opgenomen in de beschikking van 31 juli 2019. De beslissing luidt:

“De rechtbank

4.1.

bepaalt dat de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] per 1 oktober 2020 te koop zal worden gezet, waarbij partijen NVM-makelaar Des Huizes te Hengelo (O) zullen aanwijzen om met ingang van die datum het verkooptraject ter hand te nemen en de verkoopprijs en de termijn van oplevering te bepalen. Partijen zullen daarbij alle medewerking verlenen die daartoe noodzakelijk is, waaronder hun medewerking aan het transport bij de notaris;

4.2.

verleent [eiser] , bij gebreke van de hiervoor onder 4.1. omschreven medewerking van [gedaagde] , met ingang van de dag waarop zij haar medewerking weigert machtiging tot het te gelde maken van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] , met bepaling dat hij dan als vertegenwoordiger van [gedaagde] een in de ogen van de makelaar aanvaardbaar bod kan aanvaarden en dat hij al datgene kan doen dat nodig is om tot verkoop en levering van de woning te geraken en tot afwikkeling van de hypothecaire geldlening en de aan de verkoop en levering verbonden kosten;”

2.4.

Bij brief van 12 mei 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] medegedeeld dat [gedaagde] nog geen nieuwe woning heeft en dat zij verzoekt om de termijn van 1 oktober 2020 met een jaar uit te stellen, tot 1 oktober 2021.

2.5.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 mei 2020 gereageerd en bericht dat [eiser] hier niet mee akkoord kan gaan.

2.6.

Bij bericht van 5 juni 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] gesteld dat [gedaagde] niet meewerkt aan de verkoop van de woning zolang zij geen zicht heeft op een huurwoning.

2.7.

In augustus 2020 heeft [eiser] contact opgenomen met de heer [A] , werkzaam als makelaar bij Des Huizes Makelaars, zodat voorbereidingen konden worden getroffen om de woning met ingang van 1 oktober 2020 in de verkoop te zetten. De heer [A] heeft vervolgens contact met [gedaagde] opgenomen. [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt eerst met haar advocaat te willen overleggen en heeft later gesteld niet open te staan voor een afspraak, omdat het voor haar door COVID-19 niet mogelijk zou zijn om een andere woning te vinden. De e-mail waarin de heer [A] dit verklaart is opgenomen als productie 3 bij dagvaarding.

2.8.

Op 7 september 2020 heeft [eiser] de deurwaarder de grosse van de beschikking van 31 juli 2019 laten betekenen en tevens bevel gedaan om aan de inhoud van de voormelde titel(s) te voldoen. Dit stuk is opgenomen als productie 2 bij dagvaarding.

2.9.

Bij e-mail van 22 september 2020 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van [gedaagde] verzocht om hem uiterlijk 25 september 2020 te berichten of [gedaagde] medewerking wilde verlenen aan het in gang zetten van het verkooptraject.

2.10.

Bij e-mail van 25 september 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] medegedeeld dat [gedaagde] bij de hypotheekverstrekker zou hebben geïnformeerd naar de mogelijkheid om [eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld en heeft de advocaat van [gedaagde] verzocht om de uitkomst van dat overleg met de bank af te wachten.

2.11.

Bij e-mail van 30 september 2020 heeft [eiser] [gedaagde] tot uiterlijk 9 oktober 2020 de tijd gegeven om met een concreet schriftelijk bewijs van de hypotheekverstrekker te komen waaruit blijkt of de vrouw de woning kan overnemen of niet. Een schriftelijk bewijs is uitgebleven. Door de advocaat van [gedaagde] is wel medegedeeld dat [gedaagde] telefonisch contact zou hebben gehad met de heer [B] van ABN Amro en dat zij had begrepen dat er een grote kans bestaat dat er voor haar mogelijkheden zouden zijn om de hypotheekschuld over te nemen en [eiser] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

2.12.

Vervolgens kwam de vraag van [gedaagde] of [eiser] kon instemmen met toedeling van de woning aan [gedaagde] tegen de waarde gelijk aan de hypotheek en of [eiser] bereid was om de helft van de kosten verbonden aan de overdracht te voldoen. [eiser] heeft hiermee ingestemd en heeft zich bereid verklaard de helft van de kosten verbonden aan de overdracht tot een maximum van € 1.325,-- te voldoen, onder de voorwaarde dat uiterlijk op 30 november 2020 de overdracht van de woning en het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijkheid zou hebben plaatsgevonden. Daarna heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd een keuze te maken uit één van de drie door haar voorgestelde notarissen. Dit heeft [eiser] ook gedaan.

2.13.

Op 1 december 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] medegedeeld dat [gedaagde] een belastingaanslag heeft gekregen van rond de € 3.500,-- (hierna ook: de belastingschuld), waardoor de bank niet akkoord wil gaan met het verlenen van het ontslag uit de hoofdelijkheid.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert om bij vonnis in kort geding, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uren na het in deze te wijzen vonnis de toegangssleutel, althans een duplicaat daarvan, van de woning aan de [adres] te [plaats] , af te geven aan één van de makelaars van NVM-makelaar Des Huizes te Hengelo (O);

  2. te bepalen dat [gedaagde] haar medewerking dient te verlenen aan het in de woning toelaten van de makelaar en van eventuele kopers die samen met de makelaar de woning willen bezichtigen;

  3. [gedaagde] te verbieden om bij bezoeken van de makelaar in de woning aanwezig te zijn;

  4. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na betekening van dit vonnis en elke twee weken na het verstrijken van die termijn, de woning en de bijbehorende tuin te (doen) onderhouden en op te ruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  5. [gedaagde] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van de woning;

  6. [gedaagde] te veroordelen om, zodra de woning verkocht wordt aan een derde, uiterlijk op de dag voor de dag dat de akte ten behoeve van de verkoop van de woning bij de notaris is verleden, de woning te ontruimen en haar sleutels af te geven aan [eiser] dan wel aan de makelaar;

  7. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere keer dat zij niet aan één of meer van de bovenstaande vorderingen c.q. bepalingen c.q. verboden voldoet, tot een maximum van € 30.000,-- is bereikt;

  8. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst toekomt aan partijen samen, ieder de helft;

  9. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] , ondanks haar toezegging tijdens een eerdere zitting die heeft geleid tot de beschikking van 31 juli 2019, weigert haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. [eiser] stelt spoedeisend belang te hebben bij zijn vorderingen, omdat hij samen met zijn nieuwe partner een woning wil kopen, maar dit niet kan omdat hij nog schuldenaar is van de op de echtelijke woning rustende hypotheek. Volgens [eiser] dient [gedaagde] in de proceskosten te worden veroordeeld, omdat zij weigert mee te werken aan de verkoop van de woning door de makelaar niet toe te laten in de woning, terwijl zij tijdens een eerdere zitting heeft toegezegd hiermee akkoord te gaan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [eiser] te gebieden de executie van de beschikking van 31 juli 2019 voor de duur van maximaal een jaar, gerekend vanaf de datum van het in deze te wijzen vonnis, te staken en gestaakt te houden, althans deze op te schorten tot het moment dat de woning aan de [adres] te [plaats] aan [gedaagde] is geleverd met ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] dan wel zodra [gedaagde] vervangende woonruimte heeft gevonden, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag c.q. gedeelte van een dag tot een maximum van € 25.000,--;

II. te bepalen dat [eiser] in de helft van de kosten van de aanvraag en de afhandeling van het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de notariële akte van verdeling dient bij te dragen;

Subsidiair:

III. te bepalen dat [eiser] met ingang van heden in de helft van de hypotheeklasten die zijn verbonden aan de hypotheekschuld van de gezamenlijke woning aan de [adres] te [plaats] dient bij te dragen;

Primair en subsidiair:

IV. kosten rechtens.

4.2.

[gedaagde] legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat zij de woning graag zou willen overnemen en dat dit nog steeds een mogelijkheid is, maar dat zij tijd nodig heeft om de belastingschuld af te lossen en om de kosten die gepaard gaan met het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijheid te financieren. Een alternatief is volgens [gedaagde] op dit moment nog steeds niet voorhanden en toewijzing van de vorderingen van [eiser] zou ertoe leiden dat [gedaagde] op korte termijn de woning dient te verlaten en nergens terecht kan in deze coronaperiode.

4.3.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. Van [eiser] kan niet worden verlangd dat hij nog langer in een onverdeelde boedel blijft. De echtscheiding is bijna tien jaar geleden uitgesproken. [eiser] wil verder met zijn leven en heeft ter zitting verklaard een andere woning te willen kopen, wat niet gerealiseerd kan worden zolang de woning niet verdeeld is.

5.2.

De voorzieningenrechter wijst de vordering toe op de wijze zoals hierna bepaald. Zij overweegt daartoe als volgt.

5.3.

Vast staat dat, op verzoek van [eiser] , reeds in 2019 een procedure tussen partijen is gevoerd over de verdeling van de woning en dat partijen ter zitting zijn overeengekomen dat de woning per 1 oktober 2020 te koop zal worden gezet en dat [gedaagde] alle medewerking zal verlenen die daartoe noodzakelijk is. [gedaagde] heeft echter niet meegewerkt aan de verkoop van de woning. Eind 2020 heeft zij getracht de woning op haar naam te zetten en [eiser] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat is uiteindelijk niet gelukt vanwege de aan [gedaagde] opgelegde aanslagen Inkomstenbelasting over de jaren 2017, 2018 en 2019. [gedaagde] heeft verklaard de woning alsnog over te willen nemen. Dit is volgens haar nog steeds een mogelijkheid, zodra [gedaagde] de belastingschuld heeft afgelost. De schuld bedraagt volgens haar opgave, na verrekening met de voorlopige teruggave over 2021 van € 903,--, nog € 1.628,--. Daarvan lost zij iedere maand (minimaal) € 216,-- af, zodat er nog maximaal acht termijnen open staan. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat [gedaagde] de woning graag wil overnemen, kan van [eiser] – mede gezien het lange tijdsverloop dat hieraan reeds is vooraf gegaan – niet worden verwacht en verlangd nog langer in onzekerheid te verkeren of [gedaagde] de woning wel daadwerkelijk op haar naam kan zetten én [eiser] kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erop gewezen dat [gedaagde] geen enkel bewijs heeft overlegd dat de bank bereid is [eiser] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en dat dit ook niet valt af te leiden uit de als productie 5 door [gedaagde] overgelegde verklaring van de heer [B] van ABN AMRO Bank N.V. van 8 januari 2020, nu hierin slechts staat vermeld dat de hypothekengroep van de bank akkoord heeft verleend om de aanvraag op te starten om de gezamenlijke hypotheek en woning op naam van [gedaagde] te zetten, hetgeen niet inhoudt dat de bank hiertoe reeds bereid is.

5.4.

Het belang van [gedaagde] verzet zich bovendien niet tegen toewijzing van het door [eiser] gevorderde. [gedaagde] weet al sinds de echtscheiding in 2011 dat de woning verdeeld dient te worden. Zij heeft ruim een jaar de tijd gehad om andere woonruimte te vinden, dan wel (om haar mogelijkheden af te tasten) om de woning over te nemen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat voor haar en de kinderen geen andere woonruimte beschikbaar is op korte termijn. [gedaagde] heeft in dat kader enkel gesteld dat zij in mei 2020 bij één sociale huurwoning in [plaats] op plek 30 stond en bij andere sociale huurwoningen in [plaats] op een hogere plek, alsmede dat het aanbod van woningen gelet op de coronacrisis fors minder was. Uit productie 4 aan de zijde van [eiser] volgt echter dat er (volgens woningcorporatie Welbions) in 2020 slechts “iets minder” sociale huurwoningen zijn vrijgekomen vergeleken met 2019, en uit productie 5 aan de zijde van [eiser] blijkt dat er begin januari 2021 op Funda 43 huurwoningen beschikbaar zijn. Dat [gedaagde] bij toewijzing van het gevorderde met de kinderen ‘op straat komt te staan’, zoals zij heeft aangegeven te vrezen, acht de voorzieningenrechter dan ook voorshands niet aannemelijk.

5.5.

De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat de vorderingen 1 t/m 3, 5 en 6 van [eiser] , die ertoe strekken dat [gedaagde] medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning, zoals overeengekomen bij beschikking van 31 juli 2019, toewijsbaar zijn, met inachtneming van het navolgende.

5.6.

De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.

5.7.

Het door [eiser] onder 4. gevorderde acht de voorzieningenrechter niet toewijsbaar. Zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd is de vordering te onbepaald, nu deze te subjectief van aard is. Bovendien is de vordering niet deugdelijk onderbouwd door [eiser] . Het spreekt echter voor zich dat de woning in fatsoenlijke staat dient te verkeren tijdens bezichtigingen door potentiële kopers.

5.8.

Tegen de door [eiser] onder 8. gevorderde bepaling dat de netto verkoopopbrengst toekomt aan partijen samen, ieder voor de helft, is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

5.9.

Gelet op de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In hetgeen [eiser] op dit punt heeft gesteld wordt onvoldoende aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vorderingen I en II van [gedaagde] zullen worden afgewezen, gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen.

6.2.

[gedaagde] vordert onder III [eiser] vanaf heden te veroordelen in de helft van de hypotheeklasten die zijn verbonden aan de hypotheekschuld van de woning. Deze vordering zal – bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing – eveneens worden afgewezen.

6.3.

De proceskosten in reconventie worden eveneens gecompenseerd, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.9. is overwogen.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uren na het in deze te wijzen vonnis de toegangssleutel, althans een duplicaat daarvan, van de woning aan de [adres] te [plaats] , af te geven aan één van de makelaars van NVM-makelaar Des Huizes te Hengelo (O),

7.2.

bepaalt dat [gedaagde] haar medewerking dient te verlenen aan het in de woning toelaten van de makelaar en van eventuele kopers die samen met de makelaar de woning willen bezichtigen,

7.3.

verbiedt [gedaagde] om bij bezoeken van de makelaar in de woning aanwezig te zijn,

7.4.

veroordeelt [gedaagde] haar medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van de woning,

7.5.

veroordeelt [gedaagde] om, zodra de woning verkocht wordt aan een derde, uiterlijk op de dag voor de dag dat de akte ten behoeve van de verkoop van de woning bij de notaris is verleden, de woning te ontruimen en haar sleutels af te geven aan [eiser] dan wel aan de makelaar,

7.6.

bepaalt dat de netto verkoopopbrengst toekomt aan partijen samen, ieder voor de helft,

7.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.10.

wijst de vorderingen af,

7.11.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.1

1 type: coll: